Naarstig en naarstiglijk

 

Woonhuis Luther Wittenberg (fragment, SR)

Zondag 38 (vraag 103) van de Heidelberger Catechismus wil “dat ik, inzonderheid op den sabbat, dat is op den rustdag, tot de gemeente Gods naarstiglijk kome”. In dezelfde bron worden de geloven opgeroepen in een aantal opzichten hun best te doen en daarbij wordt het werkwoord benaarstigen gebruikt (Zondag 44, vraag 115). Benaarstigen is geheel uit het parlementaire taalgebruik verdwenen, het kwam voor het laatst voor in 1904, volgens de Handelingen van de Tweede Kamer. Naarstig is etymologisch gezien mogelijk ernstig ‘serieus, je best doend’ waarbij het slot van een aangrenzend woord is vóorgevoegd. (Omgekeerd, het verlies van een beginklank aan een vrij vast voorkomend woord ervóor is ook niet onbekend, zo werd een narreslee (met belletjes) verkleind tot een ‘arreslee.)

Ook naarstiglijk – door het achtervoegsel zo zichtbaar een bijwoord – is een woord dat een eeuw geleden misschien nog een zeker onderdeel uitmaakte van het levende Nederlands, ook al kwam het niet veel voor. Vóor 1900 zien we in de Handelingen van de Tweede Kamer enkele malen de vaste combinatie naarstiglijk en getrouwelijk – duetten zoals die in juridische bepalingen zo geregeld figureren: zie bijvoorbeeld Concludent, Medezeggingschap –  daarna zet de neergang van naarstiglijk in. De Kamervoorzitter doet in 1914 een belofte aan zijn medeleden: “Ik behoef nauwelijks te zeggen, dat ik de wenken, aan den Voorzitter gegeven, naarstiglijk zal overwegen.”

Op 25 juni 1970 is het Kamerlid Huub Franssen (PvdA) de laatste die het gebruikt als hij zich in het kader van een verandering van het Reglement van orde afvraagt: “Hoe zit het eigenlijk met die openbaarheid, waar komen die woorden „gesloten deuren” vandaan? Ik heb daarom naarstiglijk gespeurd naar de herkomst ervan.”

Van naarstiglijk is in de praktijk alleen naarstig nog overgebleven. Dat woord valt overigens in de Kamer verrassend vaak, vanaf 1995 bijna 90 maal – afgaande op de uitkomst van de zoekopdracht van de Handelingen via de daar voor bedoelde website (overheid.nl). De laatste is DENK-spreker Azarakan in het Verantwoordingsdebat van 31 mei 2017: “Tot slot wil ik iets zeggen over de Belastingdienst. Er is al veel over gezegd. Terwijl Rutte, Buma en Pechtold al ruim twee maanden naarstig op zoek zijn naar een vierde klaverjaspartner, is de Belastingdienst het slachtoffer van de huidige politieke impasse.”

Op 26 januari dit jaar is CU-leider Segers (dan nog niet de vierde klaverjasser) naarstig op zoek naar zelfrelativerende opmerkingen. Farid Azarakan en Gert-Jan Segers combineren elk van beiden naarstig met zoeken. Deze vaste combinatie is gangbaar Nederlands, ook al was er vroeger zekere variatie mogelijk.*) Nemen we drie citaten van drie staatssecretarissen uit Rutte-II als voorbeeld:

  • Klaas Dijkhoff reageert op een van de Oosting-rapporten over de Teeven-deal: “Ik heb op geen enkel moment de gedachte gehad dat ik op informatie stuitte die iets onthulde en die de Kamer na naarstig vragen onthouden is geweest.” (16.12. 2015 )

Het onthouden van iets aan de Kamer in het citaat van Dijkhoff zou dat zijn, waar het parlement nu juist naarstig vragend naar op zoek was.

  • Jetta Klijnsma zegt aan de Kamer wat ze al schreef: “Ik heb de Kamer ook al geschreven dat ik dit naarstig blijf monitoren.” (19.02.2014)

Hier is naarstig monitoren te zien als een vorm van serieus zoeken, althans nauwgezet en actief oog hebben voor.

  • Sander Dekker moet op 06. 11.2013 iets uitleggen omtrent niet goed lopende examens: “Alle vmbo-leerlingen zitten naarstig te wachten op hun examenuitslag die ze morgen zullen krijgen.”

Opmerkelijk is dat naarstig nu vergezeld wordt van een werkwoord waar geen actie meer in uitgedrukt is, naarstig zitten wachten is wat de leerlingen doen. Tussen het moment dat in de Heidelberger Catechismus opgetekend werd naarstiglijk kome en de uitspraak “naarstig zitten te wachten” ligt dan ook bijna een half millennium. Naarstig is mogelijk bezig, z’n handelende element te verliezen; alleen het element-spanning blijft dan nog over.

Resteert – in aanmerking nemend het waarschijnlijke fractievoorzittersschap van Dijkhoff en het zekere CvdK-schap van Klijnsma in Drenthe – nog de onzekere toekomst van Sander Dekker. Waarop zit hij momenteel naarstig te wachten? Binnen anderhalve week weten we het als de formateur een beetje voortmaakt.

*) In 1917 zegt de liberaal Rudolf Patijn: “ik zal mij natuurlijk beijveren de rede van den Minister naarstiglijk na te lezen.” In 1924 vindt Egbertus Beumer (ARP) dat “de Regeering naarstiglijk zal kunnen voortgaan aan de bearbeiding van deze stof en weldra met een nieuw wetsontwerp zou kunnen komen.”

 

 

About Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen.
Publicaties bijvoorbeeld via http://bit.ly/2hyBtUy of (verder teruggaand) http://bit.ly/2htQceB

This entry was posted in PARLEVINKEN, prot-chr. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *