De taal van minister Schouten in het pulskor-debat (ii): met liefde en blauwe ogen

Het was een debat waar mevrouw Schouten – zij spreekt geregeld expressief met haar blik – zich zichtbaar niet plezierig voelde, althans niet tegenover elk van de deelnemers. Dat gold niet merkbaar haar ferventste tegenstander Frank Wassenberg (PvdD), wel bijvoorbeeld William Moorlag (PvdA): diens partijgenoten Van Dam en Dijksma waren Schoutens directe voorgangers op dit dossier en daar diende Moorlag zich wél bewust van te zijn. De minister: “Vanaf het moment ongeveer dat ik het dossier op mijn bord kreeg, moest ik van nul naar iets meer gaan, zeg maar.” Een beetje zelfreflectie had mevrouw Schouten dus graag van Moorlag gezien: “Ik constateer wel dat dat het ene lid van een fractie wat beter lukt dan het andere lid.” Over welke fractiecollega van Moorlag sprak de minister en wie controleerde hier wie? Politiek verrassend was de botsing met Arne Weverling, woordvoerder van de VVD, met wie de minister na afloop vast nog een visje is gaan eten om zaken recht te breien. Hij was op zeker moment flabbergasted en zij was er zelfs een beetje zat van, zo viel tussen de coalitiegenoten niet in alle collegialiteit te horen.

De minister vergat telkens de naam van Frank Futselaar zei ze (SP, maar grotendeels voorstander van de pulsvisserij) en had naar eigen zeggen ook geregeld problemen met het verstaan van wat Laura Bromet (GroenLinks) te berde bracht. “Mijn excuses dat ik u vaak niet goed begrijp, mevrouw Bromet. Dat zal ongetwijfeld meer aan mij liggen dan aan u.” Maar no hard feelings bij mevrouw Bromet, want die begon haar afsluitende bijdrage met deze algemene opmerking over het debat: “Allereerst moet het mij van het hart dat het mij bijzonder heeft gestoord dat mannelijke collega-Kamerleden spreken over “lief”, over “blauwe ogen” en over “ze kan niks” als het gaat over de minister en haar vervolgens dan ook consequent “mevrouw” noemen. Ik hoop dat het de laatste keer is geweest.”

Dat had betrekking op vooral Barry Madlener (PVV) en in zijn voetsporen enigszins Thierry Baudet (FvD). Madlener had gezegd: “De minister vervalt in lieve woorden, met “ik doe mijn best voor de vissers”, maar ze faalt. Nederland heeft gefaald. Ik vind de minister een heel lieve mevrouw, maar het gaat hier om keiharde business in Europa.” Madlener vond dat de minister-president het onderwerp moest overnemen. Dat raakte de minister: “Ik hoor de heer Madlener spreken over “lieve mevrouw” of “meisje”. Dat doet hij weleens vaker.*) Ik constateer dat hij als een stoere vent met zijn armen over elkaar vanaf de zijlijn alleen maar loopt te roepen en niets doet.” Wie controleerde wie?

Thierry Baudet vroeg concluderend: “De minister zegt dus dat we haar maar gewoon op haar blauwe ogen moeten geloven als zij zegt dat er keihard onderhandeld zou zijn voor de pulsvissers. Begrijp ik dat goed?”

• Ter verdediging van Baudet: de minister opende haar ogen meer dan eens en inderdaad, die oogden blauw. Maar daar gaat het minder om dan om het volgende. Iemand op de blauwe ogen geloven is sekse-neutraal Nederlands en die uitdrukking kan even goed met zijn als haar gecombineerd worden, lijkt me. Dat is aan de Kamertaal te demonstreren. Volgens de verslagen is vanaf 1995 52 maal de woordgroep “zijn blauwe ogen” gebruikt tegenover 11 maal “haar blauwe ogen”.

• Ter verdediging van Madlener: het was de minister zélf die haar eigen inzet voor de pulsvissers bepaald nadrukkelijk naar voren bracht en ze onderstreepte dat aldus tegenover de woordvoerder van de PVV: “Ik wil de heer Madlener er ook op wijzen dat we nog midden in een proces zitten om te kijken hoe we hier voor de vissers het beste gaan uithalen. Dat is wat ik aan het doen ben. Dat is wat mij drijft. En dat is waarom ik ook echt nog dag en nacht met dit dossier bezig ben. Dat doe ik met liefde, meneer Madlener, ook omdat ik vind dat de vissers daar recht op hebben.” Met liefde én de afgevaardigde werd rechtstreeks aangesproken, ingeleid met van een streng klinkend meneer. Daar corrigeerde fungerend voorzitter Buitenweg de minister vragenderwijs, nadat die nog juist een tegenstelling tegenover Madlener onder woorden had gebracht door zich als het ware masculien in zijn positie te verplaatsen: “Ik kan dan voor de bühne heel grote woorden spreken en heel stoer zeggen: die had dit moeten doen, die had dat moeten doen, deze had nog meer gesprekken moeten voeren, of dat het Chefsache geweest had moeten zijn.” 

Minister Schouten in pulskor-debat

*) Mevrouw Schouten moet verwezen hebben naar het debat van 19 december 2018 waar Madlener haar als “een heel braaf meisje in de Europese klas” had betiteld. Na een zekere tussenkomst van de voorzitter paste hij zich aan: “Nou ja, “jongetje”, oké. Ze toont zich het braafste jongetje van de klas, om het maar zo te zeggen als het spreekwoord luidt.”

Posted in Uncategorized | Leave a comment

De taal van minister Schouten in het pulskor-debat (i): hoe of dat wij iets aangeven


Een vroegere kennis – niet in mijn geboortedorp ter wereld gekomen of opgegroeid maar hij woonde er langer dan ik – was van huis uit theoloog en had gevoel voor talen. Dat moeten zijn collega-senatoren later ook gemerkt hebben, hij was van 1977 tot 1995 lid van de Eerste Kamer. Hij vlagde op 1 mei maar was tegelijkertijd scriba van de kerkenraad, het woord dat hijzelf vast liever als kerkeraad geschreven zou hebben. Van een bepaalde predikant vertelde hij me eens: als die zijn preek klaar heeft, gaat hij er met het ookspotje overheen en strooit daar heel wat van uit. Inderdaad, de dominee zei ontzettend vaak ook, niet zelden op posities waar dat woord (ook) best gemist had kunnen worden.

Aan wijlen Adriaan van Veldhuizen moest ik denken toen ik via NPO-Politiek aan de overzijde het debat over de pulskorvisserij in de Tweede Kamer volgde (21.02.2019). Een kor is een trechtervormig sleepnet meldt Van Dale. Daar lezen we ook dat een boomkor een kor-net is dat door een boom wordt opengehouden. En pulskor? Een sleepnet waarbij de zeebodem niet wordt omgewoeld, maar met stroomdraden wordt bewerkt om de vis op te schrikken. Minister Schouten (Landbouw) trof een Kamer tegenover zich die grotendeels voor dit vissysteem is waar Europa zich sinds een poosje duidelijker en duidelijker tegen uitspreekt. Alleen de Partij voor de Dieren is het daarmee eens, GroenLinks aarzelt vooralsnog.

Minister Schouten tijdens pulskordebat

Toch was het geen makkie voor mevrouw Schouten. Als zij spreekt valt het misschien niet zo op maar wie het Kamerverslag ernaast legt, merkt hoe brokkelig we om kunnen gaan met het Nederlands en vooral als we ons bij een bepaald onderwerp niet zo senang voelen.*) Dat geldt trouwens allerminst voor Carola Schouten alleen, maar in haar gebruik van het woordje ook deed ze me denken aan die predikant uit de tijd dat Adriaan van Veldhuizen nog scriba was. Is dat frequente ook-gebruik het gevolg van een protestants bepaalde omgang met taal?

Het is geen nieuws: zo’n Kamerverslag is woordelijk-geredigeerd, dus het is niet letterlijk maar komt een eind in de buurt. Gelukkig maar. Dat leidt in het geval van minister Schouten stelselmatig tot de correctie van een bepaald type uitingen. Volgens de Handelingen zegt de minister:

• De heer Bisschop heeft gevraagd of de premier naar Brussel gestuurd kan worden 

• De heer Weverling vraagt of ik ook bereid ben om te kijken hoeveel familiebedrijven geholpen kunnen worden

• De SGP vraagt hoe we in de afbouwperiode omgaan met de onderzoeksontheffingen.

• Dat vraagt ook mevrouw Dik-Faber: of ik de puls wil blijven promoten, ook bij andere lidstaten. Nog wat breder vraagt zij of ik met andere lidstaten kan onderzoeken wat er nog meer mogelijk is aan onderzoek.

Maar in al deze zinnen zegt de minister extra voegwoorden en wel min of meer op deze manier: de heer Bisschop vraagt of datde premier naar Brussel gestuurd kan worden, de SGP vraagt hoe of datwij in de afbouwperiode omgaan met de onderzoeksontheffingen, enzovoort.

Dat is typerend voor mevrouw Schouten zou ik denken (ik ken geen collega van haar die het ook doet maar ik heb niet bij iedereen aan close listening gedaan), zoals zij het ook is die opvalt door het gebruiken van stopwoordjes als nou jadanen in mindere mate echt: die haalt de Dienst Verslag en Redactie (DVR) er allemaal of grotendeels uit. Zo spreekt op papier meer de minister dan mevrouw Schouten en het draait vanzelfsprekend om de eerste van de ondeelbare twee. Ja, net als eerder gebruikt deze bewindsvrouwe graag zomaar in een aparte betekenis, ook in dit debat: “Juist door dit soort uitspraken vermoed ik zomaar ‘es dat (…)”.

Minstens zo kenmerkend voor de uitingen van deze Landbouwminister is een constructie met het werkwoord aangeven. Ik heb het vast niet exact genoteerd maar in haar twee termijnen gebruikte de bewindsvrouwe het zeker een keer of 30. Ik heb net aangegeven, wat ik heb aangegeven, de minister-president heeft al aangegeven, daarin zorgvuldig aangeven, ik heb aangegeven in de brief, dat hij ook aangaf….

Wat moet een stenograaf daar mee aan? Variëren en zelf een ander werkwoord kiezen dat niet in de vergaderzaal geklonken heeft? Morgen het vervolg.

*) Ik keek in het ongecorrigeerde verslag van 21 februari 2019. Dat kan héel soms onder andere spelfouten bevatten die in een later stadium verbeterd zullen worden zoals in dit geval opgeplusd. (Frank Wassenberg PvdD: “Het aantal schepen is opgeplusd van 42 naar 84 (…)”.) 

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Waanzin!!


