Het “schot voor de boeg” in de herkansing (i)

Val ik in herhaling? Misschien is het in dit geval meer het proces van taalverandering.
In het boek Dat gezegd hebbend (Assen, 2018) schreef ik een stukje over de toch vooral politieke wijze van zeggen schot voor de boeg. De uitgave dateert dus van 2018 – de taal van Den Haag heeft zich verder ontwikkeld, maar laten we even naar het begin terugkeren (het woord reces betekent dat ook) en de Handelingen van de Tweede Kamer er op naslaan.

De allereerste maal dat schot voor de boeg vindbaar is, betreft een minister van Marine tijdens de Eerste Wereldoorlog, J.J. Rambonnet.

Marineminister J.J. Rambonnet werd ook actief in de wereld van de padvinderij https://beeldbank.site/?page_id=4975

In 1915 staat hij als volgt geciteerd: “Wanneer men nu een kruiser heeft kan men aan een schip, dat de verbodsbepalingen overtreedt, seinen dat het stopt: doet het dat niet, dan kan men een schot vóór den boeg geven. Geeft het daaraan geen gevolg, dan geeft men een schot over het schip heen, en heeft aldus de noodige voorzorgen genomen, dat misverstand is uitgesloten. Dezelfde gedragslijn is echter onmogelijk voor de onderzeebooten, want iemand die komt met de bedoeling om te overrompelen, laat de onderzeeboot niet naderen. Ik geloof dat dit duidelijk is.”
De uitdrukking betreft dus een tweede waarschuwing: eerst seinen, dan het schot vóór de boeg en als dat nog niet helpt een schot óver het schip. Dat lijkt de marineminister helder.

Om niet te bezwijken voor de verleiding, zeer veel citaten over te nemen uit de plenaire vergaderingen (of eventueel Haagse commissievergaderingen) zetten we een stap naar laat in de jaren ‘60 van de vorige eeuw. Dat is een periode waarin het schot voor de boeg in vergaderingen veel benut wordt na de talige herintroductie in 1955. Dat gebeurde door de PvdA-minister Van de Kieft van Financiën.

Hoe letterlijk de uitdrukking dan nog leeft onder de volksvertegenwoordigers, blijkt in december 1963 uit een confrontatie tussen Jan Lamberts en Norbert Schmelzer. “De heer Lamberts (P.v.d.A.): Dit is gewoon een schot voor de boeg voor de volgende vier jaar. De heer Schmelzer (K.V.P.): Het is een niet ongevaarlijk schot, zeker geen schot uit een kurkgeweer. Het is op zijn allerbest een schot hagel, maar ook een schot hagel kan dodelijk zijn.”

Als Joop den Uyl (dan fractievoorzitter van de PvdA) bij de Algemene Beschouwingen van oktober 1968 tweespalt probeert te krijgen in het kabinet-De Jong, richt hij zich op het smaldeel van de ARP. Dit latere part van het CDA is bezig onder leiding van Barend Biesheuvel juist een wat linksere, eventueel evangelische, koers te varen. In een interruptie op Den Uyls beschouwing constateert Biesheuvel: “Nu is dus al uw hoop op óns gevestigd!” Biesheuvel is fractievoorzitter van een van de coalitiepartijen van het kabinet-De Jong. (Die premier had overigens een maritiem verleden.) De Handelingen even volgend:
“De heer Den Uyl (P.v.d.A.): Neen, mijnheer Biesheuvel, sinds uw waarschuwingsschoten zozeer naast het schip terecht kwamen, is dat heel wat minder geworden.
De heer Biesheuvel (A.R.P.): Anders is het geen schot voor de boeg, maar torpederen.
De heer Den Uyl (P.v.d.A.): Ja, maar u kunt alleen maar voor de boeg schieten, dat is juist het beroerde.”

Duidelijk is dat beide sprekers dezelfde taal spreken en begrijpen wat een schot voor de boeg is.

In het verlengde van deze bekende parlementaire aanvaring komen we het waarschuwings-schot in de Handelingen zeer geregeld tegen. Daarvoor overigens nu en dan ook, zoals toen de motie-Schmelzer (die het einde van het kabinet-Cals inluidde) in 1966 als schot voor de boeg gezien werd.
Van maritiem-militair idioom werd het lanzaam-aan politieke taal. In twee achtereenvolgende parlementaire jaren (1968-1970) komt het liefst tegen de 30 maal in de Kamerverslagen voor. Daarna neemt het gebruik enkele jaren af maar neemt dan ineens weer even behoorlijk toe en zo gaat het verder. Komt het schot voor de boeg geregeld voor, dan is het enerzijds allicht mode-taal maar daarmee zou de betekenis helder kunnen blijven.
Omgekeerd, als de gebruiksfrequentie daalt lijkt het mettertijd er meer en meer op dat sommige sprekers een echo van het schot voor de boeg hebben gehoord. Daarom: wordt vervolgd.

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.