Namen noemen we…. (iv): Buma

Portemanteau is een Frans woord dat (zegt Van Dale Frans) allereerst ‘kapstok’ en ‘kleerhanger’ betekent. Die tweede omschrijving geeft het mooist aan waarom er in de taalkunde sprake kan zijn van een portmanteau-woord. Een concreet voorbeeld is simpeler dan het geven van een definitie, vandaar: Drenthenieren. Maar ook alcomobilist is een fraaie. Of flextremist, een prijs die SP-jongeren toekennen.

Het gaat dus om een geconstrueerd woord dat de kop van woord A deelt met de staart van woord B: Drenthe + rentenieren = Drenthenieren of Drentenieren, al naar de plaats waar we de woorden precies aan elkaar plakken. De flextremist is de flexwerkgever + extremist, een wat meer gedwongen overkomende aanduiding voor een prijs die geen positieve onderscheiding inhoudt. Dan is alcomobilist geslaagder, iemand die onder invloed van drank wordt aangehouden: alcohol + automobilist. Wie het zichtbaarder wil: alcohol + automobilist = alcomobilist.

De mooiste portmanteauwoorden delen iets gemeenschappelijks van beide woorden. Verplicht is dat niet (Jeroen Krabbé vertelde een keer dat hij in een recept gebruik maakte van rozenten, een mix van rozijnen en krenten, Brexit = Brittannie + exit heeft het evenmin), maar als er sprake is van een stukje overlap dan oogt het resultaat als het ware échter, meer naturel. Grusical is de Duitse combinatie van gruseln (griezelen) en Musical: de s is het scharnier tussen beide woorden. Het haakje van de kleerhanger.

Niet het Duits is de taal waar het stikt van die portmanteauwoorden, wel het Engels waar ze ook wel blendings heten – van Oxbridge tot Reagonomics. Heel actueel is de aanduiding Javanka in het Witte Huis, een term uit de keuken van Steve Bannon die ermee allerminst vriendschap mee uitdrukte voor Jared Kuschner en zijn vrouw Ivanka Trump.Het kwam naar buiten via dat ongelofelijke boek over de binnenkant van het Witte Huis in het eerste jaar van Trump.

Namen vormen succesvol materiaal voor het maken van blendings, vooral in de sfeer van kritiek. Dat geldt ook voor Nederland. In het debat over de regeringsverklaring van Rutte-III waren de bordjes verhangen: Buma (CDA) verdedigde opeens het kabinet, Asscher (PvdA) was van vice-premier verhuisd naar de oppositie. Na Buma’s bijdrage zei hij: “We weten nu dat de inspiratie voor het regeerakkoord blijkbaar is gegeven door de Reformatie van 500 jaar geleden. Ik dacht eerst dat het “bumor” was (…).”

Ook Jesse Klaver gebruikte de term. Hij deed dat evenmin als Asscher als eerste, al was dat debat van 1 november 2017 volgens de verslagen de eerste maal dat bumor in de Tweede Kamer viel. Klaver debatteerde met Buma over de aangekondigde BTW-verhogingen die níet in het CDA-verkiezingsprogramma stonden. Buma: “Verpakkingenbelastingen met 2 miljard verhogen en niet zeggen dat je dat doet, dat vind ik geen sterk verhaal.” Klaver: “Het is grappig dat de heer Buma dit zo brengt. Dat is ook bijna “bumor”” en lichtte toe: GroenLinks liet de kiezers wél vooraf weten, welke belastingverhoging deze partij voorstond.

Bumor is de optelsom van Buma + humor, met de m als gedeeld terrein tussen beide woorddelen en in technische zin dus geslaagd. Zo’n blending zou een contaminatie heten als twee uitdrukkingen met elkaar gemixt werden (duur kosten = duur zijn + veel kosten) en dan fout gerekend worden. Er lijkt me iets voor te zeggen om woordspelingen met namen van betrokkenen in de vergaderingen van het Parlement ook fout te rekenen – en via een expliciete anti-discriminatiebepaling in het Reglement van Orde te verbieden.

P.S. Krokusreces in Den Haag: daarom pas op maandag 5 maart op deze plek een nieuw vervolg in de reeks over namen in de politiek.

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Namen noemen we…. (iii): Lubbers

Het afscheid van Ruud Lubbers – de afgelopen week door het bekend worden van zijn overlijden, de komende door zijn uitvaart – is in 1994 in figuurlijke zin al vrij snel na zijn vertrek uit de Nederlandse politiek bevestigd met het boek Afscheid van Ruud Lubbers, onder redactie van Robbert Ammerlaan. Bij deze en bij de vorige aflevering is de voorzijde van dat boek van uitgeverij Anthos afgebeeld. Een keur aan collega’s en betrokkenen uit politiek en maatschappij droeg aan dat boek bij, zodat het een dikte kreeg van een bladzijde of 350.

In feite is daarin verrassend, hoe weinig aandacht er dan geschonken wordt aan Lubbers’ taal. Snel corrigeren: het gaat er diverse malen over, in Ammerlaans voorwoord, ietsje in het verhaal van Relus ter Beek (jongeren-dossier, vertrekpunten), Gerrit Braks (o.a. “Uit zijn taalgebruik zou je kunnen concluderen dat hij zich wat afschermt, wat afstandelijk is. Dat is niet waar.”), Gerrit Brokx (“Hij ziet het graag ‘een slag anders’.”). Maar dan zijn we al over bladzijde 100 heen en arriveren bij Seth Gaaikema, de neerlandicus uit Groningen. Ook die zegt op het terrein van zijn eigen vakgebied een beetje maar verrassend weinig. Toevallig staan de meeste talige dingen over Ruud Lubbers meer achterin, uit de pen van Jacques Wallage en uit die van Max van Weezel vooral.

We hebben het nu kennelijk meer over de taal van de overleden premier dan destijds na zijn vertrek, ook al heeft Lubbers met de aanduiding lubberiaans Van Dale gehaald. Ook dat staat daar kort geformuleerd en een aantal dagen na het overlijden is het nog niet geactualiseerd met Lubbers’ overlijdensjaar.

 

Laten we Femke Halsema aan het woord laten, naar de Handelingen van de Tweede Kamer van 21 januari 2010. Aan de orde is het debat over de uitspraken van de minister-president over belastingverhoging. dat is dan Jan Peter Balkenende, die in de nabetrachting bij Nieuwsuur naar voren kwam als degene die het dichtst bij Rotterdamse Ruud had gestaan, ook in de laatste periode.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter. Elke premier die langer zit en daarbij enige positie opbouwt, kan vroeg of laat rekenen op vervorming van zijn naam. Een van de beroemdste was natuurlijk het “belubberen”, door Marcel van Dam ooit geïntroduceerd voor premier Lubbers. Even beroemd is volgens mij “lubberiaans” geworden. Ik heb dat laatste nog eens even nagezocht en ik wil het opfrissen tot “balkeriaans”. De definitie van “lubberiaans” en wat mij betreft “balkeriaans” is namelijk: een oorverdovende onduidelijkheid van ongeëvenaarde zwalkende kwaliteit. Het lijkt mij dat wij in dit geval met recht kunnen spreken van “balkeriaans”.

Er is geen enkele duidelijkheid over het standpunt van het kabinet. Het reageert in toenemende mate geïrriteerd als het naar de Kamer wordt gehaald, omdat het gedwongen wordt te spreken over de eigen conflicten, het onderlinge tegenspreken en het elkaar een hak zetten. Laat ik eerlijk zeggen: ik heb er ook schoon genoeg van. Ik zou het ongelooflijk plezierig vinden als het kabinet eens naar de Kamer kon worden gehaald om beoordeeld te worden op een inhoudelijk voorstel. Dat betekent wel dat het kabinet moet beginnen met regeren en stoppen met ruzie maken. Alstublieft!

 

Mevrouw Halsema is geraakt en laat dat horen. In haar ergernis voorziet ze Balkenende van het nieuwe suffix –eriaans dat pas ontstaan is door Ruud Lubbers, kijk naar het slot van zijn familienaam. Die irritatie onderstreept ze door alleen het begin van de naam Balkenende te benutten – en maakt zo een woordspeling met het geluid dat ezels maken.

Lubberiaans is in de Handelingen soms ook vindbaar in andere lezingen dan we uit Van Dale kennen. Hier volgt de totale oogst en met uitzondering van Femke Halsema’s citaat uit 2010.

• Gijs van Aardenne (1974): “De heer Van Aardenne meende dat de Nederlandse bevolking toch enigszins „Lubberiaans” reageerde en een zekere soberheid toepaste.”

• Willem Drees jr (1974): “Men ziet het in de openbare gebouwen met stoken en verlichting; daar wordt geen enkele actie ondernomen, zoals dat een jaar geleden wel korte tijd is ge-weest om meer ‘Lubberiaans’, zoals men het noemde, te ageren.” [Van Aardenne en Drees hebben het beiden over Lubbers’ oproep voor de televisie om de verwarming een graadje lager te zetten en de gordijnen dicht te doen: hij verscheen in trui in beeld, SR.]

• Job Kohnstamm (1988): “(…) de definitieve produktie van het paspoort en over de welhaast onontwarbare knoop met betrekking tot de klemmende vraag wie nu de opdracht zou krijgen: KEP of de Staatsuitgeverij. De ontknoping is even simpel als Lubberiaans: ze dienden beide die opdracht te krijgen.”

• Ina Brouwer (1990): “(…) ik heb toch niet helemaal begrepen of er nu wel of geen evaluatie komt. Het was een beetje open. Ik zou bijna willen zeggen: een beetje “Lubberiaans”.”

• In 1992 gebruikt Ruud Lubbers het bijvoeglijk naamwoord zélf (over een speech zegt hij: u zult er weinig Lubberiaans in vinden).

• Rudolf de Korte (1994): “We zullen wellicht twee volgende kabinetsperiodes driftig moeten “aansparen” – typisch Lubberiaans neologisme; wanneer komt het in Van Dale? -om het land van deze erfenis te ontdoen.” [aansparen heeft Van Dale nog niet gehaald, SR]

• Johan Remkes (1994): “(…) het niet beheffen van duurzame energiebronnen in het kader van de invoering van een energieheffing in 1996. Die zin komt op ons wat Lubberiaans over. Wat wordt daarmee precies bedoeld?”

• Paul Rosenmöller (1995): “De minister-president kwam met een bijna Lubberiaanse oplossing: wij gaan de A73 koppelen aan de Betuwelijn. Iedereen die er een beetje verstand van heeft, raakt dan echt de kluts helemaal kwijt. Dan worden er appels met peren vergeleken, misschien om ons knollen voor citroenen te verkopen.”

• Eimert van Middelkoop (1995): “In die zin begroeten wij de wetsvoorstellen vanuit een positieve grondhouding, om het goed Lubberiaans-Rotterdams te zeggen.” [Van Agt was overigens de eerste die deze uitdrukking gebruikte, SR]

• Jozias van Aartsen (1996):  “Hij (Eisso Woltjer, PvdA) voegde mij namelijk de van de heer Lubbers komende opmerking “eens, maar nooit weer” toe.” [Lubbers voegde zijn vice-premier De Korte die kwalificatie in de Tweede Kamer toe, SR]

• Job Kohnstamm (1996): “Ik zou dus ook bij de heer De Hoop Scheffer willen bepleiten dat wij die dossiers, om het Lubberiaans uit te drukken, “even uit elkaar trekken”.”

• Mat Herben reageert in 2005 met de mededeling “Dat is waarschijnlijk Lubberiaans” als iemand hem niet zegt te begrijpen.

• Camiel Eurlings (2010) weet het even niet: “Ik moet hiervoor kijken naar de ambtenarenloge. Ik laat mij even informeren wanneer dit volgens de laatste inzichten precies zal zijn. Daarom ga ik nu een beetje lubberiaans spreken, terwijl ik in volle verwachting naar de ambtenarenloge kijk.”

En in de jaren daarna waren er nog twee incidenten waarbij Lubbers’ naam werd aangeroepen om begrip te vragen voor duisternis.

Deze week zal de oud-premier in de Tweede Kamer herdacht worden en dan zal vast iets preciezer verteld worden over wat we onder het Lubberiaans moeten verstaan.

Wat hemzelf betreft was duidelijk dat hij het begrip Lubberiaans geheel akkoord vond, het werkwoord belubberen daarentegen allerminst. Doen degenen die hem dezer dagen gedenken hem een plezier, dan laten ze dat werkwoord achterwege.

P.S. Ik blijf het frappant vinden, hoe onmogelijk het was voor Ruud Lubbers om de naam van het staatshoofd uit te spreken. Hij zei echt iets wat sterk in de buurt kwam van wat eerder Chinees lijkt: “ko-nie-jin“.

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment

Namen noemen we… (ii): Lubbers

Toeval: afgelopen woensdag was de dag dat het overlijden bekend gemaakt werd van de vroegere minister-president Ruud Lubbers en het was de dag waarop enkele uren tevoren in dit blog aandacht gevraagd was voor de omgang met namen van politieke tegenstanders. Voor vandaag werd het eerste vervolg in een reeksje aangekondigd en het is daarom logisch, om te beginnen met aandacht te vragen voor Ruud Lubbers.

Het volgende is een fragment uit het verslag van de Tweede Kamer van 12 oktober 1983. Het kan niet anders dan in de afgelopen dagen geregeld genoemd zijn in terugblikken op de vroegere minister-president.

 

Aan de orde: de Rijksbegroting voor 1984.

De heer Van Dam (PvdA): Mag ik de minister-president eens wat vragen? Ik krijg over dat probleem van de echte minima nogal eens een paar brieven en ik wou eens een poging doen, dat wat dichter bij de mensen te brengen. Stel: u hebt een tuinman, Flipse heet hij. Die krijgt van u honderd gulden in de maand. Op een gegeven moment zegt u: ‘Flipse, het zijn moeilijke tijden, wij doen er een tientje af, maar je hebt het zo moeilijk, je krijgt een eenmalige uitkering.’ En Flipse zegt: ‘Dank u wel, mijnheer, dat is prachtig.’ Volgend jaar weer. U zegt: ‘Flipse, de tijden blijven moeilijk. Wij doen er weer een tientje af, maar eenmalige uitkering.’ Flipse komt thuis, geeft het loonzakje aan zijn vrouw en die zegt: ‘Flipse, je hebt een tientje minder volgens mij.’ ‘Nee’, zegt Flipse, ‘ik heb een eenmalige uitkering weer gehad.’ ‘Nee’, zegt zij, ‘je hebt een tientje minder. Volgens mij heb jij je laten belubberen.’ Flipse komt bij u terug en zegt: ‘Maar, mijnheer Lubbers, hoe kan dat nou?’ Hoe legt u hem dat dan uit? Minister Lubbers: Ik zou dat niet uitleggen. Ik zou dat niet hoeven te doen, want ik zou ook die man niet met dat verhaal naar huis gestuurd hebben. Het is namelijk uw verhaal, het is niet het mijne. Zo is het!

Ja, zo is het! Dat is toch de systematiek van de eenmalige uitkering of niet?

Minister Lubbers: Nee, nooit is die voorstelling gegeven. U suggereert nou, dat thuis de vrouw van die mijnheer zou moeten ontdekken, dat de goede man bedonderd is. Nou, ik vind het niet erg koosjer om de voorstelling te geven alsof iemand dat zo zou doen en alsof de overheid dat zo zou doen.

De heer Van Dam (PvdA): Juist, dat is niet koosjer. Op blz. 53 van de Miljoenennota staat het staatje over de inkomensverdeling. Er staat: sociale minima -3,5%. Vervolgens staat er: aan de echte minima zal een eenmalige uitkering worden verstrekt, welke ertoe leidt dat de inkomensachteruitgang voor deze categorie inkomenstrekkers met 3,5% wordt beperkt, ledere normale Nederlander die dit leest, ziet dat alle minima er 3,5% op achteruitgaan, behalve de echte minima. De werkelijkheid is echter dat de echte minima, als zij de eenmalige uitkering niet kregen, er 6,2% op achteruit zouden gaan. Deze groep gaat er nu 2,7% op achter achteruitgang van de andere minima vorig jaar. (sic, SR) Volgend jaar gaan de echte minima er 3,5% op achteruit. Alle echte minima worden, net als die tuinman, belubberd!

Minister Lubbers: Mijnheer de Voorzitter! Tegen deze woordspeling moet ik groot bezwaar maken. De fractievoorzitter van de partij van de heer Van Dam heeft een probleem onder ogen gebracht en er vragen over gesteld. Hij behoort dus tot die groep van Nederlanders die de intelligentie wordt toegemeten dit te zien. Het is uitgebreid besproken, iedere keer weer. Ik heb hier betoogd dat dit een reëel probleem is. Ik heb geen enkele indruk willen wekken dat dit geen reëel probleem is. De heer Van Dam probeert nu de suggestie te wekken dat de regering hier de zaak aan het bedonderen is. Ik acht dit volstrekt onaanvaardbaar. Als hij, hoe geestig hij het ook vindt, een woordspeling invoegt, acht ik dat, ook als oud-collega, onder de maat! (applaus ter rechterzijde).

Tot zover de Handelingen. In 1983 werd met de naam van Ruud Lubbers dus hetzelfde uitgehaald door Marcel van Dam als veel later door Thierry Baudet (FvD) met de familienaam van Eric Wiebes: zie de vorige aflevering. Wiebes liet het passeren, Lubbers verstrekte zelf de vertaling van het verzonnen werkwoord belubberen ‘bedonderen’ en was not amused. In een vervolgbijdrage zal het nogmaals over Lubbers gaan, meer in het bijzonder over het woord Lubberiaans, dat de afgelopen dagen geregeld is afgestoft. Maandag.

Afscheid van Ruud Lubbers (Anthos)

 

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment

Namen noemen we… (i)

Net midden in de Carnavalsweek waarin het Zuiden Voorjaarsvakantie heeft, organiseert het onderwijsveld een staking in Noord-Nederland. Diezelfde woensdag – het leed voor de ouders is niet zo groot want de middag hebben de kinderen waarschijnlijk toch al vrij – is het in Duitsland de politiek belangrijke Aschermittwoch. Op die dag wordt er uitgedeeld naar de tegenstanders en zo sluiten de eigen rijen zich (wat meer). Omdat Duitsland een ander land is waar we allicht minder emoties bij hebben, kunnen we probleemloos kijken naar wat Andreas Scheuer vandaag in Passau uitriep. Scheuer is secretaris-generaal van de CSU, dat is de wat rechtserse zusterpartij van de CDU in Beieren. De dag nadat Martin Schulz definitief de handdoek in de ring had geworpen (hij was dé hoop van de SPD maar takelde in een beperkt aantal maanden volledig af), sprak de CSU-man van het ausschulzen van de politiek. De CSU heeft met de CDU een coalitie gesloten met de SPD die daar nog een ledenraadpleging over moet houden – in Nederland gaan de coalitiepartijen minder scherp met elkaar om, denk aan de ingetogen houding van Buma, Segers en Pechtold in het debat over Halbe Zijlstra, dinsdagavond in de Tweede Kamer.

SCHEUER (CSU) SZ 14.02.2018

 

 

Wat betekent ausschulzen? Geen idee en waarschijnlijk is dat ook niet van belang, het gaat erom, een van de grote tegenstanders onderuit te halen op basis van zijn achternaam met iets wat iets negatiefs suggereert. Hetzelfde deed Scheuer  in de richting van Oostenrijk. Daar werd Bondskanselier Christian Kern (SPÖ) kortgeleden opgevolgd door zijn christen-democratische tegenstrever Sebastian Kurz en in Passau sprak Andreas Scheuer naast dat ausschulzen van het wegkernen. Ook daar geldt: je gebruikt de familienaam van een politieke tegenstander – zelfs in een ander land – en je gebruikt dat negatief.

Denk niet dat het een specifiek Duits gebruik is of dat het beperkt is tot die ene woensdag in het jaar dat het Aschermittwoch is. Thierry Baudet (Forum voor Democratie) deed hetzelfde met minister Eric Wiebes in een van de gasdebatten: “Als Wiebes niet voor 1 juli van dit jaar dit probleem oplost en de schade heeft bijgeschreven op de bankrekeningen van de Groningers moet Wiebes wieberen.” Wat dat werkwoord betekent? Andermaal: het doet er niet toe, de sfeer is negatief en door dat te doen straalt dat af op de persoon die genoemd wordt.

Overigens – het zijpaadje is maar kort – kunnen negatieve én minder-negatieve woorden ook indirect op iemand betrokken worden zónder de naam te noemen. Als ik het goed heb geteld zei minister-president Rutte 11 maal (zegge: elf) in het debat over het aftreden van de minister van Buitenblandse Zaken dat het beeld over wat er gedeeld was met Halbe Zijlstra door de bron van zijn verhaal diffuus of diffuser was geworden. De naam noemde de premier niet eenmaal, maar 11x werd Jeroen van der Veer (ex-SHELL) geassocieerd met het diffuus worden van een verhaal. Het was in datzelfde debat de minister-president die hardnekkig niet sprak van het liegen door Zijlstra maar bijna consequent repte van “de waarheid niet spreken”.

Als het Nederlandse onderwijs te hoop loopt tegen de betreffende minister, is het niet ongewoon om als actievoerder iets te doen met de naam van die bewindsman. Waren er in de tijd van Wim Deetman op die post (dus midden jaren ’80) geen protestdoeken met de tekst “Deetman lik-me-reet-man”? Zoiets herinner ik me, en via Google kom ik erachter dat zoiets inderdaad het geval is geweest: zie afbeelding.

Het is dus niet verbazend, dat de pijlen die nu op minister Arie Slob gericht worden voorzien zijn van teksten waarin Slob en in het slop met elkaar verbonden worden.

Een familienaam is iets waar niemand om gevraagd heeft – dat alleen al zou een reden moeten zijn voor politici om daar geen gebruik van te maken in het debat, zelfs niet als het om de meest gehate tegenstanders gaat. Huids- of haarkleur, een lichamelijk gebrek of ander persoonlijk kenmerk, dat zijn onderwerpen waarop iemand niet gediscrimineerd behoort te worden en namen staan daarmee op één lijn. Nee, nee, nee, namen noemen we niet, zong Wim Kan ooit.

Namen zijn interessante objecten, ook in de politieke taal. Het is een onderwerp om een poosje speciaal naar te kijken. Vanaf vrijdag.

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment

Woorden in stukjes (ii)

Opnieuw kijken we naar de (ongecorrigeerde) Handelingen van de Tweede Kamer uit de periode van eind maart tot eind december 2017, maar nu strepen we woorden aan waarin we méer dan drie elementen kunnen herkennen. Zijn die er? Ik denk het, ook als we een klein woordje als uit-en-te-na niet mee zouden rekenen en vooral oog hebben voor de langer ogende jongens van vier elementenaansprakelijkheidswetgeving; anti-ondermijningswet; dierenwelzijnswet; gelijkebehandelingswetgeving; klaar-met-levenwet; VN-Veiligheidsraadlidmaatschap; energierekeningeffectrapportage; gewasbeschermingsmiddelenbeleid; duurzameontwikkelingsdoelentoets; participatiesamenlevinggedachte; cybersecurityonderzoeksinstituut; eerstegeneratiemigrantengezinnen; dynamischekoopkrachtvergelijking; spoedeisendehulpverpleegkundigen; jeugdgezondheidszorgprofessionals; miljard-belastingverlagingspakket; minimumgestanddoeningspercentage; Plattelandsontwikkelingsprogramma; diagnose-behandel-productiebedrijf; geïntegreerdgewasbeschermingsbeleid; langeretermijnbeleggingsperspectieven.

Misschien is er bij enkele voorbeelden te discussiëren over de hoeveelheid bouwstenen (3 of 5?), het gaat erom, dat het Nederlands van Het Binnenhof veel-en-veel gemakkelijker meerledige woorden bevat dan zeg maar gewoon Nederlands. Sterker, sprekers moeten geoefend hebben, anders krijgen ze dynamischekoopkrachtvergelijking of cybersecurityonderzoeksinstituut niet zo gemakkelijk uit de mond. Nu ja, het gaat om de fractiespecialiasten en de betreffende bewindspersonen – en juist die kunnen zich langs deze weg als specialist afficheren.

Met vier elementen is het jargon nog niet uitgeput, al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat de frequentie boven de 4 afneemt. Vijf lexicale elementen bevatten voorbeelden als:

anti-ondermijningswetgeving; track-and-tracedienstverlening; ontwikkelingssamenwerkingsinspanningen; langetermijnwaardecreatiebelang; hogesnelheidsbreedbandverbinding; middellangetermijndoelstellingen; verenigde-staten-van-Europamodel; antibelastingontwijkingsrichtlijn; priester-imamuitwisselingsproject; maakbaremondialesamenlevingsideaal; business-to-businessdienstverlening; laag-risico-gewasbeschermingsmiddelen.

Er vielen in 2017 ook een paar voorbeelden met nog meer elementen aan te strepen:

6 stuks Griekenland-Duitsland-Nederland; niet-in-mijn-achtertuinbenadering; eerstelijnsgeboortezorgverloskundigen

7 stuks zoek-het-zelf-maar-uit-samenleving; kortetermijnoogkleppenlandbouwlobby.

Bij de laatste twee gevallen hóren we bijna bij voorbaat de positie van de betreffende spreker. Minister Hugo de Jonge neemt alleen al met het aparte woord afstand van de zoek-het-zelf-maar-uit-samenleving (“Niemand wil wonen in zo’n zoek-het-zelf-maar-uit-samenleving”) en Rik Grashoff (GroenLinks) is bepaald tegen de kortetermijnoogkleppenlandbouwlobby, dat is ook aan het woord al te horen.

Acht elementen is het hoogste aantal dat ik heb gevonden:

thuis-op-de-bank-met-een-biertje-straf.

Foort van Oosten (VVD) wil dat een veroordeling tot celstraf dat ook echt is: “Gevangenisstraf is gevangenisstraf en geen thuis-op-de-bank-met-een-biertje-straf.” Door een worst van een woord te maken, een constructie die in feite strijdig is met alle gewoontes van het Nederlands, neemt hij niet minder dan Hugo de Jonge en Rik Grashoff afstand van iets waarvoor hij zelf een etiket heeft ontworpen.

ACHTLEDIG WOORD

 

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Woorden in stukjes (i)

Hoe ver gaan we als normale spreker van het Nederlands bij het gebruik van langere woorden? Stel, de blauwe envelop valt op de mat en die bevat de jaarlijkse uitkomst die beslist over de hoeveelheid belasting die we terug krijgen of moeten nabetalen. Belasting bevat voor het gemak één element (be– en –ing zijn affixen, niet los bruikbare woorddeeltjes, die ik buiten beschouwing laat). Het gaat om de jaarlijkse inkomstenbelasting, een woord dat dus bestaat uit twee elementen (ook in– laat ik voor het gemak even buiten beeld), namelijk inkomsten+belasting.

Wat is de uiterste datum van betaling? Ik kan me moeilijk voorstellen dat er grote groepen ABN-sprekers zijn die dan denken aan een lange constructie als inkomstenbelastingbetaling. Het kán, zeker, maar uit de taalpraktijk van normale sprekers blijkt dat drie elementen een soort van weerstandsgrens vormen: die gaan we niet zo simpel over wanneer we gewoon spreken. Dat kan anders liggen als we bijvoorbeeld een tekst uittikken en die voorlezen.

Het is een vermoeiend klusje om die dagelijkse praktijk te observeren, we zijn nu eenmaal geneigd meer op de inhoud dan op de vorm te letten (en gelukkig maar). Er is wel een grammaticaal verschijnsel dat er op wijst dat we liever niet al te lange woorden gebruiken. Dat verschijnsel heet ingekorte samenstelling. Een langer samengesteld woord verkorten we in de praktijk geregeld door het midden weg te laten. Denk aan een bierviltje. Dat is een viltje voor een bierglas. Het gaat dus eigenlijk om een bierglasviltje, we zeggen bierviltje. Of schadeprotocol dat waarschijnlijk neerkomt op schade-vergoedings-protocol. Ook aan de voorzijde van een woord kan er trouwens ingekort worden: wat nu opinieonderzoeken zijn heetten nog niet zo lang geleden publieke-opinieonderzoeken.

Dat zijn gegevens uit de normale praktijk van de Nederlandse taal, laten we de stap zetten naar Het Binnenhof. Daar spreken ze vooral over wetten. Een wet – het woord kan nauwelijks korter zijn – hebben we in soorten. In 2017 was er in de Tweede Kamer bijvoorbeeld sprake van abortuswet, beginselenwet, belastingwet, hackwet, interimwet. Allemaal tweeledige woorden die simpeltjes een plek binnen het Nederlands hebben, ook in het mondelinge Nederlands. Bedenk: dat zijn de citeertitels van een wet. Dat illustreert dat de taal graag hanteerbare termen bezit. Hanteerbaarheid heeft met lengte te maken, maar niet alleen. Een voorbeeld als portefeuilleverantwoordelijkheid (twee elementen, portefeuille en verantwoordelijkheid) maakt duidelijk dat lengte niet het probleem is, het gaat om de overzichtelijkheid van een woord.

Als de overzichtelijkheid in het gedrang komt, begint er iets te wringen bij normale taalgebruikers-zonder-spreektekst-voor-hun-neus en zonder politiek-technische scholing. In 2017 kwamen de volgende woorden ook voor in het politieke debat dat de Handelingen van de Tweede Kamer weergeven: abortuswetgeving; aftapwet; bouwwetgeving; fakenieuwswet; initiatiefwetsontwerp; natuurschoonwet; sleepwetreferendum; belangenbehartigingsorganisaties; discriminatieregistratiebureaus; uitsluitendreceptgeneesmiddelen; administratievelastenverlichting; essentiële-informatiedocumenten; belastingontwijkingsconstructies; geestelijkeverzorgingsconferentie; medewerkerstevredenheidsonderzoek.

Als ik het goed zie, gaat het hierbij telkens om woorden met drie elementen (bijvoorbeeld discriminatie + registratie + bureaus, belasting + ontwijkings + constructies, essentiële + informatie + documenten) en als mijn intuïtie me niet bedriegt, ligt hier het begin van wat in Den Haag graag “schuren” genoemd wordt (zie voor de oorsprong de bijdrage van die naam).  Die woorden kúnnen, maar soepel is het lang niet allemaal.

DRIELEDIG WOORD

Voegen we nog een vierde element toe, dan wordt dat schuren overduidelijk: volgende aflevering, aanstaande maandag.

 

Posted in PARLEVINKEN | 1 Comment

De directheid van de Nederlanders: speakability

Wie was Carrie Gracie ook alweer? Werkzaam bij de BBC, ontdekte dat mannelijke collega’s voor vergelijkbare arbeid duidelijk meer verdienden en verborg haar ergernis daarover niet. Toen de werkgever haar een behoorlijke loonsverhoging bood, weigerde ze die: ze wilde niet meer geld, ze wilde hetzelfde als haar collega’s van het andere geslacht en dat was bij dat loonbod nog steeds niet het geval.

Twee mannelijke collega’s (naar aan te nemen is op basis van het inkomen dat ze kregen van dezelfde werkgever well to do) maakten daarover grappen in een gesprek dat werd geregistreerd. The Guardian meldt op 12 januari dat het BBC-management daarover deeply unimpressed was. Prachtig Engels. Unimpressed is een eufemisme en dat laat zich versterken via het graadaanduidende bijwoord deeply. Misschien kán dat strikt genomen niet maar juist dat maakt de uitspraak zo mooi en veel indrukwekkender dan wat het in feite betekent, ‘gvd’.

Misschien zijn er mensen die de neiging hebben, te zoeken naar de oorsprong van het gebruik van dat soort indirecte taal en wie weet komen ze bij Hendrik VIII en de angstcultuur aan het hof die zich – met de Anglicaanse kerk – over heel Engeland heeft verspreid. Ik verzin maar iets.

Bij de BBC is er dezer dagen aandacht voor de directheid van de Nederlanders.  Ze halen op hun website een intercultureel artikel aan dat over dat onderwerp gaat en dat de oorzaak daarvan zoekt in – begrijp ik van die BBC-website – de verspreiding van het Calvinisme. Ik heb het niet verder bekeken, bijvoorbeeld om te zien of er dan ook een interessante breuklijn is tussen het Calvinistische en het niet-Calvinistische Nederland. Ik prefereer de talige bril, want Eleonore Breukel (de auteur) wijst op het woord bespreekbaarheid dat aan die Nederlandse directheid gekoppeld kan worden. De BBC: “This straightforwardness is so intrinsic in Dutch society that there’s even a Dutch word for it: bespreekbaarheid (speakability) – that everything can and should be talked about; there are no taboo topics.”

BBC-tweet

 

So intrinsic, maar de historie van dat woord reikt niet tot aan de Reformatie. Sterker, Van Dale heeft bespreekbaar (waarvan bespreekbaarheid zal zijn afgeleid) pas in de editie van 1984 opgenomen. Bespreekbaar maken is typisch een jaren-’70-uitdrukking – niet van de 16e maar van de 20ste eeuw. Eigenlijk dateert het dus van een periode waarin de ontkerkelijking juist toesloeg, het is de tijd dat de drie grotere Protestantse partijen noodgedwongen het fusiepad op gingen naar het CDA.

Bespreekbaar is – voorzover ik het heb kunnen vinden – voor het eerst in 1972 in de Tweede Kamer te horen. Bespreekbaarheid dateert daar van 1976, te laat voor de druk van Van Dale die dat jaar verscheen. Met die kennis is de beschouwing van mevrouw Breukel interesting.

 

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment