Een batterij telefoons
Jhr. Van Nispen hield thuis en op zijn werk enerzijds incidenteel maar wél geregeld een dagboek bij. In de uitgave van de bezorgers Alexander van Kessel en Carla van Baalen (In dienst van negen premiers. De dagboeken van jhr. mr. A.J.M. van Nispen tot Pannerden 1946-1972 Amsterdam 2024) is zichtbaar gemaakt, hoe de twee bronnen geïntegreerd zijn en dat is gemarkeerd via een vet en een licht, doorzichtig handje in de linkermarge. Het eerste teken staat voor wat er op kantoor is “uitgedicteerd” zoals het heet.
Van Nispens contact met minister-presidenten en de mate van vertrouwelijkheid waarmee hij met hen omgaat blijkt onder meer uit het gegeven dat hij (ik denk vrij geregeld) mag meeluisteren met telefoontjes. Dat woord telefoontje staat allang in 1946 in het woordenboek van Van Dale en komt bijvoorbeeld ook al in 1950 in de Handelingen van de Tweede Kamer voor. Telefoontje is eigenlijk net als biertje een verkleinvorm met een wat verrassende inhoud, met de betekenis ‘concreet voorbeeld van’ – een biertje kan ruim bemeten zijn, een telefoontje kan lang duren. Maar Van Nispen ontglipt het verkleinwoord telefoontje nooit aan zijn pen of mond, bij hem tref je (bijvoorbeeld in de jaren ‘60) nog altijd dit soort voorbeelden aan die later zeker gedateerd lijken maar dat toen allicht ook al enigszins waren:
- (Marijnen) heeft een boze telefoon met Cals gehad (p. 307)
- Het bleef daarna telefoons regenen (p. 316)
- Cals had alsmaar telefoons van het Hof gehad. (p. 323)
- … want er was een telefoon binnen gekomen dat er een bom onder het Prinsenhof lag (p. 326)
- Intussen regende het telefoons o.a. over de plaats die Bob Bruin in de Westerkerk zou moeten hebben … (p. 328)
Vanaf Marijnen (1963-1965) begint de telefoon als communicatiemiddel een belangrijker rol te spelen. Na de moordaanslag op Kennedy volgt “een batterij telefoons” (p. 196)
Even daarvoor op blz. 192-193 belde Van Nispen vanuit de Brusselse ambassade met Soestdijk. “Kreeg direct de koningin aan de telefoon. Zij verstond mij uitstekend maar omgekeerd ik haar niet. Na een moeizaam gesprek stelde ik voor nog eens opnieuw te draaien.” Het draaien van een nummer moet onderhand on-gewoon zijn geworden. Soepel verloopt deze vorm van telecommunicatie overigens niet steeds tussen premier en koningin, ook op praktische gronden: “Marijnen kan de Koningin niet bereiken die de kapster bij zich heeft.” (p. 204)
Praktische dingen speelden vaker een vervelende rol. Na de val van Cals (blz. 356) keerde de afgetreden premier van het paleis terug op Catshuis (op ø Catshuis, zie aflevering 1 en zie voor de ongewone woordvolgorde in het nu volgende citaat aflevering 3:). “Hij had in de nieuwsberichten niet gehoord het communiqué van zijn bezoek aan de Koningin. Bij het instappen van de auto had hij de nieuwsberichten laten aanzetten, maar de radio moest nog warm lopen en daardoor had hij alleen gehoord dat hij nog op Huis ten Bosch zou zijn.” De radio moest warmlopen!
Aan het gebruik van protestante en niet protestantse als bijvoeglijk naamwoord is te zien wat de religieuze herkomst van de schrijver is. Van Dale stelt protestant en protestants aan elkaar gelijk, maar het is net als met de twee woorden die we in deze schrijfwijze überhaupt niet in Van Dale vinden kristelijk en gristelijk: hoe iemand iets zegt dat zégt soms iets. Op veel plaatsen in de aantekeningen is ook te zien dat Van Nispen westelijk Nederlands in de oren had, uit de Liemers afkomstig of niet:
sommige moet zijn sommigen (159)
deze moet zijn dezen (287)
laatste moet zijn laatsten (425)
Vergelijk voor hetzelfde verschijnsel het variabele gebruik van Drake(n)steyn en “een invalidedorp bij Arnhem” (Open het Dorp van Mies Bouwman, november 1962) dat op p. 169 zó genoemd wordt en niet invalidendorp.

Wordt vervolgd.