Nog even verwijlen bij ‘wijl’ en ‘wijle’

Aan het Duits is te observeren dat wijl en wijl twee verschillende woorden kunnen zijn: wijl ‘omdat’ is in het Duits weil, wijl ‘poos’ is een zelfstandig naamwoord en krijgt daarom in het Duits een hoofdletter, Weile. Aan het eerste is een stukje gewijd,*) dit tweede wijl kennen wij ook als wijle – kénnen wij of kenden wij? Straks krijgen we nog een heropleving onder invloed van het Engelse while.
Feitelijk is het momenteel verleden tijd maar er zijn wel eens sprekers in de plenaire zaal van de Tweede Kamer die uit het oudere vaatje tappen. Neem nu Roelof Bisschop (SGP) die op donderdag 10 september 2015 als Kamervoorzitter het avonddebat op deze manier afrondt: “Ik dank u allen voor de inbreng, voor de belangstelling en voor de ondersteuning. De stemmingen over de moties zijn voorzien voor dinsdag over een week, op 22 september. Ik wens u na deze arbeidzame dag nog een wijle een aangename verpozing, wel thuis en een gezegende nachtrust.” Op dat moment is het 23.12 uur – blijkbaar drinken parlementariërs dan allereerst nog even een bisschopwijntje, schrijf ik net zo glunder als de fungerend voorzitter zijn slotwoorden uitsprak. Een wijle, wie zegt dat nu nog, wie in 2015? Roelof Bisschop en hij gebruikte als gewoon kamerlid hetzelfde woord (ongetwijfeld andermaal glunderend) bij een formeel moment op de Kameragenda op 6 december 2016: “Voorzitter, ik heb een heel eenvoudige opmerking. Bij punt 9, de stemmingen over het MIRT, willen wij de motie-Bisschop c.s. (34550-A, nr. 41) een wijle aanhouden.” Dat was de laatste keer, tot nu toe.

Tweetalige Roelof Bisschop: Nederlands en Kanaäns (still uit Gomarus-debat)

Andermaal merken we hoe SGP’ers taal van vroeger in de richting van de uitgang dragen. Het heeft wel iets merkwaardigs als de zoekfunctie van overheid.nl ons nauwelijks andere voorbeelden van dat “een wijle” verstrekt uit de laatste halve eeuw voor 2000: in 1999 in een citaat, in 1956 en daartussen eenmaal minister Van Kemenade in 1975: “De geachte afgevaardigde de heer Abma heeft ons in eerste termijn een wijle in het Latijn toegesproken en wel zeer toepasselijk.” Dat moet de Excellentie opzettelijk zo geformuleerd hebben, in de richting van Ds. Abma (SGP) én omdat deze zich kennelijk klassiek had uitgedrukt.

Verwijlen heeft alles met wijl ‘poosje’ te maken. Het werkwoord betekent ‘stilstaan bij’ en dat zal in de taal van de Kamer allereerst begrepen moeten worden als ‘enige tijd het woord voeren over’. Ook dit is een woord dat feitelijk de uitgang van het parlement heeft gepasseerd. Dat gold waarschijnlijk ook al op 10 april 2002 toen minister Klaas de Vries van Binnenlandse Zaken afrondend sprak over de herindeling Echt en Susteren: “Een van de zegeningen van deze behandeling was dat wij vandaag enkele uren bij de prachtige provincie Limburg konden verwijlen.” De Vries is geboren in Hoensbroek – verwijlen verliet als het ware via Zuid-Limburg het vaderland.
Teruggaand in de tijd is staatssecretaris Gmelich Meijling de voorlaatste gebruiker van het verwijlen (in 1996), interessanter is wat staatssecretaris Kosto op 30 september 1993 zei in een debat over een wet Gewetensbezwaarden werknemers: “U mag verwijlen in uw afwijkend standpunt, maar de regering en een meerderheid van de Kamer hebben elkaar gevonden in de gedachte, dat (….)”. Hier is de betekenis dus niet meer ‘een poosje stilstaan, verblijven bij’ maar ‘volharden in’. Dat lijkt een ander voorbeeld van een vaker gesignaleerd verschijnsel dat taal ongebruikelijker behandeld kan worden naarmate het in onbruik raakt.

En dat is bij Aad Kosto opmerkelijk want hij is jurist. Juist in die kring is zonder verwijl gangbaar, door Van Dale als “formeel” aangeduid, ik zou het eerder juridisch taalgebruik noemen:
• …. dat het onderzoek, dat nu loopt, zonder verwijl moet worden afgesloten,… (Bakker, Verkeer en Waterstaat, 1963)
zonder enig verwijl met de Regering in verbinding gesteld (Den Uyl, PvdA, 1969)
• Als de verblijfplaats van de minderjarige zonder verwijl aan de ambtenaar van justitie gemeld wordt, dan is er sprake van een legale situatie. (Van Agt, Justitie, 1975)

Verwijlen werd, zeker tegen het einde van de tijd dat het werkwoord gangbaar was, niet vaak in een voltooide tijd gebruikt. Een van de laatsten die het deden was PvdA-fractieleider Den Uyl bij de Algemene Politieke en Financiële Beschouwingen op 16 oktober 1969: “De Minister van Financiën heeft nog wat verwijld bij het indrukwekkende schilderij, dat de heer Biesheuvel in eerste instantie voor onze ogen toverde.” Klonk daarin toen ook al enige spot door wegens het gebruik van dat werkwoord verwijlen, naast “dat indrukwekkende schilderij”?
Trouwens, zou dat voor onze ogen toverde niet eerder ons voor ogen toverde kunnen zijn? (Vergelijk de bijdrage over woorden in mijn mond leggen tegenover mij woorden in de mond leggen.)

Kanaäns noteren we vooral uit de monden van SGP-woordvoerders, veel minder doen sprekers van de ChristenUnie dat. Het wordt tijd, de aandacht eens te richten op Piet Jongeling (GPV).

*) wijl ‘omdat’ is of oogt als een verkorting van dewijl. Ook dit is een verdwenen woord uit het gangbare Nederlands in de Tweede Kamer. Ds. Van Dis (SGP) was in 1968 de laatste gebruiker ervan volgens de Handelingen.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

“Wij zijn er niet klaar mee en wij zullen er voorlopig ook niet klaar mee zijn”

https://www.stafdepla.nl

Was Staf Depla (PvdA) – de misschien niet voor iedereen gangbare roepnaam Staf is een restant van de doopnaam Gustave – was Staf Depla op 1 december 2004 de eerste die in de Tweede Kamer in een plenaire vergadering een nieuwe betekenis bedoelde bij de uitdrukking er klaar mee zijn? Hij zei volgens de Handelingen tegen de betreffende minister over illegale verhuur: “U blijft in de studeerfase hangen en u wilt schriftelijk reageren op de voorstellen, omdat die zo gedetailleerd zijn. Net als velen met mij ben ik er echter klaar mee. Uit het veld is te horen dat er een paar concrete maatregelen moeten worden genomen.”
Met een zekere voorzichtigheid concludeer ik dat hier het eerste blijk van de nieuwe betekenis ‘er genoeg van hebben’ vindbaar is. In de uitgave van Van Dale uit 2005 is dat nog niet vindbaar, dit is een foto van een stukje uit die druk; kijk vooral naar de staart van betekenis 11:

Van Dale (2005)

Dat ligt in de editie van 2015 anders, net als nu in de elektronische versie, let vooral op de uitdrukking tegen het eind van betekenis 12:

Elektronische Van Dale (2021)

In hetzelfde jaar 2004 van Depla’s uitspraak komen in het plenaire verslag dit soort citaten voor:
“(….) een schattingsbesluit waar u nog niet helemaal klaar mee bent en waarvan de laatste gegevens er nog niet zijn?”
“(….) laat de profielcommissies vanuit hun professionaliteit hier een advies over geven, ook al is het antwoord misschien heel simpel. Zij kunnen er dan snel klaar mee zijn.”
“Als die tweede optie serieus voorligt, bent u er niet klaar mee om hier een verhaal te houden en een motie in te dienen, waarin daarvan geen sprake is (….)”
“Wij zijn er niet klaar mee en wij zullen er voorlopig ook niet klaar mee zijn”

In deze teksten (het laatste citaat is van Wouter Bos, PvdA) betreft het een meer letterlijk gebruik van ergens wel of niet klaar mee zijn, nog niet dat figuurlijke van Depla.

Kijken we naar het voorkomen van de woordgroep “klaar mee” in de voorlopige verslagen van het kalenderjaar 2021: tot en met Prinsjesdag valt dat 14x te noteren en uitsluitend in de nieuwe betekenis zoals in deze gevallen:
• Geert Wilders (PVV): “Voorzitter. Wij zijn er helemaal klaar mee.”
• Nilüfer Gündoğan (Volt): “Dat gaat volgens mij niet gebeuren door steeds te zeggen: ik ben er klaar mee.”
• Premier Rutte: “Ik denk dat iedereen er na anderhalf jaar wel een beetje klaar mee is.”

Die uitdrukking er (helemaal) klaar mee zijn ‘er tabak van hebben’ heeft allicht door de uitgesproken betekenis de andere varianten verdrongen, al was het uit vrees voor misverstanden. Op 3 februari 2005 zegt Mariëtte Hamer (PvdA) volgens de Handelingen tegen minister Van der Hoeven: “Ik heb zoals gezegd geen behoefte aan een tweede termijn. De minister heeft altijd het recht om met een nota van wijziging(en) te komen, dus daarvoor hoeft zij ons geen toestemming te vragen. Ik wil ook niet dat hier de indruk ontstaat dat wij met de nu door de minister gekozen formulering hebben gezegd dat wij daar klaar mee zijn. Daarom hebben wij dit lastige woordenspel, dat geen woordenspel is.”
Iemand die zoiets in 2021 leest, kan mede door dat woordenspel een zekere aarzeling bezitten omtrent wat mevrouw Hamer bedoelde. Toen het in de plenaire zaal gezegd werd kan er nauwelijks enige vorm van onduidelijkheid over hebben bestaan.

Taal verandert mettertijd – vaak is het de uiterlijke vorm, soms de inhoud.

 

Aanvulling 14.10.2021: Bij het debat over de begroting van het Ministerie van Algemene Zaken en van de Koning waren er weinig sprekers in de eerste termijn van de kant van de Kamer, maar Barbara Kathmann (PvdA) en Stephan van Baarle (DENK) gebruikten de uitdrukking met klaar mee in de hier bedoelde betekenis. De minister president liet zijn goedgemutste stemming er voor het oog niet door verbergen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Tijd en wijle – tekentjes van veranderend Nederlands

Als woorden of uitdrukkingen een verdwijningsproces ondergaan, is dat natuurlijk allereerst te zien aan een afnemende frequentie. De Handelingen van de Tweede Kamer zijn daarvoor een plezierige graadmeter (zie enkele stukjes over het gebruik van zeer waarin in dit verband de term incidentie is gekozen). In dit geval: bij tijd en wijle komt tegenwoordig per miljoen genoteerde woorden ongeveer 0.5 keer voor. Middelend over de periode 2000-2009 is het 0.66 per miljoen, in het tijdvak 2010-2019 is het 0.56. Die lichte reductie spoort met een wat onzekerder uitkomst uit (veel, maar niet volledige Handelingen en inclusief een deel van de Eerste Kamerverslagen) de jaren 1950-1999: over die halve eeuw komt bij tijd en wijle meer dan eenmaal per miljoen woorden voor.

Wat we ook geregelder zien bij taal die bezig is ‘uit’ te raken, is het optreden van enige onzekerheid bij de sprekers. (Zie de verkeerde naamval bij vrij laat gebruik van gij.) Bij de uitdrukking bij tijd en wijle overkwam dat Roelien Kamminga (VVD) wellicht bij het debat van haar maidenspeech dit jaar op 19 mei. Ze zei afrondend onder meer: “Ik heb veel geleerd in dit debat. Bij tijd en wijle en heb ik wel gedacht: zit ik in het goede debat?” Zó stond het in het ongecorrigeerde verslag, zó staat het ook in wat er enkele maanden later op de officiële publicaties van overheid.nl verscheen. “Bij tijd en wijle en” – zei mevrouw Kamminga misschien “bij tijd en wijlen”?
Van die vorm van onzekerheid – maar dan juist het laatst te verwachten uit die regio’s waarvan de sprekers van –en de slot-n inslikn – bestaan wel enkele genotuleerde voorbeelden zoals uit voorbije jaren:

• John Kerstens (PvdA) in 2018: “Ik wil de staatssecretaris de suggestie doen om die bij tijd en wijlen gewoon ook eens ongevraagd te benoemen (…)”
• Otwin van Dijk (PvdA) in 2014: “Het was bij tijd en wijlen heftig en ook emotioneel, (…)”
• Sharon Gesthuizen (SP) in 2013: “Met de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is een bij tijd en wijlen goed en in ieder geval zeer bewogen debat gevoerd (…)”


De genotuleerde gevallen van bij tijd en wijlen zijn interessant maar ook onzeker: vanaf de jaren ‘60 van de vorige eeuw komen ze met een zekere regelmaat in de plenaire verslagen voor. De onzekerheid schuilt ‘m in de vraag of wijlen door de spreker gezégd is of zo door de verslaglegger verstáan.
De onzekerheid gaat nog verder: er kunnen (ja er zullen) correcties zijn aangebracht van bij tijd en wijlen naar bij tijd en wijle, maar misschien ook in omgekeerde richting.

Ander teken van taalverandering is een afnemende combineerbaarheid van “ X tijd en wijle”. Wat staat er op de positie van X? Wij kennen nu nog slechts taal met het voorzetsel bij, maar ruim een halve eeuw geleden was nog dit Nederlands vindbaar:

tot tijd en wijle de naamloze vennootschap zou zijn opgericht
tot tijd en wijle de Minister het tijdstip aangebroken acht, waarop de hogere accijns, (….) zal worden vastgesteld.
• (….) zou men deze patiënten tijdelijk kunnen opnemen in het sanatorium van de kapitaaldienst, tot tijd en wijle uit het gewone budget de krepeergevallen als hersteld uit het sanatorium kunnen worden ontslagen
totdat tijd en wijle de feiten — en ik geloof, dat wij daaraan toe zijn — sterker gaan spreken.

Blijkbaar betekende tot (en totdat) tijd en wijle iets als ‘op een zeker moment in de (nabije) toekomst’. Dat gebruik nam in de jaren ‘50 van de vorige eeuw sterk af: in de Tweede Kamer is het laatste geval (via de automatische zoekfunctie) vindbaar in 1958, in de conservatievere Senaat ook nog een enkel voorbeeld uit 1961 en 1969. (Vergelijk hiervoor bijvoorbeeld de bijdrage Momentelijk.)

Niet-Alblasserwaardse publicaties van/over M.W. Schakel


En dan is daar opeens weer Maarten Schakel (ARP/CDA) op 8 september 1970! Volgens het verslag zegt hij: “De overige f 5 mln. wordt gereserveerd tot bij tijd en wijle de Kamer zich over de ingebouwde steunmaatregelen ten principale heeft uitgesproken.” De laatste in de rij en die spreekt een contaminatie uit van tot tijd en wijle en bij tijd en wijle! Teken van taalverandering.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

In betekenende mate – taal op weg naar de uitgang van de plenaire zaal

Het ging hier enkele malen over het vroegere kamerlid Maarten Schakel (ARP/CDA, hij leefde van 1917-1997) en het zou best kunnen dat het in dit talige verband nog vaker over hem zal gaan. Als ik aan Schakel denk, denk ik aan taal die inmiddels gedateerd is. Voorbeeld? Al eerder maar terloops genoemd: in betekenende mate ‘behoorlijk, nogal’. Het is al een aantal jaren niet gevallen in de plenaire zaal van de Tweede Kamer. De laatste die het gebruikte was Roelof Bisschop (SGP) in 2015 in een vraag aan Tunahan Kuzu (DENK): “Voldoet dit wetsvoorstel, of wordt met dit wetsvoorstel in betekenende mate tegemoetgekomen aan deze behoefte?”

Een lichtere betekenis heeft het verwante enigermate. Hoe vaak komt dat nog in de Handelingen voor? Het neemt af en het is geen frequent woord: in de periode 2000-2009 tellen we 18 voorkomens op een 73 miljoen woorden, van 2010-2019 nog iets minder op een 80 miljoen woorden, namelijk 14 stuks.
Tot nu toe is het in de nieuwste Kamer vanaf maart 2021 alleen maar mooi wel tweemaal door Farid Azarkan (DENK) gebruikt: “Dat was enigermate ongemakkelijk” en hij sprak ook van het enigermate vergoeden van een ondernemer. Dat is enigszins verrassend, afnemend Nederlands en dat verwacht je bij uitstek in de hoek van SGP (zie boven) en qua beroepsgroep het meest uit de mond van juristen.

Op enigermate lijkt enigszins, is ook een beetje minder ongewoon. Hoe staat het daarmee?
In de vroege jaren vanaf 2000 komt enigszins zo’n 70 à 80x per 1 miljoen woorden voor, maar dat daalt vrij geleidelijk naar 50, naar in de 40 stuks per miljoen vastgelegde woorden in een kalenderjaar. Momenteel tellen we in de 30 en wat dat betreft loopt de huidige Kamer in de pas: half september telde ik 38 stuks per miljoen, maar als het nieuwe er eenmaal af is, zal dat aantal uiteraard teruglopen (omdat Kamerleden gewoner, minder formeel zullen gaan praten). Tot eind vorige week was Roelof Bisschop de laatste gebruiker toen het over ‘Gorcum’ ging: “De inspectie verantwoordt de methode die ze gevolgd hebben om die leerlingen waar dat enigszins mogelijk was op het spoor te komen (…).”

Ik kan het aan Dries van Agt moeilijk vragen en onmogelijk aan Maarten Schakel – de eerste onthulde het borstbeeld van de tweede in Noordeloos, 2002 – maar we kunnen er zeker van zijn dat zij het verdwijnen van dit oudere, minder alledaags geworden Nederlands een ietsiepietsie betreurd zullen hebben. Ietsiepietsie staat voor het eerst in 1986 in de Handelingen, uit de mond van Hans Alders, PvdA.”*) De taal krijgt er een beetje bij en er gaat iets van af.

Maarten Schakel, Noordeloos (gemaakt door Marcus Ravenswaaij)

*) Enkele jaren láter, 1988, gebruikte minister Bukman (Landbouw) als eerste de ABN- variant ietsjepietsje. De gewestelijke vorm is de iets populairdere variant in het Binnenhofs.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het Engels behulpzaam bij verklaring voor veranderend Nederlands

Hoe te reageren op de HJ Schoo-lezing van Sigrid Kaag (D66) aan het begin van het parlementaire jaar? Het woord is aan de eerstbetrokkene: Mark Rutte? “Neen, omdat ik al mijn energie wil richten op het tot stand brengen van een kabinet dat kan rekenen op een goede samenwerking met deze Kamer.” Hij onderstreepte dat in de Tweede Kamer theatraal op deze manier op 7 september: “Elke seconde, elke minuut, elke tien minuten en elk uur van mijn tijd dat ik zou besteden aan het geven van commentaar op hetgeen er gisteravond is gebeurd, kan ik niet steken in het bevorderen van het tot stand brengen van een kabinet.” De verkiezingen waren op 17 maart dus de premier was een kleine maand geleden, vooruit, al 250.000 minuten bezig met de realisering van Rutte-IV.

De vaste VVD-partner in deze formatie dan? “CDA-leider Wopke Hoekstra denkt niet dat het behulpzaam is als hij reageert op de uithaal van D66-leider Sigrid Kaag naar demissionair premier en VVD-voorman Mark Rutte,” schrijft het Noordhollands Dagblad op 7 september. Een jaar eerder vond de bewindsman een bepaalde discussie niet behulpzaam. Hij gebruikt behulpzaam en liever nog niet behulpzaam graag, zoals in het lopende kalenderjaar blijkens de Handelingen:
• Zou je niet deze datum nog voor je uit moeten schuiven en is drie jaar niet al heel behulpzaam voor veel ondernemingen?
• Alleen denk ik niet dat het behulpzaam is als ik daar nu allerlei schetsen over geef.

Goed, CDA-leider Hoekstra viel op door zijn reactie op de HJ Schoo-lezing van zijn D66-collega, maar er zijn veel sprekers in de Plenaire zaal die (niet) behulpzaam waarachtig tot hun woordenschat mogen rekenen.
Het bijzondere aan het tegenwoordige gebruik is wie of wat er behulpzaam blijkt, maar bij uitstek toch iets, meen ik. Ik keek naar de betekenis van behulpzaam bij Van Dale: ‘hulpvaardig, gedienstig’. Dat wijst op een relatie met een persoon of een groep personen. Een díng kunnen we toch moeilijk hulpvaardig of gedienstig noemen. (De enige drie voorbeelden die Van Dale bij het lemma behulpzaam verstrekt bevestigen dit: zij is altijd behulpzaam, zijn hulp verlenen, iemand helpen. )

Kunnen we nagaan of er contemporain sprake is van een veranderend taalgebruik? Eerst de feiten om met Elseviers Weekblad te spreken.

HJ Schoo-lezing Sigrid Kaag (schermafbeelding van still)


Facts first zegt CNN. Ask First: The Facts zoals the University of Calgary als motto heeft. Ik begon naar behulpzaam te zoeken op een willekeurige plaats in oudere Handelingen (te weten vanaf februari 1969) en besloot bij wijze van steekproef de allereerste 10 voorkomens te verzamelen:

1 Aan de andere kant is het bedrijfschap Horeca de Economische Controle-dienst bijzonder behulpzaam;
2 Het departement is mij daarbij zeer behulpzaam geweest.
3 Charles Perkins, die aan het einde van de tweede wereldoorlog door de Amerikaanse regering naar Duitsland werd gezonden om behulpzaam te zijn bij de overname van
4 een Nederlands expert heeft aangezocht om hem bij de opstelling van dit rapport behulpzaam te zijn
5 Mag ik een beroep doen op de Kamer om mij in dezen behulpzaam te zijn
6 De Minister heeft gezegd, dat hij gaarne bereid is, te bezien, welke middelen hem ten dienste staan om de gemeenten en de corporaties behulpzaam te zijn.
7 Ook als fractie willen wij graag trachten de Minister behulpzaam te zijn bij deze moeilijke weg.
8 Ziet de Minister nog andere passende mogelijkheden in O.E.S.O.-verband om de Verenigde Staten behulpzaam te zijn bij
9 boven alles moeten wij behulpzaam zijn, vooral op basis van het Statuut, opdat orde en rust gehandhaafd worden
10 zoals door onze fractie bepleit, zeggen wij gaarne toe hem behulpzaam te zullen zijn

Dezelfde aanpak nu bij de Handelingen van het kalenderjaar 2019, 40 jaar later. Daar kwam toevallig een woordvoerster in voor die behulpzaam vele malen gebruikte, ik beperkte de bijdragen van Carla Dik-Faber (ChristenUnie) tot eentje. Ook hier is gecursiveerd waar naar of naar wie er verwezen wordt:

1 Bij alle drie die disciplines is het soms behulpzaam om door taakherschikking te zorgen dat iemand anders uitkomst kan bieden.
2 Mocht dat behulpzaam zijn, dan kan ik er uiteraard meer over op papier naar de Kamer sturen (iets)
3 Over de status van het zogenaamde HRA-model is veel onduidelijkheid. Het is behulpzaam voor prioritering,
4 waarbij het Rijk behulpzaam is om ook andere budgetten daarbij te voegen
5 als alles door elkaar fietst, is dat ook niet altijd behulpzaam.
6 blijkt dat als dat keuzemoment wat later is, dat behulpzaam kan zijn
7 Dat kan ook behulpzaam zijn bij het bevorderen van kansengelijkheid
8 Burgerschapsonderwijs en extra begeleiding vanuit de mbo-school, bijvoorbeeld in de beroepspraktijkvorming, kunnen daarbij heel behulpzaam zijn.
9 Als een verlenging daarbij behulpzaam kan zijn, wie kan daar dan tegen zijn, zou je zeggen.
10 Het zou toch heel behulpzaam zijn als dat ook bij ons beschikbaar is?

Als steekproeven kunnen helpen – er is een willekeurige periode van vroeger en nabijer gekozen – wordt duidelijk dat er in het Nederlands in het gebruik van behulpzaam iets is verschoven: vroeger was een binnen- of buitentekstelijke verwijzing naar een mens of een groep personen (zoals een land, een organisatie of een orgaan als het Rijk) kennelijk verplicht, zoals impliciet bevestigd wordt door Van Dale. Maar zoals nog niet uit dat woordenboek duidelijk wordt, is het tegenwoordig juist vele malen gewoner om iets onzijdigs, abstracts (zoals een taakherschikking, het HRA-model, de situatie dat alles door elkaar fietst, burgerschapsonderwijs e.d.) als behulpzaam aan te duiden.

De Engelse tegenhanger van ons behulpzaam is helpful. Dat valt blijkens dezelfde Van Dale (maar dan naar een andere poot van dit merk) in tweeën uiteen: enerzijds ‘nuttig, bruikbaar’, anderzijds ‘behulpzaam, dienstig’. Helpful bevat precies die tweedeling tussen ding/voorwerp tegenover mens die het hedendaagse Nederlands gebruikt. Nú gebruikt. Nu óok gebruikt. Kan het Engels voor zoiets een verklaring bieden? Taalverandering is een doos van Pandora, wát een inhoud.

OED (screenshot)
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een presentje uit een boom zo vol geladen: het woordje ‘wijl’

Soms krijg je zomaar een ongedacht presentje. Pakken! Ik was op zoek naar de duur van het voorkomen van het voegwoord wijl ‘omdat’ in de Binnenhofse vergaderingen. De allerlaatste keer dat het in de Eerste Kamer in de verslagen genoteerd staat is zeker een jaar of 20 later dan wat duidelijk wordt uit die andere volle boom die bekend staat als de Handelingen van de Tweede Kamer. Ja, de laatste maal dat het in die Tweede Kamer opgeschreven staat (1975) komt het met een duidelijke knipoog voor in een verwijzing naar Jantje zag eens pruimen hangen. (Het echte laatste gebruik van wijl viel in de Tweede Kamer in 1971, in de Eerste Kamer in 1993. Senatoren zijn door de bank genomen kennelijk een ander soort volksvertegenwoordigers.)
Die verwijzing naar Van Alphens kindergedichtje in 1975 gebeurt door de spreker, Bas de Gaay Fortman (PPR/GroenLinks), op een impliciete manier: immers, in het origineel staat “schoon zijn vader ’t hem verbood.” Dat inmiddels uit het gebruik verdwenen voegwoord verving De Gaay jr. op grond van de context door een ander, eveneens uit de tijd: wijl. Alleen sloeg het hier op niet op vader maar op een andere leidinggevende figuur, “wijl zijn Minister het hem verbood”. Die minister was Van Agt, maar de vader van De Gaay Fortman (ARP/CDA) had diens post juist graag in het kabinet-Den Uyl willen hebben…. Van Agt als mede-formateur behield de plek voor zich, “Gaius” kreeg Binnenlandse Zaken.
Bas de Gaay Fortman sprak in het debat van 3 juni 1975 over het ontslag van staatssecretaris Glastra van Loon van Justitie, de kwestie die de afgelopen week ineens weer aandacht kreeg als gevolg van het ontslag van Mona Keijzer als staatssecretaris van Economische Zaken. Zoals premier Den Uyl er door Van Agt destijds niet in gekend werd, zo handelde minister-president Rutte buiten de ministerraad om. Over Keijzers vertrek naar aanleiding van haar kritiek op de coronapas kwam geen debat, anders dus dan in 1975.

Het was destijds een spannende kwestie, het was maar één van die werkelijk adembenemende affaires waar Van Agts naam mee verbonden was.
De zaak draaide om secretaris-generaal Mulder van het departement van Justitie: staatssecretaris Glastra van Loon had in hem een geharnaste tegenstander op minstens één punt van zijn beleid, het gevangeniswezen. Toen hij zich in interviews en op een persconferentie negatief over Mulder uitliet door de organisatie op het ministerie te kritiseren, was Van Agts vertrouwen in de staatssecretaris ernstig geschaad. Tot een mogelijk verzoenend gesprek tussen Glastra van Loon en Mulder kwam het niet, wijl Van Agt dat niet wilde.

Overigens was Van Agt tijdens de betreffende persconferentie in het buitenland, zoals hij vaker afwezig was. Dat brengt ons opnieuw bij de S-G Albert Mulder. Met hem kon De Gaay Fortman senior goed opschieten en dat was handig, gegeven het feit dat Van Agt en De Gaay Fortman elkaars collega ad interim waren. Mulder had tijdens Van Agts eerste ministerschap in het kabinet-Biesheuvel gemerkt dat deze geregeld absent was en adviseerde de oude Gaay om vanaf het begin te turven, hoe vaak hij op Justitie moest invallen. Volgens dat turven heeft hij gedurende 1100 dagen voor Van Agt waargenomen. Zie daarvoor p. 211 e.o. van De onverstoorbare gang van W.F. de Gaay Fortman (interviews door Willem Breedveld en John Jansen van Galen, Oudewater/Amsterdam 1996).
Diezelfde afwezigheidskwestie wordt ook behandeld in de prachtige Nijmeegse biografie van Van Agt Tour de Force (Johan van Merriënboer, Peter Bootsma, Peter van Griensven, Amsterdam 2008, p. 128 e.v.) – maar daar is De Gaays rekensom van 1100 dagen kennelijk niet bekend.

Bron: dbnl.org

De bezigheden weg van Den Haag van Van Agt doen denken aan de pruimen waar Jantje zo verlekkerd naar keek. Hij besluit ze níet te plukken: “ik wil gehoorzaam wezen (….): ik loop heen. Zou ik, om een hand vol pruimen, ongehoorzaam wezen? Neen.” Maar dat heeft vader gehoord en die beloont zijn zoon door fors aan de boom te schudden: “Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen, en liep heen op een galop.” Krijgen in de dubbele betekenis van ‘ontvangen’ en ‘pakken’.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De kop van Aantjes in Bleskensgraaf: vragen

Volgens mediaberichten vroeg in 2008 blijkt de kop van Willem Aantjes (1923-2015, ARP/CDA) op de volgende manier ontstaan en in z’n geboortedorp geplaatst te zijn.*)
Zijn veel jongere echtgenote Ineke Ludikhuize wilde een herinnering voor het te verwachten geval dat Aantjes veel eerder zou overlijden dan zij.
Zij gaf beeldhouwer Dennis Coenraad in 2004 de opdracht, een afbeelding van het hoofd van haar man te maken; Aantjes werkte (toch) mee.
Toen de kop klaar was, zocht Coenraad contact met de regionale CDA-afdeling in de persoon van Arie Slob uit Noordeloos. (De combinatie van deze voor- en achternaam komt in de Alblasserwaard veel voor maar het betreft dus niet de huidige ChristenUnie-minister voor Basis en Voortgezet Onderwijs en Media.)
De regionale afdeling van het CDA was vóor en polste de toen nog bestaande gemeente Graafstroom waar Bleskensgraaf onder viel. De gemeente was níet voor, want het beleid was dat er in het publieke domein alleen overleden personen met een beeltenis geëerd werden.
Toevallig was het geboortehuis van Willem Aantjes in het bezit van de zoon van een jeugdvriend van hem, op dat moment lokaal CDA-fractievoorzitter: Frans van den Berg. Die ging wél akkoord. Particulier terrein, de gemeente had daar geen zeggenschap. Op Aantjes’ 85-ste verjaardag onthulde oud-fractiegenote Hannie van Leeuwen (1926-2018) de kleine kop, geplaatst op een bruin houten zuiltje in de voortuin van het huis van Van den Berg, Dorpsstraat 10 in Bleskensgraaf, 16 januari 2008. Aantjes was erbij, steunend op een wandelstok.

Vanaf de weg is de kop in alle bescheidenheid zichtbaar, zie de actuele afbeelding van Google Streetview gemaakt in juni vorig jaar: Aantjes kijkt in de richting van het vroegere gemeentehuis en de kerk aan de andere kant van de Graafstroom.

Wie in september een jaar later in die Dorpsstraat op zoek gaat, kan zoals ik zomaar langs Aantjes lopen zónder hem te ontdekken. In 2021 blijkt hij pas bij nader inzien onderdeel uit te maken van een grote verzameling bolhortensia’s met ongeveer eenzelfde hoogte als Aantjes’ hoofd. Wellicht worden de hortensia’s elk voorjaar gesnoeid – dan is dat een beter moment om Aantjes te observeren. Zo niet, dan is hij bezig in de bloemenzee en struiken te verdwijnen.

Willem Aantjes, Bleskensgraaf (SR)

Maar ook nu is de tekst zichtbaar die op een bordje op het hout is aangebracht en die eindigt met de naam van de maker, Dennis J. Coenraad en het gebruikte materiaal, brons. Daarboven:
“Ouderlijk huis
Willem Aantjes
CDA-politicus
85 jaar
16 januari 2008”

Het ouderlijk huis? Dat roept nog meer vragen op dan die hele fractie aan bolhortensia’s die om aandacht schreeuwt: gaat het bij die kleine kop van Aantjes om hem of om waar hij geboren is?

*) Ik baseer me op NexisUni (voorheen Lexisnexis), vooral met behulp van het AD, editie Rivierenland.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen