Modder in Haags duet (1998)

Door een toeval komt Haags duet uit 1998 op m’n bureau, het Verslag van de verkiezings- en formatieperiode in de vorm van dagboeknotities door Frits Bolkestein (VVD) en Margriet Brandsma (NOS). Het idee is van de laatste, die in een Woord vooraf als cliché voor politici noteert: ijdel, arrogant en overwegend saai. Wat hij ook mag zijn, in ieder geval blijkt dat Bolkestein níet overwegend saai is voor wie z’n aantekeningen leest. Zíjn het wel dagboek-aantekeningen, notities die je als het ware binnensmonds mompelt, krabbels voor jezelf? Bij Brandsma oogt het in dit opzicht authentieker dan bij Bolkestein die veel dingen opschrijft voor de lezer van wie hij weet dat deze over z’n schouder meekijkt. “Ik word namelijk 65” noteert hij op zaterdag 4 april, niet direct een mededeling voor in een persoonlijk dagboek. Bij een klassiek concert de sponsor noteren, van een componist de reden van zijn vroege overlijden, vertellen waarheen de opbrengst van een lezing gaat – zoiets is enigszins verrassend in een dagboek, lijkt me.

Z’n interviewster Dieuwertje Blok (KRO-televisie) noemt Bolkestein “erg anti-VVD”, ze betichtte hem van het gooien met modder. “Nu heb ik dat nog nooit gedaan”, aldus de VVD-leider, “Noch zal ik het ooit doen.” Twee bladzijden verder noemt hij een landelijk bekende politicus “zuipschuit, ruitjetikker, versierder”. Als het vertrek van een zeer bekende bewindsman veel aandacht krijgt, noteert Bolkestein: “Wat een ophef over een mislukte minister!” Het gaat in beide laatste gevallen om iemand van de PvdA en D66, de coalitiegenoten met wie tijdens het schrijven van Haags duet onderhandeld wordt over een voortzetting van Paars.

Dat is een rood-groene draad door de bijdragen van de politicus. Behalve Wim Kok, premier en de nummer 1 van de PvdA met wie zaken gedaan worden voor Paars II, heeft hij voor veel collega’s uit de coalitie (plus De Hoop Keffer van het CDA) steken of steekjes klaar. Jan Pronk en Rick van der Ploeg (beiden PvdA) krijgen zelfs bij herhaling tikken uitgedeeld. Over Pronk: “Er is niet veel voor nodig om in de zandbak van de Nederlandse politiek een hele piet gevonden te worden.” En Van der Ploeg “is blijkbaar gesteld op gratuite provocaties” door de manier waarop hij als Kamerlid de gelofte aflegt. Anderen van de PvdA en D66 worden afgeschilderd als breedsprakig, drammerig, scoren als bewindsman een onvoldoende. Een bijdrage van de D66-onderhandelaar doet hij af met “geürm”, D66-bewindslieden noemt hij luitjes.

Neem daartegenover zijn eigen partij. Hij haalt wel een kritische uitspraak van Kees Fens over Hans Wiegel met instemming aan, maar verder is Bolkestein louter positief. “Een voortreffelijke verzameling posten en uitstekende mensen” heeft hij bijeen gebracht, concludeert de VVD-leider tegen het einde van de formatie. Eerder had hij al van Jacques Wallage (PvdA) geschreven dat deze spijt had van een aantal benoemingen in Paars-I om die passage af te ronden met: “Ik vind dat de VVD de beste ploeg heeft geleverd.” Vooroordeel bevestigende opmerkingen of zelfs grappen over socialisten (soms meegebracht uit Vlaanderen of Duitsland), verspreid over het boek debiteert Bolkestein er verschillende, het is een belangrijk kenmerk in die helft van Haags duet.

Kritiek op journalisten (bij de concurrentie én binnen de eigen NOS) heeft ook Margriet Brandsma, maar bij haar lijkt het allemaal veel genuanceerder, niet zo bijtend geschreven. Ze geeft terloops inkijkjes in het journalistieke televisiewerk van het eind van de 2oste eeuw. Verrassend is zij in haar observaties van haar collega-auteur, die tv-opnamen zeer geregeld over laat doen omdat deze niet tevreden is over de manier waarop hij iets naar voren brengt.

