Ed van Thijn – een paar zinnen

Vandaag (25.01.2022) zal Ed van Thijn herdacht worden in de Tweede Kamer. Het eerste boek dat ik van hem las was Dagboek van een onderhandelaar, aangrijpend. Er zou een heruitgave moeten komen met plezieriger papier. Het laatste was Het verhaal en daarna, niet minder aangrijpend. De Amsterdammer Van Thijn (1934-2021) was ook een beetje iemand uit Bussum begreep ik daaruit, maar in de Tweede Wereldoorlog lagen enkele van zijn 18 onderduikadressen tegen de Duitse grens. Dat betrof eventjes Limburg, maar Overijssel speelde in die periode een belangrijker rol. Ik vermoed – en ik laat het bij een verder niet onderbouwd vermoeden – dat er in het Nederlands van Van Thijn een spoortje regionaal Nederlands voorkomt.


Als hij echt in Noord of Oost-Nederlands was opgegroeid, zou hij niet geschreven hebben dat er in een protestants gezin na afloop van de maaltijd gedankt werd voor deze spijzen (zoals hij in Retour Den Haag een keer reden schrijf waar rede bedoeld is). Ook zou hij in Het verhaal bij het begin van het hoofdstuk over De zevende Faculteit (p. 68) even hebben nagedacht bij de woorden “Het leidde geen enkele twijfel dat ik…”. Bij de kwestie van de korte of de lange ij helpt het als je in de streektaal even kunt nagaan of het gaat om leiden of lijden en hier dus om leidde of leed.
Die twee foutjes, een paar verkeerde afbrekingen en een enkel d/t-foutje (p. 319) laten althans één ding zien: er is niet uitputtend redactie gepleegd. Gelukkig niet!
Nu is het op pagina 191 mogelijk aan te strepen dat Ed zich nóg “de haren uit het hoofd” kan trekken dat hij nooit aan zijn vader vroeg, hoe deze aan een bepaalde badhuissleutel kwam die hem later de ontsnapping uit de trein naar Westerbork mogelijk maakte. En op bladzijde 198 maak ik een krabbeltje bij “De grond werd te heet onder onze voeten”.

In elk geval in het Oosten en het Noorden van het land bestaat – althans bestond – er zoiets als het bezittelijke lidwoord. Als de context het duidelijk maakt, is er geen bezittelijk voornaamwoord nodig wanneer je bij iemand aanbelt met de vraag aan de heer des huizes: Is de vrouw er ook? Net zo maakt iemand duidelijk hoe het met haar- of hemzelf fysiek gesteld is met de mededeling Ik heb pien in de kop. De vrouw is ‘uw echtgenote’, de kop is ‘mijn hoofd’.
Als Van Thijn zich de haren uit het hoofd trekt is er zelfs tweemaal sprake van een lidwoord dat de functie heeft van een bezittelijk voornaamwoord.
Mag ik dat Oost-Nederlands noemen? Ik vermoed het, zoals ik “De grond werd te heet onder onze voeten” juist niet Oostelijk vind. Dat zou anders zijn bij “De grond werd ons te heet onder de voeten”.

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.