Het is aan de Kamer om hier iets van te vinden – en aan minister Wiersma

Ewoud Sanders schreef op pagina 6 in nummer 3 van Onze Taal (nog geen abonnement, liefhebber? Dat kan veranderen.) over de uitdrukking ergens iets van vinden:

Artikel Ewoud Sanders, Onze Taal

Nooit bij stil gestaan, kennelijk heel gewoon én veel voorkomend in de taal van de Tweede Kamer. Ons even beperkend tot de Handelingen uit het tijdperk-Schoof en als voorbeeld Rob Jetten (D66) die als redenaar herhaalt en herhaalt en herhaalt: “Het kabinet vindt hier toch ook iets van? Het kabinet vindt er toch wat van dat de terroristen van Hamas nog steeds gijzelaars niet hebben vrijgelaten? Het kabinet vindt er toch wat van dat op de Westbank een continue operatie gaande is om het leven van miljoenen Palestijnen onmogelijk te maken? Het kabinet vindt er toch wat van dat er vanochtend bommen op Gaza zijn gevallen, waarbij niet alleen Hamasleiders, maar ook honderden onschuldige Palestijnen zijn vermoord? Daar kunt u zich toch niet alleen maar zorgen over maken? Daar vindt u toch ook wat van, net zoals u hier al de hele avond alle acties van de agressie van Poetin staat te veroordelen? Waarom meten met twee maten?”

Hier betekent de uitdrukking ‘een oordeel hebben’ maar in deze context met de onuitgesproken inhoud ‘een oordeel hebben maar dat niet uitspreken’. Jetten zegt het niet maar schreeuwt het uit: spreek u uit!
Dat is niet zo als Michiel van Nispen (SP) aan het woord is: “Ten tweede is het aan het lokaal gezag, dus niet aan de heer Eerdmans, niet aan mij en ook niet aan de meerderheid hier, om daar iets van te vinden.” Hier is de connotatie ‘ons niet mee bemoeien en dat is conform de regels’.

In het taalgebruik van de Kamer is dat verreweg de gebruikelijkste wijze van zeggen en daarmee is dat afwijkend van het gewone Nederlands. Als het lange tijd droog is, kan ik zeggen dat ik daar iets van vind, maar dat is van een alledaagse orde in de wereld van een doorsnee-burger. Dat is niet het geval wanneer een Kamerlid als Faith Bruyning (NSC) politiek aan het woord is:

  • Dan kunnen er eventueel argumenten zijn die meewegen bij de keuze om daar wel of niet iets van vinden.
  • Dan heb ik als Kamerlid natuurlijk het recht om daar iets van te vinden.
  • Wat het betekent op financieel gebied, is niet iets waar alleen ik iets van kan vinden of zeggen.

Mevrouw Bruyning houdt van de uitdrukking. Niet toevallig: ze is lid van een regeringsfractie en haar mening telt dus extra. Vandaar ook dat Staatssecretaris Jansen (PVV, Openbaar vervoer en Milieu) kan zeggen: “En uiteindelijk gaan de vier partijen van de coalitie er ook nog iets van vinden.”

Ergens iets van vinden betekent in het politieke taalgebruik niet zelden ‘een oordeel hebben en daar een gevolg aan verbinden (bijvoorbeeld in een motie)’.
Marieke Koekkoek (Volt) heeft het daar ook over als zij zegt: “Het maakt niet uit of we de minister wel of niet vertrouwen; de asielwetten moeten erdoorheen. Als we hier nu iets van vinden, klapt misschien het hele kabinet in elkaar.” Net als Don Ceder (CU): “Als het over twee jaar is, dan wil ik daar iets van vinden als Kamerlid.” Vinden is in Den Haag niet altijd vrijblijvend, getuige dit citaat van Harmen Krul (CDA): “Dat je als stelselverantwoordelijke niet over alles gaat, ontslaat je niet van de plicht om er iets van te vinden.”
Je móet er iets van vinden – stem je uiteindelijk voor of stem je tegen?

Minister Wiersma (BBB, LVVN) was nog wat onomwondener in het Stikstofdebat van 22 mei j.l. Probeert zij zich toenemend in Haags jargon uit te drukken? Zij zei volgens de Handelingen: “Als je zo’n afspraak maakt, hoort daar naar mijn mening niet bij dat je allemaal rechtszaken afkondigt. Ik vind daar iets van. Het staat een organisatie vrij om dat te doen, maar als je iets hebt met de overheid en je hebt verschil van inzicht, vind ik er iets van om dat uit te vechten over de rug van onschuldige bedrijven, ondernemers, boeren en hun gezinnen.” In rond Nederlands zei de bewindsvrouwe bij herhaling over rechtszaken voeren tegen de Overheid en daar tegelijkertijd mee in gesprek zijn: ‘dat veroordeel ik, daar ben ik tegen’.

.

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.