De donkere kamer van Damokles van die “gekke, kwaaie, niet zo slimme maar wel levende, roekeloos op de schrijfmachine voorthamerende Willem Frederik Hermans” is kritisch bekeken door Tonnus Oosterhoff. Ondanks alles leest hij Hermans blij wordend dóór door bijvoorbeeld maffe observaties en zinnetjes die hij niet tegenkomt bij John le Carré “de oneindig veel betere thrillerschrijver”. Dito: “Je treft ze niet aan bij Franz Kafka, al weet die een concept van de werkelijkheid als radeloos makend onkenbaar veel beter voelbaar te maken.”
Zo eindigt Tonnus – ooit waren we klasgenoten en aan een andere oud-klasgenoot dank ik deze verwijzing – een fraai stuk waarin hij onder andere wijst op een streven naar nauwkeurigheid bij Willem Frederik Hermans. Dat blijkt bijvoorbeeld “uit het feit dat hij in volgende drukken dikwijls detailfouten verbeterde. Toen hem erop werd gewezen dat het weggetje na de brievenbusafslag, die hij uit zijn research als geasfalteerd kende en ook zo had beschreven, in de oorlogsjaren nog ongeplaveid was, maakte hij er bij herdruk een zandpad van…” (p. 14) (Tonnus Oosterhoff, “Een ijlroman.” De Revisor. Jaargang 32 (2005) blz. 5-19)
Geldt dat voor de auteur ook voor later ontdekte taalfouten? Zou dat bij Onder professoren dan ook zo zijn?
Ik heb niet als een leraar met rood potlood in de aanslag in Onder professoren zitten lezen, heb onvoldoende aanleg voor taalergernis. Toch vielen me twee contaminaties op, op twee tegenover elkaar liggende pagina’s:
‘Het ligt hem aan de structuren,’ probeerde Ballingh hem te troosten, (p. 82)
En: “geschiedenis van de Nieuwste Tijd en dat moest vast en zeker haar lievelingsvak zijn.” (p. 83)
In het eerste geval kan er een vervlechting uit Hermans’ tikmachine gerold zijn van het ligt aan + het zit hem in; in geval twee is er iets met moeten en vast en zeker gemengd.
Is dat zo? En is daar in besprekingen op gewezen? Is er later gecorrigeerd?
“Sommige riepen” staat er op p 287: is die verwijzing naar studenten (levende wezens) in een latere druk ooit verbeterd in sommigen?
“Piet, Tonia, Tabe, Gonnie en zelfs Kaatje voelden zich niet op hun gemak.” (p. 229) Is dat correct Nederlands met die persoonsvorm? Wie het beter weet mag het zeggen.
Wat geeft het, zei prof. Popma van de Reformatorische Wijsbegeerte bij zijn lessen aan de Kleine Zusterstraat (= in werkelijkheid Broerstraat) op zijn colleges wel eens, wat geeft het?En verwees naar vier bekende regels van J.C. Bloem:
Ik heb van ‘t leven vrijwel niets verwacht,
‘t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? — In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.
Afsluitend Plopatou, Plop in Groningen, maar in Onder professoren Onze grote tovenaar Poux Partout geheten. Ik zag hem in 2016 voor het laatst in Den Haag, geheel onverwacht om niet te zeggen pardoes. Hij overleed in 2017. (Via de toegevoegde link bij het fragment hieronder kan de lezer een fraaie afbeelding van de latere Plopatou vinden.)
P.S. Ergernis over het Nederlands en toeval. Dit blogstukje stond in de wachtstand voor publicatie op vrijdagochtend 08.08.2025. Donderdagavond (gisteren) bekeek ik een bak met oude correspondentie en was totaal verrast, toen daar een brief van Plopatou uit 2000 tussen bleek te zitten, gericht aan mij én met taalergernissen. Als Plop iets wilde met al zijn brieven (die ik in het eerdere stuk met zijn naam terloops noemde), dan was het aandacht.
Daarom neem ik de vrijheid, zijn brief aan mij integraal te plaatsen. Ter introductie dit: hij reageerde op een publieksvraag van mij over een bepaalde Groninger uitdrukking met het woord vlint of flint ‘steen’ daarin (denk aan the Flintstones). Die simpele vraag leverde zodanig veel reacties op dat Plop te midden daarvan in mijn herinnering kon verzinken.


P.S. bij een P.S. (09.08.2025): Poux Partout komt welgeteld 27 maal voor in Onder professoren. Daarvan moet Plopatou in de periode 1975-2000 iets hebben meegekregen.
