De kleine stappen van het kabinet-Den Uyl (3): van een injectienaald en een breekijzer

In de terugblikken van de PvdA-bewindslieden uit het kabinet-Den Uyl komt soms informatie naar boven over tijdgenoten. Jan Schaefer vertelt dat Tjerk Westerterp het beneden zijn ministeriële waardigheid achtte, te spreken met een staatssecretaris. (blz. 48) Minister Van der Stoel had eerder een moeizame positie als staatssecretaris in het kabinet-Cals (1965), de secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken vertelde hem dat hij zich tot het uiterste tegen diens benoeming had verzet (91): over Haagse toko’s gesproken!

Onderwijsminister Jos van Kemenade nam vooral het basisonderwijs voor zijn rekening. “Al gauw bleek,” zegt Piet Hagen in zijn interview met hem, “dat Van Kemenade niet naar Den Haag was gekomen om louter en alleen op te treden als een kassier die eerlijk de centen verdeelt over openbaar en bijzonder onderwijs.” (51) Neen: “Zijn verhalen over maatschappelijke weerbaarheid en mondigheid vormden een bedreiging voor degenen die al mondig en weerbaar waren.” (54) Hij maakte “de verdedigers van de gevestigde orde zenuwachtig” en dat leidt tot een hetze van de kant van de VVD in samenwerking met De Telegraaf: in het interview is sprake van “spookverhalen over de socialistische injectienaald”, zegt Van Kemenade. (57)

Uitsnede Jos van Kemenade omslag WBS-bundel 1978

Neelie Kroes pakt inderdaad uit op dinsdag 25 september 1973 in het ochtendblad bij de eerste Onderwijsbegroting van het nieuwe kabinet, want ze schrikt van de Memorie van Toelichting en de Telegraaf kopt groot “Socialistisch spuitje bedreigt schooljeugd”.

Kop Telegraaf (via Delpher)

Dat allitereert niet alleen, het spuitje verwijst ook naar het normale gebruik ervan als middel voor verdoving of zelfs doding. “Keuzevrijheid in het geding” is de waarschuwing en het wordt niet minder verontrustend door de vette tussenkoppen LEVENSGEVAARLIJK, AANSLAG en ANGSTWEKKEND. Neelie Kroes vindt de memorie doodeng en die brengt bij haar een schrikreactie teweeg. Linkse belastingverhogingen? Kinderspel in vergelijking met deze “geloofsbelijdenis” van Van Kemenade, parafraseer ik. “De leerlingen kunnen zich onvoldoende verweren. Zij zijn zeer ontvankelijk voor allerlei nieuwe ideeën”, zegt ze. De krant citeert haar afsluitend met een doembeeld: “Willen wij een onderwijsstelsel, dat berust op maatschappelijke opvoeding van de kinderen, waar minister Van Kemenade kennelijk naar streeft en dat zo treffend wordt uitgedrukt in het programma van de Russische communistische partij, of willen wij een onderwijssysteem, waarbij jongeren worden opgevoed tot bewust denkende volwassenen.” En dat met een CDA- dan nog AR- staatssecretaris als waakhond in de persoon van Antoon Veerman aan de zijde van de PvdA-minister! Is de soep zo heet als deze opgediend wordt?

Het is een nieuwsgierig makende opmaat naar de Algemene Beschouwingen van enkele weken later: hoe zal fractievoorzitter Hans Wiegel in de Plenaire Zaal reageren op die teksten van zijn eigen onderwijswoordvoerder en op de ophef die er in alle media op volgde? Op 9 oktober 1973 sprak fractieleider Ed van Thijn (PvdA) volgens de Handelingen aldus: “Iedereen heeft de mond vol van zeggenschap, van inspraak, van democratisering, van participatie. Maar als in het onderwijs niet gewerkt wordt aan de voorbereiding van de mensen op hun taak als mondige, kritische burgers, die zich niet laten overdonderen door mooie praatjes van bovenbazen, dan kunnen wij die democratisering wel vergeten. De basis voor een echte democratische samenleving, een solidariteitsmaatschappij, waarin iets gerealiseerd wordt van gelijke zeggenschap in de eigen leefsituatie, moet bij het onderwijs worden gelegd. Welnu, wij dachten dat Minister van Kemenade dat bedoelde, toen hij in de memorie van toelichting schreef, dat de uitgangspunten voor het onderwijsbeleid uitdrukking dienen te zijn van veranderingen, die men in de samenleving noodzakelijk acht. Over die zin is de VVD gevallen. Mevrouw Smit-Kroes had in „Vrij Nederland” van 22 september jl. nog een vrij positief verhaal over de Minister van Onderwijs en zei later, dat het verhaal over de gelijke kansen, die er al zouden zijn voor iedereen, die maar flink doorzet, niet klopt. Als mensen, ook in mijn eigen partij, daarover beginnen, dan kan je niet anders doen dan dat tegenspreken. Nou, die mensen in die partij zijn blijkbaar begonnen, en met scherp, en mevrouw Smit-Kroes moet vreselijke dagen beleefd hebben, want drie dagen later stond in „De Telegraaf” van 25 september een verhaal, waaruit blijkt, dat mevrouw Smit zich dood is geschrokken. Wat is er aan de hand? Socialistisch spuitje bedreigt de schooljeugd. Het schoolgaande kind wordt gebruikt om tot maatschappelijke omwenteling te komen. Indoctrinatie en woorden van soortgelijke strekking. Op de VVD-partijraad, die daarop volgde, werd opgeroepen tot een soort nieuwe schoolstrijd. Inmiddels – wij weten allen, dat een spuitje high maakt – heeft er zeker een ontwenningskuur plaatsgevonden, want uit het betoog van de heer Wiegel van hedenmiddag heb ik begrepen, dat de fiere injectienaald van enkele weken geleden is ineengeschrompeld tot een miezerig vraagtekentje.”

Wiegel: “Het feit, dat wij vanmiddag zo genuanceerd hebben gesproken, vindt hierin zijn aanleiding, dat Minister Van Kemenade via bij voorbeeld de radio heel duidelijk heeft gezegd, dat datgene dat wij dachten dat erachter kon zitten, er wat hem betreft niet achter zit. Die conclusie hebben wij getrokken.”
Van Thijn: “Ik ben er blij mee dat de storm geluwd is, maar waarom was dat nu allemaal nodig? Waarom zou men nu spreken van een spuitje, als er in het urgentieprogram 1972 van de VVD sprake is van het onderwijs als breekijzer bij uitstek om de maatschappelijke verhoudingen te verbeteren? Wat bedoelt men nu eigenlijk? Er is nu een vraag gesteld aan de Minister-President. Ik zou de heer Wiegel willen vragen, wat men met dat breekijzer wil. Wil men de ongelijkheid die nu bestaat handhaven, wil men die vergroten?”

De heer Wiegel deed er verder het zwijgen toe, zijn punt was enkele weken eerder al gescoord.

Ten slotte. Het leukste moment in De kleine stappen van het kabinet-Den Uyl? Dat is de diplomatieke manier waarop Max van der Stoel het buitenlands beleid kritiseert dat sommige partijgenoten voorstaan. Op blz. 94 zegt hij zich in de PvdA thuis te voelen, “maar als het om het buitenlands beleid gaat dan is het naar mijn idee weleens een beetje beentjes van de vloer.” Er komt geen injectienaald of breekijzer aan te pas en het laat toch aan duidelijkheid niets te wensen over.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

De kleine stappen van het kabinet-Den Uyl (2): van toko’s en dingen tekkelen

Bram Peper was in Nederland de allereerste politieke adviseur die aan een minister gekoppeld werd, in dit geval zelfs voor 0.4 fte (zoals het later zou heten) aan een minister én een staatssecretaris: Peper stond op CRM (“buiten de hiërarchie maar binnen de macht”) minister Van Doorn en staatssecretaris Meijer terzijde. Hij maakte geen deel uit van het kabinet-Den Uyl en is dus een buitenbeentje in de WBS-bundel die in essentie uit interviews met oud-bewindslieden bestaat.
Zoals de abstracte uitdrukking “naar…toe” jaren-’70-taal is die in de WBS-bundel aangetroffen wordt, zo is er ook “een stuk” in vindbaar, net zo abstract bedoeld voor ‘een zekere hoeveelheid van niet nader aangeduide omvang’. Peper heeft het bijvoorbeeld over “een stuk wetgeving maken” en “een stuk beleidsfilosofie beginnen”.

Uitsnede omslag WBS-bundel met Peper, Schaefer en Stemerdink (vlnr) – het oor van Den Uyl luistert mee

Anders dan in alle andere gesprekken zien we het Engels zich in dat met Peper duidelijk aankondigen, zoals in “dingen tekkelen” (blz. 119) of “drop die handel maar” (blz. 127). Hier in 1978 kondigt Peper al het woord articuleren aan dat in Dat gezegd hebbend… een apart lemma is geworden, met dank aan diezelfde Bram Peper: een adviesorgaan op het terrein van het maatschappelijk werk “articuleert belangen die helemaal niet kenmerkend zijn voor de achterban” (127-128). Tegelijkertijd spreekt de politiek adviseur losser ABN in een citaat als: “Maar het ging ook binnen de partij zeker niet van een leien dak.” (124) Een bladzijde eerder had hij het over het “naar boven hoesten van details” binnen het departement.

Een politiek adviseur spreekt als waarnemer van de wereld rond een bewindsman allicht meer de taal van zijn tijd dan de gemiddelde ambtenaar. Peper althans heeft het over in alle standen ‘uit alle macht, volkomen’, een manier van zeggen die vanaf de vroege jaren ‘70 duidelijk in opmars is. In de Handelingen van 1973 streep ik aan: iets in alle standen volhouden, iets is in alle standen onregelbaar; in 1974: het probleem is in alle standen bekend, met deze beide wat wonderlijke procedures – geheimhouding en beslotenheid in alle standen – te breken; en in 1975: Mij is in alle standen en toonaarden verzekerd, Ik heb mij nu in alle standen bereid verklaard tot elk overleg e.d. De laatste jaren is het kennelijk uit de gratie ondanks de onderstrepende inhoud. Niet doorgezet maar waarschijnlijk eigentijds ABN is de bij herhaling door Peper gebezigde afkorting p.i. ‘particulier initiatief’. En Pepers citaat “de bureaucratie is een spuugmachine van papier” (129) had een sterkere echo verdiend dan het heeft gekregen: in de Handelingen komt het nergens voor.

Het in ons koloniale verleden geïmporteerde woord toko drong zich bij Peper in het gesprek het meest naar boven. Het is hetzelfde als ‘winkel’, zij het in een negatieve sfeer gebezigd voor ‘beleidsterrein, verantwoordelijkheidsgebied o.i.d.’. Vooral het afschermen van het eigen territorium spreekt uit voorbeelden als “Ga je iets anders doen dan die toko’s uitbreiden, dan kun je er wel vergif op innemen, dat men dwars gaat liggen” (116) of “het hardnekkige toko-denken waardoor alles ingewikkelder lijkt dan het in werkelijkheid is” (130).

Bram Peper onderscheidt zich in De kleine stappen van het kabinet-Den Uyl daarom van Marcel van Dam of Jan Schaefer van wie dus minder opvallende taal te noteren valt. Nu ja, Schaefer heeft het over het “in Den Haag zitten vergaderen met de “hotemetoten” van allerlei clubs” (44). Ook dat is dan nog een vrij nieuw woord. Het kwam voor het eerst in de Handelingen van de Tweede Kamer in 1974 via een bijdrage van Maarten Schakel. (Wordt vervolgd)

Posted in Uncategorized | Leave a comment

De kleine stappen van het kabinet-Den Uyl (1): van kladderadatsch en de colere

Terugkijken was wat de Wiardi Beckmanstichting van de Partij van de Arbeid in 1978 deed in de bundel De kleine stappen van het kabinet-Den Uyl, een jaar na de val ervan. Rouwverwerking allicht, want Van Agt-Wiegel was inmiddels aan de macht. De WBS (met Wouter Gortzak als directeur) koos voor interviews met PvdA-bewindslieden en liet fractievoorzitter Ed van Thijn afrondend reflecteren op dat terugblikken. Den Uyl, Duisenberg, Van Dam, Schaefer, Van Kemenade, Ger Klein, Wim Meijer, Van der Stoel, Pronk, Stemerdink werden door Gortzak en andere journalisten (althans vooral journalisten) ondervraagd over wat ze gerealiseerd hadden, vooral van het verkiezingsprogramma Keerpunt ‘72. Niet alle bewindslieden waren beschikbaar, zo ontbreken Irene Vorrink (ziek), de Amsterdamse burgemeester Polak (te druk) en Vredeling (ver weg, Eurocommissaris in Brussel). Dat is jammer. Tegenover hun gemis staat een interview met Bram Peper, tijdens Den Uyl voor twee dagen in de week in een nieuwe rol van politiek adviseur op het ministerie van CRM.

Bundel Wiardi Beckmanstichting/Kluwer 1978

Peper valt het meest op in zijn taal, maar ook bij andere geïnterviewden valt hier en daar wel wat op. Zo spreekt Wim Duisenberg van “macht, een politieke issue bij uitstek”. Issue is dan dus nog niet een het-woord zoals het niet veel later zal zijn geworden. Het Engelse the issue heeft in het Nederlands vast het onzijdige lidwoord gekregen onder invloed van de betekenis ‘het onderwerp’ of ‘het thema’. Duisenberg heeft het ook over “fantastische ombuigingen” en dat moet er bijna op wijzen dat het bijvoeglijk naamwoord oorspronkelijk niet alleen een positieve context vereiste.
Wim Duisenberg deelt met enkele anderen in deze bundel een vorm van spreken die we aan de jaren ‘70 van de vorige eeuw kunnen koppelen. Duisenberg op blz. 29: “Alleen naar de partij toe waren mijn contacten het slechtst ontwikkeld.” NHet betreft een voorzetsel dat als het ware uit twee stukjes bestaat: naar… toe.
Jan Pronk zegt iets vergelijkbaars op blz. 100 over “politieke adviseurs naar het departement toe”, zoals Bram Stemerdink het 8 bladzijden verderop heeft over een “F-16-effect naar de achterban toe” en later geciteerd wordt met: “Vanuit dat dubbele compromis, eerst naar de PvdA toe en dan nog eens naar het CDA”. Bram Peper stelt vast dat hij veel missiewerk “naar Wim Meijer toe” heeft moeten verrichten (118) en hij was ook “naar de fractie toe” bezig (121). Van Dale spreekt in dit verband van een “passe-partoutvoorzetsel met onduidelijke betekenis” – laten we zeggen ‘in de richting van’ maar dan eerder abstract gebruikt.

Ger Klein (oud-staatssecretaris van het Hoger Onderwijs onder minister Van Kemenade) beschrijft hoe hij met het WO toelichtend sprak over zijn nota Hoger Onderwijs in de Toekomst en in Eindhoven te horen kreeg dat hij daarvoor wél de medewerking van de onderwijsgevenden nodig zou hebben. Dat werd gekoppeld aan de vraag: “Welke faciliteiten geeft u ze om die medewerking te krijgen?” Het gevolg beschrijft Klein met de woorden: “Ik schiet toch in de colere.” (blz. 70) In de kleren schieten lijkt hier gekozen voor gebruik met het vormverwante maar wel heel andere woord kolere dat het verwensende cholera betreft (< Fra. colère ‘woede’).

Max van der Stoel gold binnen de PvdA als vertegenwoordiger van de rechterzijde, maar hij was voor het rechterdeel van de Tweede Kamer de linkse vertegenwoordiger in het buitenland en de man van de getuigenispolitiek. Hoewel dat etiket niet voor het eerst op hem geplakt werd, is hij er wel bij uitstek mee gekarakteriseerd in deze jaren. Z’n rehabilitatie volgde later na zijn ministerschap. Zijn collega en partijgenoot Pronk – op hetzelfde departement zonder portefeuille Ontwikkelingssamenwerking beherend – was juist de linksbuiten en dat verschil in opstelling tussen beide ministers ontging de buitenwacht niet altijd. Sterker: “Dat heeft (…) voor de nodige kladderadatsch gezorgd”, aldus Van der Stoel (blz. 92). Hier is dat onmiskenbaar iets als ‘tumult’ terwijl Van Dale alleen ‘economische of morele ineenstorting’ als betekenis noemt.

Zoals gezegd, Bram Peper valt het meest op in zijn taal en er is voldoende aanleiding voor om hem in een aparte aflevering apart te belichten. (Wordt vervolgd)

Aanvulling 15 april 2019: In een eerdere versie stond in de titel kladderadatasch.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Taal en politieke visie: landbouwgif tegenover gewasbeschermingsmiddelen

Zembla wees via voorpublicaties op een uitzending die later deze maand te zien zal zijn en midden in de periode dat Keukenhof geopend is: het bevat “de uitkomsten van een onderzoek naar de gevolgen van het gebruik met landbouwgif op de Nederlandse bollenvelden. Daaruit bleek vorige maand al dat het spuiten van gif veel meer omwonenden veel langer blootstelt aan veel hogere concentraties van die pesticiden, dan tot nu toe bekend.” Het onderzoek is inmiddels aan de Tweede Kamer gestuurd en daarom werd minister Schouten om commentaar gevraagd.
Kijk naar een stukje van de website van de NOS waarin de minister eerder deze week (woensdag 10 april 2019) aangehaald werd:

Website NOS woensdag 10 april 2019 (fragment)

Let, lezer, op het verschil tussen de kop en de tekst. Mogelijk heeft Voorlichting van Landbouw de redactionele tekst of het citaat van de minister goedgekeurd, over wat er boven staat gaat Landbouw zeker niet. Omdat gewasbeschermingsmiddelen simpelweg te lang is voor een normale kop, benutte de redactie het veel kortere landbouwgif. Ik vermoed (minister Schouten zou zeggen “ik neem zomaar aan”) dat landbouwgif en gewasbeschermingsmiddelen synoniemen zijn. Maar kijk in de Handelingen en concludeer dat de kortere term vrijwel door niemand in de mond wordt genomen. Beperken we ons tot de scores in het lopende kalenderjaar: Futselaar (SP 1x), Graus (PVV, 1x), Bromet (GroenLinks, 2x), maar het leeuwendeel is voor Esther Ouwehand van de Partij voor de Dieren die in 2019 tot nu toe 11 maal landbouwgif uitsprak. (Eenmaal werd een debat van de agenda gevoerd waarin de term ook in de titel genoemd is.)

Er loopt een tweedeling door de Tweede Kamer: de coalitiepartijen spreken niet van landbouwgif en ook de Partij van de Arbeid laat dat na – misschien omdat deze partij in Rutte-II de eerste verantwoordelijkheid had voor dit beleidsterrein en nog even wat meer afstand moet nemen. Woordvoerder William Moorlag zit in een lastige positie, hij krijgt eenvoudig te horen dat zijn voorgangers verantwoordelijkheid namen voor deze sector zodra hij zich te ver buiten zijn hok zou willen wagen. Moorlag compenseert dit probleem door talige bijzonderheden als het AMEN-principe te laten vallen*).

Dat het niet-toevallig is dat een gewoon Nederlands woord niet voorkomt in de bijdragen van coalitie-zijde, bleek op 14 maart. Aan het eind van de volgende passage uit de niet-gecorrigeerde Handelingen (talig interessant, gewiss en surely) blijkt dat liefhebbers-van-het-woord op 24 april met pen en papier klaar moeten zitten – als de agenda niet gewijzigd wordt.

“Minister Schouten: Ik heb in mijn inleiding proberen aan te geven dat het een heel stel maatregelen is die je allemaal tegelijk moet bekijken. Dat wordt ook in het deltaplan onderkend. Daar zit ook niet één knop in die moet worden ingedrukt. Ik constateer dat mevrouw Ouwehand er nu twee uitlicht. Dat mag, maar ik zou toch willen zeggen: het is breder dan dat. Laten we het punt van de gewasbescherming nemen, want mevrouw Ouwehand vindt dat alle gewasbescherming eruit moet. Ik wil haar erop wijzen dat er ook biologische gewasbescherming is en dat er ook laagrisicomiddelen zijn. Dus ik denk niet dat mevrouw Ouwehand generiek bedoelt te zeggen: geen gewasbeschermingsmiddelen. Maar dat vul ik maar even voor haar in.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik zeg altijd “landbouwgif” en dan weet de minister heel goed wat ik bedoel.

Minister Schouten: We krijgen nog een hele discussie over gewasbeschermingsmiddelen in het algemeen overleg dat binnenkort gaat komen.

De voorzitter: Ja, dat klopt. Op 24 april.”

P.S. In een eerdere bijdrage wees ik op het eufemistische karakter van het woord gewasbeschermingsmiddelen.

*) Dat deed hij eerder deze week: Afspraken Maken En Nakomen, lichtte Moorlag toe. De minister (ChristenUnie) reageerde niet op de term met z’n Bijbels-Hebreeuwse achtergrond. Voor ongelovigen volgt een citaat uit het Oudtestamentische woordenboek van Koehler-Baumgartner bij het lemma “ameen”:

ameen (Koehler-Baumgartner, Lexicon in Veteris Testamenti Libros)
Posted in Uncategorized | 1 Comment

Inwijding Haags leven van Marcellus Emants (iii de taal vervolg)

Theo onderhoudt in de ogen van moeder en haar kring een verwerpelijke relatie met Tonia bij wie hij vrijwel dagelijks komt: twee vrijgezellen gescheiden door standsverschil. Maar het huwelijk waarvoor Anna kiest vindt mama twijfelachtig en dat van Willemien is zelfs stuk. Moeder: “Ze wist…. ze wist! ‘n Mens…. jij…. Komt bij jou alles uit, zoals je ‘t je hebt voorgesteld? En dan…. dat…. dat is ‘t nou juist…. Dat verwijt z’ an mij. Ze zeit, dat zij…. toen ze trouwde…. dat ze maar ‘n onnozel jong ding was…. en verliefd…. en dat ik d’r beter had motte raje…. Ik had ‘t motten inzien…. zulk ‘n man…. de toekomst…. ‘t onmogelike van d’r leve. Nou vraag ik je?…. Alsof ze toen na me geluisterd zou hebbe!”

Moeder zegt dus “dat ik d’r beter had motte raje” en “Ik had ‘t motten inzien”: zo nauwkeurig luisterde Emants, dat hij –en vervangt door –e als dit zo gezegd wordt, maar dat laat hij systematisch na wanneer het direct aansluitende woord met een geschreven klinker begint. Dat geldt zowel voor wat er hardop gezegd wordt in de roman als voor bijvoorbeeld een inwendige monoloog.

De spelling is dus ook voor ogen van ruim een eeuw later bijzonder en ook wel logisch: de dwaasste kunstgrepen, op de schaamteloosste wijze en “’n man mot de wijsste zijn” zou mevrouw Van Onderwaarden zeggen. Prima die dubbele s! We lezen van ambiesie, promosie en relasies. Mooi, weten we de uitspraak ook! En “Theodoor hield veel van sjienaas-appelen”, al dan niet bij Tonia afgeleverd door “het sjienaas-appelen-Joodje”. De zo aangeduide ‘handelaar’ voert Emants als volgt sprekend-informerend op als hij naar Tonia informeert: “Froeger praatte ze nog ‘ns met me en mos ze alles zien. Had ze toe ‘n andere fent? Wat is dat nou foor ‘n fent?” Dat is een volks-geobserveerd contrast met de dichterlijk-bedachte taal van Tachtigers zoals op allerlei plaatsen ook in Inwijding Haags leven voorkomt, bijvoorbeeld: “In schel-vrolike lichttinteling stond achter hoge ramen de strakke morgenhemel en een onverschillig jolige glans gleed over de grijze vensterbanken, vloeide breed uit over het gele kokos-vloertapijt, glipte langs het scherp-groene tafelkleed, kaatste op naar de rul-witte zoldering, zeeg verdoft weer neer over de grijzende potkachel, de matbruine kasten, de donkere stapels dozen, alle schaduwen verhelderend. En tegen het helle ruitengeblink wiemelzwartten rumoerende manne-gestalten, sommige reeds in wijd-omgolvende toga’s als vermomd, andere zich juist met de fladderende lap omhullend. Nog anderen waren gewoon-gekleed bezig kasten te ontsluiten, terwijl roerloos in een vensterbankhoek de gebogen gedaante van een grauwhoofdige deurwaarder naar buiten zat te starogen, kenbaar aan het oranje lint, even uitgloeiend op het witte overhemd tussen de omslagen van zijn dof zwarte rok.” Hier schildert een Haagse scholer.

In zulke passages laat Emants zich taalscheppend zien. Bij de keuze van namen lijkt hij even bewust te werk gegaan te zijn. Als Willemien met haar huwelijk naar Goor gaat – waarom moet er in deze context überhaupt een plaatsnaam gekozen worden – verrast de lezer niet hoe het daar moet zijn: “Niets deugde er. Het plaveisel was zo, dat je schrok om uit te gaan; in de straat kwam je meer koeien en katten tegen dan mensen en meer lummels en pummels dan heren en dames. Het leven was er van een saaiheid, waar haar mama zich geen voorstelling van kon maken en ging ze eens uit, dan dankte ze de hemel zodra weer t’huis was.” Jansen, de eerdere vrijer van Tonia, “was ook al saai en onbeduidend” en hij krijgt niet zonder betekenis die allergangbaarste familienaam die Nederland in de aanbieding heeft. Tonia’s achternaam blijkt eenmaal in het hele boek terloops Doorn te zijn (met Antonia, Amelia, Katerina als doopnamen) – kan het zinvoller? Tonia woont aan de Nieuwe Havenstraat: een bestaand adres, net over de gemeentegrens in Leidschendam, en met reden gekozen. *)

Oom George Huizingen zorgt er met zijn relaties voor dat Theodoor van Onderwaarden een stap omhoog kan zetten. In een Epiloog zien we dat hij commies-griffier van de Tweede Kamer is geworden: Huizingen maakt dat Theo onderdak krijgt, aan het Binnenhof. Emants gebruikt het slotstukje om de lezer bij diens nabeschouwingen te helpen. Wat was Van Onderwaarden voor iemand? In De Witte spreken twee jonge advocaten over hem. De een zegt: “Van Onderwaarden is net zo min ‘n scharrelaar als jij of ik”, de ander oordeelt: “Hij is ‘n beetje karakterloos”.

Reactie 15 april 2019: Op de plaats van het sterretje stond een afbeelding van de (liever: een) Nieuwe Havenstraat in Leidschendam. Dat is hier verwijderd met dank aan enkele reageerders op neerlandistiek.nl, de plek waar deze drie stukken door de redactie van neerlandistiek.nl zijn overgenomen (ook met een link naar mijn blog). De kern van de terechte kritiek: de Nieuwe Havenstraat betrof een inmiddels niet meer bestaand adres in Den Haag. Voor meer details: zie de reacties op neerlandistiek.nl waar allicht nog andere op kunnen volgen. (SR)

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Inwijding Haags leven van Marcellus Emants (ii de taal)

De vader van Tonia spreekt een volkse variant (getuige “as twee droppele water”) die Emants ontegenzeggelijk nauwkeurig in de notatie probeerde te vangen. Als de oude man aan Theo de boodschap brengt dat z’n dochter is overleden, begrijpt Theo dat ze zelfmoord gepleegd heeft. De oude man legt vervolgens uit dat het in de buurt kwam, maar zelfmoord? “Nou…. da’ za’k nie zegge; maar u weet toch wel, asda’ de dokter gezeid had: vooral nie veul lope. Niewaar?…. Nou…. z’ ontzag d’r helemaal niet. Tot an ‘t strand toe heit ze gelope…. in huis was ‘t maar trap op, trap af en as ‘k d’r wa’ van zee, dan…. dan gaf ze me ‘n grote mond. ‘k Verrek nog liever van daag dan morrege. Da’ zee ze…. da’ zee ze…. alle dag.”

Dit is dus andere taal dan wat er eerder klonk uit de mond van oom Huizingen en dat is tegen het einde niet veranderd. Als de relatie tussen Theodoor en Tonia verbroken is en daarna zelfs definitief geworden door haar dood, vergeeft de familie hem zijn langdurige misstappen. Dán wil oom aarzelend wel een hand uitsteken om Theo’s loopbaan te helpen bevorderen: “Je aanleg, zie je… daarmee moeten we toch rekening houwen. Wat? – Meestal openbaart zich die aanleg wel in iemands wensen…. iemands liefhebberij. Wat je graag doet, doe je in den regel ook goed. Wat? – Heb jij liefhebberij in het ambtenaarswerk?”

Oom (alleen voor Theo’s moeder heet hij George, voor anderen niet, vrouwen hebben in deze tijd bij uitstek voornamen, mannen veel minder) uit zich weliswaar hoorbaar in spreektaal (getuige houwen ‘houden’) maar dat is van een andere orde dan bijvoorbeeld Theodoor. Hoe klinkt hij? Theo heeft na zijn afstuderen inmiddels z’n leerschool gehad en oom kan nu begrijpen dat hij eindelijk bereid is naar hem te luisteren, zo kan hij horen: “‘Ja, oom, ja, ja, dat ben ik…. Als u de goedheid wil hebbe me ‘n raad te geve, dan zal ik die raad opvolge…. Zeker…. zeker.’” Oom spreekt woorden uit met –en, Theo meestal op –e.
Tussen de sociaal hoogste taalvariant van professor Huizingen en de laagste die in het boek voorkomt, die van Tonia’s vader, bevinden zich diverse lagen zoals die dus van Theo (en zijn collega’s) en verschillende meer of minder volkse vormen uit de mond van vrouwen. Het sterkst is dat het geval bij Tonia waardoor Emants haar geringe sociale status maximaal onderstreept. Als zij op haar eigen ziekbed ook nog de dood van haar kat Dirkie (een kat met een naam, 1900!) te verwerken krijgt, vertelt ze Theo: “Och, ik hieuw zo veel van me beessie en hij hieuw zoveel van mijn. Acht jare lang heb ik ‘m gehad. Wat kon ie me koppies geve, as ik lang uit was geweest en weer t’huis kwam…. Al z’n kleintjes heb ie me gebrocht…. Hij heb d’r zoveel gehad…. zóveel…. o, wel meer dan vijftig. En nou bennen al de kindertjes weg en Dirkie zelf is dood…. As ik wat liefs heb, dan mag ‘k ‘t nooit houwe…. nooit…. nooit. Altoos wordt ‘t m’ afgenome.” Ze kanne en ze zalle zijn verder opvallende persoonsvormen die Tonia gebruikt. Als ze iets van Theo gedaan wil krijgen, kiest ze zelfs helemaal aparte taal in de vorm van “grappige, gemaaktnaïeve woordjes: ‘O, ja, o, ja! Schien weet mannetje ‘t zelf niet; maar hij heb me zo bang gemaakt, zo vreselik bang! O, chom! Ik leefde al haast nie meer.’”

Theo’s moeder en zusters krijgen taal in de mond gelegd die als het ware het midden houdt tussen hoe Theo en Tonia spreken:
Willemien: “Trek ‘t u maar niet an, moesje, wat of die giftige spin zeit. Ik ben heel tevreje met m’n leventje, hoor, heel tevreje.”
Anna: “U heeft geen recht mij ‘n vervelend leve te late leie. Ik heb nie gevraagd om op de wereld te komme; maar nou ik d’r eenmaal ben…. nou ik d’r gekomme ben voor uw plezier…. ja, zeker voor uw plezier…. nou wil ik ook hebbe wat ik d’r van hebbe kan.”
Theo vraagt bij een van de eerste contacten aan Tonia: “Ik zou graag wete waarvoor je me hier hebt late kome.” Zij antwoordt echo-achtig: “Waarvoor ik je hier heb late komme?” en dat is dus geen toevalsvariatie. Komme en kome(n) lijkt een belangrijke markeerder van verschil in deze taalvarianten, net als most versus moest en as tegenover als. Heeft, heef, heit wisselen elkaar niet willekeurig af.

Moeder is hoorbaar in het volgende citaat als ze aan Theo vraagt: “Wat zeg jij nou toch wel van Anna? Ik kan van dat kind geen hoogte krijge. Dat ze vreemd was…. anders dan andere; maar zo…. zo…. Vroeger was z’ ommers met geen stok de deur uit te krijge. Zeg jij nou ‘ns…. In gezelschap was ze de harkerigheid zelf…. geen woord kwam d’r uit…. ik schaamde me soms. Ja, ‘t is waar. ‘n Elegant toilet…. ze trok d’r de neus voor op. Elke japon most tot onder de kin…. en nou…. ‘t Staat d’r goed…. ze ziet er beelderig uit; maar zo gedekolleteerd…. ik…. ik weet nie wat ze wel lijkt. Is dat nou ‘n dracht voor ‘n fatsoenlik meisje? En dan…. die nuffige manier van spreke…. ik weet wel: in mijn tijd werd er niet op gelet…. ‘k heb beter Frans geleerd dan Hollands; maar zo…. zo…. è…. ò…. ze doet d’r mond haast niet ope…. en die geverfde wenkbrauwe…. die roje lippe….! Hoe verzint ze ‘t? En d’r is geen prate tege.”
Nederlands uit de mond van Haagse vrouwen, niet uit de top maar wel uit de wat hogere kringen rond 1900.
(Wordt vervolgd)

Wordt vervolgd: de straat waar Tonia woonde
Posted in Uncategorized | Leave a comment

Inwijding Haags leven van Marcellus Emants (i de inhoud)

Inwijding Haags leven begint met het moment dat iemand als jurist afstudeert en zijn voogd-oom hem met een aantal levenslessen de wijde wereld in stuurt. De oom van de net beëdigde advocaat is hoogleraar in het Staats- en administratiefrecht. De roman eindigt (in mijn editie 430 bladzijden later) met een epiloog waarin duidelijk wordt wat de volgende maatschappelijke stap van Theodoor van Onderwaarden is geworden. Daarin speelde die oom, Baron Huizingen, een doorslaggevende rol maar in het grootste deel van het boek is hij verder bijna helemaal afwezig. Wat Theodoor op die 430 pagina’s meemaakt is zijn inwijding in het leven van Den Haag rond 1900.

Het boek had daarom ook Leerschool kunnen heten, in de tegenwoordige tijd wellicht Postdoctoraal, of een andere term die iets vergelijkbaar initiërends uitdrukt. Nu moest Marcellus Emants in Een woord vooraf melden dat hij besefte dat Carel Vosmaer niet eens zo lang voordien óok een boek met de titel Inwijding had geschreven: plagiaat opgeheven. Vosmaer was ouder dan Emants maar geboren in Den Haag (Emants in Voorburg, laten we precies blijven) en beiden waren jurist én actief in de letteren. Nu ja, Emants (1848-1923) was bijna klaar met zijn rechtenstudie toen zijn vader overleed en hij stopte daar vervolgens direct mee omdat het geld van de erfenis hem in staat stelde, te gaan schrijven. Vosmaer (1826-1888) voltooide z’n studie wel, werd advocaat en was pas na enkele stappen in een succesvolle juridische loopbaan op een full-time schrijverschap overgegaan. Marcellus Emants brak met een familietraditie door geen rechterlijke functies te bekleden.

Doopboek Oude Kerk Delft 1778: de opa naar wie Emants later genoemd zou worden

Hij werd na zijn afgebroken studie succesvol auteur en is waarschijnlijk nog het meest bekend door Een nagelaten bekentenis. Hij schreef niet alleen romans maar vooral veel toneelstukken. Dat kan niemand verbazen die oom Huizingen in de eerste Inwijdings-bladzijden heeft zien spreken: hij eindigt veel van zijn bijdragen met de vragende uitroep Wat?, die helemaal geen vraag maar een onderstreping van zijn eigen woorden is. Op de eerste bladzijde zegt hij bij het afstudeer-etentje bijvoorbeeld op het dankwoord van de jonge advocaat of hij kan blijven rekenen op ooms hulp: “Geen dank, m’n jongen, geen dank. Natuurlik zal ik je helpen zoveel ik kan. Natuurlik…. natuurlik. Als er gelegenheid is. Eerst eens zien…. eens kijken…. Wat?” Zoals het hoort bij een bepaald soort toneel, dat Wat? keert diverse malen terug, onder andere in het basale levensadvies: “Blijf in je goeie plooi…. blijf in je goeie plooi. Wat?”

Inwijding is net als Een nagelaten bekentenis een voorbeeld van het naturalisme, het kan de lezer aan het eind niet verbazen dat Tonia, de tweede hoofdpersoon naast Theodoor, in een ellendige sfeer overlijdt. Tonia is wat technisch heet de maintenee, de ongehuwde vrouw uit een lagere klasse die door een man uit een beter gesitueerd milieu wordt onderhouden. Van Dale omschrijft het op twee manieren: “meisje, vrouw met wie een man, buiten zijn huwelijk om, een min of meer duurzame seksuele relatie onderhoudt en voor wie hij de kosten van levensonderhoud, huur e.d. betaalt” en in het verlengde hiervan minachtend “prostituee”. Theo is overigens niet gehuwd, Tonia is voor hem alleen een geheime relatie omdat hij door standsverschil niet met haar kan trouwen. Hij onderhoudt niet enkel haar maar indirect ook enkele anderen uit haar omgeving.
Vooral door Tonia’s mateloze jaloezie en achterdocht wordt de relatie enkele malen verbroken, na een “standje” wat hier ‘een forse ruzie’ betekent. Zonder dat Theo dat weet, is zij in verwachting, pleegt abortus, wordt ziek en overlijdt daaraan uiteindelijk: dat bericht wordt aan Theo overgebracht door Tonia’s vader met wie hij eerder eenmaal communiceerde over haar jaloezie en die toen vertelde: “Och, meneer, ‘t is ‘n engel van goedheid; maar jaloers…. jaloers…. d’r moeder as twee droppele water.”

Oom Huizingen, de vervangende vader van Theodoor, sprak zichtbaar totaal anders dan Tonia’s vader. Dat maakt Emants ook in zijn schrijfwijze duidelijk waarin de spreektaal een zeer belangrijke plaats krijgt, ook een kenmerk van naturalisme. Hij verdedigde zich daar als het ware voor in dat eerder genoemde Een woord vooraf: “Wat de spelling aangaat, heb ik mij gehouden aan de beginselen voorgestaan door de Vereniging tot vereenvoudiging van de schrijftaal en juist daarom in die vereenvoudiging meer matiging betracht dan mij persoonlik wel aanstond.
Moge dit water-in-de-wijn-doen het gewenste gevolg hebben en wederom een deel van het publiek overhalen zich bij ons aan te sluiten, om de Nederlandse schrijftaal te behoeden voor de zotternijen van een Engelse spelling, die onvermijdelik ook aan het Nederlands ten deel zullen vallen, als wij er niet tijdig voor zorgen, dat de dode schrijfwijs vervormd wordt naar de levende taal.”
Reclame voor een speciale spelling, het geeft de mogelijkheid om preciezer naar Emants’ taal te kijke. (Wordt vervolgd)

Posted in Uncategorized | Leave a comment