Dat gezegd hebbend …

Als de plannen gerealiseerd worden, zal in het verlengde van dit blog in november verschijnen :

  Dat gezegd hebbend …

Taal in politiek Den Haag na 1950

Gïnteresseerd in de voorzijde? Alvast bestellen? Kijk op de website van de uitgever.

Wat hier volgt is een concept-versie van het begin van de introductie.

(1) Van aanvliegen uit schuttersputjes en zwijgen met een veelheid van woorden

Op een klein stukje Nederland van nauwelijks een paar vierkante kilometers in Den Haag waarschuwt een jonge minister in 2017 om dilemma’s niet heel zwart-wit aan te vliegen vanuit het eigen schuttersputje. Dat is Nederlands zoals dat hoorbaar is in het hart
van het vaderlandse bestuurscentrum dat alle schoolkinderen moeten bezoeken volgens het huidige regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst (2017-2021). Dat wil zeggen, dat gaat het kabinet mogelijk maken.
Verstaan zij straks, verstaan wij nu wat we in de plenaire zaal horen – ook als we voorbijzien aan technische onderwerpen? Het begin van een antwoord kwam
bij mij in 2016 met een blog over de gevarieerde taal van premier Rutte. Toen daarover 100 bijdragen verschenen waren en de Kamerverkiezingen in aantocht, breidde ik Nomeis uit naar de taal van het Nederlandse parlement. Nomeis is een omdraaiing van mijn voornaam: ik was met pensioen, bereikte een keerpunt in m’n leven en mijn achternaam is wat Battus (Opperlands) een palingram noemde. Belangrijker is dat het Griekse woord voor ‘wetten’ in Nomeis doorklinkt. Dat is immers core business aan het Binnenhof én het verwijst naar talige wetmatigheden die ik in het blog op het spoor probeerde te komen.

Na een nieuwe 200 internetstukken van soms grotere omvang volgt hier een boekje over hetzelfde onderwerp: een 750 tekstjes van meestal kort formaat die gebundeld een woordenboekje eigentijds Binnenhofs maar ook eigentijds Nederlands vormen. Ik heb me beperkt tot de periode vanaf 1950 (mijn geboortejaar, is het persoonlijke karakter duidelijker uitgedrukt?) tot en met 2017. Dat het laatste jaar hierna betrekkelijk veel genoemd wordt, heeft te maken met het feit dat ik soms taal van voorheen wilde vergelijken met de eigen tijd en dat was in principe 2017. Op die manier is het begin van Rutte-III nog juist meegenomen. Voor de bronnen, de aanpak en enkele verwijzingen wijs ik naar de hoofdknoppen op het genoemde blog (http://siemonreker.nl). Het betreft daarvan vooral de middelste vier Over, Aanloop, Verkennend en Parlevinken.

Tegenwoordig komen er iedere vergaderdag van de Tweede Kamer uit de plenaire zaal in de regel ruim 200.000 woorden bij via de Handelingen. Die zijn weliswaar lang niet alle uniek, maar dat alleen al maakt desondanks duidelijk, hoe miniem het aantal is dat ik daarin heb aangestreept, een stuk of 800 stuks slechts, inclusief voor/achtervoegsels en uitdrukkingen. Hoeveel meer hadden het er kunnen zijn – móeten misschien ook volgens u, lezer. Ik ben bereikbaar voor overleg (s.j.h.reker@rug.nl) en zolang dat binnen de grenzen van het redelijke blijft, verheug ik me op dat contact.

Wat er aangestreept is en verder een rol speelde, voldeed in elk geval aan de volgende criteria:
– ik moest het de moeite waard en voldoende interessant vinden,
– de inhoud moest niet rechtstreeks uit een zoekopdracht via bijvoorbeeld
Google of Wikipedia duidelijk zijn (zoals het antwoord op de vraag naar de
Zalm-norm, het maatschappelijk middenveld of afnemend grensnut),
– er zou een meerwaarde moeten zijn ten opzichte van wat de elektronische
Van Dale aan informatie bood. Kortom, het was een paradoxale mix van overwegingen en impressionisme.

*****

 

De Hofvijver (foto SR)

 

 

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment

Oss 2018 vergeleken met Buitenpost april 1981

Er was een lang AO gisteravond in de Tweede Kamer – de STINT-affaire naar het vervoermiddel dat aanvankelijk eventjes een “elektrische bolderkar” genoemd werd. De minister was op alle vragen voorbereid, “kom ik straks nog op terug in blokje X daarover”, speelde de bal telkens terug naar de Kamer dat sámen met het kabinet de verantwoordelijkheid over het beleid van het verleden leek te dragen en anders wel de Stint-producent die zélf verantwoordelijkheid had gedragen – ook in de toekomst wilde mevrouw Van Nieuwenhuizen sámen met de Tweede Kamer optrekken (vergezeld door alle mogelijke buitenparlementaire partners).

Terug naar september. Voorzitster Arib opende de tweede helft van de Algemene en Politieke Beschouwingen (APB) dit jaar met twee opmerkingen. Allereerst richtte ze de blik op de de Stint van Oss, waar daags tevoren vier kinderen van een dagverblijf op een overweg om het leven waren gekomen: “Ik wil eerst even stilstaan bij het afschuwelijke nieuws van gisteren uit Oss, het soort nieuws waarbij de pijn meteen door je hele lijf voelbaar is – en niet voor even. Vier kinderen zijn overleden; een meisje en de begeleidster zijn zwaargewond. Dit is een ongeluk dat voor iedereen dichtbij voelt. Je brengt als ouder je kinderen naar een kinderdagverblijf en een uur later zijn ze er niet meer. De grond onder je voeten verdwijnt. Het is niet te bevatten. Oss rouwt. Wij wensen de ouders van de kinderen, de oma’s en de opa’s, familieleden en getuigen veel sterkte en liefde toe voor nu en zeker ook voor de moeilijke tijd die nog moet komen.” Vervolgens zei mevrouw Arib iets over de toon van het debat op de eerste dag van die APB, maar laten we even bij de massale aandacht voor Oss blijven: de minister-president en alle woordvoerders sloten zich uitdrukkelijk bij de voorzitster aan.

Laten we naar 1981 teruggaan maar dat is maar een lukraak moment. Op zondagavond 26 april zou het gezin Sinnema uit Kollum op bezoek gaan bij mensen die woonden vlakbij de onbewaakte overweg tussen Buitenpost en Zwaagwesteinde. De auto werd door de trein gegrepen, alle vier inzittenden werden gedood: meneer en mevrouw Sinnema en hun kinderen Trijntje (7) en Tjeerd (5).

De Telegraaf 27 april 1981

In de Tweede Kamer is er geen woord aan gewijd. Goed, een maand later waren er verkiezingen maar op 28 en 29 april – de twee dagen voor Koninginnedag – werd er nog gewoon vergaderd. Op de 28ste begont het als altijd op dinsdag met de Regeling van Werkzaamheden, toen de Stemmingen en vervolgens kwam het onderwerp financiële problematiek rond de tunnel Dordtse Kil op de agenda. Niets over het drama bij Buitenpost.

Misschien is er in sommige opzichten toch iets veranderd in de wereld, tussen 1981 en 2018.

Posted in In het nieuws | 3 Comments

Tien stukjes met spelsuggesties

Een serietje met tien vragende suggesties over de spelling van het Nederlands.
Het zal draaien om de overeenstemming tussen de weergave van de normale uitspraak enerzijds en theoretische overwegingen anderzijds (de regels van gelijkvormigheid, etymologie). Klein – wat ik schrijf is serieus, maar het moet wel leuk blijven.

Dit is wat we gedurende veertien dagen (omgekeerd chronologisch) aan voorstellen deden.

Nummer 10: Welliswaar
Toen ik de hockey-verslaggever een keer “weeliswaar” hoorde zeggen, wist ik het: we schrijven die drie woordjes wel-is-waar als éen geheel maar niet iedereen is zich bewust van het gegeven dat het er historisch drie zijn. De reporter kan iets hardop zijn gaan zeggen wat hij tevoren had gelézen. Als we de verbindingsstreepjes terzijde willen schuiven wat als onpraktisch, resteert de notatie op grond van de uitspraak: “welliswaar”. Dat is een aparte eigenschap van onze spelling: een verdubbelde medeklinker zegt niets over zichzelf maar daarentegen over de voorafgaande klinker (spellen, dubbel, bakken). Dat te geloven, kostte me ooit moeite.

Ik eindig aarzelend: welliswaar of wel-is-waar maar geen weliswaar meer als we de gangbare uitspraak in de toekomst zeker willen stellen.

Dit is het lijstje met 10 gesuggereerde verbeteringen van de Nederlandse spelling voorzien van aanvullingen, soms door lezers van dit blog aangereikt:

Absorptie -> absorbtie (ja en waarom dan ook niet scribtie en woorden op -; in één moeite door: consumtie zonder p die we ook niet schrijven in hempt of hempd)
Balanceren –> balanseren
Bijdehante –> bijdehandte (ja en waarom dan ook niet Braband wegens Brabander)
Burgemeester –> burgermeester
Diffuse –> diffuze
Eh –> öh (ja en dan veranderen we tegelijkertijd het tussenwerpsel in hee)
Manoeuvreren –> manoevreren
‘s Nachts –> snachts
Verbintenis –> verbindtenis (en dan ook maar leiddraad)
Weliswaar –> welliswaar (of wel-is-waar)

• Nummer 9: Verbindtenis
We keren een beetje terug naar nummer 3, bijdehandte en stadten. Bij verbintenis stoort me de notatie op dezelfde grond: je denkt onontkoombaar aan verbinden en waarom dan niet verbindtenis waar we dat spoor zo makkelijk kunnen laten zien (net als bijdehandte en stadten)? Dat geeft ook steun aan de werkwoordelijke notatie houdt, wordt enz. Natuurlijk gaan we dan in één moeite door ook leiddraad schrijven.

Mitsdien: verbindtenis.

 

• Nummer 8: Smorgens
Toegegeven, op de lagere school had ik een moeizame relatie met ‘s nachts en ‘s morgens: ik begreep dat kommaatje niet (en de uitleg vond ik ongeloofwaardig). Bovendien, de spatie tussen de s en het betreffende woord was al net zo raar. Wat er niet hoorde, een apostrof en een opening binnen één woord!

Zullen we de taalhistorie vergeten en op het gehoor spellen, net zoals we bijvoorbeeld ook naar de uitspraak asjeblieft of alstublieft noteren en niet meer als het je of u belieft? Dat betekent hier dus snachts en smorgens. Dat we dinsdags en zondags schrijven klopt dan mooi met het gegeven dat ‘s dinsdags en ‘s zondags onnatuurlijk over komt.

Conclusie:

• Nummer 7: Manoevreren
Manne: luistere! Majoor Kees deelt mede dat we op manoeuvre gaan. Manoeuvre is hoorbaar Frans, dus logisch dat we die vreemde klinkerserie noteren. Zichtbaar geïmporteerd, prima!
Maar die on-Nederlandse tweede klinker in de uitspraak van het zelfstandig naamwoord manoeuvre is niet dezelfde als in het verwante werkwoord manoeuvreren – we zeggen in het ABN normaliter “manoevreren”.
Zullen we dat dan ook gaan schrijven?
Derhalve: manoevreren. In Vlaanderen desgewenst maneuvreren.

• Nummer 6: Öh
Als we luisteren en op basis van het gehoor spellen, is het teken e een vreemd geval met al z’n mogelijkheden. In het woord Enschede staan er drie en de middelste e (sjwa) kan dat alleen maar zijn omdat er direct een hoofdklemtoon aan vooraf gaat of op volgt.
Maar die sjwa wordt wel in het woord eh met een e aangeduid en dat is een zelfstandig woord van één lettergreep, zónder de aanwezigheid van een nabije hoofdklemtoon binnen hetzelfde woord.
Op het gehoor zou ik daarom liever öh spellen dan dat vreemd ogende eh. Ja, öh met precies dezelfde klinker als die Limburgse grondsoort löss.

Vandaar: öhTrouwens, wat is er de reden van om het tussenwerpsel hee als hé te schrijven? Hebben we het uit het Frans? Gewoon als hee past beter binnen onze regels, net als o jee.

• Nummer 5: Gek is dat, we schrijven nerveuze en luxueuze met een z, ook al gaan nerveus en luxueus op een s uit. De reden is simpel (ook al regelden we dat anders met een s/z op woordeinde dan in het geval van t/d): we schrijven wat we zeggen en daar is veel voor te eh zeggen.

Waarom passen we die regel niet toe bij diffuus/diffuse? Heb ik ooit iemand “diffuse” horen zeggen – in mijn kennissenkring gaat het over “diffuze”.

Ergo, een betere notatie lijkt me: diffuze.

• Nummer 4: Toen ik nog op het Bureau Groninger taal en cultuur van de RUG werkte – dat heeft na mijn vertrek een titulaire upgrading ondergaan in samenhang met een fusie – schreef ik op 12 mei 2015 een TIM over, een stukje over taal-in-maatschappij: de burgemeester.
Veel mensen blijken het woord verkeerd te schrijven en dat is een prima argument om burgemeester ook een facelift te geven en hem te vervangen door burgermeester. De foutspellers zullen denken aan burgers of aan de burgerlijke stand, beide inclusief tweemaal een r.
De herkomst mag met burch ‘stad’ te maken hebben – wie weet dat? En het zijn toch niet louter steden die een burgemeester bezitten? Daarom kies ik voor de burgermeester – ook nog eens gesteund door het Duitse Bürgermeister. Wilden we ook niet dezelfde zomer- of wintertijd als over de grens en dezelfde munt?

Zie de SZ van gisteren:

 

 

Kortom, waarom niet:

• Nummer 3: Het gevalletje van vandaag is er eentje uit een grotere reeks.
Ze kennen we statten ‘de stad ingaan om boodschappen te doen’ zonder dat we daar het woord stad nog volledig in zien. Bijdehand is de gangbare en logische manier van noteren (‘vlug van begrip’) maar waar blijft die slot-d in het bijvoeglijk naamwoord bijdehante?

Als we houdt, bindt, hoedt schrijven en breedte, rondte, wijdte of dat soort woorden met dt, waarom dan niet bijdehandte (en dan ook stadten)? Dat heeft een grotere mate van gelijkvormigheid dan bijdehante en statten en de uitspraak blijft in orde.

Dus: bijdehandte

• Dit was nummer 2 Balanseren 

Van Dale zegt echt ‘met kleine schommelingen zich in evenwicht houden’ en we hebben het dus inderdaad over balanceren. Die c laat zich verklaren vanuit de Franse herkomst, maar waarom schrijven we dan balans en niet ook balance? Het lijkt me van tweeën één: balance en balanceren óf balans en balanseren.
Ik kies voor het tweede. Uitspraak? Geen probleem. Herkomst? Ach, dat hadden we bij balans toch al opgegeven.

• Dit was maandag 29 oktober 2018 nummer 1: absorbtie in plaats van absorptie ‘opname van de energie van een fysisch systeem door een ander systeem’ (Van Dale)Ik zou absorbtie  prefereren, we zeggen immers “absorberen” en niet “absorperen”. En: de uitspraak van het geschreven woord absorbtie is gelijk aan absorptie.

Daarom: 

 

Posted in Rijp voor opname (Van Dale) | 8 Comments

Taal en wereld van Maarten Schakel: diens autobiografie (1982)

“Doet u maar één uro, meneer” zei de man achter de Kringloopkassa en daarmee was de aanschaf bezegeld van een tweedehands exemplaar van de autobiografie van Maarten Schakel. Uitgeverij De Haan in Haarlem zette in 1982 een montagefoto op de voorzijde – achterop trouwens herhaald – waarbij een deel van Schakels gezicht achter en boven een Hollands winterlandschap prijkt. Dat moet bijna wel de Alblasserwaard zijn, begin en einde van de wereld van deze burgemeester en volksvertegenwoordiger. Zó lijkt ‘ie niet op Joseph Luns, maar in de realiteit gestoken in jacquet zag iemand hem er wel voor aan bij de ontvangst voor een kerkdienst aan het begin van een parlementair jaar in Den Haag en zo werd het pas begonnen Kamerlid Schakel naar de eerste rang geleid.

Niet alleen de foto is gemonteerd, ook de auteur en de titel lopen in elkaar over: Maarten Schakel De laatste der Mannenbroeders Politicus met een ideaal.

 

Hij heeft veel feiten precies bijgehouden, deze ARP’er die leefde van 1917 tot 1997, en zo kon hij dus moeiteloos familiegebeurtenissen als een ongeluk of een behaald examen van een van de kinderen of een uitslag uit de Europa Cup combineren met wat hij politiek meemaakte, vooral in de landelijke in de periode van 1964-1981. Door al die feitjes en series opsommingen krijgt het boek ondanks z’n leesbaarheid trekken van een verslag door de secretaris. Hij somt op bladzijde 50-51 precies op welke AR-leden na hem de Kamer zijn binnengekomen, volgens  het vaste stramien dat opent met “dr. C. Boertien, Geldrop, bedrijfsjurist bij Philips, lid sedert 18 mei 1965”. Geen wonder dat Maarten Schakel ook een akte bezat in de sfeer van boekhouden.

Hij bezat onder meer een MO-akte Duits, wat niet leidde tot een academische titel. Op het punt van de titulatuur was Schakel een pietje precies. Maar als hij een Portugese uitnodiging krijgt om in de koloniën Angola en Mozambique rond te kijken (van 13 tot 29 augustus 1973) krijgt hij geen medewerking van minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking. In de tekst spreekt Schakel van de heer Pronk en de heer S. Bosgra de destijds bekende leider van het Angola-Comité, ook al was Pronk doctorandus en Bosgra een (ik meen gepromoveerde) nucleair fysicus. Zijn hier prikjes uitgedeeld?  Als de Geachte Afgevaardigde zich over de kwestie schriftelijk wendt tot Pronk, is hij zodanig formeel en precies dat hier wel diens titulatuur maar óok de aanduiding “Minister zonder Portefeuille” vermeld wordt. Het is correct én een pesterijtje, lijkt het – waarom moeten we anders de brief inclusief adressering in de autobiografie lezen.

Schakel was politiek aan de rechterflank te vinden en daar kwam hij voor uit: God, Nederland en Oranje was wat hem paste als een driedelig pak, zeven dagen per week. Ook de protestantse herkomst verloochende hij niet en als er iets aan die autobiografie duidelijk wordt, dan is het de taal uit die sector. De jongste dag, versloeg mij de adem, in ongerechtigheid geboren (het kabinet-Den Uyl), uit de ouderlijke macht ontzegd, een wijle, aangorden, alsmede, te vijf uur, ten besluite – dat klonk in 1982 in mijn herinnering ook al hetzij gedateerd hetzij protestants gelokaliseerd hetzij verkeerd.

Schakel spreekt (altijd uit het hoofd) en schrijft Nederlands in de tijd dat de versoepeling van mede naar mee zich voltrekt. Bij hem vinden we beide vormen, figuurlijk gesproken op zondag de oude, door de week soms de nieuwe. Komisch is het dan als we lezen dat Schakel ’s ochtends bij vertrek van huis noteert: “…. deelde ik mijn Anna mede….” (blz. 123). Anna is de echtgenote, soms aangeduid als “kostbare vracht” als ze met Schakel mee rijdt in de auto. Daar krijgen de notulen een opstel-karakter, zoals bij dit type zinnen: “Die middag moest het vaatje der stuurmanskunst diep aangeslagen worden.” (dezelfde blz. 123)

Tegelijkertijd is het ook Nederlands van even over de helft van de 20ste eeuw. Woorden als snieren, soft– en hardware, omturnen, het niet kunnen maken gebruikt de auteur en dat klinkt als modern Nederlands van die dagen. Omswitchen is een ander voorbeeld. Rond 1960 was het in de Tweede Kamer een poos gangbaar om te spreken van overswitchen, eenzelfde tijdelijke aanpassing aan het Nederlands om de inburgering van het Engelse switchen te versoepelen.

Taal interesseerde Schakel in bijzondere mate, in een van de latere hoofdstukken benadrukt hij dat. “Grammaticaal stoeien met de taal behoort tot mijn geliefkoosde intellectuele genoegens”, lezen we op pagina 162. Bovenaan diezelfde bladzijde eindigt de zin die op 161 als volgt begon: “(…) ik raakte bedreven in verbuigen en vervoegen, wist op den duur onderwerp en gezegde, antecedent en betrekkelijk voornaamwoord feilloos op elkaar te laten kloppen.”

Op die zin moet ik een poosje kauwen net als op dat eerdere “uit de ouderlijke macht ontzegd”. Heeft Maarten Schakel hier woorden of zinsdelen “feilloos op elkaar laten kloppen” of is er toch een foutje gemaakt? Is het Alblasserwaards of inmiddels verdwenen Nederlands uit confessionele hoek?

Maarten Schakel De laatste der Mannenbroeders Politicus met een ideaal – hoeveel plezier kan een boekje van 1 euro verschaffen.

 

Posted in PARLEVINKEN, prot-chr | Leave a comment

De Krant Bekeken (5)

Zie voor de achtergrond van deze bijdrage De Krant Bekeken (1). Hier volgen de laatste drie stuks.

De Krant Bekeken-suggestie Stel, u werkt bij Studio Sport. U ziet beelden die uit de hele wereld binnen komen en u hoort daar uw collega’s uit andere landen commentaar bij leveren. U moet de Nederlandse toeschouwers mondelinge hulp bieden bij die beelden en dus geeft u een beetje in uw eigen woorden weer wat die collega’s in andere talen gezegd hebben. U vertaalt en praat dus gewoon een beetje na. Niet erg, journalistiek is in principe doorgeven.
Geen probleem dus. Als uw collega-tenniscommentator uit Melbourne, New York of uit Londen het heeft over “statistics” vertaalt u dat niet meer zoals u op school geleerd hebt met “getallen”. Dat is u veel te alledaags en te nuchter. U zegt gewoon dat de statistieken duidelijk maken dat Edberg veel sterker is aan het net en dat Krajicek beter serveert dan retourneert. De statistieken. Prachtig woord waarmee u het gewicht van uw functie fraai compenseert.
Zoiets moet er wel aan de hand zijn, iets van zwaardoenerigheid. Waarom vertaalt niemand “figures” door ‘figuren’? Betekent hetzelfde, maar oort veel minder en daar zijn we waar we moeten wezen: hoe het oogt en hoe het oort, daar gaat het in de eerste plaats om in de media.

De Krant Bekeken-suggestie Hoe zit het daarboven eigenlijk in elkaar? Hoe ziet het labyrint eruit dat hersens heet? Zelfs als we alleen zouden willen weten hoe taal in dat centrum werkt, is er voldoende onduidelijk om een heel leger onderzoekers mee aan het werk te sturen: in Nederland, en nog veel meer daarbuiten. We weten er kennelijk niet veel van. In elk geval is dit duidelijk, woorden die wat met elkaar te maken hebben zijn op de een of andere manier via korte wegen aan elkaar verbonden. Waarom krijgen we anders problemen met trend en trant? In geschreven taal kun je soms zien dat deze twee vreemde woorden in elkaar gaan grijpen: racisme en fascisme. Beide alleen al op grond van hun uitgang van vreemde, Latijnsige herkomst. Door hun betekenis komen ze bij elkaar in de buurt, qua klank zitten ze ook niet zo ver van elkaar af. Het gekste is nog die sc-combinatie in fascisme. De uitspraak van fasjisme is nog onnederlandser dan die van rassisme. Toch is hun overeenkomst in klank en betekenis voldoende groot om voor nogal wat medeburgers aanleiding te geven tot misverstanden. Zij zeggen ook “rasjisme” en “fassisme”. Er is helaas veel voor te zeggen om een derde vorm te creëren die beide dekt: rascisme.

De Krant Bekeken-suggestie Advertentie gezien gisteren? Misschien werft Solaa… vandaag ook wel met deze tekst:…. bruine teint….
Een bruine teint is vast veel mooier dan een bruine tint. Tussen teint en tint zit meer verschil dan een e-tje. Het eerste is deftiger, allicht duurder en in elk geval Franser dan het tweede woord, ofschoon ze hetzelfde betekenen. Aan teint zie je het Franse nog duidelijk terug, die herkomst is bij tint weggebleekt.
Teint spreek je met een è-klank uit die ook vooraan in serre zit: “tèènt”. Maar die lange klinker is onnederlands en daarom passen we dat een beetje aan: “tèènt” wordt “tint” en zo hebben we het woord van Frankrijk wat verkleurd geïmporteerd in Nederland.

Blijft de vraag waarom tèènt niet gewoon tent geworden is in plaats van met klinkerverandering tint. Het probleem van tèènt is, dat er hier al een woord tent bestond. Zo’n vreemd woord kun je beter wat omschminken tot een feitelijk nieuw woord in het Nederlands (tint) dan tot eentje die al bestaat. Tent was immers als het ware al bezet.

 

Posted in In het nieuws | Leave a comment

De Krant Bekeken (4)

Zie voor de achtergrond van deze bijdrage De Krant Bekeken (1).

De Krant Bekeken-suggestie We zijn een stelletje mafkezen bij elkaar, laat Jaap Kiers Henk Kok zeggen in de maandagse rubriek Forum. Eigenlijk heet ‘ie FORUM FORUM FORUM, er komen altijd heel wat mensen aan het woord. Of die mensen nu wat van belang zeggen of niet, ze worden gebeld en daarna geciteerd, zelfs als ze zeggen dat ze niks te zeggen hebben. Ik weet dat uit ervaring. Henk Kok zal het dus over mafkezen gehad hebben en over sprintssters, want Jaap Kiers gebruikte aanhalingstekens. Sprintsters heeft Henk Kok gezegd (hij stottert niet midden in dit woord), sprintssters heeft Jaap Kiers geschreven. Waarom doet Jaap Kierss dat? Hij heeft geleerd dat een vrouwelijke schaatser een schaatsster is, net als Steffi Graf een tennisster is. Daarna is het een klein stapje om te vergeten dat die dubbele s alleen voorkomt na een woord waarvan de stam eindigt op s: tennis- en schaats-. Sprint eindigt op een andere letter en daarvan is de vrouwelijke afleiding dus gewoon een sprint-ster. Dat sommige mensen in plaats van sprint “sprints” zeggen en “rits” en “krants”, heeft dát er mee te maken? Niet. Niets!

De Krant Bekeken-suggestie De gordijntjes van de taal verhullen soms de werkelijkheid op een subtiele manier. In Groningen – zich noemende Metropool van het Noorden – staat in de wijk Oosterpoort een centrum dat zijn naam ontleend heeft aan de wijk zelf: De Oosterpoort. Niet echt spectaculair in vergelijking met namen als De Lawei, De Klinker of De Muzeval maar de Stad slaat subtiel terug.

Die regionale centra zijn culturele centra: cultureel centrum De Tamboer, cultureel centrum De Molenberg en noem maar op. Noem de Oosterpoort geen cultureel centrum. In Groningen hebben ze het over het cultuurcentrum en dat scheelt een slok op een borrel. Het onderscheid tussen cultuur en cultureel is niet alleen een kwestie van woordsoorten (zelfstandig versus bijvoeglijk naamwoord). In De Kolk worden culturele dingen gedaan, in de Oosterpoort wordt aan cultuur gedaan. Dat is niet hetzelfde, cultuur is meer dan cultureel. Cultureel komt in de buurt, cultuur is het. Wat interessant is, is de vraag of een culturele commissie van de gemeente Groningen ooit dat wezenlijke verschil onder woorden gebracht heeft ten tijde van de naamskeuze van De Oosterpoort. Dat moet iemand kunnen onthullen.

P.S. Vergissing. Groningen heeft natuurlijk een cultuur-commissie.

 

Posted in In het nieuws | 1 Comment

De Krant Bekeken (3)

Zie voor de achtergrond van deze bijdrage De Krant Bekeken (1).

De Krant Bekeken 06-12-1991 Henk Kuipers schreef gisteren een stukje over de markt. In de eerste regels gebruikte hij een opmerkelijk groot aantal verkleinwoordjes: Kalmpjes slenteren langs kraampjes, een bosje bloemen kopen en een lekkerbekje. Maar waar veel mensen frietjes verwacht hadden werden het frieten,- zullen wel grote geweest zijn.
Verklein-uitgangen veranderen de betekenis van woorden. Soms zeggen ze dat een woord iets kleins beduidt: een hoopje stelt niet veel voor. Soms is het verkleinde woord normaal (een bosje bloemen), terwijl het gewone dan iets bijzonders is (een bos bloemen). Soms kun je een verkleinwoord niet vergroten, bijvoorbeeld omdat er dan een ander woord ontstaat. Een lekkerbek is geen consumeerbaar visje meer maar is een persoon geworden. En van puikje kun je geen puik maken. Soms kun je woorden niet verkleinen: de markt is daar een voorbeeld van, groente ook.
Soms zijn er meer mogelijkheden. Een bloempje is een kleine bloem, een bloemetje betekent een boeket(je). Soms is er een rekkelijk verband tussen op het oog verwante woorden als kwart en kwartje, telefoon en telefoontje, blauw en blauwtje. Soms ontstaat er door zo’n uitgangetje een positieve lading: autootje meneer!

Het was weer een heerlijk avondje gisteren.

De Krant Bekeken 07-12-1991 De rollen waren vroeger in de bus heel helder verdeeld. De conductrice regelde de kaartjes, de chauffeur zorgde voor het vervoer. Een mannelijke conductrice had je evenmin als een vrouwelijke chauffeur.
Een vrouwelijke chauffeur is een chauffeuse, een mannelijke conductrice zou in de bus net als bij de Nederlandse Spoorwegen een conducteur geweest zijn.
Vaak – maar niet altijd – is van een man-aanduidend woord een tegenhangster te maken door iets toe te voegen. Het kortste systeem wordt toegepast bij woorden zoals patiënt. Dat gebruik je als het m/v is, bedoel je uitsluitend v, dan is verlenging tot patiënte voldoende. Bij heel wat woorden gaat het om een ingrijpender aanpak, zoals bij chauffeuse en conductrice. Bij een rolbevestigd woord als secretaris zorgt feminisering tot secretaresse overigens voor misverstanden.
De GADO zoekt blijkens een advertentie in de krant van eergisteren deeltijders die de reizigers telefonisch willen helpen aan reisinformatie. Dat was tot nu toe een v-rol: informatrice. Wat maak je daarvan als je het betrekking wilt laten hebben op een man? Informateur? Nee, dat heeft met de politiek te maken.
Informator? Nee, bestaat nog niet.
De GADO werft “Informatrices/Informanten”. Informant: iemand die inlichtingen geeft, bijvoorbeeld aan de politie of voor wetenschappelijke doeleinden… Persoonsgebonden inlichtingen bovendien.

Informant krijgt er vanaf 31 mei 1991 een extra betekenis bij als het project Openbaar Vervoer Reisinformatie van start gaat, en nog wel een neutrale. De “informatrice” had de GADO weg kunnen laten, want een informant is net als een patiënt een m/v-woord.

Aanvulling in 2018: Ik zag een kapperszaak die zich De Tondeur noemde. Schitterende vondst voor de aanduiding van een herenkapper en een mooie tentamenopgave tijdens de studie Nederlands.

 

Posted in In het nieuws | 1 Comment