Een constructie met ingebouwd wegwerpgebaar

Als een taalkundige het heeft over modaliteit dan gaat het over iets extra’s dat een spreker aan een uiting meegeeft. Van Dale zegt van het begrip: “de subjectieve houding of beoordeling van de taalgebruiker ten opzichte van de inhoud van een (deel van een) zin”.

Er zijn bijwoorden van modaliteit: echt, oprecht “ter uitdrukking van een stellige bevestiging”. In het hedendaagse Binnenhofs is het toenemend de gewoonte om echt oprecht in éen adem te noemen en iets op die manier wel zéer stellig bevestigen. (Eerder dit jaar Onderwijsminister Slob: “Ik ben dus echt oprecht verbaasd dat ik het verwijt krijg dat ik een motie niet uitvoer.”) Maar ja, als het altijd samen gezegd wordt dan is het mettertijd gewoon weer “ter uitdrukking van een stellige bevestiging” ook als ze als Siamese broeders uitgesproken worden.
Meer gebruikt is het woordje best waarmee een spreker als het ware iets impliciet erkent getuige deze voorbeelden vroeg in dit kalenderjaar, dus nog voor corona:

• “dat het soms best moeilijk is om onderscheid te maken” (Minister Van Veldhoven)
• die best graag naar een kleiner appartement zouden willen (id)
• Daar kan best uitkomen dat er geen aanwijzingen zijn (Renske Leijten SP)
• Ik snap best dat de coalitiepartijen geen zin hebben om over deze feiten te praten (Henk Nijboer, PvdA)
• Ik zou daar misschien best in mee willen gaan (Mark Harbers, VVD)

Dat bijwoordje best is telkens prima misbaar – daarom staat er een streepje door – de spreker v/m geeft alleen nog net even iets persoonlijks mee in de sfeer van ‘ik geef toe…’

Er zijn ook werkwoorden van modaliteit, bijvoorbeeld moeten, willen, mogen, kunnen. Dat is een aparte groep (kijk naar de vervoeging!) die de houding van de spreker als het ware weergeeft, hij/zij ziet iets als een verplichting, een dringende wens, een mogelijkheid.

Bijwoorden en hulpwerkwoorden van modaliteit vestigen in alle helderheid de aandacht op de positie van de spreker, maar er zijn ook bedektere methodes. Neem de volgende twee groepjes werkwoorden die ontleend zijn aan de Handelingen van de Tweede Kamer in de afgelopen jaren:

gaan zitten + handelingswerkwoord:

• om daar weer creatief met kurk aan te gaan zitten knutselen (minister Plasterk, 2016)
• Nu kunnen we gaan zitten dimdammen (Alexander Pechtold, D66 2017)*)
• Dus niet schijnheilig gaan zitten doen. (Dion Graus, PVV 2018)
• Niet meteen ouderwets gaan zitten schoolmeesteren. (Paul van Meenen, D66 2019)
• Als ik daar zou gaan zitten kruidenieren, om het maar even huiselijk te zeggen (minister De Jonge, 2020)

*) Het werkwoord dimdammen is allicht naar aanleiding hiervan in oktober 2017 in de elektronische Van Dale opgenomen met de betekenissen ‘dubben, delibereren, beraadslagen’.

gaan lopen + handelingswerkwoord:

• zonder dat wij iedere keer weer gaan lopen porren (Erik Ziengs, VVD 2016)
• Als wij op eigen houtje op ons eilandje Nederland van alles gaan lopen klussen (Agnes Mulder, CDA 2017)
• Dan wordt het namelijk pas echt een zooitje, als wij hier gaan lopen micromanagen. (Steven van Weyenberg, D66 2019)
• en vervolgens hier gaan lopen klagen over chantage (Emiel van Dijk, PVV 2020)
• Om nu al in de eerste weken gelijk te gaan lopen knabbelen aan andermans portefeuille (Staatssecretaris Van ‘t Wout, 2020)

Net als in de eerdere voorbeelden met het bijwoordje best, kunnen we in deze beide groepen minstens een van de drie werkwoorden moeiteloos schrappen – er mist dan slechts éen klein element, waar de spreker de nadruk impliciet legt op het negatieve, afgekeurde. Voorbeeld: Nu kunnen we gaan zitten dimdammen en als wij hier gaan lopen micromanagen
Ook al kan ook gaan soms als overtollig gezien worden, voor mijn gevoel geeft dat zitten de afkeuring al weer en versterkt een werkwoord als lopen dat nog in de tweede groep. Zitten benadrukt het negatieve passief, lopen doet dat op een actievere manier. De spreker gaat op distantie, door het gebruik van de constructie op zich en in veel gevallen sowieso door een op zich al veroordelend werkwoord (dat een handeling uitdrukt) als zeiken, rotzooien, janken, zeuren om maar een paar te noemen die in kranten van begin september 2020 vindbaar zijn.

En de premier? Mark Rutte gebruikt ook eerder de zitten-constructie dan die nog meer veroordelende met lopen. Gehoord op vrijdagse persconferenties waarvan hij er inmiddels een kleine 300 gehouden heeft in de afgelopen 10 jaar:

• “Ik kan als minister-president niet zomaar over alles naar hartenlust gaan zitten filosoferen, dat gaat niet.”

• “Je zag er ook echt dertig-, veertigjarigen tussen die blijkbaar geen leuk leven hebben en dan ’s nachts wijken onveilig gaan lopen maken omdat het te warm is.”

Onveilig gaan lopen maken. Daar spat in stilte de ergernis van af en dat wordt onderstreept door de aansluitende zin: “Of weet ik veel wat ze voor problemen hebben.”

Een cricket-scheidsrechter geeft veel minder stiekem aan dat hij zich distantieert, nu ja van een batsman: uit!

Uit The Dictionary of Cricket (Michael Rundell, London 1985)

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.