Eufemisme, eufemistisch en wat er op lijkt (i)

Het is een wat bittere toon die Hendrik Drucker in de Tweede Kamer aanslaat op 17 mei 1907: “En”, zeide de Minister, „soms komt die dagvaarding wel eens te laat ter kennis van den belanghebbende.” De Minister noemde dat euphemistisch „tardief”; dat klinkt niet zoo hard; „te laat” begrijpt men beter. Men kan dan later vernemen, dat men veroordeeld is vóórdat men een dagvaarding heeft ontvangen.”

In dit kader is het woord eufemistisch het signaal voor die bittere toon, een aanklacht tegen onrecht. Maar als Kamerleden tegenwoordig iets eufemistisch noemen, bedoelen ze meestal een understatement. Om het ingewikkelder (maar ook helderder) te maken kunnen we een understatement onderscheiden van een litotes. Misschien is het allemaal allemaal VWO-stof, maar volg de tekst gewoon, lezer, aan het eind van het serietje dat ik hier probeer te maken, staat een kleine samenvatting gepland.

Laten we kijken wat het beeld is van die momenten dat het woord eufemisme en eufemistisch in de Tweede Kamer klinkt. Ik voorspel alvast dat wat ik verderop “echte eufemismen” zal noemen, het interessantst vind vanuit politiek-taalkundig oogpunt.

Interessant is niet hetzelfde als komisch, want dat is het als een spreker als Klaas Dijkhoff ergens in 2017 zegt: “(…) dat er in dit onderdeel van het asielbeleid, namelijk de terugkeer, een hapering zit, om het maar eens eufemistisch te zeggen.” Hier is het vermakelijke tongue-in-cheek dat de VVD-woordvoerder een hapering noemt wat hij héel slecht geregeld vindt. Dat is ook de letterlijke betekenis van eufemisme, ‘mooi zeggen en daarmee verhullen’. Maar Dijkhoff zélf verhult hier helemaal niet, juist door de toevoeging “om het maar eens eufemistisch te zeggen” vestigt hij er de aandacht op: begrijp me niet verkeerd, luisteraar, ik zég wel hapering maar ik bedóel een veel ernstiger woord dat u zelf wel kunt invullen. Kortom, hier wordt door een spreker het omgekeerde van een hyperbool gebezigd, geen over- maar een ónderdrijving – een understatement.

Martin van Rooijen van 50PLUS zegt in hetzelfde kalenderjaar 2017 in de Plenaire Zaal: “(…) om meer te beleggen in Nederlandse bedrijven door barrières weg te nemen, zoals dat eufemistisch heet”. Dat is eenzelfde methode van een spreker om te wijzen op omfloerste taal – hoezo, barrières wegnemen door bijvoorbeeld 1.4 miljard euro aan dividendbelasting cadeau te doen of rulings te treffen met honderden bedrijven die dan fiscaal prettig behandeld worden?

Dijkhoff en Van Rooijen zijn niet de enigen. Sterker, eufemisme en eufemistisch zijn zéer geliefde etiketten die sprekers op stukjes in hun Tweede Kamerbijdragen plakken. Uit het afgelopen jaar nog een paar voorbeelden, telkens understatements die als eufemisme geafficheerd worden:

• ontstaat er een claim die niet onmiddellijk wordt terugbetaald, zeg ik heel eufemistisch. (Pieter Omtzigt, CDA)

• Dit is een onderwerp dat al heel lang speelt. Hoe zal ik het eufemistisch zeggen? Het is niet geheel uit te sluiten dat het deze kabinetsperiode niet lukt. (minister Zijlstra over het Midden-Oosten)

• Het is een spannende periode in de wereld. Dat is natuurlijk een eufemisme. (minister Kaag)

• (…) is hij bereid om over de onderlinge verhoudingen opnieuw met de Caribische delen van ons Koninkrijk en met ons als parlement in gesprek te gaan om te kijken of we tot een — laat ik het maar vriendelijk zeggen, met enig eufemisme*) — optimalisering kunnen komen? (Roelof Bisschop, SGP)

• dat de informatievoorziening over en weer — wie bel je als er een probleem is, weet de wethouder dat, zijn er soms andere aanbieders die iets kunnen? — nog wel verbeterd kan worden; zei hij eufemistisch. (staatssecretaris Van Rijn)

• We hebben gezien dat er in 28 van de slachthuizen waarin onverdoofd wordt geslacht, sprake is van tekortkomingen. Dat is een eufemistische term om te zeggen dat het niet goed gaat. (Esther Ouwehand, PvdD)

*) Let op: enig eufemisme zegt Roelof Bisschop. Woorden op –isme zijn in verschillende groepen in te delen, bijvoorbeeld op basis van hun telbaarheid: een germanisme, een anglicisme e.d. zijn alleen al daarom iets anders dan alcoholisme of amateurisme dat gewoonlijk niet van het lidwoord een voorzien kan worden en anders dan germanismen en anglicismen niet in het meervoud om te zetten. Een vleugje paternalisme lijkt me gangbaar Nederlands, enig eufemisme klinkt mij vreemd in de oren: een paternalisme is gek, een eufemisme is normaal ABN. Twee eufemismen is prima net als een handvol frisismen. Maar twee illusionismen, enkele triomfantalismen, een paar obscurantismen, nee toch? Daarom, we hebben twee soorten –ismen en eufemisme hoort bij de telbare soort.

EUFEMISME Van Dale

Wordt vervolgd: a.s. maandag

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

De taal van de straat in de plenaire zaal: Boven de partijen (ii)

Nog eenmaal over het boek van Gerry van der List, Boven de partijen.

In het korte stuk over Piet Bukman (die evenmin lang Kamervoorzitter geweest is, namelijk in de periode 1996-1998) staan naar verhouding de meeste en duidelijkste taalveroordelende opinies. Kamerleden moeten zich duidelijker uitdrukken (blz. 84), zegt hij, maar op de volgende bladzijde lezen we in contrast bijna: “Ik vind het geen vooruitgang dat de taal van de straat steeds meer in het parlement wordt gesproken.” Wel ABN, geen straattaal, aldus Bukman.

Vóor hem was Deetman Kamervoorzitter. Hij was de opvolger van Dick Dolman, die teleurgesteld afscheid moest nemen van de functie die hij met genoegen had bekleed en naar tevredenheid van veel parlementariërs. Dat maakte de stemming in 1989 duidelijk, want Dolman werd nipt verslagen. Het overkwam Deetman (CDA), zegt hij: “wij waren de grootste partij”. In feite kon Deetman z’n hele kandidaatstelling niet helpen: “Het was bij mijzelf niet opgekomen. Ik ben gevraagd. Ik was verrast, verbaasd.”

Hier moet van hogerhand bij geholpen zijn. Heeft minister-president Lubbers er een rol in gespeeld dat zijn minister van Onderwijs voorzitter werd? Het staat niet in Boven de partijen, maar er vallen enkele kritische opmerkingen over de oud-premier (bijvoorbeeld in het stuk over Dolman). Deetman zegt dat hij als minister door Dolman in zijn rol als voorzitter altijd goed behandeld is en voegt daaraan toe: “Dat konden niet al mijn collega’s zeggen.” (blz. 72)

Ook Wim Deetman is bezorgd over “het oprukken van volks taalgebruik. (…) Ruw taalgebruik kan ertoe leiden dat de werkelijkheid geen recht wordt gedaan. De nuance gaat dan verloren. Het is niet zo dat de kiezers zich beter vertegenwoordigd voelen als Kamerleden plat praten. Kiezers zijn niet gek.” (blz. 75) In dat verband had Deetman wel eens aanvaringen met Jan Marijnissen: “Dat hebben we uitgesproken. Marijnissen heeft zich aangepast.”

Verrassend is dat het taal-onderwerp geregeld aan de orde komt in de gesprekken, maar veel voorbeelden lezen we eigenlijk niet. Nu ja, dimmen en nepparlement. Deze PVV-term (waarbij nep– waarschijnlijk een vertaling is van Eng. fake, SR) zou Deetman niet hebben laten passeren, zegt hij, maar dat gebeurde in een andere periode. ““Ik zou dit en dat hebben gedaan” zult u niet snel uit mijn mond horen. De tijden zijn veranderd. Het heeft geen zin om de ervaringen van je eigen voorzitterschap als les voor te houden aan een latere voorzitter. Dat is idioot. Dat moet je niet willen.” (blz. 75)

Hier is hetzelfde aan de hand als in het geval van Jeltje van Nieuwenhoven (zie de vorige aflevering over dit onderwerp). Het is duidelijk dat de citaten uit 2017 dateren, lang ná Deetmans eigen functioneren op de voorzittersstoel. “Dat moet je niet willen” is een manier van zeggen die pas rond 2000 begon op te komen. Maar bijzonderder is het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord idioot juist uit de mond van iemand als Deetman. Het woord in deze betekenis – ‘belachelijk’ dus niet zoals vroeger als aanduiding voor iemand die geestelijk gestoord is – is enerzijds gangbaar geworden na het vertrek van Deetman, anderzijds in de Tweede Kamer bij uitstek hoorbaar vanaf de flanken en niet of nauwelijks uit de kring van zijn eigen CDA. De vraag zou kunnen zijn, of Deetman zo’n woord bij nadere beschouwing ook niet een voorbeeld van opgerukt volks taalgebruik vindt.

Hij zou zich kunnen verdedigen met te zeggen dat het inmiddels een andere periode is. Taal verandert, ook aan het Binnenhof.

Boven de partijen. De voorzitter van de Tweede Kamer bevat onder andere een wel zéer royaal register, van Piet Aalberse tot Zwitserland.

Gerry van der List, Boven de partijen. De voorzitter van de Tweede Kamer, Amsterdam 2018.

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

De seriewethouder en zijn collega’s

IN HET NIEUWS is de Haagse Stemming, de dagelijkse nieuwsbrief met Nederlandse politieke actualiteiten van NRC Handelsblad. Daarin was er vanochtend sprake van seriewethouders. Voor wie het begrip evenmin als ik kende, lees de tekst in De Haagse Stemming: “Wat ook opviel: de vele seriewethouders, die van partij of gemeente switchen.”

Zoeken we naar serie– als begin van een samenstelling in de Handelingen van de Tweede Kamer en beperken we ons tot de aanduiding van een persoon, dan is de seriewethouder de nieuwste aanvulling aan het rijtje dat tot dusver bestond uit serieverkrachter, seriemoordenaar, seriemisdadiger, seriecrimineel.

Van Dale op dit specifieke punt serie-: “ook als eerste lid in samenstellingen als de volgende, waarin het tweede lid een handeling of een persoon noemt, ter aanduiding dat de handeling vaak achtereenvolgens wordt uitgevoerd: serieaanrander, serieaanranding, seriedief, serie-inbreker, serieoplichter, seriesteker, seriezoenen, seriezoener.”

Bijzonder is bij dit alles dat het woordenboek het criminele aspect niet vermeldt. Dat lijkt zogezegd een lexicografisch omissiedelict.

Zijn we er getuige van dat we met seriewethouder de draai maken naar een andere, minder negatieve betekenis van het beginstukje serie– óf is de wethouder nu ook iemand naar wie alleen al via die aanduiding veroordelend kijken als was hij een draaideurcrimineel? Half juni 2018 is dat een kwestie van afwachten, zien hoe het Nederlands zich de komende seizoenen ontwikkelt.

 

 

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN, Rijp voor opname (Van Dale) | 1 Comment

De taal van de straat in de plenaire zaal: Boven de partijen (i)

Zó bang zijn mensen als Eva Jinek voor het Commissariaat voor de Media (neem ik aan), dat ze vorige week vrijdag (8 juni 2018) twee oud-Kamervoorzitsters aan tafel had maar het juist gepresenteerde boek waar hun bezoek op gebaseerd was, hield ze maar éventjes omhoog en noemde titel noch auteur. Afbeeldingen van oud-voorzitters van de Tweede Kamer kwamen in beeld, niet het omslag van dit boek:

Gerry van der List (Elsevier) interviewde in 2017 vóor de zomer de oud-Kamervoorzitters Bukman, Dolman, Deetman, Van Nieuwenhoven, Weisglas, Verbeet en juist voor Kerst werd hij ook nog ontvangen door mevrouw Arib. Tussendoor was Willem Hendrik de Beaufort zo vriendelijk om met Van der List te spreken, zodat ook de kijk vanaf de vroegere griffie enigszins in Boven de partijen kon doorklinken. Anouchka van Miltenburg ontbreekt in het overzicht, ze wilde niet. In het boek staat dat ze zwijgzaam was, in de media was er zelfs sprake van een onderduik-adres. Heeft het Nederlandse Parlement ook een afdeling-Nazorg? Kamer-voorzitter zijn is misschien mooi, aftreden op de manier van mevrouw Van Miltenburg is een hard gelag.

In het boek worden verder nog de na-oorlogse voorzitters Kortenhorst, Van Thiel en Vondeling geportretteerd. Vooral de bijdrage over de eerste is intrigerend als gevolg van een reeks affaires, waar de gebeurtenissen rond Van Miltenburg (Buma, Teeven-deal) zeker in juridisch opzicht kinderspel bij zijn.

De geïnterviewden laten zich allen uit over de taal in de Tweede Kamer, zij hebben daar dus zonder twijfel een specifieke vraag over voorgelegd gekregen. Dolman zegt er minder over dan te verwachten zou zijn voor een oud-bestuurslid van Onze Taal, Khadija Arib vraagt zich af of het klopt dat de beweerde taalverruwing echt een feit is. Toen had een vrouwelijk Kamerlid nog niet boos naar de voorzitster geroepen dat ze zelf door bleef tetteren terwijl ze de microfoons van de leden dicht deed: dat onplezierige moment deed zich deze week voor. Mevrouw Arib telde tot tien voor ze verder ging.

De verruwing staat voor de anderen vast, zij komen er voor uit. Gerdi Verbeet (zij wilde de betrokkenheid bij het werk van de Tweede Kamer vergroten, en “heldere taal hielp daarbij”, blz. 135) kreeg te maken met “toon en taal van de PVV” schrijft Van der List (125) en onder andere daarop moet Frans Weisglas doelen als hij spreekt van “de taal van de straat”. Maar dezelfde Weisglas zegt niet te weten wat daarmee bedoeld wordt (blz. 110). Over kwetsende opmerkingen zegt hij op dezelfde pagina: “Als je er niets over zegt, komen die namelijk zo, zonder weerwoord in de Handelingen te staan. Als iemand die over honderd jaar leest, denkt hij dat het om normaal taalgebruik gaat.” Via het boek biedt hij Jan Marijnissen (SP) tegelijkertijd nogmaals excuus aan voor zijn ingreep bij diens “even dimmen”.

Ook Jeltje van Nieuwenhoven kreeg te maken “met een zekere verruwing van het taalgebruik door nieuwkomers die niet zo hechtten aan parlementaire mores.” (blz. 100) Maar zelf vindt de oud-voorzitter het tegelijkertijd goed “dat gewone taal wordt gesproken”. Zij probeerde in de voorzittersstoel nederig te zijn en dienstbaar aan het parlementaire proces. “Nederigheid en dienstbaarheid zijn tegenwoordig niet meer zulke geliefde woorden, geloof ik. Toch ben ik daar van.” (blz. 95) – via die laatste vijf woorden overbrugt mevrouw Van Nieuwenhoven de grote kloof tussen die twee goeddeels verdwenen begrippen en de uitdrukking die later pas in de Kamer kwam, vooral via de VVD.

Geïnteresseerd geraakt in het boek dat mevrouw Van Nieuwenhoven achter de hand had wanneer ze bij debatten de voorzittersverveling wilde bestrijden? Ook dat hield Eva Jinek kort zichtbaar omhoog, kort maar langer dan Boven de partijen. Het heet Het Gebergte, van Maarten ‘t Hart en Hugo Brandt Corstius, hapklare stukjes over alle romans van Simon Vestdijk. Alleen nog tweedehands te verkrijgen.

Op Politiek24 was er een item over Boven de partijen, afgesloten met een fotomoment waarbij de aanwezige voorzitster en oud-voorzitters op de bank zaten met het boek op hun knieën zichtbaar getoond in de richting van de camera. Dat wil zeggen, Khadija Arib deed als enige aan dat stukje reclame niet mee en hield het boek plat – een nog duidelijker handeling dan die van Eva Jinek.

Wordt vervolgd: a.s. maandag.

Gerry van der List, Boven de partijen. De voorzitter van de Tweede Kamer, Amsterdam 2018.

 

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Op z’n Amsterdams en Rotterdams volgens parlementariërs

Leentjebuur spelen in het Nederlands is zó gewoon, dat bijvoorbeeld iemand als premier Rutte niet vaak een excuserende opmerking maakt als hij iets in het Engels of Duits zegt, wat hij geregeld doet. In de tijd dat het uitspreken van Latijnse citaten of het gebruik van een Frans woord iets van alledag was, hoefde dat evenmin speciaal geëtiketteerd te worden. Pas als iets wat uitzonderlijker is, is de kans groter dat daar uitdrukkelijk op gewezen wordt. Daarvan zijn de taal van Amsterdam en Rotterdam illustratieve voorbeelden – en niet toevallig.

De hoofdstedelijke taal duikt laat op in de Handelingen via de aanduiding “op zijn Amsterdams”, als ik het goed zie pas in 1968. De communist Wim van het Schip noemde in dat jaar “Houen zo!” Amsterdams en enkele jaren later “slikken of stikken” (1973) eveneens. Dat is net zo opvallend als wanneer Minister Pais (Onderwijs) spreekt van “(…) – ik zeg het nu maar op zijn Amsterdams – de MO-opleidingen alsnog de nek om te draaien” (1980).

Is Houen zo!, slikken of stikken en de nek omdraaien Amsterdams idioom of bedoelden de sprekers eerder dat ze iets zeiden wat ze minder parlementair vonden? Amsterdamser lijkt dat wat Maarten van Traa (PvdA) zei: “Is het niet een beetje gemakkelijk om te zeggen dat het verder niets op de hak heeft, om het maar op zijn Amsterdams uit te drukken” (1986) net als Tara Singh Varma (GroenLinks): “Al met al zou ik op zijn Amsterdams en onparlementair willen zeggen: het is allemaal naatje”, 1997). Naatje gaat volgens Van Dale “waarschijnlijk terug op de vrouwenfiguur in het in 1856 opgerichte Dammonument, die de Eenheid der Hollandsche Natie voorstelde en waarin natie als natje, naatje werd gelezen en begrepen misschien met gedachte aan naadje [vrouwelijk geslachtsdeel]”. Eerder in 1990 noemde Frank de Grave VVD iets een gotspe – dat is eerder Jiddisch dan specifiek Amsterdams.*)

Vanuit het Binnenhofs bekeken is het verschil tussen de Hoofdstad en de Havenstad groot. Om te beginnen werd er pas een kwart-eeuw later verwezen naar de lokale taal via “op z’n Rotterdams”. In de tweede plaats zijn er sprekers, Eimert van Middelkoop (CU) en premier Mark Rutte, die zeggen iets juist níet op zijn Rotterdams te gaan zeggen. Dat klinkt nogal dreigend en dat is begrijpelijk als we uit de mond van Barry Madlener klotenstreek (2008) of Louis Bontes klotezooi (2015) horen, achtereenvolgens voorzien van een dekmantel “op zijn Rotterdams gezegd” en “Laat ik het op zijn Rotterdams samenvatten”.

Vooral uit de hoek van het CDA zijn er sprekers vindbaar die onder verwijzing naar de taal van Rotterdam iets te berde brengen wat ze daarzonder vast anders hadden uitgedrukt:

– Premier Lubbers: “Op zijn Rotterdams gezegd, geloof ik dat het pezen wordt om nog op tijd klaar te zijn. Ik zie de heer Weisglas denken: hij spreekt misschien wel Nederlands, maar zijn Rotterdams is niet meer wat het was!” (1993) Frans Weisglas (VVD) was de Kamervoorzitter die – en hij niet alleen – gesteld was op parlementair taalgebruik. Pezen is denkelijk gebaseerd op Eng. pacen.

– Cees van der Knaap: “Toen hoorden wij wel eens van onze leden: ‘Met alleen mooie woorden koop ik geen vreten!’” (1998)

– Staatssecretaris Van Bijsterveldt van Onderwijs: “(…) als wij op de Rotterdamse manier aan de slag gaan. Met excuus, voorzitter: niet lullen, maar poetsen!” (2007)

De aankondiging op zijn Rotterdams is in de bijdragen in de Tweede Kamer dus nogal wat eerder een teken van onparlementair taalgebruik dan wanneer er iets op zijn Amsterdams te berde gebracht wordt. Het is in feite hetzelfde als gelul durven zeggen maar dan in de vorm van een citaat van Jan Schaefer.

Of alles wat er  aan die twee plaatsen wordt toegeschreven ook inderdaad Amsterdams of Rotterdams is, dat is wellicht een interessante kwestie – misschien ook niet. In Taal in stad en land – Rotterdams van Marc van Oostendorp (Den Haag 2002) staat een Rotterdams woordenlijstje. Daarin komen de bovengenoemde Rotterdams genoemde woorden niet voor. Het Amsterdamse deeltje van Jan Berns en Jolanda van den Braak zal vast een vergelijkbare uitkomst te zien geven. Op deze manier wordt er tot dusver nauwelijks naar het Haags en nimmer naar het Utrechts verwezen.

*) Gerdi Verbeet haalde bij Jinek (o8.06.2018) haar grootmoeder aan, die het schoonmaken van kristallen luchters “op z’n Amsterdams” een teringwerk had genoemd. Vrijwel letterlijk hetzelfde zegt ze in Boven de partijen. De voorzitter van de Tweede Kamer van Gerry van der List (Amsterdam 2018, blz. 128-129).

Over dat boek a.s. vrijdag meer.

Posted in PARLEVINKEN | 3 Comments

De verwachtingen van Rob Jetten: van managen en scheppen

Rob Jetten van D66 (Veghel 1987) is gesteld op een modern begrip, verwachtingenmanagement. Vroeger zou er misschien gevraagd zijn: “Minister, waar mogen we op rekenen?”, nu gaat dat in de woorden van de geachte afgevaardigde zo: “Ik wil nog even terug naar de brief die we in maart krijgen over het afbouwplan voor gas. Het gaat mij om verwachtingenmanagement. Schetst de minister in die brief “in maand zoveel krijgt u het plan van het bedrijfsleven en in maand zoveel het plan voor het buitenland” of staan in die brief van maart ook al echt een aantal concrete stappen met bedrijven die al concrete plannen hebben ingediend of landen waarmee we deals hebben gesloten over verlaging? Dat vraag ik even voor het verwachtingenmanagement, zodat duidelijk is welk debat we in maart hebben als de brief er ligt.”

Zo klonk Rob Jetten enkele maanden geleden. Gisteren stond hij namens D66 opnieuw tegenover – nu ja, zij aan zij met minister Wiebes. Wie z’n inbreng wil lezen, het stond gisteravond op de website van zijn partij. Dat betrof alleen de eerste termijn.

De tweede begon hij aldus volgens de ongecorrigeerde Handelingen:

“Voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. We stoppen met de gaswinning. Dat is een historisch besluit voor de veiligheid van de Groningers. Maar de aardbevingen stoppen niet van de ene op de andere dag. Er zijn al schades en er zijn huizen die versterkt moeten worden. De ontwikkelingen van de afgelopen week hebben de onzekerheden vergroot. Daarom is het goed dat vandaag nogmaals is bevestigd dat alle onveilige huizen worden versterkt, zonder de NAM, met de regio en voor Groningen. Het is niet de vraag of er wordt versterkt, maar hoe er wordt versterkt. Ik hoop dat het wat minder ingrijpend kan, met minder sloop en meer perspectief voor die Groningers. Ook voor mensen die misschien na 1 juli te horen krijgen dat sloop-nieuwbouw niet meer nodig is maar dat de woning op een andere manier versterkt kan worden, zijn er de afgelopen tijd verwachtingen geschept over versterking van de leefbaarheid in dorpen en buurten en wellicht ook over verbeteringen op het gebied van wooncomfort en duurzaamheid.

Voorzitter. De minister heeft net een handreiking gedaan naar de regio om samen op te trekken om ook voor die woningen een perspectief te bieden. De minister is ook bereid om daar geld voor in te zetten. Ik wil dat graag ondersteunen met de volgende motie.” En toen kwam die motie afkomstig van D66, een van de vier van de regeringsfracties – alle door Wiebes van het positieve oordeel “oordeel Kamer” voorzien – wie had op dat punt z’n verwachtingen anders gemanaged?

Jettens verwachtingenmanagement is nieuwer Nederlands dat nog niet in Van Dale staat, modern is ook het voltooid deelwoord dat hij koos bij verwachtingen scheppen: “(…) zijn er de afgelopen tijd verwachtingen geschept over versterking van de leefbaarheid in dorpen en buurten (…)”.

We hebben meerdere werkwoorden scheppen, vandaar wellicht dat Jetten bij de verkeerde stamtijd belandde: scheppen – schiep – geschapen volgens Van Dale, want verwachtingen zullen toch wel tot hetzelfde groepje gerekend moeten worden als verplichtingen scheppen. Lodewijk Asscher (PvdA) zei eerder dit jaar dat een bepaald beeld geschapen was, net als Edgar Mulder (PVV) later, Ronald de Roon (PVV) dat er een mogelijkheid geschapen was, Henk Nijboer (PvdA) dat er voorbeelden geschapen waren, – geschapen kwam dit kalenderjaar ettelijke malen langs in de Tweede Kamer en geschept nog niet eenmaal.

Dank aan de Dienst Verslag en Redactie die hier niet gecorrigeerd heeft. Dat deed diezelfde dienst evenmin in 2009 toen premier Balkenende “ruimte geschept” zei, of later in het geval van Elbert Dijkgraaf (SGP) die in 2011 nota bene in een motie vroeg om “beleidsregels op te stellen voor de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) waarin kaders worden geschept en ruimte wordt geboden” – et tu Elbert! In 2015 zei Steven van Weyenberg (D66) dat “toch een wat ander beeld geschept” was. Eind vorig jaar droomde Dennis Wiersma (VVD) “dat in deze Kamer, in dit huis en met deze collega’s, de voorwaarden kunnen worden geschept” om dingen mogelijk te maken voor ondernemers. Hella Voûte (VVD-Tweede Kamerlid met een vlotte presentatie en uitstraling, dat zich steeds inzette voor de belangen van het bedrijfsleven, aldus parlement.com) was iedereen in 2000 al voorgegaan: ook zij sprak van voorwaarden geschept alsof ze die met 130 voor de auto kreeg en ze niet meer kon ontwijken.

Het Nederlands verandert en in het middendeel van de Tweede Kamer zo te zien het eerst: niet uitsluitend maar wel het meest bij jongeren.

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Dat vind ik een lastige

Wat zei Emile Roemer in Trouw, zag ik in de NRC-nieuwsbrief De Haagse Stemming?

“Ik heb het altijd een maffe gevonden dat…” Dat is iets om even nader naar te kijken.

Laten we met een simpel, praktisch voorbeeld in de meer actuele Handelingen van de Tweede Kamer beginnen. Henk Nijboer (PvdA) reageert op Tony van Dijck (VVD) die verwacht dat de rente zal gaan stijgen. “Die laatste voorspelling vind ik wel een moeilijke.” Achter deze uiting van Nijboer vullen we in gedachten het woord in dat eerder in de zin heeft geklonken, het woord  voorspelling is als het ware verdwenen. Dat heet een ellips “weglating van een of meer woorden in een zin die er door de hoorder of lezer vanuit de context gemakkelijk bij gedacht kunnen worden”, aldus Van Dale. Soms wordt dat taalkundig weergegeven via ø.

Niet in alle gevallen waarin iets elliptisch afwezig is, kunnen we evident één woord aanwijzen dat door de spreker als het ware achterwege is gelaten. Neem een waarschijnlijk toenemend aantal gevallen zoals deze,- ik heb wat ik kon vinden in 2017 en 2018 bij elkaar gezet:

• Madeleine van Toorenburg (CDA): “Zeker in dit soort ingewikkelde zaken, waarin het gaat om seksueel misbruik van kinderen, is dat een heel lastige.”

• Ockje Tellegen (VVD): “Ik vind dat toch een heel lastige.”

• Minister Hennis (Defensie): “(…) terwijl ik ook vaststel dat voor zover mij bekend de OVV niet in Kidal is geweest en niet het hospitaal heeft bezocht, dan vind ik dat een lastige.”

• Minister Hennis (Defensie): “Dat wil ik dan in alle openheid met u delen. Dan komen wij daarover te spreken, ook in de beleidsreactie. Dat heb ik bij herhaling aangegeven. Maar ik vind het een lastige.”

• Informateur Zalm: “De vraag van de heer Van der Staaij hoe je met de publiciteit omgaat, heb ik al een beetje beantwoord. Dat is een lastige.”

• Carla Dik-Faber (CU): “Voorzitter. De plek van restwarmte in de trias energetica is een lastige.”

• Agnes Mulder CDA “Of krijgen we dan gewoon onmiddellijk actie en weten we dat de minister in gesprek gaat? Anders vind ik het wel een beetje een lastige.”

• Staatssecretaris Van Ark (Sociale Zaken) in reactie op deze vraag uit Kamer (t.w. Ik ben benieuwd of de staatssecretaris ook dit punt van de cao’s voorafgaand aan het wetsvoorstel wil meenemen:) “Dat vind ik een lastige.”

Er zijn minstens vier punten die in dit verband opvallen.

  1. In de meerderheid van de gevallen is er géen sprake van een elliptisch element ø, vaak immers heeft de spreker nog geen zelfstandig naamwoord gebruikt. Meestal is overigens het woord probleem, kwestie, vraagstuk of iets dergelijks aan te vullen.
  2. Deze manier van zeggen is typisch voor inbreng van de kant van vrouwen – zeker als we in aanmerking nemen dat zij zowel in het Kabinet als in de Kamer in de minderheid zijn is hun aandeel in de citaten verbluffend groot.
  3. Het gaat telkens om een oordeel van de kant van de spreker (v, héel soms m) meestal uitgedrukt met de persoonsvorm vind (soms is).
  4. Er lijkt momenteel nog sprake van beperking tot het woord lastige, maar ik kan heel goed iets niet gesignaleerd hebben. Zodra een uiting populair wordt, zoeken sprekers naar variatie en dus naar mogelijkheden tot uitbreiding.

Als vinden of iets van een oordeel in de buurt is, volstaat in het Binnenhofs een bijvoeglijk naamwoord?

Afwachten, opletten en erbij blijven.

Dat kan ook in commissie, lezer (m/v).

 

 

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | 1 Comment