Een verhogingstendens bij hedendaagse klinkers in het Nederlands?

Vice-premier Hugo de Jonge kwam vanmiddag zó enthousiast de zaal binnen op Nieuwspoort waar hij de wekelijkse persconferentie van Rutte zou overnemen (14 februari 2020), dat hij de journalisten al begroette voordat de vertegenwoordiger van Rijksvoorlichtingsdienst hem het woord had gegeven.
Hij las de uitgetikte inleiding keurig voor en moest toen lang (gevoeld: drie kwartier) antwoorden op één kwestie. Coronavirus? Nee.
Naderende recessie? Nee.
Het ging over twee halve besluiten die het kabinet had genomen en waar journalisten de weg bij kwijt raakten. Het was door de RVD als volgt onder woorden gebracht in het persbericht Defensie: Marinierskazerne mogelijk niet naar Vlissingen:
“De mariniers verhuizen, als het aan Defensie ligt, niet naar Vlissingen. In plaats daarvan wordt gedacht aan een nieuwe kazerne op Kamp Nieuw Milligen bij Apeldoorn. Dat staat in het voorgenomen besluit dat het kabinet vandaag heeft genomen. Tegelijkertijd stelt het kabinet in het voorgenomen besluit dat Zeeland in dat geval op een rechtvaardige wijze moet worden gecompenseerd.”

Een voorgenomen besluit en dan nog wel twee die met elkaar in verband stonden, want – zo zei De Jonge – de bedoeling is dat beide zaken later op één dag definitief beklonken worden.

De journalisten bleven vragen, de vice-premier bleef in hetzelfde cirkeltje ronddraaien met enerzijds anderzijds. De Marinierskazerne moet anders dan vroeger besloten niet naar Vlissingen, maar we gaan met de Zeeuwen compensatie zoeken want die hadden zich veel van de komst van de mariniers voorgesteld.

Laat de persconferentie even voor wat die was – en betreur dat de integrale opname nog niet op Youtube is verschenen,- het is nu vrijdagavond. We kunnen alleen het inleidende statement zien. Daar horen we dat Rutte en andere bewindslieden naar München gaan want daar nemen ze deel aan de Sicherheitskonferenz. Luister hoe De Jonge dat zegt: “nemen deel”. Na een seconde of 15 op die Youtube-film.

Luister eenmaal, tweemaal of nog vaker, De Jonge zegt “nemen dil”.
Dat is in zoverre niet vreemd omdat heel veel mensen “hil vil” zeggen.

Bij die persconferentie sprak de minister zeer frequent van “de Zeeuwen” en daar deed hij het ook, niet “Zeeuwen” maar “Ziwen”. Ik weet niet waarom, maar nu de gelegenheid daar is, vooruit.

• Joan Hickson (1906-1998) was een Engelse actrice. Van haar noteerde ik de uitspraak van woorden als here en serious. De eerste lettergreep zouden wij met een “ie” zeggen, zij zei werkelijk een “è”. Wie de vóor-klinkers op een rijtje zet, noteert iets als dit:

ie (niet)
i (wit)
ee (weet)
e (wet)

Daarbij wordt de “è” van wet het meest met een open kaak gezegd, de “ie” met de meest gesloten mond. Anders: wet bevat een lagere klinker dan niet e.d.

• Andere grens over, die van het land waar de Veiligheidsconferentie gehouden wordt, Duitsland.
Sommige nieuwslezers daar (vooral ouder, ik luister geregeld naar de Beierse radio) spreken een woord als Universität ‘universiteit’ uit met die lage “è” van wet. Wij zouden net als de meeste Duitsers spreken van “Universiteet”, die nieuwslezers zeggen “Universitèt” met een licht gerekte è .

Het lijkt erop dat daar aan de voorzijde van het klinkeroverzicht iets gebeurt wat we verhoging kunnen noemen, afgaande op dat Engelse serious en here van Joan Hickson, dat Duitse Universität én dat wat we toenemend in het Nederlands horen bij woorden als veel en Zeeuwen.

Ik vermóed dat die tendens bestaat (in feite heb ik het voor het Gronings veronderstellend beschreven op allerlei plaatsen in de Biografie van het Gronings, 2016). Ik hoop dat een stukje als dit collega’s aanzet om de kwestie ook ‘es tegen het licht te houden…. voorzover ze dat al niet hebben gedaan natuurlijk.

Posted in Uncategorized | 1 Comment

Een vroege observeerder van politieke taal: Victor Klemperer (2)

Een eerste blik in de Nederlandse vertaling van LTI

Nadat Britse vliegtuigen op de late avond van 13 februari 1945 een bommenregen over Dresden lieten vallen, volgde een tweede golf door de Amerikanen verderop in diezelfde nacht. In de chaos deed Victor Klemperer iets wat hij eerder niet durfde: hij rukte de Davidsster van zijn jas. Hij vluchtte met zijn vrouw uit het Judenhaus en beleefde de bevrijding in Beieren, nu 75 jaar geleden.

Ik had de herdruk van de Nederlandse vertaling van Klemperers LTI in de eerste aflevering van deze onregelmatige reeks prijzig willen noemen maar liet dat gelukkig na. Is 30 euro veel voor dat boek zonder illustraties of kleur en met een omvang van 368 bladzijden? De webwinkel vroeg 40 euro, maar nu zie ik dat de firma tien euro heeft teruggestort: LTI kost op 1 eurocent na achteraf niet 40 maar 30 euro. Dat blijft veel voor een landelijk boek (zegt de leek in mij) dat vrijwel compleet herdrukt is op basis van het zetsel van twintig jaren terug.

Belangrijker is dát het boek verkrijgbaar is. Ik herinner me, hoeveel moeite het me kostte (en dan nog alleen maar dankzij de inzet van een ex-bibliotheekmedewerker) om de eerste editie in te zien. Bijna geen bibliotheek in Nederland bleek het te bezitten. Iemand die het op boekwinkeltjes.nl voor 1000 euro te koop aanbood, vroeg dat exorbitante bedrag om aandacht te vragen voor het schandelijke gegeven dat het bijvoorbeeld in wetenschappelijke boekerijen ontbrak.

De eerste editie begint op de franse pagina met de mededeling dat Klemperers Tot het bittere einde. Dagboek 1933-1945 eerder bij Atlas verscheen. Dat klopte in 2000 en dus ook in 2020. Maar ná 2000 kwam er meer van Klemperer uit bij Atlas en dat ontbreekt nu de heruitgave ongewijzigd is. Tussen de wal en het schip is de titel van de vertaling van de dagboeken uit de periode na WO II tot aan Klemperers dood, verschenen in 2002 (in de vertaling en bewerking door Jan Gielkens). W. Hansen zorgde voor de vertaling van Klemperers Revolutiedagboek dat in 2016 eveneens bij Atlas uitkwam onder de titel Zo zag de waarheid er op donderdag uit. Dagboek van een revolutie. 1919.
De lezer die door de LTI-vertaling geïnteresseerd is geraakt in Victor Klemperer ziet die Atlas-titels niet in de editie van 2020 en dat is jammer of zelfs onterecht.

Laten we een eerste blik werpen in LTI en de inhoudsopgave overslaan (daarin ontbreekt Klemperers opdrachtstekst aan zijn vrouw Eva), voorbijzien aan bijvoorbeeld het Voorwoord van de vertaler (iets om op terug te komen maar waarom op déze positie in het boek geplaatst, zo prominent?) en even kijken in Klemperers eigenlijke openingstekst dat het karakter heeft van een voorwoord. Klemperer vertelt hierin dat “een vriendin van ons” die assistent-arts was in een ziekenhuis, in de vooroorlogse jaren de politieke gezindheid van binnengebrachte gewonden aan de aard van hun letsel al kon zien. Nazi’s die op politieke manifestaties waren toegetakeld hadden hoofdwonden “veroorzaakt door een bierpul of een stoelpoot”, communisten daarentegen waren veel ernstiger slachtoffers “met een steek van een stilet in hun longen”.

Dat is een uitermate scherpe en even wrange constatering van de zijde van “een vriendin van ons”. Klemperer spreekt van een “fachliche Unterscheidung unserer Freundin”. Unserer Freundin ‘van onze vriendin’ – niet eentje maar die éne, de allerbelangrijkste naar wie Hansen zelf verwijst in zijn vertalersvoorwoord zonder haar bij naam te noemen. Dat is Annemarie Köhler die in de tijd dat ze een praktijk had in Pirna (bij Dresden) op allerlei manieren voor de Klemperers klaar stond. Voor de publicaties van LTI en dagboeken is ze van levensbelang geweest is, doordat ze bereid was de manuscripten van Klemperer tijdens de oorlog te bewaren. Ontdekking daarvan had zij naar alle waarschijnlijkheid met de dood moeten bekopen. Geen wonder dat er in Pirna – laat, pas in 2013 – een bord is aangebracht op haar praktijk waarop van de heldendaad van juist deze vriendin gerept wordt.

Foto SR

Ik was in oktober 2019 in Pirna en vroeg bij het plaatselijke VVV-kantoor waar die gedenkplaat precies vindbaar was, waar was dat huis van mevrouw dr. Köhler? De twee jongere aanwezige baliemedewerksters hadden van haar nog nooit gehoord. En Victor Klemperer, Professor Klemperer? Kenden ze wél, maar wie was dat ook weer, bitte? Google loste mijn probleem op.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Een vroege observeerder van politieke taal: Victor Klemperer (1)

Ter inleiding LTI op 13 februari 2020, na 75 jaar

In de Süddeutsche Zeitung van vandaag staat een interview met de bejaarde Gerhart Baum, oud-minister van Binnenlandse Zaken van West-Duitsland. De aanleiding is de 13e februari, de datum waarop het Geallieerde bombardement van Dresden plaatsvond in 1945, achteraf bezien dus vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog. Waarom een gesprek met een vroegere West-Duitse minister over die verschrikkelijke nacht in de hoofdstad van de Oost-Duitse deelstaat Saksen? Baum maakte het bombardement als 12-jarige mee, hij was er geboren en verloor er een aanzienlijk deel van zijn sociale Umfeld. Het gezin (met uitzondering van de vader die in de Sovjet-Unie vocht en daar later zou omkomen) vluchtte naar Beieren, maakte de bevrijding daar mee en bleef in het Westen van het later gedeelde Duitsland.

Gerhart Baum was twaalf, Victor Klemperer was 63 jaar toen hij datzelfde verschrikkelijke bombardement meemaakte. Ook hij vluchtte naar Beieren, samen met zijn vrouw Eva die hem door de oorlog heeft geholpen. Toen die oorlog voorbij was, keerden zij juist terug naar Dresden waar hij een poos later zijn vroegere leerstoel-Romanistiek aan de Technische Hochschule weer mocht innemen. Die was hem ontnomen in 1935 om geen andere reden dan zijn Joodse genen.

Klemperer heeft eerst in Ost en later in West naam gemaakt met een publicatie gebaseerd op zijn talige observaties van de Nazi-tijd. Dat boek heet LTI. Notizbuch eines Philologen (1947). Dat is niet een zeer wervende titel en het is begrijpelijk dat de Nederlandse vertaling die – uiteindelijk – verscheen iets duidelijker LTI. De taal van het Derde Rijk genoemd is. Het is van de hand van W. Hansen, Atlas, 2000. Een week of wat geleden verscheen de tweede druk, een exacte kopie van de eerste van twintig jaar eerder. Dat wil zeggen, op een paar kleinigheden in het voorwerk na, zoals een ander ISBN. Een enkele tikfout van toen is gehandhaafd.

LTI is een soort codering in Klemperers dagboeken, een etiket waarachter het Latijnse Lingua Tertii Imperii schuilging, ‘taal van het Derde Rijk’. Hoe en wanneer Klemperer op dat idee kwam is iets waar het in dit blog over zal gaan in een geplande serie over deze intrigerende figuur, diens werk over politiek taalgebruik en de lotgevallen ervan: onregelmatig te verschijnen bijdragen, mede naar aanleiding van een bezoek aan Dresden. Die stad is inmiddels hersteld van de Ost-periode en van de ruïnes die dateerden van de 13e februari vandaag 75 jaar geleden.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Letten op het belendende perceel (3): taalverandering rond het woordje tandje

Triomf, triomf! hef aan, mijn luit,
Want moeder zegt: de tand is uit!
Laat dreunen nu de wanden!
Eerst gaf Gods gunst het lieve wicht
Den adem en het levenslicht,
Nu geeft zij ‘t wichtje tanden.

Zo dichtte Tollens Op den eersten tand van mijn jongstgeboren zoontje. Jazeker, het jongetje heette nog wichtje, taal kan veranderen.
Tandje is aan het Binnenhof een veelgehoorde gast sinds de vroege jaren ‘90 van de vorige eeuw. Het gaat om het gebruik dat stamt uit de wielerwereld waarbij een versnelling gewijzigd wordt, bijvoorbeeld door een tandje bij te steken zoals men in Vlaanderen zegt. Dat betreft een hogere versnelling waarvoor wat meer vermogen geleverd wordt (vermogen, luister naar schaatsanalytici); in ruil voor de hogere inspanning is meer tempo het resultaat.

Van Dale haalt onder de 9e betekenis deze terminologie aan en verwijst treffend naar Wim Kok. In zijn tijd als minister van Financiën koos hij voor een voorzichtiger koers met betrekking tot het terugdringen van het financieringstekort en gebruikte daarvoor een sindsdien veel geciteerde manier van zeggen met tandje, in dit geval eentje minder. Wim Kok en dus niet jaren eerder wielerfanaat Dries van Agt!

Misschien is het onder invloed van het parallelle graadje dat we tandje vooral gecombineerd zien worden met een vergrotende trap. (Nota bene: kleiner en minder heten taalkundig ook vergrótende trappen.) Maar tandje is tegenwoordig veel succesvoller dan graadje – dat heeft het moeilijker, wie weet onder invloed van de klimaatdiscussie. Naast tandje meer en tandje minder is het mogelijk om het in 2019 te combineren met woorden als dieper (minister Slob), scherper (Rob Jetten D66), harder (Jesse Klaver GroenLinks) of een combinatie met Engels getuige wat Klavers fractiegenote Corinne Ellemeet zei: Al kan het wat GroenLinks betreft wel “een tandje tougher.”

Langzamerhand betekent tandje bijna hetzelfde als ‘iets’. Minister Bruins (niet zelden onopvallend opmerkelijk als taalgebruiker): “Ik denk daar dus net een tandje anders over” of staatssecretaris Harbers: “Op deze manier kunnen we dat nog een tandje versterken.” Al enkele jaren geleden zei Michel Rog (CDA) dat ergens nog wel een tandje ambitie bij kon en demonstreerde zo de combinatorische variant tandje + zelfstandig naamwoord.

Waarom is tandje zo’n succes in het politieke taalgebruik blijkens de Handelingen? Net zoals bijvoorbeeld aan de slag is het héerlijk vaag terwijl het tegelijkertijd een positieve uitstraling bezit.

Posted in Uncategorized | 1 Comment

Letten op het belendende perceel (2): taalverandering rond het woordje duidelijk

Duidelijk is niet direct over het hoofd te zien voor wie Nederlands leert. Even tellen? Het woord staat meer dan 3500 maal genoteerd in de Handelingen gerekend over het hele kalenderjaar 2019 waarin verslagen van alle plenaire vergaderingen van de Tweede Kamer verzameld zijn. Maar duidelijk is een woord zonder meer, sprekers m/v vinden dat te kaal en grijpen niet zelden naar een nadere toelichting in de vorm van een bijwoord dat in die verslagen vooral links ervan opgeschreven staat. Dat kan een nadrukkelijke onderstreping betreffen (helemaal duidelijk, echt duidelijk, volstrekt duidelijk, fundamenteel duidelijk) maar ook veel voorzichtiger: ietsje duidelijk, behoorlijk duidelijk, een tikje duidelijk, een beetje duidelijk. Ook een volledige ontkenning kan natuurlijk voorkomen (niet duidelijk, niks duidelijk).

Taalverandering kunnen we simpel op het spoor komen, door in vergelijking met 2019 te kijken naar de combinaties van X + duidelijk in de Handelingen van een jaar of 70 geleden. Heel wat woorden vinden we zowel toen als nu, maar er zijn er ook die destijds door de stenografen genoteerd zijn en nu niet: gans, ietwat, beslist, positief, volmaakt, domweg zijn wat voorbeelden die ik bij de ruim 3500 stuks in 2019 niet direct zag maar vroeger dus wel.
Volmaakt komt in 2019 zeker nog voor (12x) maar niet meer als onderstrepend bijwoord. Daar lijkt een zekere taalverandering betrapt. Gans is ook zo’n onderstreper in laten we zeggen het jaar 1950 maar niet meer in 2019 – het komt zelfs helemaal niet meer voor in de Handelingen van het voorbije kalenderjaar, behalve dan als diernaam.
En heel klein is het verschilletje heel (nu) tegenover geheel (toen), of niks (nu) versus vooral niets (toen). Let op het voorbehoud “vooral”! Zoeken naar frequent voorkomende woorden in dergelijke grote bestanden (een kalenderjaar als 2019 heeft zomaar een 9 miljoen woorden als we alle Handelingen van dat kalenderjaar optellen, eigenlijk exact zoveel als 2018) is niet zo simpel als het misschien lijkt en bovendien, wat zegt één jaar? Maar toch, ik denk dat we trends in het veranderen van het Nederlands langs die weg kunnen opsporen. Gewoon een kwestie van het wegen van de taal in de Handelingen op een goudschaaltje. Neem nu het volgende woord: volgende aflevering.

Het Keurhuis aan het Binnenhof (SR)

P.S. t’Goutsmits Keur Huys. lijkt voor onze ogen niet alleen een apostrof aan de verkeerde zijde te hebben maar vooral een overtollig lidwoord zoals wanneer (ik noem iets persoonlijks) Dat gezegd hebbend…. het Siemons boek genoemd zou worden.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Letten op het belendende perceel (1): taalverandering rond het woordje best

Als we simpeltjes kijken naar het (ongecorrigeerde) verslag van de laatste plenaire vergadering van de Tweede Kamer in het vorige jaar, tellen we 23 maal het woord best. Is dat veel? Laten we in plaats van deze vraag een andere stellen: wat vergezelt best aan de rechterzijde? Natuurlijk, op zo’n laatste vergaderdag van het jaar klinken alvast goede voornemens door aan het Binnenhof en dus noteren we geregeld de uitdrukking z’n best doen ja, z’n uiterste best doen. Maar minstens zo opmerkelijk is de frequentie waarmee best direct vergezeld wordt door iets in de sfeer van een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord (samen gemakshalve aangeduid als A, respectievelijk adjectief en adverbium). Best fijn, moeilijk, vaak, veel, relevant, lastig, bereid zijn voorbeelden daarvan. Best mogelijk is een ander geval, waarschijnlijk het eerste dat een nieuwe trend in het Nederlands op gang heeft gebracht, namelijk die combinatie van best + A.

Het Binnenhof (SR)

Is dat een nieuwe trend, daar in Den Haag en vast ook elders in Nederland? Wie naar deze combinatie zoekt in bijvoorbeeld de jaren’50 en ‘60 van de vorige eeuw, die vindt deze zelden of nooit en dan nog het meest in het is best mogelijk. Ik stel me een oorsprong voor als dit: “best (te verdedigen dat het) mogelijk (is)”.

Precies daarin zit het toegevende aspect dat best karakteriseert in best mogelijk, best lastig, best moeilijk. De spreker m/v lijkt door het gebruik van best in deze context iets toe te geven – dat zou ontbreken bij weglating van best. Iets is lastig, dan is het simpelweg lastig. Iets is best lastig maakt de uiting iets genuanceerder, de spreker haalt een beetje van het stellige karakter weg en dat maakt het veiliger en iets vager geformuleerd. Hetzelfde geldt voor de verlengde variant best wel (dat is vermoed ik het eerst door vrouwelijke sprekers gebruikt, inmiddels is dat gelijk getrokken over de beide seksen).

Dat nuanceren door de spreker kan door taalkundigen modaal genoemd worden, de spreker geeft een persoonlijk oordeel(tje) mee. Daarom staat in Van Dale bij een van de vele trefwoordjes best de karakterisering modaal bijwoord. En de omschrijving daar? Dat gebeurt met woorden als ‘toch’, ‘heel goed’, ‘echt’. Het hangt een beetje van de context af, welk van die betekenissen het beste past, oorspronkelijk ‘heel goed’ wat best letterlijk betekent, maar later ook die andere omschrijvingen.

Posted in Uncategorized | 1 Comment

Het Nederlands is net Rottumeroog – en wel hierom

Wie leest – zo vergaat het mij – leest om de inhoud, er moet een knop om voor het schenken van aandacht aan de uiterlijke vorm. Als ik zie dat “een toenemend gebruikte constructie in het Nederlands aan Engelse invloed wordt gewijd”, ben ik al verder voor ik op de rem trap en teruglees: te wijden aan Engelse invloed? De schrijver moet wijden de plaats van wijten hebben laten innemen – het stukje citaat zou voorheen dus hebben kunnen zijn dat “een toenemend gebruikte constructie in het Nederlands aan Engelse invloed wordt geweten”. Wijden is regelmatig, het minder frequente wijten ‘de schuld geven aan’ niet.

Zelfs toen ik een groot deel van NRC Handelsblad van 28/29 december 2019 op inhoud én vorm probeerde te lezen, moest ik even terug bij de tekst “(…) staten die zich niets laten zeggen door internationale organisaties”. Kan het zijn dat de auteur bedoelde dat er staten zijn die zich niet laten gezeggen door internationale organisaties? Gezeggen is minder gewoon dan zeggen, zoals wijden gangbaarder is dan wijten.

Kortom, net als halverwege 2018 (zie dit blog daarover) las ik NRC Handelsblad ‘es wat aandachtiger, ook die stukken die ik normaal zou hebben overgeslagen. De héle krant lezen is een klus, helemaal met weekendbijlagen erbij. “En: fouten?”, vragen sommige lezers nieuwsgierig, weet ik uit ervaring. Zelfs bij evident zondigen tegen de afgesproken regels van het Nederlands is de ene fout (neoloiberalisme) de andere niet (wordt je continu gefilmd), maar veel van dergelijke missers heb ik in de krant niet aangetroffen. Die zijn trouwens ook minder interessant dan stukjes tekst waar eerder discussie over kan ontstaan:
• De jaren 10 was een decennium…
• Er vielen een half miljoen doden…
• … kwamen er een half miljoen huizen bij
• … er zijn meer holen en voedsel beschikbaar…

Wat is daar met de persoonsvorm aan de hand? Of er staat een enkelvoud waar ik een meervoud zou kunnen schrijven (1) en andersom (2 en 3) of ik vind de combinatie van enkel- en meervoud onplezierig (4). Maar is het “fout”, meester?

Goed, in Van Dale staat niet het woord wijds dat ik op pagina E 11 aantrof – sterker, op de middelbare school leerden we dat we bij dat woord niet aan wijd moesten denken maar aan weiden en dus was het weids, jongens en meisjes. En toch lijkt wijds heel goed te verdedigen, is het niet?

Hoe zit het met naamvallen en functies in de zin, bijvoorbeeld als Eva de Goede en haar partner onplezierig snel hun huis uit moeten, want meer maanden “zijn ze door de huurder niet gegund”. Is het meewerkende voorwerp ze hier correct Nederlands? En al op de volgende bladzijde krijgen we een groot probleem met het naamwoordelijk gezegde: “is dat haar nou?” In het ABN – dialecten zijn hier niet aan de orde – zou ik kiezen voor “is zij dat nou?” Zet dat stukje tekst om in het meervoud en het wordt duidelijker misschien:
zijn ons dat nou? versus zijn wij dat nou?
zijn hen dat nou? versus zijn zij dat nou?

Iemand “valt wildvreemde mensen in de armen als ware het zijn beste vrienden” – dat is ook interessant Nederlands. Wellicht te veel op het gehoor geschreven en onder invloed van de uitdrukking als het ware, waardoor het meervoudige waren veronachtzaamd werd (het betrof de mensen die de beste vrienden waren, alweer een naamwoordelijk gezegde). Dezelfde Randstedelijke achtergrond kunnen we op E 21 veronderstellen bij “de wereld naar de klote helpen”.

Hoe zit het met “in hoofdstad Khartoem”, een lidwoordloze context waar het hier eerder over ging? In ø hoofdstad Khartoem?
Deze tekst begon met de rol van het Engels, het eindigt ermee want Engels lezen we véel in zo’n weekendbijlage van NRC Handelsblad, zeer veel. We worden daarbij geholpen door de cursivering van allerlei woorden en uitdrukkingen van Angelsaksische herkomst. Zo valt minder snel op dat de lezer zélf maar even naar een woordenboek moet grijpen als hij iets niet weet. Indirecte identieke invloed veronderstel ik bij “een labyrint aan gevolgen” waarbij niet zozeer het complexe karakter als wel de veelheid beoogd is.

Het beeld van een taal als een Waddeneiland dringt zich op: afslag aan de kant van het eigen idioom (wijten aan, zich niet laten gezeggen), maar uitbundige aangroei met dank aan het Engels aan de andere zijde: it doesn’t scale, trade-off, trickle down and so on. Het Nederlands kortom, is net Rottumeroog.

Rottumeroog op maps.com
Posted in Uncategorized | 2 Comments