Wát een verandering ten opzichte van 1988 en 1998, rond de 10 keer valt waanzin in 2008 in de Kamer! Daar moeten we zeker Fatma Koşer Kaya (D66) niet bij rekenen want zij citeerde Erasmus. En twijfelachtig is ook minister Klink (Volksgezondheid) die een bewering van Fleur Agema (zij noemde iets een “raar getal”) juist als “geen waanzin” kwalificeerde.
Het opvallendst in 2008 is CU-woordvoerder Ernst Cramer. Immers, vanuit SGP en ChristenUnie valt die zware term niet en dat gold ook voor de tijd dat de CDA-partijen eenmaal één CDA waren geworden. Maar Cramer is verontwaardigd in verband met een verzoek van zijn VVD-collega Paul de Krom die wel érg veel informatie van het kabinet verlangt inzake de OV-chipkaart: “Nee, voorzitter. Dit is echt de waanzin gekroond. Als wij alle verslagen van ieder debat dat de regering aan het voeren is, gaan opvragen, dan schieten wij volgens mij volstrekt door met betrekking tot het begrip “de Kamer controleert de regering”.”

Midden: Ernst Cramer (website CU Barneveld)

Echt de waanzin gekroond. De Krom reageert perplex, misschien wel door het taalgebruik uit de CU-hoek: “Voorzitter. Nu val ik echt van mijn stoel!” De VVD zelf bezigt het woord niet veel maar wel duidelijk meer. In 2008 bijvoorbeeld Ineke Dezentjé Hamming in de kwestie van het gratis verstrekken van schoolboeken: “Het is waanzin dat de heer De Vries van de CDA-fractie pleit voor een oneerlijk systeem.”
Voor de SP is waanzin een gangbaarder term. Harry van Bommel (“De SP vindt het waanzin dat uit het Europafonds televisieproducties worden betaald, die vervolgens door de publieke omroep worden aangekocht voor uitzending.”), Jan de Wit (“Iemand is wegens illegaliteit opgepakt en krijgt zes maanden. Dat is natuurlijk waanzin, maar zeg dat hij twee weken krijgt, maar dan? Hij komt vrij, is weer strafbaar en wordt weer opgesloten. Dus levenslang. Het is complete onzin!”) en het minder bekende lid Paul Lempens (“Ik vind dat de staatssecretaris naar Den Bosch moet gaan en ervoor moet zorgen dat deze waanzin stopt, zodat de mensen op de wachtlijst eindelijk eens een plek krijgen.”) bedienen zich ervan volgens de Handelingen. Ook hun fractiegenote Sadet Karabulut doet het als ze spreekt over kleine bijverdiensten door mensen in de bijstand: “Waanzin! Mensen worden dus gestraft omdat zij werken.” Uit de hoek van GroenLinks en voorganger-partijen komt het slechts een enkele maal voor zoals in 2008 uit de mond van Femke Halsema: “Als u bang bent voor ideologie: dit was echt een staaltje ideologische waanzin.”

Halsema richtte zich tot de partij van Sietse Fritsma, de PVV. Die groepering is in 2008 met de SP de geregeldste waanzin-zegger in de Tweede Kamer: Fritsma zelf (“Zet het kabinet de deur van onze scholen open voor islamisering, voor een welkom aan de islamitische gedachte, voor het einde van het seculiere karakter van het openbaar onderwijs, en krijgen Aboutaleb en Marcouch hun zin, of neemt het kabinet duidelijk stelling tegen deze waanzin?”) en fractieleider Geert Wilders: “Uw kabinet geeft miljarden uit aan de multiculturele waanzin en een veel te ruimhartig asiel- en immigratiebeleid.”

Ten slotte kijken we naar waanzin in de (ongecorrigeerde) verslagen van 2018. Het zou nu een te lange lijst worden om alle citaten te vermelden, want de gebruiksfrequentie van waanzin is geëxplodeerd tot een getal van rond de 30 stuks. Waanzin. Lange, lange jaren na WO II kwam het woord niet of een enkele maal per kalenderjaar voor, vanaf 2007 is er een oplopende tendens zichtbaar. Maar de 19 stuks in 2015 en 16 in 2016 steken zelfs nog wat bleekjes af bij de 30+ in 2018.
Telkens is ook dit jaar de lezing ‘verwerpelijke politiek’ en ook nu is waanzin dus niet meer in de originele betekenis ‘geestesziekte’ gebruikt.
Als we enkele gevallen negeren waarin een spreker de term citeert of ontkent, dan is het volgende beeld zichtbaar:
• de PVV is hoofdgebruiker met 16 stuks (inclusief 1x waanzin ten top)
• het FvD is tweede, want leider Thierry Baudet van een tweemansfractie alleen verklaart iets acht maal voor waanzin (wat relatief veel is voor zo’n kleine partij die aan minder debatten meedoet)
• in vergelijking daarmee stellen SP (2x), VVD (2x), PvdD (2x) en DENK (1x) zich in dit opzicht bescheidener op

Feitelijk niet of helemaal niet manifesteren zich in dit opzicht GroenLinks, PvdA, 50PLUS, CDA, CU en SGP. Vooral bij de PvdA is dat verrassend omdat waanzin in 1978 nog duidelijk gebruikt werd door leden van deze fractie. Goed, dat is wel 40 jaar geleden.

De (sterk) toenemende frequentie van waanzin kan maar tot één gevolg leiden: het woord krijgt een zwakkere inhoud, omdat een algemene observatie is dat veelgebruik betekenisinflatie impliceert. Dat is ook een aspect van veronderstelde taalverruwing: hoe meer iets valt, des te sneller verliest het aan kracht. Dat zal met – noem ’es wat – terreur en terrorist niet anders zijn.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Waanzin!

Het ging in dit blog geregeld over forsige taal en met reden: het is het gereedschap dat een politicus achter de microfoon bezit om aandacht op zich en zijn boodschap te vestigen. Eerder verscheen hier bijvoorbeeld een serie van negen stukjes onder de titel “Idioot, waanzinnig, krankzinnig en nog zoiets.” Van die drie bijvoeglijke naamwoorden heeft het eerste en het laatste niet zoveel succes in de Tweede Kamer wanneer het de hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord aanneemt; anders gezegd: idiotie en krankzinnigheid komt niet zo vaak in de Handelingen voor als waanzin.
Het zijn alle drie – ik neem aan vergelijkbare – geestesziekten, maar wie naar waanzin zoekt komt op ettelijke honderden gebruiksgevallen in de Tweede Kamer. Dat is wat veel om hier te behandelen en ik kies daarom liever voor de vertrouwde aanpak van de steekproef. Is dat middel perfect? Nee maar het is praktischer en geeft tegelijkertijd een indicatie die in dit kader allicht voldoende helder is, althans waarmee ik me hier tevreden stel.

De steekproef gaat uit van het laatste kalenderjaar dat we volledig in de Kamerverslagen na kunnen gaan, 2018. We prikken dat jaar en gaan telkens tien jaar terug om te kijken of er ontwikkelingen waarneembaar zijn. Beginnen we na de Tweede Wereldoorlog in 1948 of nemen we ook eerdere momenten? Vooruit, in 1918 heeft iemand het over “met waanzin geslagen”, in 1928 spreekt een ander Kamerlid van “de tot waanzin uitgegroeide bezuinigingsbegeerte op velerlei terrein”. In 1938 spreekt diezelfde persoon over vreemdelingen-antifascisten die in een toestand van vertwijfeling verkeren “als zij onder politioneel toezicht zich in den spoortrein bevinden en met het steeds meer naderen van de grens hun angst voelen toenemen, die vaak tot een soort waanzin stijgt, waarom zij dan ook probeeren aan hun bewakers te ontsnappen en pogen uit den trein te springen”.
Alle drie citaten zijn het enige uit het betreffende jaar en het is telkens de psychologische betekenis van waanzin die hier van toepassing is. Dat zal na WO II veranderen, sterker nog: in de steekproefjaren komt de lezing van ‘geestesziekte’ niet eenmaal in de Handelingen voor.

Direct al in 1948 (waanzin scoort dan één treffer) noemt de anti-revolutionair P.S. Gerbrandy bepaalde beleidsveranderingen met betrekking tot Indië iets wat voor een Calvinist waanzin is. Dat is nu inderdaad geen geestesziekte meer maar een heftig te verwerpen politiek die een tegenstander voorstelt of verdedigt.

In 1958 is het onderzochte begrip viermaal vindbaar. Vanuit de CHU wordt iets militairs tweemaal waanzin genoemd, Romme (KVP) noemt het “waanzin, dat het Parlement zich moet bezighouden met zaken als de precieze sluitingsperioden in verband met sinter-klaas”. Hij biedt voor die kwalificatie wel excuus aan: “men houde het mij ten goede”. Ook Henk Gortzak (al dan niet nog lid van de CPN-fractie) gebruikt de term die hij zelfs van een versterkende nabepaling voorziet in de vorm van ten top: “Ik heb zo de indruk, Mijnheer de Voorzitter, dat hier de Arbeidswet een taak heeft, want hier is de kapitalistische waanzin ten top en ten voeten uit getekend: vakbekwame bouwvakarbeiders naar het stempellokaal, weken, maandenlang, havenarbeiders ‘s nachts werken, drie uur slapen en dan in de woningbouw aan het werk en ‘s zaterdags met hun vrouw en kinderen in hun zogenaamde vrije tijd aan het bouwen, zoals in dat artikel staat, vanwege de woningnood.”

Vier vondsten is ook de oogst in 1968, maar we brengen één geval in mindering: Marcus Bakker (CPN) vat alleen maar een collega samen. Een lid van de Boerenfractie (of wellicht daarvan juist afgesplitst) noemt het waanzin dat Nederland bij verkiezingen de stemplicht wél maar de opkomstplicht niet afschaft. Edzo Toxopeus (VVD) laat een geluid horen dat ook 50 jaar later niet onbekend is in de Kamer, namelijk dat “het waanzin zou zijn als Nederland zijn inspanning vergrootte en dat andere landen dan opgelucht en blij zeiden, dat zij hun inspanning wel konden verminderen”. Ten slotte spreekt Sef Imkamp (D66) van waanzin in verband met het niet verlenen van steun aan DAF en bepleit een nationale aannemingsmaatschappij. Imkamp biedt impliciet ook verontschuldigingen aan voor het gebruik van de term: “Een ander woord dan ,,waanzin” ken ik niet.” Een dergelijk excuus is vanaf nu voorbij.

Driemaal is wat er vindbaar is in 1978, in dit verslagjaar is het telkens een begrip dat links van het midden gebruikt wordt, oppositie bovendien. Marcel van Dam (PvdA): “(…) kun je zonder meer zeggen dat, in de huidige marktsituatie, het waanzin is door te gaan met het verstrekken van objectsubsidies op koopwoningen zonder acht te slaan op het inkomen van de koper en zonder afdoende waarborgen tegen forse vermogenswinsten bij eventuele verkoop”.
Henk Waltmans (PPR): “Bovendien vinden wij het de waanzin ten top, eerst de neutronenbom te produceren om haar dan weer in onderhandelingen te willen gaan afschaffen.”
Ed van Thijn (PvdA) over taxivervoer: “Het is waanzin dat het vergunningenbeleid op dit moment niet in handen is van een orgaan als Rijnmond en dat Schipholtaxi’s leeg heen en weer moeten, gezien de concessie en de vergunningsgrenzen.”
Ook in 1978 is het woord dus net als in 1958 één keer gecombineerd met een versterkende bepaling.

Een verrassing levert het kalenderjaar 1988: niet eenmaal is waanzin in de Handelingen opgetekend respectievelijk via automatisch zoeken vindbaar.
Ook 1998 biedt weinig. Alleen Jan de Wit (SP) gebruikt het eenmaal in verband met de armoedesituatie van veel huishoudens. Maar…. de tijd van geringe waanzin-frequentie lijkt wel voorbij: morgen het vervolg.

Jan de Wit (SP) (Google-afbeeldingen)
Posted in Uncategorized | Leave a comment

Tutoyeren en voornamen noemen in de Tweede Kamer: een paar ontwikkelingen na 2000

Voorzitter Jeltje van Nieuwenhoven begon de Regeling op woensdag 30 mei 2001 met een ongewone mededeling: “Ik wijs de Kamer erop dat dit de laatste regeling van werkzaamheden is waarin wij het genoegen hebben, de Kamerbewaarder de heer Van der Tas in ons midden te hebben. Gisteren is hij 65 jaar geworden en morgen neemt hij, zoals u allen weet, afscheid. In dat verband zal de vergadering morgenmiddag om 16.30 uur worden geschorst. Nogmaals, dit is zijn laatste regeling van werkzaamheden. Dank je wel, mijnheer Van der Tas, voor alles wat je voor ons hebt gedaan!”

Zo vaak gebeurt het niet dat een Kamerbewaarder woorden van dank te horen krijgt en ook nog dat het afscheid aangekondigd wordt voor de volgende dag. Zo ging dat in 2001 nog: de bode was op 29 mei 65 geworden maar moest de maand nog volmaken voor hij AOW-gerechtigd was. Zo vaak gebeurde het in die tijd evenmin dat er iemand op zo’n bijzondere manier getutoyeerd werd, meneer maar je en geen voornaam: “Dank je wel, mijnheer Van der Tas, voor alles wat je voor ons hebt gedaan!”

Voorzitter Weisglas sprak een jaar later vertrekkende Kamerleden wél met voornaam maar juist nog met u aan. Dat gold zelfs iemand met wie hij had opgetrokken in het presidium: “Martin Zijlstra, u komt uit de noordelijkste plaats van ons land. Dat weten wij allen. Het gaat om Woldendorp – ik spreek het vast niet goed uit – waar u bekend bent als supporter van de voetbalvereniging Woest en Onverschillig… U heeft hier belangrijke taken verricht, zoals het eerste ondervoorzitterschap van de Kamer waaraan ik zeer goede persoonlijke herinneringen heb.”
Alleen Jeltje van Nieuwenhoven kreeg een iets andere behandeling: “Ten slotte spreek ik van deze plaats iemand toe die geen afscheid heeft genomen van de Kamer, maar wel van een functie waarin zij bij uitstek de Kamer heeft vertegenwoordigd: Jeltje van Nieuwenhoven. Zij zal morgen worden beëdigd als Kamerlid, maar de 149 andere leden zullen zich herinneren hoe zij vanuit deze stoel hen tot de orde riep, soms met fluwelen handschoenen op een ijzeren hand, soms met een vriendelijk grapje, soms, heel soms, als onderwijzeres die geen moment bang was voor haar klas, maar altijd als een hoedster van het hele parlement en de democratie. Er zal een moment komen waarop wij je apart zullen bedanken. Toch meen ik dat de plotselinge rolwisseling van vorige week in deze vergadering niet onvermeld mag blijven, ook omdat dit mij de gelegenheid geeft om je te bedanken voor de zeer prettige en vriendschappelijke samenwerking die ik, als eerste ondervoorzitter, vier jaar lang met je heb gehad. Morgen zien wij je terug.” Tutoyeren én een voornaam vanuit de voorzittersstoel.

Jeltje van Nieuwenhoven (Google-afbeeldingen)

Frans Weisglas is ook voorzitter bij de Algemene en Politieke Beschouwingen op 28 september 2006. Femke Halsema (GroenLinks) deelt dan een steek uit naar CDA-fractievoorzitter Verhagen. “(…) Daarom zal ik vandaag niet mijzelf feliciteren, maar ik wil wel even van de gelegenheid gebruik te maken om de heer Verhagen te feliciteren met het behalen van de nationale zwetsprijs.” Verhagen: “Dank je wel!”
Daarna gebeurde er iets zeldzaams in de Tweede Kamer – en Weisglas stond het toe – toen Halsema in reactie op het dank je wel zei: “Maxime, van harte!”

Het gebruik van je tegen collega-Kamerleden gebeurt niet veel en als het gebeurt, hoeft het niet de dreigende klank van “Ik zal je najagen!” te bezitten. Wouter Koolmees (D66) is behulpzaam als zijn SP-collega Ewout Irrgang op het spreekgestoelte staat. Het is 28 juni 2012 en Irrgang merkt juist op dat er iets institutioneel verkeerd is gegaan, “zowel bij Financiën als bij de Nederlandsche Bank” – zeven jaar geleden maar hoe actueel, kunnen we half februari 2019 constateren. Koolmees licht zijn assistentie via de interruptiemicrofoon aldus toe volgens de Handelingen: “Ik ben even naar je bankje gelopen om je telefoon uit te zetten.” Daarop bedankt Irrgang: “Dank je wel!” Je! Dank je wel!

Pas tegen de tijd dat Khadija Arib voorzitter is neemt het gebruik van je in de plenaire zaal toe. Ik denk dat het in de lucht hing én dat de ontwikkeling geholpen is door een toevalsfactor. Dat laatste heeft ermee te maken dat wél mogelijk is dat mevrouw Arib geen bewust onderscheid maakt tussen dank je wel en dank u wel – er zijn toenemend sprekers van het Nederlands die ongeweten asjeblieft als normale vorm gebruiken waar ouderen alstublieft gepaster vinden…. en zich zelfs aan asjeblieft kunnen storen als dat tegen hen gezegd wordt. Mevrouw Arib spreekt haar mede-leden bijna altijd aan met u maar ze zegt óok vaak dank je wel.

Zo in de loop van 2015 begint je in de Handelingen toenemend voor te komen. Misschien kunnen we na een aanloopperiode het kalenderjaar 2018 als het doorbraakjaar zien. Daarbij wordt een beslissende rol gespeeld door Ronald van Raak (SP), vermoed ik, als ik de Handelingen goed lees én als de Dienst Verslag en Redactie precies heeft genoteerd – waar ik altijd vanuit ga zolang het tegendeel niet is gebleken. Van Raak bedankt de voorzitter momenteel zelfs vrijwel standaard met je voor het krijgen van het woord en hij sluit er ook mee af.
Kijk bijvoorbeeld naar twee momenten op 30 maart 2017:

Van Raak: (….) dat Curaçao een toekomst heeft in ons Koninkrijk. Dank je, voorzitter. 
De voorzitter: U bedankt.

En op dezelfde dag:
De voorzitter: De heer Van Raak is aan het woord! 
De heer Van Raak (SP): Dank je, voorzitter.

Ik mailde hierover naar Van Raak en er kwam een antwoord (dank u!) dat onder andere dit bevatte: “Ik heb deze vorm hier niet bewust gebruikt. Misschien is het omdat ik al wat langer in de Kamer zit en de voorzitter ook al langer ken. Het zou ook kunnen dat het te maken heeft met mijn Brabants dialect, bij ‘ons’ was het gebruik van ‘u’ een teken van afstand. Het lijkt me echter juist om de leden van de Kamer en zeker de voorzitter met ‘u’ aan te spreken.”

Dit is om een aantal redenen een interessante reactie. Kennelijk was Van Raak zich er niet bewust van dat hij hier je gebruikte. Dat verraste me, maar de verklaring zou kunnen liggen in het gegeven dat hij impliciet naar voren brengt, het lidmaatschap van het presidium. En merk op hoe hij aan de voorzitter een aparte positie toekent in het antwoord.

Dat tutoyeren gebeurt inderdaad tussen naaste collega’s, niet tussen alleen de geachte afgevaardigden onder elkaar. Het gebeurt ook onder bewindslieden ondanks de formele setting die een Kamervergadering – zij het afnemend – is. Op 27 maart 2018 moet minister Dekker zoeken naar een ingediende motie, in vak-K naast minister Grapperhaus en zegt dan volgens het verslag:
“Misschien dat mijn collega die motie nog ergens in zijn stapeltje heeft. De motie op stuk nr. 147 vraagt om te onderzoeken of er signalen zijn dat — ja, dank je wel — religieuze organisaties bij strafbare feiten interne rechtspraak als definitieve afdoening menen te kunnen gebruiken.” Grapperhaus wordt dus bedankt via “dank je wel”.

Op 8 november 2018 krijgt staatssecretaris Keijzer het woord, nu zit minister Wiebes mede in de regeringszetels.
Staatssecretaris Keijzer kan aanwezigen verrast hebben toen ze als volgt begon: “Dank u wel, voorzitter. Het is niet zozeer mijn plaats om hier dank uit te spreken aan de minister voor zijn betoog, maar ik doe het toch.”
Minister Wiebes zegt niet “Hoho Mona, je zegt plaats maar je bedoelt eigenlijk taak”, maar reageert tutoyerend en bescheiden: “Dank je wel.”

Inmiddels zijn er redelijk veel volksvertegenwoordigers die je gebruiken als ze op het spreekgestoelte staan en zich tot de voorzitter richten. Deze doet het heel soms ook in de richting van een van de leden. Neem nu wat er op 18 januari vorig jaar gebeurde.
De voorzitter zegt nadat Rens Raemakers afrondend een motie heeft voorgelezen: “U heeft nog 18 seconden.”
De heer Raemakers (D66): “Ja, voorzitter. Daarin wil ik u hartelijk bedanken voor het goede voorzitten van vandaag.”
De voorzitter is verrast, zegt eerst ouder gewoonte: “Dank u wel”. Dan bedenkt ze zich en bedankt via een persoonlijke reactie: “Dat vind ik nou heel lief. Dank je wel.” Daarna valt ze terug in de formelere rol van voorzitter: “U krijgt geen extra interrupties hoor! Dank u wel.” Kijk niet op de stopwatch (18 seconden zijn zomaar voorbij op zulke momenten) maar let op de wisseling tussen de vertrouwelijke en de meer formele tweede persoon, je versus u.

Bewindslieden tutoyeren dus zelden en als ze het doen, dan kennelijk vooral amicaal tegen een aanwezige collega. Ministers en staatssecretarissen hebben op zich al snel de neiging wat plechtiger te spreken (ook omdat ze soms ambtelijke antwoorden voorlezen en wel eens héel snel zoals minister Koolmees deze week in het debat over weekendscholen) maar zij hebben uiteraard een andere status in de plenaire zaal. Om te beginnen zijn zij er gast (ze krijgen drinken aangeboden) en worden met hun functie-aanduiding welkom geheten en aangesproken. Dus: Het woord is aan de minister-president.
Vooral Mark Rutte – hij mag in dit verband zó aangeduid worden – is begonnen met het noemen van voornamen van collega’s uit zijn kabinet van dat moment. Op 5 februari j.l. zegt de premier bijvoorbeeld: “Eric Wiebes doet er heel veel aan. Sigrid Kaag doet er heel veel aan.” Daarmee is de minister-president een trendsetter ook buiten vak-K. Dit kalenderjaar is fractievoorzitter Asscher – om maar iemand te noemen – in een plenaire vergadering al driemaal Lodewijk genoemd door collega-leden. Jongere leden zoals Lilian Marijnissen (SP) en Thierry Baudet (FvD) doen daar bijvoorbeeld duidelijk aan mee.

Jijen en jouwen, voornamen gebruiken, dat zijn vrij nieuwe trends in de Tweede Kamer, de laatste paar jaar ook buiten de situatie dat er van een medelid afscheid genomen wordt. Voorzover ik weet zegt het Reglement van Orde er niets over. Gek eigenlijk.

Vanaf nu ga ik in het bijzonder luisteren naar het begin en het einde van een bijdrage van Ronald van Raak en – vooruit – ook naar wat hij daartussen te berde brengt.

Ronald van Raak (website Tweede Kamer)

P.S. Eerder in dit blog schreef ik over Aansprekingen en aanduidingen, een verwante kwestie.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Nabij in de tijd in de taal van Mark Rutte – bijwoord of bijvoeglijk naamwoord

Minister-president Rutte sprak na afloop van de ministerraad op 23 november 2018 over de pensioenen in Nederland, jarenlang een stelsel dat deze premier had geprezen in vergelijking met zo ongeveer alle landen ter wereld. Luister naar de premier op 17 juni 2011: “(…) even voor alle duidelijkheid, wat we aan het repareren zijn is absoluut het beste pensioenstelsel van de wereld, dat zegt ook iedereen. Er zit, ik dacht 600 of 800 miljard, inmiddels blijkt het wel zo’n 900 miljard, zit er in die pensioenpot. Dat is anderhalf keer onze economie. Dat heeft geen land in de wereld.” Rutte-III is doende om een Pensioen-akkoord te sluiten om wat aan dat absoluut beste stelsel ter wereld te veranderen en dat tot nu toe gaat moeizaam. Is er dan wel veel urgentie om zo’n akkoord te sluiten, is de logische vraag van een journalist in Nieuwspoort.

Rutte vatte de kwestie eind 2018 aldus samen – de pensioenpot was een 50% gegroeid in een jaar of zes, zeven tijd – geciteerd naar de mediatekst van het Ministerie van Algemene Zaken:

“Goed, er zit 1350 miljard in de potten. Alleen we hebben ook heel veel pensioenverplichtingen en we hebben op dit moment pensioenen die vrij stevige garanties geven over hoe dat pensioen eruit gaat zien met als gevolg dat vanwege de vergrijzing van Nederland en de demografische ontwikkelingen de pensioenfondsen in veel gevallen gedwongen worden om niet te indexeren nu. Mogelijk zelfs kortingen aanstonds zouden zijn en door een nieuw pensioenstelsel met een betere verdeling van solidariteit tussen de generaties het mogelijk zou zijn geweest om ook met een nieuwe definitie van een mate van zekerheid die je biedt bij datum van pensionering en daarna het mogelijk zou zijn geweest om die kortingen te voorkomen en indexaties mogelijk te maken.”

Bij de vergelijkbare wekelijkse persconferentie van vanmiddag op 15 februari 2019 ging het langdurig (want Rutte gaf zich nauwelijks bloot) over gesprekken met AirFrance-KLM. Wat de premier ook allemaal níet wilde zeggen, hij maakte wel duidelijk dat de aanwezigen niet bang hoefden te zijn “dat de opheffing van KLM aanstonds is”.

In beide gevallen waarin de premier aanstondsgebruikte, moet hij een wat plechtiger variant van aanstaandeop het oog gehad hebben. Het eerste is, zeg ik op gezag van Van Dale, een bijwoord van tijd en dus een woord dat we gelijk kunnen stellen aan ‘direct, dadelijk, gauw, weldra’. Trouwens die laatste -svan aanstondsmaakt die woordsoort al duidelijk.

Aanstaandeis een variant van het bijvoeglijk naamwoord aanstaand‘nabij in de tijd’.

Natuurlijk lijken aanstonds en aanstaande op elkaar, maar er zijn een paar verschillen. “De jongste dag is aanstaande” citeert Van Dale een tekst uit bijbelse sfeer – dus een naamwoordelijk gezegde net als in “het wegnemen van de vrees dat een pensioenkorting aanstaande is”. Koppelwerkwoord (is) plus aanstaande (bijvoeglijk naamwoord).

Maar aanstonds als bijwoord valt in de standaardtaal van het land van premier Rutte niet te combineren met een koppelwerkwoord, evenmin als direct, gauw, weldra: een pensioenkorting kan niet gauw zijn, niet direct zijnen zo’n korting is in het Nederlands evenmin weldraGauw komenkan wel, direct komenook maar daar is het een bijwoord.

Dat Mark Rutte aanstaande bedoelde waar hij aanstonds zei, kunnen we ook aannemelijk maken door de accentuering. In althans mijn manier van spreken is het “áánstonds”  tegenover “aanstáánde”. Rutte zei juist “aanstónds” en zei dus met dat vreemde accent voor de goede verstaander dat deze aanstaande moest begrijpen waar hij het wat plechtiger klinkende aanstonds hoorde.

Bron: Ministerie van Algemene Zaken
Posted in Uncategorized | Leave a comment

Zomaar en niet-zomaar plus een komisch besluit

Sommige woorden zijn makkelijker te vertalen dan andere, ik vind zomaar in dat opzicht bijvoorbeeld een lastig woord. Het komt meer voor dan misschien gedacht. Vandaag, 13 februari 2019, viel het volgens het ongecorrigeerde verslag van de Tweede Kamer bijvoorbeeld 8 keer tot aan de diner-pauze; dit jaar tot dusver al ruim 100 x, het hele vorige kalenderjaar moet het volgens de Handelingen meer dan 800 maal gezegd zijn.

Wat betekent zomaar? Van Dale geeft twee omschrijvingen: 1) zonder in- of aanleiding (bijvoorbeeld: hij begon zomaar te schieten) en 2) zonder beletsel, zonder verlof (zoals in mag dat zomaar?). Pardoesis een vertaling die in beide gevallen redelijk past of pats-boem. Wie liever Engels wil out of the blue. Kijk naar de gevallen uit het debat Zelfdoding in de jeugdzorg vanmiddag in de Tweede Kamer, al dan niet toevallig allemaal afkomstig van vrouwelijke sprekers:

• Als je zo’n groot bedrag, ongeveer 3 miljard, zomaar bezuinigt (Fleur Agema PVV)

• nu gaat het maar gewoon om cheques die niet zomaar uitgeschreven kunnen worden (id.)

• De vraag is echter of die dingen zomaar vanzelf zijn gekomen (Judith Tielen VVD)

• als iemand besluit om zelfdoding te plegen, is dat niet zomaar(Lisa Westerveld GroenLinks)

Later volgde het debat over Handhaving Wet verbod pelsdierhouderij. Daar gebruikte minister Schouten het woord diverse malen, maar in een andere betekenis – en zij was niet de eerste in de parlementaire geschiedenis. De gegevens uit één actuele verslagdag even bijeen:

•  Ik had wel zomaar de indruk dat de inbreng iets meer ging over dingen die buiten het wetsvoorstel om gaan dan

 • Ik heb namelijk zomaar het gevoel dat wat mevrouw Ouwehand moreel acceptabel of onacceptabel vindt, voor anderen anders ligt. (id.)

 • Ik heb zomaar de indruk dat daar wat licht tussen zit. (id.)

Toen de minister bij het oordeel over een motie zei “mevrouw Ouwehand daarom (te) willen aanraden om deze motie aan te houden” zei deze: “Daar ben ik zomaar toe bereid.” 

🙂 dacht ik op dat moment.

In uitingen als “denk ik zomaar”, “ik kan me zomaar voorstellen”, “ik heb zomaar de indruk” moeten we een andere lezing zien. Daar suggereert zomaardat iets plompverloren opkomt maar de betekenis is in deze context verrassend genoeg juist niet zomaar maar ‘ik heb de stellige indruk’.

Die betekenis heeft Van Dale nog niet bereikt, denk ik zomaar.

Het was geen leuk debat over de pelsdieren, noch bezien vanuit de dieren noch vanuit de fokkers. De fronten stonden duidelijk gepositioneerd tegenover elkaar en er zat geen beweging in. Verving Barry Madlener (PVV) zijn collega Dion Graus? Toen hij een mail-reactie van een nertsfokker wilde voorlezen vanaf zijn telefoon moest Madlener een inkomend gesprek wegdrukken en toen werd het even hilarisch. Madlener: “Nu belt mijn vrouw, moet ik even wegdrukken” en ze bleek een volhoudster want ze belde opnieuw – keek blijkbaar niet naar Politiek24. Madlener bood nu excuus aan aan…. zijn vrouw, sorry Veronique en verwees naar Valentijnsdag morgen waarop hij het helemaal zou gaan goedmaken.

Toen Frank Futselaar (SP) aansluitend aan de beurt was, vroeg voorzitter Arib of hij geen telefoon had meegebracht. Hij antwoordde gevat dat hij z’n gsm uit voorzorg had achtergelaten voor het geval de vrouw van Madlener hem wilde bellen in verband met Valentijnsdag. 😀 ofwel gelach alom.

Aanvulling 21.02.2019: Het was een aanvarinkje tussen VVD-woordvoerder Arne Weverling en minister Schouten (Landbouw en Visserij) in het debat over de pulskorvisserij vandaag. Het Kamerlid vroeg op z’n Omtzigts naar een feitenrelaas; wat had de speciale vertegenwoordiger (oud-minister Veerman) allemaal gedaan in Europees verband om de vissers te helpen?

De minister: Juist door dit soort uitspraken vermoed ik zomaar dat als deze Kamer nog eens een keer gaat vragen of iemand misschien stille diplomatie zou willen bedrijven voor Nederland, er echt niemand meer te vinden is. Ik vraag me echt even af wat de heer Weverling hiermee wil bereiken. Deze reageerde vervolgens flabbergasted en de minister zei even daarna dat ze het een beetje zat werd.

Was het een grapje van mevrouw Arib of een voorstelbaar ongelukje dat ze Futselaar afkondigde met “dank u wel meneer Madlener”? Was het opnieuw humor of was mevrouw Arib geheel in de war toen ze ten slotte zei: “Och, ja! Ik vraag me af hoe mevrouw Madlener aan uw telefoon komt, meneer Futselaar.” Ik kan me beide lezingen zomaar voorstellen.

*) Hier schreef ik eerst gelag – foei, excuus en dank reageerder!

P.S. Later op de avond was het debat Omgaan met gevolgen van aanhoudende droogte. Daar trad Carola Schouten opnieuw aan en ze onderstreepte eenmaal haar eerdere uitspraken door te zeggen: … ik vermoed zomaar…..

Foto website Ministerie van Landbouw

Posted in Uncategorized | 1 Comment