Op enige afstand is meer geoorloofd: het gebruik van “kont” in de Tweede Kamer

Van de flanken van de Tweede Kamer kan de taal minder parlementair zijn dan meer naar het midden. Als in deze eeuw een parlementariër van D66 (Gerard Schouw) of Ernst Cramer van de ChristenUnie elk meer dan eens de uitdrukking de kont tegen de krib gooien gebruiken, weten we dat deze wijze van zeggen geaccepteerd is en geen reacties meer zal oproepen. Ook die uitdrukking van de koe in de kont kijken (een animale variant op ‘wijsheid achteraf’) lijkt inmiddels betrekkelijk neutraal te klinken. Toch roept het bezigen van het begrip kont (met een t op het eind) in een andere context nog wel eens een reactie op. Laten we ons vooral op het jaar 2020 richten, vallend in een tijd waarin kont véél gehoord wordt aan het Binnenhof – geen idee waarom dat in bepaalde periodes het geval is, zoals bijvoorbeeld ook in 2011-2012. Toen waren het het Hans Spekman (PvdA), Sadet Karabulut (SP) en Richard de Mos (PVV) die spraken van een schop onder je kont. Karabulut had het in die tijd ook over “op hun kont zitten niets te doen”, André Elissen (PVV) rept van “bij kop en kont gepakt”, het jonge Kamerlid Jesse Klaver (GroenLinks) observeert in die tijd een “young professional op de Zuidas met een BlackBerry aan zijn oor en een Audi onder zijn kont.”

Voorkomen van KONT in de Handelingen van de Tweede Kamer

Aan de zijkanten en in de oppositie kan taal helderder zijn en nadrukkelijker klinken dan vanuit de coalitie of vak-K. Maar dit kalenderjaar, 2020, kon CDA-minister De Jonge zonder prolemen zeggen dat de “jeugdgezondheidszorg op zijn kont komt te liggen”. En ofschoon Kees Verhoeven (D66) volgens de Handelingen in een debat had gezegd: “het is dus absoluut de bedoeling van dit kabinet dat we dit fonds niet nog langer laten pruttelen, maar dat we het echt al in deze regeerperiode tot effectieve, tastbare en zichtbare projecten gaan laten komen”, vatte minister Wiebes (VVD) effectieve, tastbare en zichtbare projecten samen met “schop onder de kont”. Dat deed hij als een correctie op een samenvatting door SGP-woordvoerder Chris Stoffer die van “schop in de grond” had gesproken. Minister De Jonge sprak in 2018 ook al van “een aai over mijn bol en ook een schop onder mijn kont”. Staatssecretaris Van Ark verkeurigde deze uitdrukking eerst om zichzelf daarna te corrigeren maar toen klonk het véel fatsoenlijker: “sommige mensen hebben een steuntje in de rug nodig, en iemand anders een schop onder zijn … bibs, kont.” Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga belandde in haar spreektekst “bij het blokje maritiem en binnenvaart” en constateerde daar dat er een “schip met 3 meter werd verlengd. Het kreeg een nieuwe kop en een nieuwe kont, zoals de schipper het zegt.” Schippers zeggen zoiets, excellenties niet.

In 2019 zei Harm Beertema (PVV): “Mijn medewerker, ikzelf, wij komen uit gezinnen waar we geen dubbeltje hadden om onze kont te krabben, zoals dat toen gezegd werd.” Toen werd dat zo gezegd,- zou Beertema nu niet uit zichzelf zo doen.

Farid Azarkan kwam in hetzelfde jaar aanvaring met voorzitter Arib: “Ik vind het nogal wat dat mevrouw Van Toorenburg hier halverwege haar verhaal allerlei veren in haar kont en in die van andere …

De voorzitter:
Nee, dat gaat u toch niet zeggen? Kom op!

De heer Azarkan (DENK):
Dat is een manier van spreken, voorzitter.

De voorzitter:
Nee, nee, nee, nee.

De heer Azarkan (DENK):
Hoe luidt die uitdrukking dan?

De voorzitter:
Nee.

De heer Azarkan (DENK):
Kunt u me even helpen?

De voorzitter:
U kunt verschillende termen …

De heer Azarkan (DENK):
Nou ja, om hoeveel veren het ook gaat, je wordt zelf natuurlijk nooit een kip. Maar goed, ze gaf zichzelf en een aantal collega’s complimenten en dit praat ze gewoon weg. Ik vind dat nogal raar, maar ik ga terug naar mijn andere vraag.”

Even later reageerde Madeleine van Toorenburg (CDA): “(…) wat ik fascinerend vind en wat misschien niet iedereen op de publieke tribune weet, is dat de heer Azarkan, als hij een beetje geïrriteerd raakt omdat een ander wellicht een punt heeft, altijd een beetje agressief gaat praten. Dat merk ik dus ook vandaag. Ik vind het jammer dat we dan die terminologieën van “kletspraat” en “kont” horen. Dat moeten we helemaal niet doen.” Jammer, zó moeten we niet praten, zegt mevrouw Van Toorenburg. Maar in een ander debat zegt zij zélf over ongewenste niet-Nederlanders hier te lande: “laat je visum dan maar zien! Anders kun je met kop en kont het land uit worden gezet.” Nog overtuigender sprak mevrouw Van Toorenburg in 2020 over bepaalde niet-Nederlandse overlastgevers: “echt bij kop en kont te grijpen, om ze vast te zetten en ze net zo lang vast te laten zitten tot ze het land uitgeknikkerd kunnen worden. Ik ben het he-le-maal zat!” Ja, op enige afstand kan “kont” gemakkelijker gezegd worden dan wanneer het meer dichterbij betreft.

De kont kan nog steeds leiden tot een aanvaring met voorzitter Arib – Attje Kuiken (PvdA) kan ervan meepraten zelfs als het eerder toch al geaccepteerd leek wat zij zegt. “Voorzitter. Als ik een koe in de kont kon kijken …

De voorzitter:
Nou, nou, nou.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Dat mogen we in Friesland graag zeggen, voorzitter, dat is een heel normale uitdrukking en daar is niks geks aan.

De voorzitter:
O.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
In Amsterdam is het geen normale uitdrukking, maar in Friesland wel. Daar zeggen ze het dan op z’n Fries, maar daar komt het ongeveer op neer. Als we in het verleden dingen hadden geweten die we nu weten, hadden we toen heel veel dingen misschien anders gedaan.”

Ver weg, in Friesland, mag bepaalde taal – in het minder agrarische Amsterdam en Den Haag kan dat anders liggen, zo is de suggestie.
Onze Limburgse dierenvriend Dion Graus (PVV) zingt in dit koor mee: “Ik heb zelfs nog de dierenwelzijnsteams van de NVWA — dat zijn ook dierenartsen — eliteteams genoemd. Die steek ik altijd veren in hun kont, al jarenlang, bij ieder debat.” Eerder al in 2008 verzocht hij de minister “echt voor de allerlaatste keer” om een motie “met grote spoed uit te voeren en om haar collega van Buitenlandse Zaken een hele bus peper in zijn kont te steken, zodat hij eens tot actie overgaat”.

Graus liep voor de muziek uit. In 2020:
• vraagt Irene Diks (GroenLinks) zich zogenaamd af “hoe was dat zinnetje ook alweer: als mijn kop op mijn kont zat …? Natuurlijk, als alles anders was, was het allemaal anders.”
• zegt Maarten Hijink (SP): “het tekort dat we nu al hebben aan zorgverleners, aan intensivisten, die zich nu overal, in allerlei ziekenhuizen de benen uit de kont aan het lopen zijn”
• en overtreft Esther Ouwehand (PvdD) haar collega’s: “Het is me wat om de commissie-Remkes zomaar even een draai om de oren te geven en te zeggen: bedankt voor het advies, maar het is niet doorgerekend, dus we vegen onze kont daarmee af.”

Het jaar 2020 zit er nog niet op. Wie weet wat we allemaal nog horen in de plenaire zaal, kont beleeft een fase van hoogconjunctuur en is aan het Binnenhof ingeburgerd geraakt.

Trouwens, hoe was dat zinnetje van Isabelle Diks nou precies?

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.