Tot besluit Bolkesteins precisie als hij het heeft over uitingen van zichzelf. Hij moet ergens een prevelementje houden, een uur voor een regionaal radiostation kwekken of hij heeft voor de televisie gebabbeld over infrastructuur. Bij de formatie geeft  hij aan het journaille  “dezelfde stomme antwoorden op dezelfde stomme vragen”. Het moet hem opgelucht hebben dat hij niet lang na de formatie van Kok-II de vaderlandse politiek kon verlaten, met zevenmijlslaarzen weg van de natte grond in de polder.

 

 

Frits Bolkestein en Margriet Brandsma, Haags duet. Verslag van de verkiezings- en formatieperiode. Amsterdam, 1998.

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Vrienden tegen wil en dank

Het boek van Wilma Borgman en Max van Weezel over Rutte-II is een boek van dichtbij: het gaat over het tweede kabinet van Rutte en ook nog een beetje over de totstandkoming van het derde, het speelt op die vierkante kilometer waar het in dit blog omdraait. Het tweede kabinet van Mark Rutte bestond uit een verrassende coalitie van tegenpolen die in tijden van crisis vooral problemen oploste maar in de peilingen al snel z’n meerderheid kwijt was. Het leek in dat opzicht op wat de jonge Ruud Lubbers op het Canisius overkwam. Prima cijfers Ruudje! Maar je doubleert, de paters vinden het lastig dat je iedere avond een uur voor je klasgenoten al wilt gaan slapen omdat je een jaartje jonger bent. Hoe onterecht, hoe zinvol de latere premier dat ook heeft ervaren.

De taal in Vrienden tegen wil en dank komt de lezer van dit blog misschien best wel vertrouwd voor. Sander Dekker beklaagt de collega’s die niet in de directe werkomgeving wonen, “dat lijkt mij best wel heftig en zwaar”.

Hij zal geregeld een constructie aantreffen zoals die Arie Slob (CU) in de mond gelegd wordt op blz. 136: “dit gaat niet gratis zijn voor de coalitie”, een aan het Engels ontleende manier van zeggen van gaan+werkwoord om een toekomstige tijd uit te drukken. Het woord ruig wordt op diverse plaatsen benut in de modernere betekenis van ‘hard, zwaar, wel even slikken’. Het Lenteakkoord was een ruig pakket, maar het eerdere regeerakkoord was ook al ruig genoemd – later is Martin van Rijns portefeuille “wel erg ruig, jongens”.

Opereren bepaalde ministers (zoals Stef Blok) “onder de radar” net als PvdA-leider Diederik Samsom? Dat is een nieuwe aanduiding van onzichtbaarheid, vanaf 2012 in de Handelingen voorkomend met Boris van der Ham (D66) als eerste spreker en direct omarmd in de Plenaire Zaal. Lodewijk Asscher neemt zich al even eigentijds voor dat hij het verschil wil maken in de Kamer. Klaas Dijkhoff is dienend in zijn taak als bewindsman, zegt hij, zo zit hij erin, in de wedstrijd zeg maar. En Henk Kamp waarschuwt dat het maar goed is dat het een minister in het kabinet niet alleen maar om z’n eigen dingetje gaat. Eigentijds, eigentijds, eigentijds Binnenhofs.

Eind 2014 gebeurde er in de Eerste Kamer iets verrassends. In de Senaat was de coalitie van VVD en PvdA telkens op hulp van een deel van de oppositie aangewezen, C3 ook wel de constructieve drie genoemd (te weten D66, CU en SGP). Terwijl dat voor een zorgvoorstel van minister Schippers geregeld was, stemde de VVD wel maar de PvdA onverwacht niet unaniem voor. Edith Schippers op blz. 51: “Toen voelden de constructieve drie zich enorm genomen. De regeringspartijen hadden hen overgehaald mee te doen en toen kwamen ze in de Eerste Kamer op de koude koffie.”

Daar kunnen we waarschijnlijk zien dat de interviewers hun gesprekspartners zo veel mogelijk aan de lezers hebben willen laten hóren. Het tegenstemmen door de PvdA’ers Duivesteijn, Linthorst en Ter Horst zorgde ervoor dat C3 en coalitie op de koffie óf van een koude kermis thuis kwamen – twee Nederlandse uitdrukkingen die grote teleurstelling uitdrukken en die hier (nog steeds in een zekere emotie?) gemixt zijn tot op de koude koffie komen. Heerlijke cappuccino.

Binnenhofs taalgebruik ontbreekt in het belangrijkste deel van het boek, het slot dat meer body heeft dan het voorgaande. Dat betreft een royaal stuk over de lessen die te trekken zijn uit Rutte II en waarvoor de auteurs te rade zijn gegaan bij Bas Jacobs (de econoom, Jeroen Dijsselbloem mag op hem reageren), Kim Putters (Sociaal en Cultureel Planbureau) en Wim Voermans (staatsrecht).

Vrienden tegen wil en dank (website Balans)

Wilma Borgman en Max van Weezel, Vrienden tegen wil en dank. De lessen van het tweede kabinet-Rutte. Amsterdam 2018.

 

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment

Efkes aandacht voor Bruno Bruins’ taalgebruik

Aan de orde kwam deze week (16 mei) in de Tweede Kamer een debat over het rapport van de Onderzoekscommissie seksuele intimidatie en misbruik in de sport. Aanwezig bewindsman is Bruno Bruins (de minister voor Medische Zorg en Sport). D66-Kamerlid Anja Diertens had het debat aangevraagd, Michiel van Nispen (SP) dient de meeste moties in. De minister sprak daar niet zo’n positief oordeel over, het was afraden of een vraag om aanhouden “opdat ik haar kan meenemen naar het kabinet om er daar het gesprek over te voeren”.

Hier spreekt (hoe bescheiden ook overkomend) een bewindspersoon: Opdat! Wie zegt er nog opdat tegenwoordig!

Van Nispen toonde begrip, maar zou toch wel graag een reactie van het kabinet willen hebben op aanbevelingen van een verkennende werkgroep. “Zo wereldschokkend is dat verzoek dus ook weer niet. Kan er daarom misschien voor dinsdag een brief liggen?” Dat is de vriendelijk gestelde vraag op woensdag 16 mei, ruim vijf uur. En de minister kijkt in gedachten naar z’n agenda om antwoord te kunnen geven op de concrete na-vraag van Kamervoorzitter Voortman: “Is dat mogelijk, meneer de minister?

Minister Bruins: Nee. Dat wordt een brief met heel weinig inhoud. Het is nu woensdagmiddag en we hebben de pinksterdagen nog vóór volgende week dinsdag. Het verzoek is inderdaad niet zo schokkend, maar de thematiek is wel indringend en verhoudt zich niet met efkes een briefje posten voor volgende week dinsdag, zeker niet als we daar ook nog met collega’s het gesprek over moeten voeren.”

BRUNO BRUINS (website ministerie)

De minister voor Medische Zorg en Sport die net nog opdat had gezegd om met Het Kabinet te kunnen overleggen, houdt nu de oppositie op een afstandje met een antwoord waarin het woord efkes voorkomt. Over taalvariatie gesproken, over botsing van stijlregisters. Efkes! Dat staat net als effe in Van Dale, notate bene. Effe is de informele vorm van even, efkes is Belgisch Nederlands schrijft Van Dale (toegevoegd in 2009, dan pas). Allee, spreekt Bruno Bruins opeens Vlaams? Welnee, het betreft zonder twijfel een Noord-Nederlandse, volkstalige variant uit de mond van de excellentie, zij het nu niet Westelijk zoals in het geval van effe maar waarschijnlijk zuidelijk. Misschien éventjes over de grote rivieren vanuit Arnhem bezien.

Een volkstaalvorm wordt soms door sprekers in de politieke arena gebruikt om op distantie te gaan van iemand bij wie ze niet willen horen of van een plan, een mening, een voorstel waar ze het niet mee eens zijn. Door niet even of eventjes te gebruiken klinkt het nét even bijzonderder – voor wie het hoort. Zie bijvoorbeeld de bijdrage onder de titel Teugen en vergeet de aanvullingen bij dat stuk niet.

Iedereen heeft vrijheid van meningsuiting en al helemaal binnen de muren van het Parlement, dus waarom zou mr. drs. Bruins niet efkes mogen zeggen in plaats van het normale even of eventjes in het ABN? Maar het is opvallend genoeg om mede-taalliefhebbers daar op te attenderen. Bovendien was het de allereerste maal dat het woord in de richting lijkt te gaan van opneming in de Handelingen.

Lof aan de Dienst Verslag en Redactie die de uitspraak van de minister vlot in het ongecorrigeerde verslag zette én precies in de vorm waarin hij het zei.

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Anachronologie: Persoonlijke herinneringen van Ruud Lubbers (2018)

Het Nawoord door Hannah Aukes maakt duidelijk, hoe bijzonder de ontstaansgeschiedenis van dit boek is, dat het er kwam en dat Ruud Lubbers (1939-2018) bij de afronding in feite zelfs nog mee heeft kunnen helpen. De oud-premier heeft veel zelf geschreven maar is daartoe afnemend in staat. Ook als Hannah Aukes later interviewend, redigerend en schrijvend helpt, blijkt Lubbers onverwacht toch nog weer bij te kunnen dragen. Die bijzondere wordingsgeschiedenis staat weliswaar pas aan het eind vermeld, maar de normale lezer zal daar weet van hebben – het kan niet anders of het kleurt diens receptie. Waarschijnlijk is geprobeerd, het boek snel uit te brengen, het zou het ontbreken van een index verklaren.

Bij de bijdrage over Meel heb ik een aanvulling geschreven die te maken heeft met de voorgeschiedenis van Lubbers’ familie aan vaders zijde die met Groningen verbonden moet worden. De familie van moeders kant, Van Laack, stopt met de Rijnvaart en vestigt zich vroeg in de 20ste eeuw in Rotterdam. Opa Van Laack schijnt als reden gegeven te hebben, aldus Lubbers op blz. 22: “Ik voel mij kuis versleten.” Dat is een mooi voorbeeld van een verschijnsel waar ik in de Biografie van het Gronings (2016) de aandacht op heb gevestigd, namelijk dat woorden met een reinigende betekenis heel goed gebruikt kunnen worden als emotioneel-versterkend element. Rein, louter, schoon, klaar, zuiver maken deel uit van die groep en kuis dus ook.

Dat deel (het eerste) vind ik het mooiste stuk van het boek, het verrassendst – was Lubbers toen nog op z’n best? De lezer = de interviewster spreekt hij pas vrij ver in het boek rechtstreeks aan met een enkele uiting als “Nu heb ik het u dus toch verteld.” Het lijkt erop alsof Aukes’ interviews echt beginnen met deel IV, de tijd van na de periode van de Haagse politiek, vanaf bladzijde 205. Daar pas staan enkele malen contaminaties zoals “Kohl stond representatief voor al die landen die nu bevrijd waren van het communisme” (blz. 220): Hij stond model en hij was representatief, lijkt me eerder. “De Telegraaf had daar iets van gemaakt om nieuwswaarde te creëren” (blz. 249). Nieuws creëren en nieuwswaarde hebben lijken hier in elkaar verstrengeld geraakt.

Dat soort dingen streepte ik eerder nauwelijks aan, evenmin als het niet-verbogen “financieel man” (208), “een bekend soefi-man” (254). Maar talig is tevoren al veel meer opgevallen, hoe weinig Lúbbers in het boek doorklinkt: korte zinnen overheersen, wolligheid is zelden vindbaar. Lubberiaans als de biechtstoelprocedure, buiten de lijntjes kleuren en de grondhouding of het meedenken met collega’s komen we bewust tegen, mondjesmaat tegelijkertijd. Max van der Stoel (collega, minister van Buitenlandse Zaken in Den Uyl) spreekt ergens van linke soep (p. 131) en dat klinkt uit diens mond even verrassend als dat vader Paul Lubbers die manier van zeggen al veel eerder had gebruikt, al tijdens de Tweede Wereldoorlog! In de Tweede Kamer wordt eind 1990 “linke soep” nog speciaal van aanhalingstekens voorzien en dat geeft aan dat die uitdrukking daar tientallen jaren later dus nog apart en nieuw gevonden wordt. (Dat spoort met de data die via de Ngramviewer van de KB vindbaar zijn.)

We kunnen linke soep dus minstens een-, misschien tweemaal talig als een anachronisme zien, een term die iemand in de mond gelegd krijgt op een moment dat deze manier van zeggen nog niet gangbaar is. Dat is helemaal niet erg, het gaat immers om de inhoud. Bizar ‘idioot’, heftig ‘emotionerend’, het zijn termen die in deze betekenis in zwang zijn geraakt in de jaren ná Lubbers en het is dus verrassend ze uit zijn pen te lezen. Het woord plaspauze gebruikt Lubbers (blz. 115) een jaar of twintig voordat het opgang begint te maken.

Iets vergelijkbaars geldt diverse keren voor “ervoor gaan”. Ik vermoed, dat deze uitdrukking in de loop van de jaren ’80 is ontstaan, eerst als anglicisme. In mijn herinnering hoorde ik het voor het eerst rond de Olympische Spelen van Los Angeles van 1984, misschien ook de Winterspelen van Calgary enkele jaren daarna. Het streven van de Amerikaanse deelnemers was going for gold en in hun voetspoor begonnen onze sporters toen te zeggen dat ze voor goud gingen. Bescheidener types met Olympischer inborst zeiden kortweg “we gáan ervoor” – ‘we doen ons uiterste best’.

Als Ruud verliefd raakt op Ria (p. 98) zegt hij bij zichzelf “dit is een kans, daar ga ik voor”, een bladzijde verder lezen we hetzelfde in dito bewoordingen nog tweemaal. In die sfeer wil Lubbers op p. 101 ook snel voor z’n doctoraal economie gaan. Dat is zeker geen Nederlands uit de jaren ’50 of ’60. Voor een lezer van Lubbers’ herinneringen doet het er niet toe, voor een taaldetective zijn het mooie momentjes.

Mark Kranenburg schreef in de NRC dat de biografie van Lubbers ook na deze publicatie nog geschreven moet worden. Dat boek zal meer rond het Binnenhof spelen dan deze Persoonlijke herinneringen, waar de aandacht voor groten uit de wereld veel prominenter is dan voor de 7777 dagen dat Lubbers dienst deed in Den Haag.

Boekhandel Van der Velde in Groningen (locatie A-kerkhof) organiseert op 27 mei a.s. een bijeenkomst over het boek met Hannah Aukes en Bart Lubbers.

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment

Top of mind: het pomtidomdebat over de dividendbelasting

Dat debat over de afschaffing van de dividend-belasting, over de onderliggende stukken of over de kwalificatie daarvan, over de herinneringen daaraan, over het gebrek aan herinnering – dat debat bevatte als Nederlands woord pomtidom dat ik niet kende maar dat Van Dale wel heeft. Hetzelfde als tomtidom. Aha!

In dit pomtidom-debat kwam de doorbraak van top of mind. Ooit al ‘es door minister Wijers (in 1996) als eerste gebruikt, door een enkeling in de jaren nadien nagevolgd maar nu over de dividendbelasting in één klap tussen de 10 en 20 maal. Het is geen flauwiteit, maar in zo’n debat (het ging toch een beetje wat we er voor over hebben, hoe Nederland internationals kan behouden of krijgen, dus hoe internationaal wij kunnen worden in eigen belang) valt de import van het Engels wel erg op.

Ik keek even door het voorlopige verslag van 25 april 2018 en streepte het volgende aan onder het motto Who cares. Voor verbetering en aanvulling vatbaar by the way.

“clash”

assessment

belobbyd

briefing

business round table

by the way

call

call

check

check

check

check

checken

checken

checken

checken

checken

checken

City

claimt

clash

clash

closed

closure

conference call

controlefreak

cover-up

cover-up

e-mail

expats

fair

feedback

feedbacksysteem

feedbacksystemen

flip-flop

gecheckt

gecheckt

gecheckt

geclasht

geclasht

geclasht

geclasht

geclasht

geclasht

gegrilld

gegrilld

gegrilld

gequoot

gequoot

hush-hush

impact

impact

input

ins en outs

issue

items

jumping to conclusions

lobby

lobby

lobby

lobby

lobby’s

lobbybrieven

lobbybrieven

lobbyen

loop

loops (loops sluiten)

low-tax jurisdictions

mail

matchen

mix

mix

multinational

multinationals

non-cooperative jurisdictions

nu or never

oké

partij-input

penthouse

penthouse

penthouse

penthouse

penthouse

penthouse

pros and cons

quote

quote

quotes

relaxed

return on investment

routing

royalty’s

royalty’s

sneaky

sneer

sorry

sorry

sorry

sorry

sorry

sorry

Sorry

Sorry

sorry

sorry

sorry

spreadsheets

start-up

start-up

start-ups

start-ups

startup

stickertje

strong feelings

team

team

team

team

Teevendeal

Teevendeal

timing

topholdings

top of mind

top of mind

top of mind

top of mind

top of mind

top of mind

top of mind

top of mind

top of mind

top of mind

top of mind

top of mind

top-of-mind-redenering

top-of-mindredenering

topholdings

topholdings

Twittertimeline

understatement

Who cares!

window of opportunity

Dit was een tussendoortje in het zelfgekozen reces. Tot over enkele weken en nog een plezierige Koningsdag in of buiten Groningen gewenst.

NL-vlag (Google-afbb.)

 

Posted in PARLEVINKEN | 2 Comments

Bubbel: variatie (2)

Parallel aan wat we de nieuwe bubbel kunnen noemen – de stolp, voorheen zuil – is de vorige nog gewoon gangbaar, alleen moeten we nu luisteren naar woordvoerders uit een andere sector, die van financiën. Zij combineren hun bubbel niet met uw of onze eigen want een financiële bubbel is iets waar als het ware niemand in het bijzonder verantwoordelijk voor is. Van Dale omschrijft het als ‘situatie waarin bepaalde activa sterk overgewaardeerd zijn (bv. door monetaire verruiming) en het risico op een plotseling hevige waardevermindering bestaat’. In 2017 spraken kamerleden als Renske Leijten (SP) over financiële bubbels en Tony van Dijck over kredietbubbels. Henk Nijboer (PvdA), Farid Azarkan (DENK) en minister Dijsselbloem gebruikten bubbel en bubbelvorming eender in deze zin.

Bubbel in de betekenis van ‘je-eigen-wereld’ is doorgebroken in 2017, afgaande op wat we in de bijdragen van de Tweede-Kamerleden horen. In een jaar als 2008 ging het specifiek over de economische bubbel. Paul Tang (PvdA) zei toen op 22 oktober over de financiële reus uit Amerika Alan Greenspan: “Hij heeft te weinig gedaan om de bubbel in de huizenprijzen tegen te gaan.” In dezelfde periode ging het over de ICT-bubbel die onder meer een groei van de inkomens in de marktsector tot gevolg had. Daar is de zeepbel-betekenis van toepassing op bubbel.

Daaraan vooraf ging de betekenis van bubbel die we kunnen uitdrukken met hetzelfde woord maar dan net anders geschreven: bubbel=bobbel. Zo gebruikte VVD-woordvoerder en landbouwer Piet Blauw het op 16 juni 1993: “Wij hebben ons in 1984 laten overtuigen dat ten aanzien van het mestprobleem een nationaal beleid moet worden gevoerd. Wij denken dat die “bubbelgedachte” als zodanig – hier iets weg en daar iets bij om een goed evenwicht te krijgen – positief is, maar wij zien niet in waarom die bubbel per gemeente of per provincie wordt gehanteerd.”

Vergelijkbaar ‘gladstrijken’ is wat minister Ed Nijpels zei op 9 september 1987: “Het is een overschot. Dat kan ook niet anders. Wij hebben natuurlijk een wat ongelukkige situatie. Doordat het wetsvoorstel later in werking treedt, heeft de minister van Financiën een tekort. Dat hebben wij opgevangen door een bepaalde differentiatie van de tarieven. Dat is een soort bubbel. Dat betekent dat je een paar jaar wat extra geld krijgt en dat dit onmiddellijk naar de minister van Financiën gaat.” Staatssecretaris Hans Simons had het op 25 juni 1992 over “een “bubbel” van de nabetaling in de ziektekostensfeer. Premier Rutte zal vele jaren later liever het beeld van een waterbed gebruiken: “als je hier iets doet, dat dat daar een effect heeft”.

WATERBED

Toen Harm Beertema het over grachtengordelbubbel had (zie de vorige aflevering), koppelde hij twee begrippen-met-lading aan elkaar. In 1994 gebruikte Saskia Noorman het begrip grachtengordel als eerste, in verband met zwart geld: “Recentelijk, bij de veroordeling in het kader van de zaak “het Gouden Kalf”, heeft de rechtbank ook opmerkingen gemaakt over het feit dat de overheid in gebreke was gebleven en daardoor medeverantwoordelijk was voor het ontstaan van heel veel kantoortjes in Amsterdam en omgeving. Inderdaad, binnen de grachtengordel zijn het er op dit moment zo’n 106.” Het zal de PVV, de partij die grachtengordel momenteel het meest gebruikt, goed doen te weten dat de dochter van Joop den Uyl het als eerste in de Tweede Kamer liet vallen. De VVD is in de afgelopen jaren tweede in het klassement van grachtengordelgebruikers.*)

De betekenis van grachtengordel is in de afgelopen 15 jaar overigens uit het criminele naar de creatieve sfeer getrokken. Daarvan getuigt de omschrijving in Van Dale: ‘het establishment op kunst- en mediagebied dat in de Amsterdamse binnenstad woont of werkt’.

*) Als altijd – maar het is goed, het weer een keer op te merken – als ik goed gezocht heb en als OCR correct werkte.

 

P.S. Voor de vaste volgers: ik neem even een kort reces. SR

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Bubbel: variatie (1)

De redactie van een groot woordenboek – las ik een keer – krijgt ’s ochtends bij het openen van de computer op het werk automatisch de oogst aan nieuwe woorden voorgeschoteld die dat systeem ’s nachts heeft gevonden. Simpel, de machine laten grasduinen in de kranten en andere media met nieuwe berichten en de woorden daarin vergelijken met de lijst die al in het eigen woordenboek is opgenomen.

Dat moet voor de redactie iets aangenaam-ergerlijks hebben. Aangenaam, want het is natuurlijk pure luxe om nieuwe woorden geserveerd te krijgen zónder dat je er enige moeite voor hoeft te doen. De nieuwe oogst zal vooral bestaan uit eenvoudige samenstellingen die in een hype gemaakt worden – ze zullen een glimlach teweegbrengen bij de redactie. Het zijn de woorden die we eind december weer hebben kunnen zien figureren op lijstjes met woorden-van-het-jaar. Hun levensduur is grosso modo beperkt. Van Dale verzamelde ooit de nieuwe woorden uit het taaljaar 2000*) en als we in de index beginnen bij aapjeskijkentelevisie, aardbeiengif, achteruitkijkstuur, allomoeder, antifileplan, antipiekerpil, antischuifmaatregel of applauspartij, dan zit daar toch weinig herkenbaar of bestendig Nederlands bij. Eventjes leuk, maar hoe lang herinneren we ons nog een blindencondoom, de bonnenmonarchie, een bonnetjesvorser, boxdrainage, branddating of bucardo? Ze staan in die lijst van nieuwe, toen aandacht trekkende woorden. “Kroniek van het Nederlands” is dan toch een wat vreemde aanduiding.

Zo moeten er massa’s eendagsvliegen in de andere jaaroverzichten staan die niet verder kwamen dan wat hun naam uitdrukt, een zeer kort bestaan. Dat moet zo’n redactie bij alle automatismegemak toch ergeren. Het geldt vast niet minder voor andere taalveranderingen die zich níet laten vangen in een geautomatiseerd digitaal net. Bubbel is een voorbeeld daarvan, maar eerst de vraag: wat betekent het?

Voor het actuele taalgebruik is het misschien goed, terug te gaan naar 21 december 2016. Toen richtte Machiel de Graaf (PVV) zich tot een collega-partij: “Misschien dat D66 dan een iets andere koers gaat varen in plaats van alleen met de eigen leden te spreken en in die bubbel, met dat glaasje champagne en die dikke sigaar een elitair wereldbeeld na te streven. ” Is Harm van Riel postuum van partij veranderd?

In 2017 gebruikt De Graafs fractiegenoot Harm Beertema het woord in dezelfde betekenis twee keer. De ene keer (allicht eveneens gericht tegen D66): “Ik zou bijna willen zeggen: kom eens uit uw grachtengordelbubbel.” De andere maal richt hij zich tot Lammert van Raan (PvdD) die tien jaar jonger is dan hijzelf: “Ik geef u mee dat er meer in de wereld is dan uw bubbel.”

Dezelfde betekenis gebruikt ook Chris van Dam (CDA). Over een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau: “Daaruit blijkt dat wij steeds meer in onze eigen bubbel leven, in ons eigen hoekje van de samenleving, afgesloten van anderen.” En: “Als de tendens is dat wij ons steeds meer terugtrekken in onze eigen wereld, in onze eigen bubbel, is dat ook voor de bestrijding van discriminatie en racisme slecht nieuws.”

Het bezittelijk voornaamwoord in combinatie met bubbel wijst op die nieuwste, allicht door het Engels beïnvloede betekenis die Van Dale aanmerkt als figuurlijk en omschrijft als ‘leefwereld, levenssfeer waarin mensen die niet tot de eigen kring behoren, niet of nauwelijks kunnen doordringen’. Vroeger zou dat eerder een zuil genoemd zijn ‘elk van de groepen (geïntegreerde complexen van maatschappelijke organisaties of instellingen op levensbeschouwelijke grondslag) waarin het Nederlandse volk door verschillen in godsdienst en levensbeschouwing zichzelf verdeeld houdt’ of een stolp ‘leefwereld waarin mensen die niet tot de eigen kring behoren, niet of nauwelijks kunnen doordringen’. Zuil werd stolp werd bubbel – de verpakking veranderde, de inhoud minder.

Deze bubbel-betekenis dateert in de Tweede Kamer dus van eind 2016. Eigenlijk kondigde het zich al enkele jaren eerder aan, toen minister Timmermans zei: “Als je ziet dat wij in Nederland de salarissen in de overheidssector al een aantal jaren erg drukken, terwijl er in Brussel gestaakt wordt door ambtenaren van het Raadssecretariaat omdat zij 5% loonsverhoging willen, dan vraag ik mij ook af in welke bubbel deze mensen leven.” (26 juni 2013), maar hij was daarmee nog een eenling. Of misschien was Harry van Bommel (SP) de minister op 21 november 2012 al voorgegaan: “De Brusselse bubbel moet worden doorgeprikt en de daarin aanwezige mensen moeten weer eens in contact worden gebracht met de realiteit in de rest van de Europese Unie.”

Maandag even verder naar kijken.

*) Taal van het jaar nul. Kroniek van het Nederlands in 2000.

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment