Wie maakt de taal? Van fouten en processen (1)

Wie maakt de taal? Wij met elkaar (vooral als we iets op schrift stellen) en we heten in die rol bij woordenboekmakers ook wel “de spraak makende gemeente”. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat lexicografen daarbij een tikkeltje aan klassejustitie doen, want aan de ene taalgebruiker kennen ze wel eens meer gewicht toe dan aan een ander(e). In de afgelopen weken verschenen in dit blog ruim 30 voorbeeldjes van taal-die-vragen-op-kan-roepen onder dat algemene opschrift De spraak makende gemeente. Het betrof concrete gevallen in de praktijk waar ik lezend in journalistieke producten achter bleef haken. De collectie is dus allerminst objectief. Bovendien lees ik maar een klein deel van alle mogelijke bronnen en ik heb ook lang niet altijd het rode potlood in gedachten. Ten slotte: niet steeds was ik in de stemming om een schermafbeelding te maken van de gelezen tekst op gsm of tablet. Die 34 taalstukjes zijn dus wel héel toevallig bij elkaar gekomen.

Zijn het allemaal fouten? Ik denk dat vrijwel alle gemarkeerde uitingen voor dat oordeel in aanmerking komen, al zal vooral een jongere docent minder vaak iets onjuist vinden om de simpele reden dat het Nederlands verandert. Wie ouder is zal wijzigingen sneller observeren en er allicht ook zwaarder aan tillen. Taal is dus onder andere iets relatiefs.

Dat leek me een mooi onderwerp in de aanloop naar het congres dat Onze Taal op 5 oktober 2019 gaat houden, Moedertaal – de taal van je leven. Die taal leeft zelf ook. Lange tijd namen we poolshoogte van iets. Toen begon iemand (misschien wel meer dan één iemand) te spreken van polshoogte. Logisch, het klinkt bijna identiek en er valt te denken aan het nemen van de pols in de medische sector; de scheepvaart en het positiebepalen via de pool boven de horizon (aldus Van Dale) is iets van vroeger. Als er genoeg mensen polshoogte gaan zeggen en schrijven, dan wordt dat in de woordenboeken opgenomen en kan het de norm worden. Polshoogte staat inmiddels in Van Dale en wel met de toevoeging “niet-algemeen”. In een eerdere druk uit de vroege jaren negentig werd het nog veroordeeld als “verkeerdelijk”. Hoe meer polshoogte geaccepteerd wordt, des te logischer zou het dan zijn dat poolshoogte op weg is om fout gerekend worden.

• Achteraf bekeken geldt lang niet voor alle gepubliceerde fragmentjes dat de kans groot te achten is dat we hier een begin van taalverandering waarnemen. De grootste kans hebben die gevallen die invloed van het Engels verraden: een beslissing maken (en niet: nemen)*), de Notre-Dame-kathedraal (the Notre Dame Cathedral), een soort van gewaardeerd (sort of) en waarschijnlijk ook de nieuwe betekenis van sportiviteit als ‘lichamelijke oefening’ in plaats van een psychische houding, een attitude. Sportive is in de Oxford English Dictionary “engaging or inclined to participate in physical forms of recreation; active or interested in games, field sports, or athletic activities”, Van Dale omschrijft sportief als “van de geest der sport bezield; in de geest der sport”.

Het probleem die, een edelhert die lijken ook voorbeelden van een veranderend Nederlands. Het lidwoord wordt afnemend nauw genomen, we verwijzen binnen een tekst of een uiting meer en meer alsof we alleen maar de-woorden zouden kennen (zoals het Engels, dat hier dus op de achtergrond een sturende rol kan spelen). Is het bezig met een terugtocht uit het ABN?

• Uitspraak is de belangrijkste basis van ons schrift. Dat zien we bij gevallen als de donorvaarder, tot nader orde, na mate u hem langer gebruikt, 33 andere fondse, een staalkaart aan semitisme en ten gelde maken. Ik denk dat de middenmotor hier ook bij gerekend moet worden. Wie (zoals ik als kind) geneigd was om het woord motor als moter te noteren, die kan omgekeerd van middenmoter (middenmoot+er) hypercorrect een middenmotor maken.
Het weglaten van een slot-n of juist invoegen op een positie waar deze voorheen niet hoorde, dat is typisch een West-Nederlandse kwestie, zij het onderhand zeker niet tot die regio beperkt. Het wachten is op het moment dat een volgende spellingaanpassing de uitspraak dichter bij onze wijze van noteren zou brenge in het verlengde van klassenboek en grenzeloos.
De [r] is een interessante klank, vooral in dezelfde lettergreep na een klinker. Soms legt-ie de uitspraak dwingend op, denk alleen maar aan de klinker in zee vs. zeer, kook vs. koor, deuk vs. deur. Maar op andere momenten speelt diezelfde [r] nauwelijks of veel minder hoorbaar een rol. In hoorbaar zelf bijvoorbeeld wél in hoor– maar niet in –baar. Ook na een sjwa doet het er eigenlijk niet toe of we in dezelfde lettergreep nog een [r] zeggen. Wie John Bercow in het Engelse parlement “Order!!!” hoorde roepen, kan vrijwel nooit een [r] gehoord hebben, ook al staat-ie tweemaal geschreven. Het enige is dat de eerste van de twee r’en een spoor nalaat in de lengte van de [o].
Geen wonder dus dat we op basis van het gehoor donorvaarder gaan schrijven voor donorvader, tot nader orde voor tot nader order, na mate voor naarmate e.d. Donorvade en naarder had op grond van de hoorbare realisering even goed gekund.

Neppe websites laten zien (als we het even beperken tot de taal) dat bijvoeglijke naamwoorden op twee plaatsen in een zin voorkomen. Ze kunnen predicatief gebruikt worden (Van Dale geeft als voorbeeld “de man is groot”) maar ook attributief (Van Dale geeft nu als parallel voorbeeld “de grote man”). Toen ik neppe websites zag, realiseerde ik me dat ik zelf nep alleen predicatief zou gebruiken: “die website is nep”. Kennelijk is dat voor anderen niet of niet meer het geval. Taal verandert.

• Opvallende taal komt niet zelden tot stand in een minder attente sfeer van opschieten opschieten. Koppenmakers vooral staan onder druk om haastig haastig haastig een opvallende tekst te produceren die met het artikel eronder in relatie staat en de potentiële lezer zou moeten aantrekken. Soms leidt dat tot inhoudelijk onjuiste informatie (te snel gelezen), soms tot onjuist Nederlands zoals in het geval “Bolsenaro predikt voor geweld”. Hier zijn twee wijzen van zeggen gecontamineerd tot een stukje on-Nederlands op basis van de betekenis die prediken kan hebben, namelijk ‘pleiten voor’ (geweld prediken naast pleiten voor geweld). Hetzelfde geldt voor uit eigener beweging, waarin twee met elkaar versmolten zijn tot één: uit eigen beweging en eigener beweging. Sprekers in de Tweede Kamer doen dat geregeld als ze niet van papier lezen; maar de Dienst Verslag en Redactie probeert deze logische ontsporinkjes in de Handelingen te repareren.

*) to make a decision: “to decide; to come to a judgement, conclusion, or resolution” (OED)

About Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

2 Responses to Wie maakt de taal? Van fouten en processen (1)

  1. Henk Bakker says:

    Van Dale zegt over sportiviteit: het sportief-zijn.
    Dan is er toch niets mis mee in deze context?

    Van Dale-13 geeft nog steeds klassejustitie, hoewel er al wel pannenkoek, pijpenlade enz. wordt aangegeven. Van Dale-14 heeft het opeens wel over klassenjustitie.

  2. Henk Bakker says:

    En onlangs hoorde ik nog ergens: Het luipaard die. (Bijna goed)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.