Planeet en planetair

IN HET NIEUWS is de bijeenkomst van vandaag in de hoofdstad van Frankrijk. Op initiatief van de Franse president is er een top in Parijs: precies twee jaar na het Klimaat-akkoord dat naar die stad genoemd is, is het tijd zegt Macron samen met twee mondiale toppers (de bazen van de Wereldbank en van de VN) om samen te komen en “the ecological emergency for our planet” te adresseren, in het Nederlands aan te pakken. Het is tijd voor concrete actie.

Minister-president Rutte is namens Nederland aanwezig bij deze wat genoemd is de One Planet Summit. Er zijn er meer, maar die ene die door de organisatie bedoeld wordt  is our planet, want daar spreken ze van, de aarde.

Dat er meer planeten zijn – zelfs het exacte aantal van bijvoorbeeld de zon laat ik even in het midden – zien we aan het verschijnsel van de planetaire nevelvlekken die Van Dale omschrijft met ‘betrekking hebbend op, overeenkomstig met de planeten’. Meervoud, planeten.

Het ministerie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft uiteraard te maken met de toekomst van de wereld. Minister Sigrid Kaag zei bij de behandeling van haar begroting in de Tweede Kamer: “Duurzaamheid en anders omgaan met de beperkte planetaire middelen die ons zijn toegekend, niet voor deze generatie maar voor toekomstige generaties, is heel centraal in de Sustainable Development Goals.”

In de woordengroep beperkte planetaire middelen is duidelijk dat planetair betrekking heeft op die ene planeet waar het vandaag in Parijs over gaat, de aarde. Sustainable Development Goals is Engels in het antwoord van minister Kaag, planetair is in de lezing waarin zij het gebruikt Nederlands, maar het oogt als een anglicisme. Het is hier de derde betekenis uit de OED: ‘Of or relating to the earth; terrestrial; worldwide, global.’ Die kent Van Dale nog niet, maar dat is een kwestie van tijd.

ONE PLANET SUMMIT

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN, Rijp voor opname (Van Dale) | Leave a comment

Onwaarschijnlijk veel gevallen (ii)

Het is een heel gezoek om precies te bepalen, wanneer dit versterkende gebruik van het bijwoord onwaarschijnlijk ingang heeft gevonden. Een eerste poging in het jaar 1994 leverde niets op. In 2000 zijn er daarentegen minstens twee gevallen aantoonbaar in de Handelingen. Het betreft misschien niet-toevallig twee kwesties die op dat moment maatschappelijk gevoelig liggen.

  • Henk Kamp (dan nog Kamerlid voor de VVD) zegt op 6 juni: “Een aantal van 45.000 asielzoekers per jaar is op de korte termijn een probleem, omdat het onwaarschijnlijk veel geld kost”.
  • Clémence Ross-van Dorp (CDA) voerde op 21 november het woord over euthanasie en zei toen onder andere: “(…) waarbij ik voelde hoe onwaarschijnlijk moeilijk het is om stellige uitspraken te doen over een toestand die nog in de toekomst ligt.”

Kennelijk zijn het vooral negatieve bijvoeglijke naamwoorden (zoals onwaarschijnlijk) die als bijwoord van graad simpeltjes dienst kunnen doen, ook als dat voorheen ongewoon was. Ongewoon, ook dat woord past dus prima, zie wat Henk Krol van 50PLUS zei toen in 2017 de nieuwe Kamervoorzitter gekozen moest worden: “Wij kijken met ongewoon grote spanning uit naar de uitslag van de stemmingen”. Ook Ronald van Raak (SP) bezigde het (“wat leidde tot ongewoon veel kritiek”) en Pia Dijkstra (D66) (“we zijn het hierover ongewoon eens in de Kamer, mag je haast wel zeggen”).

Ook meer algemeen is er over de versterkende bijwoorden in de politiek bepaald een apart boekje te openen: het ging er hier vaker over want het is waarachtig een in het oog springend kenmerk van de mondelinge bijdragen van politici, zie onwijsverdraaid. En als dat niet overtuigt, sla de serie over Idioot, waanzinnig, krankzinnig en nog zoiets erop na (bijvoorbeeld de afsluitende bijdrage). Over andere voorbeelden in dezelfde sfeer in de taal van Mark Rutte ging het hier eerder in verband met woorden als bizarspectaculair,  buitengewoon, volstrektheelecht en oprecht. Komende vrijdag luister ik in ditzelfde kader nogmaals naar de minister-president, nu via een uitzending van het Wekelijkse Gesprek op de NPO. Zet het bakje met uitroeptekens maar vast klaar.

Het is uiteraard niet tot het Parlement beperkt, het verschijnsel dat een ontkennend woord blijkbaar zo helpt bij versterking. Boer’n-yoghurt werd een poos aangeprezen omdat het zo onmeunig lekker was; er is een ander dialect dat onmeugelk nait als verzwaarde ontkenning gebruikte; in weer een ander gebied van Nederland meldt het woordenboek ommènselik kwaed – en dat is een ongenadig kleine selectie uit een groot geheel. Denk niet, dat het Fries zich in dit opzicht onderscheidt. Even bladeren in het wurdboek en we stuiten op ûnhimmel fet iten ‘ontzettend vet eten’, ûnhuerige grut ‘erg groot’, een ûnfoarsichtigen heap jild (ongeveer de hoeveelheid geld waar de Paradise Papers over gaan).

Als je weet wat je hoort, merk je meer.

ONMEUNIG LEKKER (zuivelhoeve.nl)

 

 

 

 

 

Posted in PARLEVINKEN, Rijp voor opname (Van Dale) | Leave a comment

Onwaarschijnlijk veel gevallen (i)

Het woord – of liever het gebruik van het woord – viel me pas op bij de Algemene Politieke Beschouwingen en de Regeringsverklaring van Rutte-III in de Tweede Kamer. De premier zei toen over de Brexit: “Mijn opvatting is daadwerkelijk dat Engeland of Groot-Brittannië een onwaarschijnlijk fout besluit heeft genomen. Zij verlaten nu de Europese Unie.” In hetzelfde debat noemde hij het eerder “van een onwaarschijnlijk groot historisch belang” dat we vanuit een gemeenschappelijke set van waarden met elkaar samenwerken binnen de Europese Unie.

Onwaarschijnlijk wordt hier in een functie gebruikt die Van Dale nog moet registreren, namelijk als bijwoord, preciezer gezegd: bijwoord van graad. Onwaarschijnlijk betekende oorspronkelijk natuurlijk ‘niet waarschijnlijk’ maar het heeft een versterkende betekenis als het betrekking heeft op een bijvoeglijk naamwoord. In de twee voorbeelden van Rutte betrof de versterking dus fout en groot. Dat stiekeme slaan met de vuist is iets waar politici onbeschaamd verzot op zijn, onfatsoenlijk gek op, ontiegelijk verrukt van want ze gebruiken die versterkende bijwoorden onmatig veel, onmenselijk vaak, ontstellend frequent.

Telkens hebben we hier een voorbeeld van een vorm van nadruk die we in die voorbeelden van Mark Rutte (onwaarschijnlijk fout, onwaarschijnlijk groot) ook zien: een bijwoord van een ontkennende soort wordt blijkbaar graag als uitroepteken benut. Maar Rutte is niet de enige die dat in de Tweede Kamer doet, hij wordt in dit opzicht vele malen overvleugeld door het D66-lid Sjoerdsma. Die is bij de kabinetsformatie gewoon in het parlement achtergebleven en werd niet uitgenodigd om deelgenoot te worden van zijn naamverwanten Halbe Zijlstra en Wopke Hoekstra. Sjoerd Sjoerdsma zei eerder bijvoorbeeld:

  • Oekraïne werkt op onwaarschijnlijk veel terreinen mee met onderzoeken en het overdragen van verantwoordelijkheden.
  • daar ben ik het gedeeltelijk mee eens, want we doen onwaarschijnlijk veel
  • Dat was een onwaarschijnlijk lang verhaal, maar ik vind het wel goed dat collega Ten Broeke een en ander even rechtzet
  • Volgens mij is er volgend jaar minder geld beschikbaar dan dit jaar en is het geld onwaarschijnlijk hard nodig
  • iets wat ik onwaarschijnlijk belangrijk vind

Sjoerd Sjoerdsma (website TK, november 2017)

 

 

 

 

 

 

In de tijd vanaf september 2016 tot aan die Regeringsverklaring van 1 november 2017 waren het verder alleen maar twee vertegenwoordigers van Groenlinks die hetzelfde geluid lieten horen. Het betrof Liesbeth van Tongeren (“Ik zou er onwaarschijnlijk veel voor over hebben om president Trump van gedachten te doen veranderen”) en Rik Grashoff (“hoe komt het dat Europa, overall eigenlijk de tweede defensie-investeerder in de wereld, zo’n onwaarschijnlijk zwakke militaire kracht heeft?”). En eergisteren voegde Rudmer Heerema van de VVD zich erbij met de uitspraak: “We hebben veel hoogbegaafden, jonge ondernemers en zelfs onwaarschijnlijk veel internationale topmodellen.”

Laten we hier maandag even verder naar kijken.

 

 

Posted in PARLEVINKEN, Rijp voor opname (Van Dale), Taal van Rutte | Leave a comment

Woorden die partij kiezen

IN HET NIEUWS is het woord genderneutraal: door een internet-actie van het Instituut voor de Nederlandse Taal is dat tot het meest irritante woord van 2017 uitgeroepen. (Vergelijk een andere bijdrage over die wedstrijd in dit blog.) Dat begon met een oproep “om woorden in te sturen die we nooit meer willen horen in 2018” en de top daaruit is ter stemming aangeboden en zo kwamen we in Nederland tot die afkeuring van genderneutraal. Of het beoogde effect bereikt wordt en dat het gevolg is dat genderneutraal in 2018 minder in het Nederlands doorklinkt, – de tijd moet het leren.

Wegstemmen op de betreffende website is een even schreeuwerige aanpak als de gebruikte cartoon die iemand afbeeldt die een wel zeer ferme schop uitdeelt. Volgens Teletekst is de achtergrond van de afwerende houding van sprekers van het Noordelijke – dus het niet-Vlaamse – Nederlands dit: “gender komt uit het Engels en het debat erover wordt als irritant ervaren.” Er zijn een paar woorden meer die we uit het Engels hebben, genderstudies bestaan ook al enkele tientallen jaren. Bovendien, een debat is meestal maar een tijdelijke zaak en daarom zal genderneutraal maar een poosje voldoende irritant zijn om zo’n verkiezing te winnen.

WEGMETDATWOORD

 

 

 

 

 

 

Welke spreker ervaart géén woorden die een zekere ergernis oproepen?

Vooruit, ik kom voor de draad met een lijstje van tien (of elf) woorden die bij mij irritatie wekken áls ze in objectieve berichtgeving gebruikt worden, omdat ze niet-neutraal zijn. Als ik op een School voor de Journalistiek les zou geven, zou ik voor de volgende woorden in nieuwsberichten een uiterst zuinige omgang (ik bedoel: verbod) suggereren om de simpele reden dat ze partij kiezen:

bonje, mot ‘ruzie’

brommen ‘gevangenisstraf uitzitten’

inrukken

ophoesten

opstrijken

poen

op (moeten) komen draven

uit de grond stampen ‘snel of veel bouwen’

van tafel vegen

voor de rechter slepen

Het is overigens een lijst die voor uitbreiding vatbaar is.

Posted in In het nieuws | Leave a comment

…. en paperasserij of paperasserie (2)

In 1904 constateert Jacobus Marinus Pijnacker Hordijk: “De paperassen-winkel te Batavia en te Buitenzorg, het is bekend, bevat heel veel waarvan het nut zeer problematiek is.” Het element –winkel (zoals in ons papierwinkel) is het zichtbaar negatief bedoelde etiket. Dat komt ook naar voren in andere maar wel zeer vergelijkbare gevallen als deze in de jaren erna:

  • 1910 die geheele paperassenkraam van den heer Duymaer van Twist; den ontzettenden paperassen-winkel;
  • 1911 den paperassenrommel
  • 1912 dan krijgen wij ook niet al die paperassen en correspondenties. Voor niets ben ik zoo bang als voor die — ik kan het niet anders zeggen — vervloekte papierboel! (De Savornin Lohman); een groot stelsel van paperassen en omslag; hoe het Gouvernement werkt met allerlei paperassen, met allerlei peuterige bepalingen, die men op het papier zet;
  • 1913 een paperassenmassa; (ambtenaren) die ten slotte weer den grooten paperassenwinkel zullen gaan vermeerderen
  • 1915 een financieele bezuiniging, tevens een verbetering in zooverre, dat de paperassenwinkel, de paperassenrommel er eenigszins door zou verminderen
  • 1919 paperassen en administratieven rompslomp
  • 1926 Er was een groote paperassenwinkel, een groote heen-en-weer-schrijverij; als de betrokken ambtenaren eens konden vertellen hoeveel papier, hoeveel paperassen, hoeveel rapporten, hoeveel contra-rapporten moeten worden geschreven en gemaakt

Maar telkens zijn het niet de papieren, het is de tijdrovende invulling daarvan die irritatie wekt.

Dat is vanaf de jaren ’50 onveranderd zo, wanneer er een nieuwe, lange golf van klachten opkomt. Alleen dan gaat het vooral over paperassen in combinatie met dirigisme, met ambtenarij, met bureaucratie. Vergelijk de verzuchting uit 1973: “De hele paperassenboel van de huurharmonisatie moet in gang worden gebracht voor die 1 pct. extra huurverhoging.”

Welbeschouwd heeft paperassen twee betekenissen. De ene is die van ‘stukken, bescheiden’ die op een bepaald moment van belang zijn. Vergelijk wat minister Van Agt zegt in 1981 (“Ik kan het antwoord niet zo gauw in mijn paperassen vinden.”) of dit citaat uit 1989: “De heren Kok en Lubbers verdiepen zich in hun paperassen.” In 1993 is een parlementariër het niet eens met “iemand strafbaar te stellen omdat diegene zijn paperassen niet bij zich heeft”.

 

Van: awakeat2oclock.com

 

 

 

 

 

 

De negatieve betekenis kan voortkomen uit het bewerkelijke karakter van ‘formulieren’: daar kan het digitale tijdperk inmiddels een eind aan gemaakt hebben. Het afwijzende zit overigens overtuigender in twee varianten die ik bij toeval vond tijdens deze zoektocht, paperasserij en paperasserie. Dat is sowieso al bijzonder, eenzelfde woord op –erij én dito op –erie*) en ‘t is het achtervoegsel dat hier het negatieve aspect in zich draagt. Dat is soms bij dit suffix het geval maar zeker niet altijd; we hebben dwarsdrijverij en ambtenarij enerzijds maar boerderij en tovenarij anderzijds.

Laten we twee GPV/CU-parlementariërs afsluitend aan het woord laten. Zij waren per slot van rekening degenen die deze twee varianten volgens het verslag als laatsten hebben gebezigd: Bart Verbrugh op 4 december 1980 over de ontwapening: “Het blijft allemaal erg in de sfeer van de ambtelijke paperasserij.” Over het vastleggen van medische afspraken zegt Eimert van Middelkoop op 16 februari 1994 alsof het Frans is: “De beperking tot verrichtingen van ingrijpende aard voorkomt een paperasserie.”

Van Middelkoop had als parlementariër bovengemiddeld veel belangstelling voor taal. Hij heeft zich vast wel eens verbaasd over de vorm pastorie die eigenlijk eerder pastorij zou hebben kunnen luiden. Misschien wil de ChristenUnie dat ‘es aan @van_middelkoop voorleggen?

*) Soms zie je een drogisterij die zich ook aanprijst als parfumerie! Daar betreft ‘t het handels-, winkelaspect zoals in een smederij, slagerij en chocolaterie, confiserie: Nederlands versus Frans.

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Paperassen en… (1)

Van Dale geeft bij paperassen ‘gedrukte of beschreven papieren’ als omschrijving en voegt daar direct aan toe, dat het meestal met een negatieve gevoelswaarde verbonden is. Hoe is dat laatste een beetje objectief te toetsen, als we niet op ons eigen gevoel af willen gaan? We zouden kunnen kijken hoe het in de Handelingen van de Tweede Kamer voorkomt en in hoeverre het daar in een ongunstige opsomming staat of op een andere manier van een negatieve context is voorzien. Maar eerst is uiteraard de vraag: kómt paperassen voor in het mondelinge verslag van de Tweede Kamer?

We verdelen het antwoord in tweeën. In de laatste periode van de verslaglegging, dat wil zeggen vanaf eind 1994, en in de hele periode uit de vroege 19e eeuw daarvoor. Vanaf verderop in 1994 tot nu geeft een zoekopdracht in totaal 20 hits, tot en met het parlementaire jaar 1993- 1994 en eerder 223 x. Papperassen met een extra p geschreven komt overigens tweemaal voor in de Kamerverslagen. De vroegste vindplaats is van 1850 en dat is een tikkeltje eerder dan de datering van Van Dale, die paperassen in 1855 aan het Frans ontleend acht.

De laatste gebruiksgevallen tot nu toe betreffen overzichtelijke administratieve handelingen. Op 27 september j.l. vraagt de fungerend voorzitter even geduld omdat de staatssecretaris nog heel even zijn paperassen bij elkaar moet zoeken. “Ik begin met twee moties,” zegt Kees Verhoeven (D66) op 12 april 2017 , “want anders raak ik verstrikt in mijn paperassen.”

Ook bij de laatste gebruikers tot dusver hoort VVD’er Hayke Veldman die in 2015 iets wilde doen aan de slechte archivering bij overheidsinstellingen, want daar “kan het inderdaad weken duren voordat men alle paperassen verzameld heeft”. Daarvoor was het John Kerstens (PvdA) die kort na de coalitievorming van Rutte-II sprak van de sommetjes “die de Kamer heeft kunnen aantreffen in die hele stapel paperassen” van het CPB. Dat was eind 2012. Mevrouw Karabulut van de SP had het aan het begin van dat jaar over het langskomen ter controle zodat iemand verschoond is van het indienen van paperassen.

Uit de drie laatste citaten spreekt niet een onmiskenbaar negatieve betekenis van paperassen als woord, wél als uiting van een administratieve last. Soms spreekt er iemand van “rare paperassen” en minister Brinkhorst heeft het in 20011 eenmaal over “onnodige paperassen”. Maar het woord wekt rond het jaar 2000 een even neutrale impressie als bijvoorbeeld “administratieve bewijsstukken” wat niet-zelden de betekenis is van paperassen. Tot zover de laatste 20 bewijsplaatsen.

Vertellen citaten van vroeger een ander verhaal? Ik denk het niet, ook al werd er lang geleden niet minder geklaagd over dat wat later administratieve lastendruk zou gaan heten.  In 1877 spreekt iemand van een “onnoodige ophooping van paperassen”, in 1886 “de geheele berg paperassen gaat naar de archieven en …. alles blijft bij het oude”, in 1887 “eene noodelooze vermeerdering van paperassen”. Ook in 1900 is er sprake van “vermeerdering van de paperassen der Kamer”. De Kamer verzucht in deze jaren vooral over de omvang, de hoeveelheid, de lawine waaronder men gebukt gaat.  Laten we daar maandag nog even preciezer naar kijken.

Van: succesful.com.au

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Tom Poes en het Ethisch Reveil (ii)

Zoeken naar het woord poes in de Handelingen van de Tweede Kamer (wegens Tom Poes en diens taal, zie de vorige aflevering) levert een talige bijvangst op die ons allereerst brengt bij Wim van de Camp. Op 12 november 1997 valt Sharon Dijksma (PvdA) deze CDA-collega aan over wat hij doet tijdens de begrotingsbehandeling: “Dat is toch heel merkwaardig. Ik kan me voorstellen dat je bij een omvangrijke begroting voor heel kleine bedragen een motie indient, maar een bedrag van 61 mln. is toch geen kattenpis. Ik kan me voorstellen dat het onderwijsveld er gebaat bij is om te weten waar dat geld opgehoest moet worden. (…) U heeft nogal wat kritiek geleverd, vooral op de “open einden” in de begroting. Zou u niet het goede voorbeeld geven als u zelf niet deed wat u de minister en de staatssecretaris verwijt, als u dus geen voorzieningen met een open einde voorstelde?” Van de Camps reactie: “Als ik een amendement zonder dekking indiende, zou ik dat verwijt, en zeker dat van de urine van de poes, wel terecht vinden, maar ik dien geen ongedekt amendement in.”

Terloops parafraseert, ja corrigeert Van de Camp het door Sharon Dijksma gebruikte woord kattenpis en spreekt komisch bedoeld en allicht minder aanstootgevend van ‘urine van de poes’. Kattenpis is een woord dat ter linkerzijde in de Tweede Kamer wél, meer naar rechts níet benut wordt. Bovendien zijn het relatief vaak vrouwen die het woord gebruiken.  Olga Scheltema (D66) is in 1995 de eerste en ze gebruikt het zelfs tweemaal in haar tijd als Kamerlid. Verder zien we van GroenLinks de leden Rosenmöller, Naïma Azough, Vendrik, Ineke van Gent, van de SP Krista van Velzen (diverse keren), Sadet Karabulut, Bashir, Smaling. Angelien Eijsink is naast Sharon Dijksma het enige PvdA-lid in dit rijtje. Als minister bezigt Laurens-Jan Brinkhorst het eenmaal (“De heer Vendrik spreekt badinerend over het uitgeven van geld. Een bedrag van 2 mln. extra voor duurzame energie in een korte periode is geen kattenpis.” 3 november 2005), Sharon Dijksma doet het ook eenmaal in haar rol als staatssecretaris in verband met straffen voor dierenhandel: “Dat is letterlijk geen kattenpis.” (11.02.2014)

De stille correctie van Wim van de Camp brengt ons dus naar het CDA, de partij die in de onderzochte periode niet één keer kattenpis bezigde. Dat gebeurt ook met een tweede bijvangst, het bijzondere viespoezen. Dat is een werkwoord dat een wel zeer gering voorkomen kent in schriftelijke bronnen en Van Dale ook nog niet gehaald heeft. Het betekent zichtbaar ‘veroordeelde handelingen verrichten’ als we afgaan op de context waarin Joop Wolff (CPN) dat woord kiest. Hij beschrijft op 20 oktober 1976 wat het zogenaamde ethisch reveil van premier Van Agt in feite inhoudt: “Het ethisch reveil is een afbakening van de anderen, die dan (…) alleen gekarakteriseerd worden als voorstanders van pornowetgeving, van alternatieve samenlevingsvormen naast het huwelijk – een beetje viespoezen – als voorstanders van hulp aan minderjarige weglopers – een beetje kinderlokkerij – van abortus, minachters van het ongeboren leven. Als ik dat zo zie denk ik: het is een wat moeilijk beeld maar de heer Van Agt spreekt in spiegelschrift. Het gehoor moet het positief geformuleerde het liefst in negatieve zin opvatten. Met ethiek heeft dat niets te maken.” (Het citaat heb ik aangepast tot meer lopend Nederlands, SR.)

Het is een vergelijkbare vraag, of in plaats van ethisch door Van Agt (CDA) liever niet christelijk als term gekozen had moeten worden. Volgens de biografie van Van Agt (Johan van Merriënboer, Peter Bootsma, Peter van Griensven, Van Agt Biografie. Tour de force. Nijmegen 2008 blz. 139) creëerde hij de term ethisch reveil (in één adem genoemd met herbezinning) in een brief aan de onder kritiek liggende Limburgse bisschop Gijsen van Roermond. Het onderwerp in het contact Van Agt-Gijsen was de Nederlandse abortuspraktijk. De bisschop vergeleek zijn strijd daartegen met de oorlog tegen het Hitler-bewind. Snel na zijn geruchtmakende benoeming enkele jaren eerder maakte Gijsen van Rolduc een eigen, centrale priesteropleiding die ook gezien werd als een daad tegen zijn episcopale collega’s.

De brief waarin het ethisch reveil begon, dateert van 1974 en het ontwikkelde zich niet lang daarna tot verkiezingsthema van het CDA. Het is een wrang gegeven dat de tijd rond 1975 precies viel in het midden van de periode van 1945 – 2010 die de commissie-Deetman onderzocht in verband met seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke kerk. Ook “affectieve relaties” in Rolduc komen in dat rapport voor. They too.

 

CDA-affiche 1977

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment