Toen ik dat grote aantal politiek-woorden van de vorige aflevering zag, verbaasde ik me over die veelheid maar niet minder over de kaalheid van het begrip politiek. Gewoon politiek en dat was het. Lang geleden hoorde je over loon- en prijspolitiek, inkomenspolitiek, schuldpolitiek, arbeidsmarktpolitiek, termen die nu absent zijn. Maar ten tijde van Schoof viel niet eens een keertje het begrip klimaatpolitiek (en er is toch een Minister van Klimaat en Groene Groei?); migratiepolitiek kwam alleen voor in een bijdrage van Henri Bontenbal (CDA). Op remigratiepolitiek hoeven we níet te rekenen, zei premier Schoof. En asielpolitiek dan? Onvindbaar! Hoezo, was er geen minister op dat terrein? Klimaatpolitiek kwam voorheen wel voor in de Handelingen, immigratiepolitiek eveneens – maar in de periode Schoof evenmin als asielpolitiek. Daar kan een Kamerbezoeker zich over verbazen en een Handelingenlezer evenzeer. Er ís een LVVN-minister, maar het woord landbouwpolitiek viel nog niet in het kleine jaar dat Schoof zit. Is dat alles bij elkaar niet een surprise? Doet Schoof niet aan het klimaat, aan asiel of aan landbouw?

Verrassend weinig vaak staat er een partijnaam genoteerd in combinatie met –politiek: wel vinden we VVD-politiek (3x) en eenmaal CDA-politiek waarvan Wilders sprak in de richting van fractievoorzitter Bontenbal namelijk “arrogante CDA-politiek”. DENK-leider Stephan van Baarle had het over feitenvrije VVD-politiek, hypocriete VVD-politiek en goedkope VVD-politiek. Feitenvrij, goedkoop en hypocriet, dat is taal die het vertrouwen in Den Haag niet kan vergroten.
Nederzettingen– en kolonisatiepolitiek zijn op zich even neutrale (zij het vaak net als gijzelaarspolitiek verworpen) woorden zoals ook wereldpolitiek, gemeentepolitiek.
Van oudsher zijn bekende maar niet-neutrale termen achterkamertjespolitiek, handjeklappolitiek en vriendjespolitiek die alleen al door het verkleinwoord een negatief bejegende vorm van politiek bedrijven uitdrukken.
De overgrote meerderheid van hedendaagse samenstellingen die eindigen op –politiek heeft een onaangename, veroordelende inhoud. Ik verzin het niet. Een ruime selectie als bewijs dan maar plus de gebruikers van de term. Afrekenpolitiek (Timmermans), amateurpolitiek (Ergin), grotemensenpolitiek (Yeşilgöz), haatpolitiek (Van Baarle, Baudet), incidentenpolitiek (Van Nispen), kortetermijnpolitiek (Bontenbal, Stultiens), machopolitiek (Dassen), machtspolitiek (Dijk, Ergin), navelstaarpolitiek (Grinwis), ophefpolitiek (Ouwehand), ophitspolitiek (vele malen Kostić, Ouwehand, Teunissen – Flach nam 1x afstand, Van der Plas idem), paniekpolitiek (Beckerman), peilingpaniekpolitiek (Beckerman), postcodepolitiek (Lahlah), postzegelpolitiek (Flach ontkent -), pyromanenpolitiek (Grinwis), rancunepolitiek (Bikker, Grinwis), schonehandenpolitiek (Flach), spektakelpolitiek (Inge van Dijk, Sneller), spierballenpolitiek (Eerdmans), sprookjespolitiek (Vedder), struisvogelpolitiek (Bontenbal, Erkens, Podt, Vedder), symboolpolitiek (in totaal 61x: Aardema, Baudet, Bikker, Crijns, Dassen, Emiel van Dijk, Dobbe, El Abassi, Ellian, Erkens, minister Faber daarentegen ontkent -, Van Haasen, Koekkoek, Edgar Mulder, Van Nispen, Podt, Rajkowski ontkent -, Teunissen, Timmermans, Vijlbrief is tegen -), Temupolitiek (Beckerman), theaterpolitiek (El Abassi), verdeel-en-heerspolitiek (De Hoop), wegkijkpolitiek (Van Baarle), zelfhaatpolitiek (Baudet) en zondebokpolitiek (Van Baarle, El Abassi, Ergin, Kostić, Van Nispen, Ouwehand, Teunissen).

Dat gewone woord politiek wordt in politiek Den Haag buitengewoon vaak in samengestelde vorm gecombineerd met een negatieve term. Is dat de reden dat klimaatpolitiek, asielpolitiek, landbouwpolitiek uit het discours verdwenen lijken en niet omdat de betrokken ministers niets of zo weinig doen? Alleen al door de taal zou je er het vertrouwen in de sector door verliezen. Als medici zo over hun beroep en collega’s zouden spreken, liet ik me liever niet behandelen.