Grotelijks

Het lijkt wel of het woord grotelijks niet kan verdwijnen uit het parlementaire taalgebruik. Met een opflikkering van tegen 1970 via de combinatie grotelijks belazerd (zie Trouw) leek het bijwoord op weg naar het bejaardentehuis waarin zich zoveel uitgediende Nederlandse woorden bevinden. Maar nee, telkens was er wel weer een politicus die het woord – en waarom eigenlijk – van stal haalde. Dat gebeurde van links tot rechts. Marcus Bakker (CPN, 1979): “Ik kom dan tot wat ik een uitermate schokkend aspect van de hele zaak vind, namelijk het optreden van de heer Boersma, een naam, die hier tot nu toe is omzeild, grotelijks.” En een jaar later ds. Van Dis (SGP): “Wat dunkt u, zou God niet grotelijks moeten toornen als Hij ziet dat Zijn schepselen in woord en daad betonen wat de psalm-dichter zegt: ‘Laat ons (…)”. En na Van Dis volgde de afgelopen jaren nog een hele trits sprekers in (onder meer) de Tweede Kamer die het woord gebruikten, in strijd met het normale Nederlands van buiten het Binnenhof.

Website Trouw

Laten we teruggaan naar 1816, het eerste jaar dat grotelijks via de Handelingen terug te vinden is, grootelijks zoals het toen geschreven werd.*) Hoe gewoon was het toen, we komen het minstens vijfmaal tegen:

  • “Alle deze bezwaren vermeenen requestranten grootelijks dat zouden worden weggenomen, en het bestaan der branderijen, zonder nadeel voor ‘s Rijks schatkist, verzekerd, indien (…)”
  • “en zelfs ook de buitenlandsche scheepvaart grootelijks te onderhouden, (…)”
  • “om diegenen, welke bij gelegenheid der plaats gehad hebbende onlusten onregtvaardig en grootelijks hadden geleden, schadeloos te stellen.”
  • “het debiet der inlandsche gefabriceerde goederen grootelijks bevordert (…)”
  • “ik ben overtuigd geworden, dat deze tak van publieken voorspoed grootelijks bedreigd wordt, indien (…)”.

Grootelijks betekende in 1816 kennelijk iets als ‘in aanzienlijke mate’ en het was echt een bijwoord, het vond z’n positie in de zin telkens in het directe gezelschap van een werkwoord. Dat is een opmerkelijk verschil met de manier waarop Marcus Bakker het 163 jaar later gebruikte, los aan het eind van de zin. En ‘in aanzienlijke mate’ past hier niet zo soepel als vertaling. Ds. Van Dis betoonde zich in dat opzicht meer in de leer als grotelijks-benutter.

Dat geldt ook voor degene die tot dusver als laatste in de Handelingen te boek staat als gebruiker van grotelijks – hoe grappig, het is de voormalige staatssecretaris uit het kabinet-Den Uyl, Martin van Rooyen. Nu is hij jong Kamerlid voor 50PLUS. Hij zei op 29 maart j.l. geheel conform de vroegere gewoonte: “Ik denk ook dat de staatssecretaris hier grotelijks tekortschiet.” We vinden het bijwoord vlak voor de persoonsvorm en het onderstreept wat in het werkwoord uitgedrukt staat, dát is nog eens 50PLUS!

Iedereen tussen Van Dis en Van Rooijen noemen in de periode van 1980 tot nu, dat is wat veel. Han ten Broeke (VVD) wil wel geloven, dat hij het woord in 2007 en 2011 op de oude manier gebruikte net als incidenteel een enkele collega. Bij een toenemend aantal sprekers is daarentegen te vermoeden dat grotelijks nét niet meer een onderstreping is van het werkwoord maar de betekenis ‘grotendeels’ gekregen heeft. Begrijpelijk vanuit de vorm van het woord grotelijks.

Mark Rutte zei in 2014: “Het Europees voorzitterschap is nog grotelijks in bewerking.” En in 2016 tweemaal in hetzelfde debat over dat vermaledijde Oekraïne-referendum: “Maar ze gaan hun weg vinden om grofweg, grotelijks, wat er nu op tafel ligt toch te doen, zonder Nederland.” En: “Maar naar mijn politieke overtuiging zal het vervolgens grotelijks allemaal doorgaan.” Op 27 oktober 2016 herhaalde Rutte zich als het ware: “Wij denken nu grotelijks beschikking te hebben over de stukken die RTL ook heeft gezien.”  Let op de aangepaste syntactische positie en de semantische wijziging.

De premier is niet de enige. Pieter Omtzigt (CDA) lijkt grotelijks wel eens te gebruiken in de betekenis ‘royaal, ruimhartig’, wat zijn partijgenote Gerda Verburg ook al enkele malen leek te bedoelen in een aanval op Wouter Bos in 2004. En minister Pieter Winsemius (VVD) zei in 1984 op zijn beurt tegen een CDA’ster: “Het brandde mij op de tong – ik heb mij grotelijks weerhouden van het maken van een opmerking – (…)”. Daar is eigenlijk net zo hoorbaar dat het woord niet zo naturel in de zin terecht komt als op een andere manier in 1993 bleek bij een woordspelerigheidje van minister Ernst Hirsch Ballin (“een onderdeel van de rijksoverheid waar de efficiency moet worden vergroot, grotelijks vergroot zelfs”) of het ook wat gedwongen overkomende “Als dat breder gebeurt, is het grotelijks gevaarlijk voor de werkgelegenheid”, zoals staatssecretaris Henk Koning (VVD) in 1988 zei.

De aangepaste plek in de zin, de minder specifieke betekenis, het algemeen gezegd minder gewoon overkomen, dat zijn allemaal dingen die illustreren dat grotelijks bezig is met z’n vertrek uit het hedendaagse Nederlands. Maar wat heeft het woord het moeilijk met die laatste gang naar het bejaardentehuis.

*) Eenmaal ook geschreven als grotelijks. Ik laat het citaat hier buiten beschouwing.

P.S. Vergelijk voor de vorm (zonder bijwoordelijke -s) het woord momentelijk. Dat formele overeenkomst met een ander woord de betekenis kan beïnvloeden: zie concludent.

About Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen.
Publicaties bijvoorbeeld via http://bit.ly/2hyBtUy of (verder teruggaand) http://bit.ly/2htQceB

This entry was posted in PARLEVINKEN, Taal van Rutte. Bookmark the permalink.

2 Responses to Grotelijks

  1. Patrick De Schepper says:

    Gelijkaardige woorden: grotendeels, schromelijk…

  2. Willem says:

    In het geval van Kamerlid Van Dis is het gebruik van de samenstelling ‘grotelijks toornen’ rechtstreeks terug te leiden naar de Statenvertaling van de Bijbel: Prediker 5.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *