Letten op het belendende perceel (3): taalverandering rond het woordje tandje

Triomf, triomf! hef aan, mijn luit,
Want moeder zegt: de tand is uit!
Laat dreunen nu de wanden!
Eerst gaf Gods gunst het lieve wicht
Den adem en het levenslicht,
Nu geeft zij ‘t wichtje tanden.

Zo dichtte Tollens Op den eersten tand van mijn jongstgeboren zoontje. Jazeker, het jongetje heette nog wichtje, taal kan veranderen.
Tandje is aan het Binnenhof een veelgehoorde gast sinds de vroege jaren ‘90 van de vorige eeuw. Het gaat om het gebruik dat stamt uit de wielerwereld waarbij een versnelling gewijzigd wordt, bijvoorbeeld door een tandje bij te steken zoals men in Vlaanderen zegt. Dat betreft een hogere versnelling waarvoor wat meer vermogen geleverd wordt (vermogen, luister naar schaatsanalytici); in ruil voor de hogere inspanning is meer tempo het resultaat.

Van Dale haalt onder de 9e betekenis deze terminologie aan en verwijst treffend naar Wim Kok. In zijn tijd als minister van Financiën koos hij voor een voorzichtiger koers met betrekking tot het terugdringen van het financieringstekort en gebruikte daarvoor een sindsdien veel geciteerde manier van zeggen met tandje, in dit geval eentje minder. Wim Kok en dus niet jaren eerder wielerfanaat Dries van Agt!

Misschien is het onder invloed van het parallelle graadje dat we tandje vooral gecombineerd zien worden met een vergrotende trap. (Nota bene: kleiner en minder heten taalkundig ook vergrótende trappen.) Maar tandje is tegenwoordig veel succesvoller dan graadje – dat heeft het moeilijker, wie weet onder invloed van de klimaatdiscussie. Naast tandje meer en tandje minder is het mogelijk om het in 2019 te combineren met woorden als dieper (minister Slob), scherper (Rob Jetten D66), harder (Jesse Klaver GroenLinks) of een combinatie met Engels getuige wat Klavers fractiegenote Corinne Ellemeet zei: Al kan het wat GroenLinks betreft wel “een tandje tougher.”

Langzamerhand betekent tandje bijna hetzelfde als ‘iets’. Minister Bruins (niet zelden onopvallend opmerkelijk als taalgebruiker): “Ik denk daar dus net een tandje anders over” of staatssecretaris Harbers: “Op deze manier kunnen we dat nog een tandje versterken.” Al enkele jaren geleden zei Michel Rog (CDA) dat ergens nog wel een tandje ambitie bij kon en demonstreerde zo de combinatorische variant tandje + zelfstandig naamwoord.

Waarom is tandje zo’n succes in het politieke taalgebruik blijkens de Handelingen? Net zoals bijvoorbeeld aan de slag is het héerlijk vaag terwijl het tegelijkertijd een positieve uitstraling bezit.

Posted in Uncategorized | 1 Comment

Letten op het belendende perceel (2): taalverandering rond het woordje duidelijk

Duidelijk is niet direct over het hoofd te zien voor wie Nederlands leert. Even tellen? Het woord staat meer dan 3500 maal genoteerd in de Handelingen gerekend over het hele kalenderjaar 2019 waarin verslagen van alle plenaire vergaderingen van de Tweede Kamer verzameld zijn. Maar duidelijk is een woord zonder meer, sprekers m/v vinden dat te kaal en grijpen niet zelden naar een nadere toelichting in de vorm van een bijwoord dat in die verslagen vooral links ervan opgeschreven staat. Dat kan een nadrukkelijke onderstreping betreffen (helemaal duidelijk, echt duidelijk, volstrekt duidelijk, fundamenteel duidelijk) maar ook veel voorzichtiger: ietsje duidelijk, behoorlijk duidelijk, een tikje duidelijk, een beetje duidelijk. Ook een volledige ontkenning kan natuurlijk voorkomen (niet duidelijk, niks duidelijk).

Taalverandering kunnen we simpel op het spoor komen, door in vergelijking met 2019 te kijken naar de combinaties van X + duidelijk in de Handelingen van een jaar of 70 geleden. Heel wat woorden vinden we zowel toen als nu, maar er zijn er ook die destijds door de stenografen genoteerd zijn en nu niet: gans, ietwat, beslist, positief, volmaakt, domweg zijn wat voorbeelden die ik bij de ruim 3500 stuks in 2019 niet direct zag maar vroeger dus wel.
Volmaakt komt in 2019 zeker nog voor (12x) maar niet meer als onderstrepend bijwoord. Daar lijkt een zekere taalverandering betrapt. Gans is ook zo’n onderstreper in laten we zeggen het jaar 1950 maar niet meer in 2019 – het komt zelfs helemaal niet meer voor in de Handelingen van het voorbije kalenderjaar, behalve dan als diernaam.
En heel klein is het verschilletje heel (nu) tegenover geheel (toen), of niks (nu) versus vooral niets (toen). Let op het voorbehoud “vooral”! Zoeken naar frequent voorkomende woorden in dergelijke grote bestanden (een kalenderjaar als 2019 heeft zomaar een 9 miljoen woorden als we alle Handelingen van dat kalenderjaar optellen, eigenlijk exact zoveel als 2018) is niet zo simpel als het misschien lijkt en bovendien, wat zegt één jaar? Maar toch, ik denk dat we trends in het veranderen van het Nederlands langs die weg kunnen opsporen. Gewoon een kwestie van het wegen van de taal in de Handelingen op een goudschaaltje. Neem nu het volgende woord: volgende aflevering.

Het Keurhuis aan het Binnenhof (SR)

P.S. t’Goutsmits Keur Huys. lijkt voor onze ogen niet alleen een apostrof aan de verkeerde zijde te hebben maar vooral een overtollig lidwoord zoals wanneer (ik noem iets persoonlijks) Dat gezegd hebbend…. het Siemons boek genoemd zou worden.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Letten op het belendende perceel (1): taalverandering rond het woordje best

Als we simpeltjes kijken naar het (ongecorrigeerde) verslag van de laatste plenaire vergadering van de Tweede Kamer in het vorige jaar, tellen we 23 maal het woord best. Is dat veel? Laten we in plaats van deze vraag een andere stellen: wat vergezelt best aan de rechterzijde? Natuurlijk, op zo’n laatste vergaderdag van het jaar klinken alvast goede voornemens door aan het Binnenhof en dus noteren we geregeld de uitdrukking z’n best doen ja, z’n uiterste best doen. Maar minstens zo opmerkelijk is de frequentie waarmee best direct vergezeld wordt door iets in de sfeer van een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord (samen gemakshalve aangeduid als A, respectievelijk adjectief en adverbium). Best fijn, moeilijk, vaak, veel, relevant, lastig, bereid zijn voorbeelden daarvan. Best mogelijk is een ander geval, waarschijnlijk het eerste dat een nieuwe trend in het Nederlands op gang heeft gebracht, namelijk die combinatie van best + A.

Het Binnenhof (SR)

Is dat een nieuwe trend, daar in Den Haag en vast ook elders in Nederland? Wie naar deze combinatie zoekt in bijvoorbeeld de jaren’50 en ‘60 van de vorige eeuw, die vindt deze zelden of nooit en dan nog het meest in het is best mogelijk. Ik stel me een oorsprong voor als dit: “best (te verdedigen dat het) mogelijk (is)”.

Precies daarin zit het toegevende aspect dat best karakteriseert in best mogelijk, best lastig, best moeilijk. De spreker m/v lijkt door het gebruik van best in deze context iets toe te geven – dat zou ontbreken bij weglating van best. Iets is lastig, dan is het simpelweg lastig. Iets is best lastig maakt de uiting iets genuanceerder, de spreker haalt een beetje van het stellige karakter weg en dat maakt het veiliger en iets vager geformuleerd. Hetzelfde geldt voor de verlengde variant best wel (dat is vermoed ik het eerst door vrouwelijke sprekers gebruikt, inmiddels is dat gelijk getrokken over de beide seksen).

Dat nuanceren door de spreker kan door taalkundigen modaal genoemd worden, de spreker geeft een persoonlijk oordeel(tje) mee. Daarom staat in Van Dale bij een van de vele trefwoordjes best de karakterisering modaal bijwoord. En de omschrijving daar? Dat gebeurt met woorden als ‘toch’, ‘heel goed’, ‘echt’. Het hangt een beetje van de context af, welk van die betekenissen het beste past, oorspronkelijk ‘heel goed’ wat best letterlijk betekent, maar later ook die andere omschrijvingen.

Posted in Uncategorized | 1 Comment

Het Nederlands is net Rottumeroog – en wel hierom

Wie leest – zo vergaat het mij – leest om de inhoud, er moet een knop om voor het schenken van aandacht aan de uiterlijke vorm. Als ik zie dat “een toenemend gebruikte constructie in het Nederlands aan Engelse invloed wordt gewijd”, ben ik al verder voor ik op de rem trap en teruglees: te wijden aan Engelse invloed? De schrijver moet wijden de plaats van wijten hebben laten innemen – het stukje citaat zou voorheen dus hebben kunnen zijn dat “een toenemend gebruikte constructie in het Nederlands aan Engelse invloed wordt geweten”. Wijden is regelmatig, het minder frequente wijten ‘de schuld geven aan’ niet.

Zelfs toen ik een groot deel van NRC Handelsblad van 28/29 december 2019 op inhoud én vorm probeerde te lezen, moest ik even terug bij de tekst “(…) staten die zich niets laten zeggen door internationale organisaties”. Kan het zijn dat de auteur bedoelde dat er staten zijn die zich niet laten gezeggen door internationale organisaties? Gezeggen is minder gewoon dan zeggen, zoals wijden gangbaarder is dan wijten.

Kortom, net als halverwege 2018 (zie dit blog daarover) las ik NRC Handelsblad ‘es wat aandachtiger, ook die stukken die ik normaal zou hebben overgeslagen. De héle krant lezen is een klus, helemaal met weekendbijlagen erbij. “En: fouten?”, vragen sommige lezers nieuwsgierig, weet ik uit ervaring. Zelfs bij evident zondigen tegen de afgesproken regels van het Nederlands is de ene fout (neoloiberalisme) de andere niet (wordt je continu gefilmd), maar veel van dergelijke missers heb ik in de krant niet aangetroffen. Die zijn trouwens ook minder interessant dan stukjes tekst waar eerder discussie over kan ontstaan:
• De jaren 10 was een decennium…
• Er vielen een half miljoen doden…
• … kwamen er een half miljoen huizen bij
• … er zijn meer holen en voedsel beschikbaar…

Wat is daar met de persoonsvorm aan de hand? Of er staat een enkelvoud waar ik een meervoud zou kunnen schrijven (1) en andersom (2 en 3) of ik vind de combinatie van enkel- en meervoud onplezierig (4). Maar is het “fout”, meester?

Goed, in Van Dale staat niet het woord wijds dat ik op pagina E 11 aantrof – sterker, op de middelbare school leerden we dat we bij dat woord niet aan wijd moesten denken maar aan weiden en dus was het weids, jongens en meisjes. En toch lijkt wijds heel goed te verdedigen, is het niet?

Hoe zit het met naamvallen en functies in de zin, bijvoorbeeld als Eva de Goede en haar partner onplezierig snel hun huis uit moeten, want meer maanden “zijn ze door de huurder niet gegund”. Is het meewerkende voorwerp ze hier correct Nederlands? En al op de volgende bladzijde krijgen we een groot probleem met het naamwoordelijk gezegde: “is dat haar nou?” In het ABN – dialecten zijn hier niet aan de orde – zou ik kiezen voor “is zij dat nou?” Zet dat stukje tekst om in het meervoud en het wordt duidelijker misschien:
zijn ons dat nou? versus zijn wij dat nou?
zijn hen dat nou? versus zijn zij dat nou?

Iemand “valt wildvreemde mensen in de armen als ware het zijn beste vrienden” – dat is ook interessant Nederlands. Wellicht te veel op het gehoor geschreven en onder invloed van de uitdrukking als het ware, waardoor het meervoudige waren veronachtzaamd werd (het betrof de mensen die de beste vrienden waren, alweer een naamwoordelijk gezegde). Dezelfde Randstedelijke achtergrond kunnen we op E 21 veronderstellen bij “de wereld naar de klote helpen”.

Hoe zit het met “in hoofdstad Khartoem”, een lidwoordloze context waar het hier eerder over ging? In ø hoofdstad Khartoem?
Deze tekst begon met de rol van het Engels, het eindigt ermee want Engels lezen we véel in zo’n weekendbijlage van NRC Handelsblad, zeer veel. We worden daarbij geholpen door de cursivering van allerlei woorden en uitdrukkingen van Angelsaksische herkomst. Zo valt minder snel op dat de lezer zélf maar even naar een woordenboek moet grijpen als hij iets niet weet. Indirecte identieke invloed veronderstel ik bij “een labyrint aan gevolgen” waarbij niet zozeer het complexe karakter als wel de veelheid beoogd is.

Het beeld van een taal als een Waddeneiland dringt zich op: afslag aan de kant van het eigen idioom (wijten aan, zich niet laten gezeggen), maar uitbundige aangroei met dank aan het Engels aan de andere zijde: it doesn’t scale, trade-off, trickle down and so on. Het Nederlands kortom, is net Rottumeroog.

Rottumeroog op maps.com
Posted in Uncategorized | 2 Comments

Lange lexicale producten aan het Binnenhof: over het verschil tussen ‘eens-gegeven-blijft-gegevenbeleid’ en ‘participatievewaarde-evaluatiemodel’

Lange woorden hebben – althans op mij – een bijzondere aantrekkingskracht omdat ze van de gebruikelijke omvangsnorm afwijken. Die interesse kan twee kanten opgaan, enerzijds neutraal maar andere woorden kunnen een zekere ergernis wekken. Specifieke vertegenwoordigers uit het planten- of dierenrijk raken me eigenlijk niet. Door hun lengte illustreren ze het ongebruikelijke dat het exotische kenmerkt, zoals de alpenwatersalamander, onze-lieve-vrouwedistel, witvlekbauwborstje. Het kan ook specialistisch zijn, neem een aardappelvlokkenmachine, platsteekborduursel, de differentiaalpeilschaal, waarschijnlijkheidskromme of de fasecontrastmicroscoop. Zoals een driedelig pak een gemarkeerd kledingstuk is, zo zijn drieledige woorden ook niet de meest alledaagse.

In de Tweede Kamer zijn het allereerst de vakjuridische begrippen die hoog scoren op de lijst van omvangrijke samenstellingen. In de sfeer van de rechtbank kunnen personen voorwaardelijk in vrijheid gesteld worden. Zodra van die bevoegdheid een zelfstandig naamwoord gemaakt wordt, hebben we een lang (en in juridische kring gangbaar) woord als voorwaardelijke-invrijheidstelling. Typisch juristenjargon lijken mij ook (EU-)mensenrechtensanctie-instrumentarium, uiteindelijkbelanghebbendenregister, staatsaansprakelijkheidsprocedure.

Achter heel wat woorden kan aan het Binnenhof ter rechterzijde moeiteloos een van die typisch ambtelijk-politieke kooswoorden aan vastgeplakt worden die een wezenlijk onderdeel uitmaken van het bedrijf daar, zoals –programma, –systeem, –maatregel, –instrumentarium, –procedure, –vereisten, –vergunningen. De lijst van langste woorden uit de (ongecorrigeerde) Handelingen van het kalenderjaar 2019 van de Tweede Kamer bestaat bij uitstek uit composities die zo’n technische rechterkant bezitten.

De politiek houdt zich bezig met omvangrijk overkomende zaken als ontwikkelingssamenwerking, de Natuurbeschermingswet, arbeidsongeschiktheid, arbeidsvoorwaarden, gewasbeschermingsmiddelen. Als die het begin van een woord vormen maken ze bij voorbaat kans op een positie op de top-100 van langste woorden. En in 2019 ging het onder andere over Natuurbeschermingswet(s)vergunningen en natuurbeschermingsrechtspecialisten, over arbeidsvoorwaardenonderhandelingen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en er was het begin van een gewasbeschermingsmiddelendiscussie. Woorden die algauw te lang zijn voor éen regel.

Een tijdsbepaling aan het begin van zo’n woord kan het nog een keer verlengen: langetermijn-arbeidsongeschiktheidsverzekering is het langste woord dat ik in de verslagen van de plenaire Kamervergaderingen in het voorbije kalenderjaar heb kunnen vinden. Het woord is uitgesproken door minister Koolmees en het zal daarmee al veel korter geklonken hebben dan het in feite is. In de top komen ook woorden als langetermijnsgezondheidseffecten en kortetermijnaandeelhoudersbelang.

www.rijksoverheid.nl

Het Engels klinkt in een deel van de parlementair gebruikte lange woorden door, ook al is dat een taal die althans in de optiek van de spelling niet gekenmerkt wordt door lange samenstellingen. Maar de stenografen schreven bij ons inNederlands van 2019: state-of-the-arttoegankelijkheidsvereisten, investor-to-state-investeringsbijdrage, realtime-informatie-uitwisseling.

Nederlandser samenbrengsels wekken een prettiger impressie ondanks hun omvang. Ik denk aan: eens-gegeven-blijft-gegevenbeleid, trap-op-trap-af-financieringssysteem, iets-wat-ik-nu-niet-kan-reproduceren en touwtje-uit-de-brievenbus-Nederland.

En dan de ergernis. Het nieuwe jaar is nog zo jong, waarom eigenlijk roepen de volgende woorden iets van negatieve emotie op – hebben we dat geleerd bij het Nederlandsetaalencultuuronderwijs? De spoorstaaf-condionerings-systemen blijken ook smeerpotten te heten, aldus Erik Ziengs (VVD) – kortere eenvoud als kenmerk van het plezierige zou ik zeggen. Of neem andere struikel-objecten als

participatievewaarde-evaluatiemodel
praktijkonderwijs-entreeopleiding
vaststellingsovereenkomstpraktijk
medewerkerstevredenheidsonderzoek
maatschappelijkediensttijdcowboys
jeugdgezondheidszorgprofessionals
bijna-energieneutralegebouwennorm
standaardrisicotaxatie-instrument
minimuminstellingscollegegeldtarief
conformiteitsbeoordelingsinstanties

Nog op éen woord terugkomen, touwtje-uit-de-brievenbus-Nederland. Dat is uiteraard voortgekomen uit het fameuze optreden van Jan Terlouw bij De Wereld Draait Door. D66-leider destijds, maar nu is deze samenkoppeling een product dat hoorbaar was van Machiel de Graaf van de PVV, de fractie die zich waarschijnlijk het meest anti-D66 uitlaat van allemaal in de Tweede Kamer.

Vooruit, in het verlengde hiervan een toegiftje over het in omvang tweede woord van 2019, joods-christelijke-humanistische-islamitische. Dat gebruikte Selçuk Öztürk (DENK) in de richting van Thierry Baudet (FVD): “Ik heb lang het woord “wie ben jij?” niet gebruikt, maar u hebt het over “ons”. Wie is “ons”? Wie ben ik? Dat soort theaterverhaal van u, denkt u dat mensen daarin trappen? Het geval van de Armeense kwestie, het geval van “wij hebben een christelijke cultuur”. Wij hebben in Nederland een joods-christelijke-humanistische-islamitische cultuur.” Joods-christelijk klinkt oud, maar is pas in een aantal publicaties in gebruik sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw, in de Tweede Kamer zelfs een tiental jaren later. Het lijkt inmiddels aan een verhuizing bezig van christelijke partijen in de richting van de PVV en het krijgt daarmee ook een andere gebruikssfeer. Wie weet wat 2020 ons in dat opzicht leert.

De beste wensen voor het nieuwe jaar!

Enzovoort: zeer lange woorden uit 2019
Posted in Uncategorized | Leave a comment

De betekenisontwikkeling van ‘fijntjes’: van nuance naar grover geschut

Minister Hoekstra – de nummer 1 op het departement dat het sinds vanmiddag zonder een staatssecretaris moet stellen na het ontslag van Menno Snel – heeft allicht een onrechtmatige daad begaan met de aanschaf van aandelen Air France-KLM. Hij was er door ambtenaren uitdrukkelijk voor gewaarschuwd om de Kamer in te lichten en daar toestemming vooraf te vragen. Dat kan ook volgens een procedure in vertrouwelijkheid, maar dat liet de minister bewust na.


NRC Handelsblad kwam daar achter via stukken die in een WOB-procedure verkregen werden. De NRC vandaag: “In een brief die maandag naar de Kamer is gestuurd, een dag voordat de WOB-stukken vrij werden gegeven, erkent de minister niettemin dat de „gevolgde handelwijze de aankoop van de aandelen potentieel […] onrechtmatig maakt”. Tegelijkertijd herinnert hij de Tweede Kamer fijntjes aan „de ruime meerderheid” waarmee de Kamer achteraf instemde met de wijziging in begroting, die nodig was voor de verwerving van de aandelen Air France-KLM.”

Fragment webiste NRC

Minister Hoekstra herinnerde de Kamer er fijntjes aan, schrijft de NRC. Wat is fijntjes?
Volgens Van Dale kan het gaan om deze drie betekenissen, allicht in chronologische volgorde:
1: op een keurige, nette wijze (dat is fijntjes gedaan)
2: met veel gevoel voor onderscheiding (fijntjes lachen)
3: op fijne, slimme wijze (iem. fijntjes beetnemen)

De NRC (“Voor wie de nuance zoekt”, was ooit de slogan) ging in het citaat fijntjes om met de journalistiek/politieke samenwerking en strijd door terloops te melden dat de stukken werden vrijgegeven op dinsdag, maar dat Financiën nog nét maandag een brief over deze kwestie naar de Tweede Kamer stuurde. Dat is fijntjes zónder dat woord te noemen.

Hoekstra zelf gebruikt fijntjes naar verhouding graag. Relatief, het woord wordt niet veel in de plenaire zaal gebruikt. Zo zei hij eerder dit kalenderjaar tegen Joost Sneller (D66 en als coalitiegenoot dus in alle vriendelijkheid) dat deze ook nog eens “mijn eigen woorden in de mond” legde.

Fijntjes wordt vooral gebruikt in combinatie met een werkwoord dat ‘iets tot uitdrukking brengen’ betekent: iets fijntjes opmerken, iemand ergens fijntjes aan herinneren, er fijntjes op wijzen. Maar de derde betekenis in Van Dale suggereert al dat fijntjes niet altijd een zéer genuanceerde inhoud hoeft te hebben. Renske Leijten (SP) combineerde in 2017 fijntjes met sneren ‘honen, schamperen’ – fijntjes schamperen?
Aan de andere kant van de vergaderzaal zit Martin Bosma (PVV). In 2019 kritiseerde hij onder andere NRC Handelsblad (dat hij een D66-krantje noemde) en de Publieke Omroep. Op een van de NPO-sites, zei hij, “wordt collega Baudet vergeleken met Ceauşescu. Daar wordt fijntjes aan toegevoegd: die hebben we gewoon doodgeschoten. Zoals bekend staat de NPO voor verbinding en kwaliteit”, aldus Bosma. Hier is het NPO-citaat “gewoon doodgeschoten” niet zozeer fijntjes als wel Bosma’s conclusie erna: “Zoals bekend staat de NPO voor verbinding en kwaliteit.”

NRC Handelsblad gebruikt fijntjes tegenwoordig vooral op de culturele pagina’s. Daar blijkt fijntjes z’n originele betekenis te kunnen hebben (“een blaadje, een takje, zo fijntjes en lieflijk weergegeven dat het soms lijkt alsof het zonlicht erdoorheen schijnt”) maar ook de nieuwere met minder gevoel voor onderscheiding. Niek van den Adel kreeg een dwarslaesie. Over z’n ervaringen schreef hij een boek – Crash – en werd een veelgevraagd spreker. Het succes bij zijn lezingen steeg ’m wel een beetje naar zijn hoofd, bedenkt hij nu. „Een paar keer per week applaus van vijfhonderd mensen verandert je. Gelukkig heb ik thuis de Stichting Hou Niek met Beide Benen op de Grond. Als ik weer eens vol van mezelf thuiskom, houdt Kim me even fijntjes mijn poepluier voor.”
Dat is een even weinig genuanceerd geval als een andere tekst op dezelfde kunstpagina’s eerder deze maand: “Dichter bij huis toonde Marcel Pinas een geweldige installatie op De Grote Suriname-tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam: een tafel gedekt met borden die herinneren aan het bloedbad van Moiwana, waarbij troepen van legerleider Desi Bouterse 38 onschuldige burgers doodden. Zo herinnerde Pinas de toeschouwers er fijntjes aan dat de huidige Surinaamse president meer op zijn kerfstok heeft dan alleen de Decembermoorden.”

Gewoon doodgeschoten, een poepluier voorhouden, borden die aan een bloedbad moeten herinneren,- fijntjes wordt allicht toenemend met schokkender teksten gecombineerd.

P.S. 19.12.2019: Ik vul aan dat het gebruik van fijntjes sowieso al snel iets had van een prikje uitdelen; fijntjes onder invloed van venijnig zogezegd.

Posted in Uncategorized | 1 Comment

Actie via het woordenboek: “vliegschaamte” en Van Dale

Het is bijna op de dag af een jaar geleden dat Eppo Bruins (CU) als eerste het woord vliegschaamte in de plenaire zaal van de Tweede Kamer gebruikte,- afgaande op de Handelingen. Dat gebeurde dus nog juist in 2018 en geen wonder, Bruins citeerde het woord uit de top-18 van 2018 die Van Dale had gepubliceerd met de bijbehorende vraag om via stemming hét woord van die twaalf maanden te kiezen. Hij noemde die keuze “best een bijzondere ontwikkeling. Die is, denk ik, mede te danken aan de acties en inspanningen van de mensen die hier op de publieke tribune zitten.”
Zat de redactie van Van Dale daar wellicht? Ik zocht via LexisNexis waar en wanneer vliegschaamte voor het eerst in schrijvende Nederlandse media voorkwam. Dat bleek via een ANP-bericht van 28 november vanuit Utrecht gebeurd, het betrof de 18 woorden die Van Dale had geselecteerd. Vliegschaamte lijkt in het geschreven Nederlands geïntroduceerd en verspreid via de redactie van Van Dale.

Eppo Bruins (website Tweede Kamer)

Enkele dagen eerder, 25 november 2018, meldde Die Presse (Oostenrijk) de Duitse variant van vliegschaamte en het verstrekte direct de herkomst erbij: “In Schweden setzt sich derzeit gar ein neuer Begriff dafür durch, das Wort “Flygskam” (Flugscham) hat gute Chancen, zum Wort des Jahres gewählt zu werden.” Is het land van Greta Thunberg het gebied van de taalvernieuwers bij uitstek of alleen maar van de eco-variant? In de top-19 van dit jaar heeft Van Dale plogging opgenomen, ook met dank aan het Zweeds.*)

Van Dale koestert warme gevoelens voor het nieuwe gebruik van –schaamte, bezorgschaamte staat in de top-19 van 2019. In de elektronische versie staat nu al een hele reeks analogievormen die niet alle nog in het woordenboek zelf opgenomen zijn: “ook als tweede lid in naar analogie van vliegschaamte gevormde samenstellingen als de volgende, ter aanduiding van een (door milieu- of klimaatbewustzijn ingegeven) schaamtegevoel over het verrichten van de door het eerste lid genoemde handeling of het gebruik van de door het eerste lid genoemde zaak: aircoschaamte, barbecueschaamte, bezorgschaamte, doucheschaamte, kaasschaamte, sproeischaamte, vleesschaamte”.
Vleeswroeging (de parallelle vorm van schaamte-woorden) biedt zicht op eenzelfde taalspoor naar de toekomst.

In de Tweede Kamer heeft –wroeging het dit jaar nog niet gebracht tot het taalgebruik, anders dan –schaamte als tweede lid van een samenstelling.

• Barry Madlener (PVV) beschuldigde minister Schouten ervan een soort vleesschaamte te willen kweken; verderop in het kalenderjaar kwam hij nog een keertje terug: “Ik vraag het kabinet te stoppen met dit gepolder met de milieufundamentalisten en de mensen die ons vleesschaamte willen aanpraten en om niet te luisteren naar D66 en GroenLinks.”

• Martin Bosma (PVV) bekende, last te hebben van NPO-schaamte. Dezelfde woordvoerder miste ter linkerzijde een gevoel van graaischaamte.
• Pieter Heerma (CDA) begon over snuifschaamte bij Jesse Klaver.

• Arne Weverling (VVD) had het gevoel “alsof wij in Nederland last beginnen te krijgen van handelsschaamte”.
• Esther Ouwehand (PvdD) zag nog geen spoor van stikstofschaamte bij premier Rutte.

Telkens betrof het hier –schaamte in verwijtend gebruik in de richting van politieke tegenstanders. Uit dat koor zong Kees van der Staaij (SGP) zich los: “Ik vind dat er ruimte is voor motieschaamte als je bij een debat meer dan twee moties hebt.” Maar ja, hij is dan ook lid van een commissie die de werkwijze van de Kamer bestudeert.

*) In 2017 probeerde iemand plogging als aanduiding voor ‘platformblogging’ te introduceren, maar dat heeft het tegen dit nieuwe gebruik afgelegd.

Aanvulling 16.12.2019 Ernst Leeftink (@ds_Ernst) meldt via Twitter dat #vliegschaamte in dat medium voor het eerst verscheen op 18.11.2018.

Aanvulling 28.12.2019 Mede naar aanleiding van de verkiezing tot “woord” van het jaar 2019 is het goed te wijzen op de ontwikkeling naar die eigen, verwijtende betekenis als schaamte als tweede lid gebruikt wordt (zie hierboven, in de politieke taal). Dan ontwikkelt het woord schaamte zich inderdaad tot het achtervoegsel –schaamte.

Posted in Uncategorized | Leave a comment