Van hier tot Tokio – Facetten (iv)

Credits Natasja Ybema

Het lijkt bijna een bewijs van een na-oorlogse sfeer van opluchting en olijkheid: in Nederlandse kranten zijn er rond 1950 frequent voorbeelden te vinden van wat we kunnen zien als een stap in de richting van Tokio in de vorm van de versterkende aanvullingen “van hier tot gunder” en “van hier tot ginder”. Deze laatste variant is zeker voor Simon Carmiggelt een graag gebruikte woordgroep geweest om iets mee te onderstrepen dat in de tekst een accentje verdiende. De Kronkel Bewijsvoering van 27.10.1949 bevat bijvoorbeeld de zin “Beneden staat Arie met een schoongewassen gezicht en een lach van hier tot ginder.” De bijdrage van 20.04.1949 (Paasdagje) opent op deze manier: “Nou, tante Fie in Soest had aardig uitgepakt met de Paas, dàt kan niemand haar afstrijden. Een zelf-geklopte schuimtaart van hier tot ginder en talloze beschilderde eieren, zó meesterlijk weggestopt in de tuin, dat de helft tot op heden nog niet is teruggevonden.”

Op 30 juni 1952 konden Kronkellezers kennis nemen van Aanleiding. Men leze: “Affijn, drie dagen geleden kom ik weer eens aanlopen en daar zit Jan met opgedraaide wenkbrauwen naast het grietje op de divan en het ouwe mens met een lach van hier tot ginder achter de trekpot.” Trekpot is een verouderde aanduiding voor ‘theepot’.

Al een paar dagen eerder (in Het Parool van 20.06.1952) was er in een bijdrage van Carmiggelts goede collega en kennis Henriëtte van Eyk sprake van “een boodschappentas van hier tot ginder”. Van hier tot gunder (met een u) komen we eerder in Noord-Nederlandse kranten tegen en in media langs de Duitse grens. Het gebeurt zeker niet bij uitsluiting maar je ziet het  in die regio wel duidelijk meer dan bijvoorbeeld in bladen uit het Westen. Maar dan direct maar als uitzondering op deze regelmaat: op 09.02.1953 verschijnt in Het Parool het verhaal Ze zijn weer terug, hoor “Door S. Carmiggelt” met daarin dit: “En o ja, hij heeft vier keer een dubbeltje in de collectebus gedaan en zou die oude jas bèst gegeven hebben, als hij niet bijtijds gehoord had dat de dames en heren van het bestuur in sleeën van hier tot gunder… terwijl die arme stakkers daarginds… wáárdelóós!” Van hier tot gunder – rolde dus ook uit Carmiggelts Haags-Amsterdamse pen. Dat kon hetzij hetzij dankzij de invloed van de taal van zijn Gelderse vader, hetzij om de combinatie van gunder met het volgende daarginds door de klinkervariatie lichter consumeerbaar te maken.

Carmiggelt was dus zogezegd in de weer met dit soort Nederlands. Vergelijk de beschrijving die daar ook wat aan doet denken in zijn Kronkel Kunstbroeder (29.10.1953). Daarin trekt iemand vocaal los door een aria aan te heffen: “Een beetje verslagen stonden we tegenover hem en hoorden het allemaal — van Figaro hier en Figaro daar en Figaro ginder en Figaro boven..”

In de vroege jaren ’50 maakt Simon Carmiggelt óok geregeld gebruik van de allitererende uitdrukking van top tot teen, al is het dan niet altijd exact in de huidige betekenis. In de Kronkel Ik dacht: kòm… (07.02.1950) gaat de ik-figuur met zijn echtgenote onaangekondigd en daarna blijkt ook ongelegen op bezoek bij kennissen. Als er een ander duo aanwezig is dat “psychisch op springen staat” schrijft Carmiggelt: “mijn vrouw wil van top tot teen naar huis”. In de aflevering van 20 juni 1950 zit de ik-figuur “van top tot teen gespannen” in zijn stoel; op 25 oktober van dat jaar lezen we over een een onderkomen in Parijs: “Een grijs pand, dat kraakte van geschiedenis en van top tot teen vol schilderachtige uitslag zat.”

Ook in 1951 benut Kronkel geregeld de combinatie van top tot teen, dan vooral om iemands kleding te beschrijven. Op 4 oktober 1951 keert hij terug naar de psychologische tekening waarmee hij eerder de gesteldheid van zijn echtgenote uitdrukte maar nu gaat het over een andere vrouw: “ze was van top tot teen in Bourgondische extase”.

Van top tot teen wisselt de schrijver overigens geregeld af met van hoofd tot voeten, zij het hier eventueel weer lichtjes gevarieerd zoals in “een man, van hoofd tot klompen gewikkeld in boers vooroordeel” op 10.12.1954.

We zijn bijna waar we wezen moeten, 東京市 – zeg maar Tokio. Wordt vervolgd.

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.