Nul antwoorden en nul antwoord: de invloed van het Engels

Lopen wiskundeleraren nog met een grote liniaal, een houten gradenboog en passer door een schoolgebouw? Ach nee, aan dat beeld hebben elektronische borden allang een einde gemaakt. In gedachten zie ik de docent van de eerste twee klassen van de middelbare school voorzien van dat vakmateriaal door de gang lopen, de klas binnenschrijden – bedaard als de filosoof die hij leek te worden. Hij vertelde immers een keer dat hij bezig was met een proefschrift over het getal nul…. Verbijstering maakte zich van ons meester. Ach, misschien was het alleen de jongen die naast me zat, omdat hij een hand voor zijn opengevallen mond bracht. Nul!
Zoeken op internet laat zien dat het onderwerp gewijzigd moet zijn, en nog wel van niets naar oneindig. De Leidse dissertatie van vijf of zes jaren later heet Oneindigheid bij Wittgenstein: enkele hoofdlijnen van Tractatus tot Philosophische Untersuchungen, E. van der Velde. Errit was zijn voornaam zie ik nu, afkomstig uit de omgeving van het Fries-Groninger grensgebied en niet uit Indonesië zoals ik vroeger dacht op grond van zijn uiterlijk.

Foto ontleend aan boekwinkeltjes.nl

Nul is een telwoord, een hoofdtelwoord ‘dat het ontbreken van elke hoeveelheid of van eenheden van een bep. orde uitdrukt’ (Van Dale). Elke hoeveelheid of eenheid: wil je nul vóor iets kunnen zetten, dan moet het wel gaan om iets dat weegbaar of anderszins kwantificeerbaar is.

In de Tweede Kamer ging het in het coronajaar 2020 aanvankelijk zeer vaak over het streven naar nul besmettingen. Maar uit de mond van belangrijke politici als Rutte, Klaver, Wilders en anderen viel nul ook te horen in licht ander gebruik:

Rutte
• schaarste speelt hier nul rol
• De GGD treft hier nul blaam
• Eén is: terug naar nul huisbezoek.

Klaver
• Daar komt nul antwoord op.
• het eigenlijk bijna niet meer zien zitten omdat ze nul contact hebben
• Volgens mij is er nul discussie over dat het geld er zou moeten komen.

Wilders
• [over Italië] dat er nul belastingmoraal is
• Holle frasen, nul daadkracht.
• omdat we vinden dat het virus buiten bijna tot nul verspreiding zal leiden

Alleen al het gebruik van het enkelvoud is opmerkelijk want nul combineert gewoonlijk met een meervoud als dat mogelijk is (nul dodelijke verkeersslachtoffers, nul kosten, nul interventiemogelijkheden). Nul antwoorden betekent ‘geen antwoord’, het nieuwe nul antwoord bevat naar mijn indruk een stelliger ontkenning ‘geen enkel antwoord’ of ‘nog niet het begin van een antwoord’ zoals Geert Wilders graag zegt.

Ik heb de indruk dat nul antwoord maar ook nul blaam, nul daadkracht e.d. een anglicisme bevat, een vertaling naar de Engelse voorbeelden zero tolerance, zero-emissie, zero risk. Het vreemde, aan een andere taal ontleende woord lijkt krachtiger dan wat gebruikelijker Nederlands was. For the time being.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De takketandjes van Farid Azarkan. Ik denk, ik denk….

De takketandjes van Farid Azarkan (DENK) ja, want deze woordvoerder introduceerde dat woord in 2020 in de plenaire zaal van de Tweede Kamer. Hij introduceerde het niet alleen, hij gebruikte het daarna nog driemaal in datzelfde kalenderjaar – straks daarover nader. Takketandjes? Ik denk dat het redelijk is om dat woord van achteren te benaderen, van rechts naar links. Tandjes is een term die in vrij vaste combinatie met het werkwoord schrikken vindbaar is in kranten. Niet alle kranten, we moeten ze van twee beperkingen voorzien: het gaat om bladen na 2000 en we moeten ons op Zuid-Holland richten. Zich de tandjes schrikken lijkt dus een regionale en een actuele manier van zeggen.

In 2001 staat in het Rotterdams Dagblad (dank, LexisNexis): “De tieners schrikken zich de tandjes als jichtige Jop binnenstrompelt.” Daarna zien we pas in 2014 in Groot Rijswijk: “We schrokken ons de tandjes, toen we de muziek van Ramstein horen.” Zo staat het er.
In 2019 valt het AD/Haagsche Courant te citeren: “Naast het feit dat je je als buurtbewoner de tandjes schrikt heb je ook nog te maken met gevaar voor woningen.”
Verrassend vanuit een geografisch perspectief is het dan dat we in 2020 in het Dagblad van het verre Noorden zien dat mensen zich de tandjes schrokken: zich de tandjes schrikken is aan een verspreiding over Nederland begonnen vanuit de omgeving van Rotterdam.

Wat schrikken we ons verder (behalve de tandjes) in het Nederlands als we dat een beetje willen benadrukken? We schrikken ons dood, wild, rot, kapot, een hoedje, lam, een ongeluk, een bult, te pletter, wezenloos, het lazarus, te barsten, het leplazarus, een aap, het apezuur, de pleuris, ongelukkig, een puist, een beroerte, naar, suf, gek, het schompes, te barsten, lens, apelazarus, een rolberoerte, ongans, de ziekte – het is met geen pen te beschrijven zou Geert Wilders (PVV) zeggen.

Interessant in ons kader zijn twee wat verborgen maar verlengde medische termen in deze reeks: leplazarus (denk aan lepra) en rolberoerte. De eigenlijke ziekte heeft aan de voorzijde een verlengstuk gekregen dat een beetje allitereert met de rechterkant: leplazarus, rolberoerte.

Nu komt takketandjes in beeld. In Van Dale (dat dit woord nog niet heeft) kunnen we het negatieve voorvoegsel takke– geïllustreerd zien aan takkeherrie, takkelijer, takkemens, takkeweer, takkewijf. Takke- is een restant van het Franse woord attaque ‘beroerte’ en dat past in deze sfeer dus precies. Het versterkt door de allitererende klank en de medische verwensingen horen bij deze intensiverende bijwoorden.

Farid Azarkan (website Tweede Kamer)

Azarkan was in 2020 veel aan het woord wegens corona en er was door de druk op de medische zorg en bij andere sectoren alle reden om naar uitroeptekens te grijpen. Zo zei de DENK-fractieleider onder meer: “De antwoorden van de VVD zijn pijnlijk, zeker als je je de afgelopen maanden in de zorg de takketandjes hebt gewerkt.”
We schríkken ons niet meer zozeer de tandjes, sommigen van ons wérken zich de takketandjes – wacht maar af.

Denk ik.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Op een haar + op een oor na gevild = op een haar na gevild. N.a.v. de biografie van Hans van Mierlo

Kan het zijn dat er in de volgende zin een contaminatie voorkomt, een mix van twee uitdrukkingen? “Na vijf maanden lijkt de vorming van een kabinet op een haar na gevild.” Laten we ons niet bekommeren om het geploeter van Jaap Burger en Marinus Ruppert in de vroege jaren ’70 van de vorige eeuw en laten we Den Uyl en Van Mierlo ook ergens in een ruimte aan het Binnenhof de loop van de geschiedenis laten afwachten en naar de talige inhoud kijken.


“Na vijf maanden lijkt de vorming van een kabinet op een haar na gevild” staat in het begin van het hoofdstuk dat de vorming van het kabinet-Den Uyl beschrijft in Hubert Smeets’ lezenswaardige biografie van Hans van Mierlo, zojuist verschenen. (Het staat onder meer op blz. 143.)
Ik denk dat het een optelsom is van deze twee idiomatische uitdrukkingen in het Nederlands:

  • op een haar (na)
  • op een oor na gevild

In Dat gezegd hebbend… staan een paar voorbeelden van dat soort verschoven taal, hetzij als woord (plotsklaps = plotseling + eensklaps, puinzooi = puinhoop + rotzooi), hetzij als uitdrukking. “In het pak genaaid is mogelijk een contaminatie van in het pak gedaan ‘kind in de luiers gestopt’ en genaaid ‘belazerd’… zoals dat wat oneerbiedig heet.” (Dat gezegd hebbend… p. 153)

Van Dale plaatst beide uitdrukkingen op één lijn: het is op een oor of haar na gevild ‘het is nu bijna klaar, gebeurd, achter de rug’. Maar het grote boek van Stoett (zie F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk) via DBNL.nl) heeft maar één van deze twee: “Het varken is op een oor na gevild (of gewasschen), d.w.z. de zaak is op eene kleinigheid na afgedaan.”
Op een haar wordt door Stoett alleen op zichzelf beschreven, zonder dat er van villen sprake is: “Op een haar, d.w.z. zoodat het niet de breedte van een haar scheelt, verschilt; zoodat er niet de breedte van een haar aan ontbreekt”.

Als we via LexisNexis en dus in hedendaagse kranten kijken naar het voorkomen van dat villen in combinatie met hetzij een haar, hetzij een oor (in dialecten kunnen de woorden haar en oor vrijwel identiek klinken), dan zien we dat Van Dale gelijk heeft, beide komen vergelijkbaar frequent voor.
Er is wél onderscheid te maken als we de context erbij betrekken. Op een oor na zien we bij uitstek als er iets gedaan is dat bijna af is, op een haar na combineert vooral goed met iets passiefs, een gebeurtenis die nét niet heeft plaats gevonden. Typerend is het dus dat in een krant staat dat een verbouwing, een aankoop op een oor na gevild is (het varkentje is bijna gewassen), terwijl daartegenover een auto op een haar na in de sloot belandde, een voetbalclub is op een haar na veilig e.d.

Op een oor na villen is beeldend, op een haar na villen is daarentegen niet voor te stellen. Maar beide betekenen ‘vrijwel’ en het is dus geen wonder dat daaruit zo’n versmolten uitdrukking voortkomt.
De eerste die in de Tweede Kamer volgens de Handelingen de gecontamineerde variant gezegd heeft is mevrouw Ginjaar-Maas (VVD): “Als zoiets op een haar na gevild is, is het schandelijk dan nog de zaak op te willen houden.” (5 april 1979) Op een oor na gevild komt al veel langer voor (in deze bron zeker sinds 1907) en dat maakt die gedachte aan een mix extra aannemelijk.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De doctrine, feitelijk en anekdotisch: Bolkestein en Rutte

Frits Bolkestein (VVD) is de Nederlandse politicus aan wie het vaakst het doctrine-etiket is toegevoegd. Dat is enerzijds misschien geen wonder (hij was Europees Commissaris en in die hoedanigheid kan een onder hem uitgevaardigde richtlijn doctrine genoemd worden), maar wel dat hij er in het Nederlandse parlement zo vaak mee geafficheerd is. Het overkwam hem meer dan iemand anders én in verschillende betekenissen.

Zelf heeft Bolkestein over de ministeriële verantwoordelijkheid gesproken. Hij ontkende toen (tegenover Enneus Heerma CDA) dat er iets als een Carrington– of Bolkestein-doctrine was. Wat is er wel: “er is geldend staatsrecht”.

Willibrord van Beek (VVD) vatte dat staatsrecht in 2006 als volgt samen: “Wij zijn en blijven een fervent aanhanger van de Bolkesteindoctrine. De minister is verantwoordelijk, ook voor de ambtelijke organisatie, dus voor het doen en laten van zijn of haar medewerkers. Ook al treft de minister persoonlijk geen blaam wanneer er iets misgegaan is en ook al is er geen sprake van schuld bij hem of haar persoonlijk, dan nog blijft de minister altijd verantwoordelijk. Daarover kan geen misverstand bestaan.”

Maar op andere momenten blijkt uit de Handelingen dat er ook andere lezingen bestaan van de inhoud van de Bolkestein-doctrine:

• de Bolkesteindoctrine van de kostendekkende premies (1997)

• de Bolkestein-doctrine dat je eigenlijk niet acht jaar aaneengesloten op hetzelfde departement zou moeten zitten (Eerste Kamer 1998)

• hier lijkt zich een nieuwe Bolkesteindoctrine te ontwikkelen. Het dualisme lijkt zo geı̈nterpreteerd te worden dat de fractie van de VVD in de Kamer slechts wensen formuleert (wat spottend, Rosenmöller 1997)

• Vanuit het beginsel dat je een gulden dáár moet inzetten waar die het meeste oplevert (de Bolkesteindoctrine bij het milieu) geldt dat elke gulden voor de verkeersveiligheid vele malen méér maatschappelijk rendement oplevert dan een gulden voor de filebestrijding (1999)

• Bij Europese aanbestedingen kan de Bolkesteindoctrine om altijd de goedkoopste te kiezen, zeer slecht uitpakken voor het milieu. (2001)

• …. om je blindelings in het Europese marktgeweld te storten door de energiebedrijven, inclusief de netten, te privatiseren – de oude Bolkestein-doctrine – desnoods nadat je eerst een nationale kampioen hebt gemaakt. (2006)

In het voorbije kalenderjaar heeft Mark Rutte op diverse momenten laten zien, hoezeer familienaam+doctrine een anekdotisch moment in een debat kan opleveren:

• “Ik heb het vaker gezegd, ook in de media: hier geldt de Henk Kampdoctrine. Voor Henk Kamp werkten er maar twee mensen op Defensie: hij en de staatssecretaris. Ja, er waren er ook nog 60.000. Maar als daar kritiek op was, verdedigde hij de organisatie als zodanig.”

• “Het komt soms voor, vooral voor algemeen overleggen, dat er grote stapels stukken nog op het laatste moment worden toegezonden. Ik heb daar de Schippersdoctrine op toegepast. Edith Schippers belde in zo’n geval de voorzitter van de vaste Kamercommissie en zei: sorry, het kan echt even niet anders, maar er is nog een hele hoop informatie voor een AO dat heel binnenkort aanstaande is, zullen we het een paar dagen later doen?”

• “Koolmees was al bekend als onderdeel van de trojka en als minister van Sociale Zaken, maar hij is ook de uitvinder van de Koolmeesdoctrine. De Koolmeesdoctrine luidt dat gedrag uiteindelijk de kern is, dat het niet om de maatregelen gaat maar om het gedrag; maar hoe kom je van maatregelen en handhaving tot gedrag? Daar hoort communicatie bij. Daar hoort ook bij dat je ruiterlijk de enorme impact benoemt die het heeft.”

Wat de impact is van het bestaan van de Rutte-doctrine kunnen de komende weken duidelijk maken.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De betekenisontwikkeling van een woord: n.a.v. de Rutte-doctrine

Kijken in Van Dale naar de betekenis van het woord doctrine levert deze simpele informatie op: doctrine is ‘leer, leerstelling’. Dat is niet alleen simpel, het is ook onvolledig en de Handelingen van het Nederlandse Parlement kunnen ons aan een completer beeld helpen. Door het aftreden van Rutte-III en door het aangekondigde voornemen van het kabinet om de informatievoorziening te verbeteren, is het wel zeer actueel om aandacht te schenken aan doctrine. Immers, het was de Rutte-doctrine waarin het ontoereikende van de informatievoorziening waarover de Commissie-Van Dam sprak tot uitdrukking kwam.
Het was maar één sms-je van een ambtenaar, aldus Rutte, maar Rutte-doctrine is een etiket waar het zeker in campagnetijd vaker over zal gaan.

Google-afbeeldingen: Rutte bij de Commissie-Van Dam

Er is een duidelijke ontwikkeling in de inhoud van doctrine, van zwaar naar licht.
Het zware zit ‘m in de oorspronkelijke toepassing als er sprake is van een bestaande doctrine in vooral de rechtswetenschap maar ook in de kerkelijker sfeer van de dogmatiek. Voor juristen bijvoorbeeld is doctrine ‘de rechtsleer’, de theorie die als het ware de basis is of zou behoren te zijn van de rechtstoepassing, de jurisprudentie. In de Kamer is er wel eens onderscheid gemaakt tussen doctrinejuristen en praktijkjuristen.

Bij een vrij willekeurige plons in de parlementaire notulen vanaf het jaar 1950, zien we dat doctrine ook iets anders betekent, namelijk ‘politieke strategie’. Vooral de communistische doctrine, de Stalinistische doctrine zijn termen die in de Koude Oorlog geregeld vallen en die dan zeker een negatieve lading hebben. Hier voor het eerst zijn doctrine en indoctrineren echt naaste familie van elkaar.
Stalinistisch is een bijvoeglijk naamwoord (teruggaand op Stalin), een woordvorming die bijvoorbeeld het Engels ontbeert. Uit (ik neem aan) die internationaal-politieke taal komen daarom veel voorbeelden van de naam van een politicus gevolgd door –doctrine, waarmee een bepaalde aanpak in bijvoorbeeld de buitenlandpolitiek van een land of groep landen wordt uitgedrukt. De Truman– en de Eisenhower-doctrine zijn daarvan een voorbeeld, aan andere zijde de Breznjew-doctrine. Een reeks van regeringsleiders of ministers van Buitenlandse Zaken e.d. zijn langs deze weg vereeuwigd: Monroe-, Hallstein-, Dulles-, Baker-, Nixon-, Bush- en Bangemann-doctrine kunnen we hier onder rekenen. De Brundage-doctrine was een algemene regel uit de sfeer van de Olympische Spelen.
Heel soms – wellicht mede onder Franse invloed – is de volgorde omgekeerd zoals in de doctrine-Ailteret, de doctrine-Beaufre.

Zoals Van Dale in een reeksje voorbeelden demonstreert, er zijn ook samenstellingen als bedrijfsdoctrine, kerkdoctrine, overheidsdoctrine, partijdoctrine, staatsdoctrine. Daar is ‘leerstelling’ soms wat meer, soms wat minder van toepassing. Toen D’66 opkwam, was er sprake van een ontploffingsdoctrine: als we ons werk hebben gedaan gaan we onszelf opheffen. Daar lijkt –doctrine eerder een ‘voornemen’.

Na enkele kleine aankondigingen in de Nederlandse politiek werd 1997 het jaar waarin de toevoeging van –doctrine aan de naam van een Nederlands politicus doorbrak; let wel: voor binnenlands gebruik. Ik denk dat premier Lubbers er in 1993 mee begon toen hij met stille spot sprak van de Bolkestein-doctrine. Milieu-aspecten en de OV-jaarkaart voor studenten raakten elkaar in het toenmalige debat en Lubbers zei toen: “(…) krachtens de Bolkestein-doctrine moet hij een gelukkig mens zijn, want de overheid bemoeit zich er in ieder geval niet meer mee?” Bolkestein schoof dat punt liever even terzijde, maar hij was wel de eerste of een van de eersten naar wie een –doctrine geëtiketteerd werd. Bovendien overkwam het Bolkestein als een van de weinigen bij dit etiket dat dit diverse malen en in verschillende toepassing gecreëerd werd.

Een lange reeks van Nederlandse politici zijn dragers van het onderscheidingsteken dat het tweede lid –doctrine is zoals Wolffensperger, Stellingwerf, Jorritsma, Vendrik, Zalm, Balkenende, Van Aartsen, Van Mierlo, Van der Vlies, De Hoop Scheffer, Donner, Nawijn, Rosenthal en in de laatste Kamerperiode Snel, Bisschop, Dijsselbloem, Zijlstra, Van Ojik, Femke Halsema, Nijboer, Hans Alders, Koolmees, Schippers en Henk Kamp. Soms dus met voornaam en al, soms in de omgekeerde volgorde zoals in het verleden bij ons sprake was van de doctrine-De Vries, de doctrine-Drees/Oud.

De bijzonderste in dit rijtje is Roelof Bisschop. Het was premier Rutte die deze onderscheiding een keer in de Tweede Kamer op zijn (stille) gedoger van de SGP plakte: “Dit valt allemaal onder de Bisschopdoctrine: wijzigingen slechts na intensief overleg met de Kamer.”
Wie kent de Bisschopdoctrine? Veel succesvoller is de Rutte-doctrine, die vooral betrekking lijkt te hebben op iets uit de sfeer van selectief geheugen en het niet-volledig informeren van de Tweede Kamer. Waar één sms-je van een ambtenaar al niet toe kan leiden.

Vandaag werd Lord Carrington niet genoemd, ook al is hij de naamgever van de Carrington-doctrine: een bewindsman moet aftreden als de diensten die onder zijn verantwoordelijkheid opereren ernstig tekortgeschoten zijn, ook als deze bewindspersoon daar persoonlijk niet van op de hoogte was en er ook niets aan had kunnen doen. Zo formuleert Wikipedia het en voegt toe dat het een Nederlands begrip is, laat in de jaren ‘80 gemunt door… Frits Bolkestein.

Volgens een strikte uitleg van die doctrine is het de vraag, of Lodewijk Asscher gisteren had moeten aftreden (hij was geen bewindsman) en of het héle kabinet z’n ontslag vandaag wel had moeten indienen: ze hadden de betreffende diensten niet allemaal onder hun verantwoordelijkheid. Misschien had de premier ook alleen kunnen aftreden? Hoe zegt hij het zo graag: “Ik zeg: alles wat goed ging, heeft het team gedaan en alles wat niet goed ging, moet u mij aanrekenen.” Dat is kennelijk niet de concrete invulling van die Rutte-doctrine.

Kort samengevat: doctrine was iets groots als een leerstuk; het werd een (vooral internationale) strategie; in de Nederlandse politiek is het tegenwoordig eerder een trucje, een pesterijtje of zelfs een scheldwoord.

P.S. Het aftreden van Rutte-III is internationaal nieuws, CNN, The Guardian, Süddeutsche Zeitung:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Plus The Washington Post (de kop is een citaat uit de persconferentie van vanmiddag) en de Oostenrijkse omroep ORF:

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Voor het kabinet valt: nog even missionair terugblikken op taal van politici

“Je weet het niet, je weet het niet,”- zei Wim Kan dat al? Rutte III kan zomaar vallen door of vooruitlopend op wat Jesse Klaver (GroenLinks) en Lilian Marijnissen (SP) hebben aangekondigd.
Spannende tijden aan het Binnenhof. Wie gaan er, wie blijven er als de motie van wantrouwen wordt aangenomen? Of zet het kabinet er zelf een streep onder?

Stiekem kijken we nog even missionair terug op Binnenhofse taal uit de afgelopen jaren, taal van politici die onderwerp van attentie geweest is in dit blog. Een selectie (klein en ruw) nu we de spelers van het Haagse spel nog kennen. Véél meer staat er natuurlijk in Dat gezegd hebbend…

• Khadija jullie en ik ben de voorzitter Arib

• Thierry sluipmoordenaar Baudet

• Vera nabrander Bergkamp

• Ank eh Bijleveld

• Roelof gaarne Bisschop

• Martin huiliehuilie Bosma

• Jasper dat boeit niet van Dijk

• Nico diepgelovig Drost

• Jacco paGIna Geurts

• Rob verwachtingenmanagement Jetten

• Hugo der dingen de Jonge

• Jesse de heer Rutte Klaver

• Alexander gierend uit de klauwen Kops

• Renske tegen de plinten Leijten

• Helma gaat-u-gang Lodders

• Agnes versloeren Mulder

• Pieter alsdan Omtzigt

• Esther landbouwgif Ouwehand

• Mark Ruttiaans Rutte
• Mark besliste taal Rutte
• Mark HEMAworstliefhebber Rutte
• Mark zonder het Ruttiaans Rutte

• Carola zomaar gewasbeschermingsmiddelen en hoe of dat wij Schouten

• Arie ook als het gaat om met betrekking tot Slob

• Kees van nou en van de Psalmpolitie van der Staaij

• Madeleine stuiteren van Toorenburg

• Barbara als het gaat om Visser

• Eric gut gut en jeetje Wiebes

• Geert voor de bus gegooid Wilders

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Der dingen: wat is een greep naar ouder Nederlands, wat is aanstelleritis

De verdergaande digitalisering gooide een poosje roet in het eten, toen Internet of Things, IoT, vertaald werd als ‘internet der dingen’. Maar verder leek het ouderwetsige “der dingen” in de richting te gaan van een langzame dood in de nationale vergaderzaal. Goed, er was natuurlijk wel eens een vertegenwoordiger van een partij op religieuze, vooral protestantse, grondslag die het passend vond om der te gebruiken. Ook een enkele andere ervaren vergaderaar (minister Melkert, staatssecretaris Dijksma, Kees Vendrik (GroenLinks)) wierp het procedurele “volgorde der dingen” in de strijd en van het huidige kabinet vooral mevrouw Schouten, mevrouw Ollongren en Van Nieuwenhuizen. Verder leek deze tweede naamval meervoud op een langzaam uitdovende kaars.

Totdat de vlam vooral in het coronajaar 2020 begon op te flakkeren. Dat had vooral te maken met de minister van VWS die toen zo vaak in de plenaire zaal het woord moest voeren. Hugo de Jonge is de gebruikskampioen onder de der-dingenzeggers en hij beperkt zich in dit opzicht lang niet altijd tot de gewone (volg)orde der woorden.
Enkele voorbeelden zonder nadere context zijn voldoende:
• Dat is gewoon de werkelijkheid der dingen.
• om gewoon vast te houden aan een langjarig beleid en niet ineens de huidige situatie als de maat der dingen te nemen.
• Dat is de volgordelijkheid der dingen.

Ik denk dat er reden is om aan te nemen, dat een politicus zich via iets als “… der dingen” extern manifesteert als iemand die het klappen van de zweep kent. Hij hoort er bij.
Soms zie je dat iemand zich nog bevindt op weg naar die onderscheiding. Dat is het geval wanneer dezelfde Hugo de Jonge in 2019 blijkens de (ongecorrigeerde) Handelingen uitglijdt en zegt: “Het aantal stichtingen lijkt mij niet per se maatgevend der dingen om de mate van complexiteit aan te tonen.” (31.10.2019) Maatgevend der dingen.

Toen Thierry Baudet een jaartje deel had uitgemaakt van de Tweede Kamer, diende hij in 2018 een motie in waarin hij afweek van de normale slotwoorden “en gaat over tot de orde van de dag”. In plaats daarvan stond er nu: “en gaat over tot de dagelijkse orde der dingen.” Ambtgenoten moeten toen gedacht hebben: Arrivé!

Hetzelfde jaar probeerde de FvD-fractieleider dezelfde grap opnieuw te brengen, maar nu vergiste hij zich: “en gaat over tot de dagelijkse orde van der dingen”. De dagelijkse orde van der dingen.

Als er aan het Binnenhof naar ouder Nederlands gegrepen wordt, kunnen talige spoortjes een indicatie vormen van het ongebruikelijke in de taal van degene die het woord voert, hetzij een bewindsman, hetzij een volksvertegenwoordiger. (Zie wat Henk Krol overkwam toen hij gij verkeerd gebruikte.)
In theorie lijkt het me mogelijk dat er in dit soort gevallen sprake is van aanstelleritis, maar daarover kunnen medici beter oordelen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen