Het was een lang debat gisteren in de Tweede Kamer over de pensioenen – en niet voor het eerst. Heel bijzonder was de dubbele rol van de NSC in de relaxed-verbeten opstelling van Agnes Joseph als secondante van de natuurlijk niet meer aanwezige Pieter Omtzigt en daartegenover de positie van minister Eddy van Hijum, voorheen de secondant van Omtzigt als leider, mede-oprichter van de NSC en wat niet al.
Er is té veel over op te schrijven, want wanneer vraagt een Kamervoorzitter zich openlijk af of een niet aanwezig ex-lid voor de tv zal zitten mee te kijken naar een debat? En dat op de dag dat de NRC het hoofdredactionele commentaar aan de opgestapte leider wijdde.

Laten we teruggaan naar het debat waarin Thierry Aartsen (VVD) een Brabants spreekwoord citeerde (“als m’n tante wat had gehad, was het m’n oom geweest”) dat vast ook een duidelijker variant zal kennen met een helder antwoord op de vraag naar dat wat. Diezelfde goedmoedig ogende Brabander zei volgens de ongecorrigeerde Handelingen: “Daarnaast lezen we dat de minister van Sociale Zaken de geschetste financiële gevolgen wilde afzwakken, in tegenstelling tot wat hij eerder al naar de Kamer heeft gestuurd. Mijn vraag is: klopt dat?”
Ik ga niet in op de context van de vraag, mijn vraag is: klopt dat? Ik hoorde namelijk iets anders wat Aartsen snel voorlezend, half improviserend zei: “…in weerzin van wat hij naar de Kamer heeft gestuurd.” In weerzin van als gedachteloze verandering van wat er aan wat verdwenen Nederlands op zijn spreektekst gestaan moet hebben, “in weerwil van”. Als dat zo is, mag hij de Dienst Verslag en Redactie danken voor de correctie die deze in zijn bijdrage heeft aangebracht: zo vlak voor Koningsdag oranjekoek wellicht?
Diezelfde Thierry Aartsen stelde in het debat allerlei vragen aan minister Van Hijum onder meer over compensatie: “Ik hoor daar graag wat meer over van de minister. Dat punt bleef nog een beetje op de zeef hangen, (….)”. Bleef daar wat hángen?
Van Dale helpt ons niet uit de brand voor een antwoord op de vraag wat de betekenis van die uitdrukking met op de zeef eigenlijk is, kijken in Haagse bronnen levert ook diverse lezingen op. In een toespraak van minister Bruins 14.02.2025 (bij de uitreiking van een fotografieprijs aan Remko de Waal) komt de mooie uitdrukking tot zijn recht: “Alleen een kleine selectie dringt door tot het nieuws. En de goudklompjes daarvan blijven liggen op de zeef van de Zilveren Camera-nominaties.”
Een ander voorbeeld uit De Volkskrant van 21.05.2024: “(….) kwamen twintig geschikte kandidaten voor het technisch directeurschap naar voren. Daarvan bleven er volgens Van Wijk vijf ‘op de zeef’ liggen met wie uitgebreid is gesproken.”
Duidelijk is dat fraaie beeld van een selectie van wegen en niet te licht bevonden, hier op basis van kwaliteit. Dat is – moeten we aannemen – niet het geval bij de vraag van Aartsen aan de minister – daar werd immers iets niet helemaal beantwoord en bleef daarom op de zeef hangen en viel dus niet in, in ja wat eigenlijk?
Heerlijke taal in politiek Den Haag onder het motto “hoor mij nou!” Over de schutting gooien, De broek ophouden, In het pak naaien en Je knopen tellen dat is hetzelfde soort idioom: wie die tale spreekt, die hoort erbij.
De voorheen grote leider van Aartsen, Mark Rutte, liefhebberde ook in de zeef-beeldspraak in bijvoorbeeld zo tegen 2020. Het is daarom geen wonder, dat dezelfde zeef in maart 2021 opdook in het Functie-elders-debat met de Verkenners Jorritsma en Ollongren.
Wopke Hoekstra (CDA, net als dan nog Omtzigt): “Daarbinnen, zegt zij, (mevrouw Jorritsma, SR) is het zo beknopt en zo terzijde gegaan over de rol van Pieter Omtzigt, zo terzijde, dat dat uiteindelijk niet op de zeef van het geheugen is blijven liggen (….). Ik zeg niet dat het niet kan, maar dat moet dan de constatering zijn.” En even verderop concludeert dezelfde CDA-woordvoerder het tegengestelde in verband met de positie van de eigen partij: “Dan klopt toch mijn conclusie — ik probeer mevrouw Jorritsma niet in het een of andere pak te naaien — dat zij zegt: in het gesprek is het wel degelijk materieel gegaan over de positie van het CDA. Dat was voldoende om op de zeef van het geheugen te blijven liggen, want dat was kennelijk een aanmerkelijke zorg.”
