Letten op het belendende perceel (1): taalverandering rond het woordje best

Als we simpeltjes kijken naar het (ongecorrigeerde) verslag van de laatste plenaire vergadering van de Tweede Kamer in het vorige jaar, tellen we 23 maal het woord best. Is dat veel? Laten we in plaats van deze vraag een andere stellen: wat vergezelt best aan de rechterzijde? Natuurlijk, op zo’n laatste vergaderdag van het jaar klinken alvast goede voornemens door aan het Binnenhof en dus noteren we geregeld de uitdrukking z’n best doen ja, z’n uiterste best doen. Maar minstens zo opmerkelijk is de frequentie waarmee best direct vergezeld wordt door iets in de sfeer van een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord (samen gemakshalve aangeduid als A, respectievelijk adjectief en adverbium). Best fijn, moeilijk, vaak, veel, relevant, lastig, bereid zijn voorbeelden daarvan. Best mogelijk is een ander geval, waarschijnlijk het eerste dat een nieuwe trend in het Nederlands op gang heeft gebracht, namelijk die combinatie van best + A.

Het Binnenhof (SR)

Is dat een nieuwe trend, daar in Den Haag en vast ook elders in Nederland? Wie naar deze combinatie zoekt in bijvoorbeeld de jaren’50 en ‘60 van de vorige eeuw, die vindt deze zelden of nooit en dan nog het meest in het is best mogelijk. Ik stel me een oorsprong voor als dit: “best (te verdedigen dat het) mogelijk (is)”.

Precies daarin zit het toegevende aspect dat best karakteriseert in best mogelijk, best lastig, best moeilijk. De spreker m/v lijkt door het gebruik van best in deze context iets toe te geven – dat zou ontbreken bij weglating van best. Iets is lastig, dan is het simpelweg lastig. Iets is best lastig maakt de uiting iets genuanceerder, de spreker haalt een beetje van het stellige karakter weg en dat maakt het veiliger en iets vager geformuleerd. Hetzelfde geldt voor de verlengde variant best wel (dat is vermoed ik het eerst door vrouwelijke sprekers gebruikt, inmiddels is dat gelijk getrokken over de beide seksen).

Dat nuanceren door de spreker kan door taalkundigen modaal genoemd worden, de spreker geeft een persoonlijk oordeel(tje) mee. Daarom staat in Van Dale bij een van de vele trefwoordjes best de karakterisering modaal bijwoord. En de omschrijving daar? Dat gebeurt met woorden als ‘toch’, ‘heel goed’, ‘echt’. Het hangt een beetje van de context af, welk van die betekenissen het beste past, oorspronkelijk ‘heel goed’ wat best letterlijk betekent, maar later ook die andere omschrijvingen.

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

1 Response to Letten op het belendende perceel (1): taalverandering rond het woordje best

  1. Erik de Vries schreef:

    “oorspronkelijk ‘heel goed’ wat best letterlijk betekent”

    Best is de overtreffende trap van goed. Goed, beter, best. Best is dus het toppunt van goed.
    ‘Heel goed’ laat echter nog ruimte voor verbetering. Op mijn rapporten van de lagere school stond een toelichting van de cijfers 1 t/m 10 in woorden. 6 voldoende, 7 ruim voldoende, 8 goed, 9 zeer goed en 10 uitmuntend.

    Best betekent dus niet letterlijk ‘heel goed’, maar ‘zo goed dat beter niet mogelijk is’.

    Er kan er maar één de beste zijn. Beter dan best bestaat niet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.