Nieuwer Nederlands, werkelijk waar

In het Parlement het woord voeren is vragen om aandacht. In geschreven teksten kan een politicus op allerlei manieren woorden benadrukken door ze te onderstrepen, een accenttekentje te plaatsen, ze vet maken, uitroeptekens plaatsen. Het is dus eigenlijk visueel schreeuwen om aandacht. Hoe schreeuwen parlementariërs zónder dat zij roepen?

  • Een belangrijke mogelijkheid is om het ene woord door een ander te versterken. Iets is wellicht waar maar sterker kan werkelijk waar klinken. Werkelijk is een bijwoord van graad dat dienst doet als een vergrotende trap, het is een verzekering dat de spreker níet jokkebrokt mochten we dat denken. Het tegengestelde zou werkelijk niet waar zijn.
  • Het hoeft niet per se zo te zijn dat die versterkingsoperatie in twee woorden geschreven wordt: in glashelder is glas- bij ons een voorvoegsel dat helder benadrukt, in het Engels schrijven ze veelal twee woorden voor hetzelfde: crystal clear.
  • Woorden worden niet verplicht aan de voorzijde onderstreept. Nabepalingen bestaan er ook, zoals in arrogantie ten top of waanzin ten top. Dat is uiteraard typisch voor oppositietaal en vooral van de flanken.

Kort en goed: woorden laten zich als voor-bepaling dus aan de voorzijde onderstrepen of aan de achterzijde als na-bepaling.

Dat wat als onderstreping dient kan weggelaten worden en dan resteert toch een normale, grammaticale zin met feitelijk dezelfde betekenis. Als Nine Kooiman (SP) op 14 december 2017 minister Bruins van Medische Zorg toevoegt: “Het is toch waanzin ten top dat je uit zo veel producten kunt kiezen”, dan is de strekking eender als wanneer ze over de enorme hoeveelheid polissen had gezegd: “Het is toch waanzin dat je uit zo veel producten kunt kiezen.” Dus is ten top de na-bepaling bij de  kern, waanzin. In “het is echt waanzin om (…)” is echt een versterkingsoperatie aan de voor-zijde.

Nu de kwestie van vandaag, een uitdrukking die me bij het Vragenuur van 15 mei voor het eerst opviel maar die bij nader inzien al duidelijk langer, ja zéer geregeld valt in de Tweede Kamer. Laten we de voorbeelden die in 2018 genoteerd zijn overnemen uit de Handelingen – wie de context of de spreker wil nazoeken, via die Handelingen is dat simpel te doen. Het gaat overigens om Fleur Agema, Sadet Karabulut, Bart van Kent, Lilian Marijnissen, Pieter Omtzigt, Madeleine van Toorenburg (sommigen van hen enkele malen), dus oppositieparlementariërs en enkele hoorbare CDA’ers. Vrouwen voeren de boventoon.

  • “Maar wat mij werkelijk waar interesseert, is waarom het internationaal recht op deze grove wijze …”
  • “Ik vind het werkelijk waar bespottelijk.”
  • “Dat vind ik echt, werkelijk waar, belachelijk.”
  • “De Europese Rekenkamer is werkelijk waar vernietigend.”
  • “Ik vraag me toch werkelijk waar af of dit nou echt zo vreselijk fanatiek gaat opborrelen binnen die boezem.”
  • “Dat begrijp ik werkelijk waar niet.”
  • “Ik begrijp hier werkelijk waar niets van.”
  • “Ik begrijp dit werkelijk waar niet.”
  • “De boetes stapelen zich werkelijk waar op, en je krijgt berichten.”
  • “Ik begrijp werkelijk waar nog steeds niet waarom de minister een probleem ziet in dat kleine stapje boven op dat gesprekje dat nu plaatsvindt en feitelijk heel weinig tot niets voorstelt.”

Dit is werkelijk de oogst van de eerste maanden van 2018 – zoek naar de vergelijkbare constructie in de verslagen van bijvoorbeeld 1995, vergeefse moeite. De uitdrukking wordt in deze context nog niet zo lang genoteerd maar is momenteel zeer succesvol aan het Binnenhof.

Het interessante aan werkelijk waar in de aangehaalde uitingen is de kwestie: wát onderstreept eigenlijk wát? Wat is de kern, wat is de bepaling?

Dus is de vraag: wat kunnen we zonder problemen weglaten uit een uiting als “Maar wat mij werkelijk waar interesseert”? Zonder twijfel bedoelde mevrouw Karabulut ‘wat mij werkelijk interesseert’ want ‘*wat mij waar interesseert’ is ongrammaticaal, en zo weten we dat waar een na-bepaling is bij werkelijk. Surprise!

Hetzelfde bij het ontkennende “Dat begrijp ik werkelijk waar niet.” Deze uiting is in wezen identiek aan “Dat begrijp ik werkelijk niet” – dus waar versterkt het voorafgaande werkelijk.

Maar juist dat versterkte bijwoord werkelijk diende zélf als onderstreping van het volgende nietWerkelijk waar niet heeft dus kennelijk een bijzondere structuur:

waar versterkt het voorafgaande werkelijk én

werkelijk waar versterkt sámen het volgende niet

Dat is niet alleen een nieuwe maar ook een bijzondere constructie in het hedendaagse Nederlands. Staat die kwestie in de elektronische ANS? In Van Dale? Ik kon het niet vinden.

Niet overtuigd? Vervang werkelijk door het uiterst verwante echt en zoek naar citaten van het type echt waar niet – dat begint sinds kort ook op te komen. Zoals de zaken nu staan heeft Henk Nijboer (PvdA) de énige twee vindplaatsen op zijn naam: “Is in de afgelopen weken tussen de formerende partijen niet ter sprake gekomen dat dit een optie was? Echt waar niet?”  (20 september 2017) en: “Voorzitter, ik heb niet met u afgesproken om één interruptie te plegen; echt waar niet.” (9 november 2017)

Vreemd – ik hoop eigenlijk dat er lezers zijn die de zaak verhelderen, want het interesseert me (werkelijk (waar)).

P.S. In het ABN vind ik echt waar niet? veel vreemder dan in m’n Groningse thuistaal echt woar nai(t)? Henk Nijboer komt uit Ten Boer (Gr.).

 

Posted in PARLEVINKEN, Rijp voor opname (Van Dale) | Leave a comment

Een nieuw achtervoegsel in 2017

Is er in 2017 een nieuw achtervoegsel in de Tweede Kamer opgedoken? Dat is niet helemaal zeker maar waarschijnlijk is het wel. In ieder geval is het kalenderjaar 2017 de tijd dat -gedreven in vergelijking met andere jaren voldoende vaak als suffix in de Handelingen genoteerd werd om te veronderstellen dat dit het jaar van De Doorbraak is.

Het gaat in 2017 – dat korte parlementaire jaar met weinig of korte plenaire vergaderingen als gevolg van de verkiezingen voor de Tweede Kamer én de zeer lange formatie – om deze woorden volgens de niet-gecorrigeerde verslagen: datagedreven, modelgedreven, subsidiegedreven, contentgedreven, expertgedreven. Er is ook nog waardegedreven, of waardengedreven: daar is in een deel van Nederland niet zo simpel tussen te onderscheiden. In het volgende citaat van Pieter Omtzigt (CDA) is duidelijk dat de Dienst Verslag en Redactie moet wennen aan een achtervoegsel -gedreven: “We denken dat dingen als het LIV veel beter kunnen en dat ze model gedreven zijn.” Wat het LIV ook is, model gedreven zou niet veel later genoteerd zijn als modelgedreven net als deze citaten in hetzelfde jaar 2017:

– Klaas Dijkhoff (op dat moment staatssecretaris van Veiligheid en justitie): “Er is niet gezegd: ik wil een rapport waar het ongeveer zo en zo in staat. Dit is echt expertgedreven.”

– Martin Bosma (PVV) over de keuze van een nieuwe Kamervoorzitter: “We hebben allemaal de profielschets gezien. Het ging om bestuurservaring in een contentgedreven creatieve setting.”

– Premier Rutte: “We zetten in op een succesvolle transformatie naar een datagedreven economie.”

– Nogmaals Omtzigt: “Ik moet erbij zeggen dat dit niet altijd geweldig werkt in de modellen, want veel van deze dingen zijn de afgelopen jaren modelgedreven geworden.”

– Edgar Mulder (PVV): “Een deel van de ontwikkelingen op de woningmarkt en bouwmarkt in 2010 was namelijk subsidiegedreven.”

– Aukje de Vries (VVD) citeert: “Gupta Strategists publiceerde dit jaar het rapport Waardegedreven Inkoop over inkoop als strategische topprioriteit voor ziekenhuizen.”

– Minister Bruins (Medische Zorg) vertaalt: “Internationaal staat deze beweging bekend als value-based health care, in het Nederlands: waardengedreven zorg.”

In dezelfde periode zei Emile Roemer (SP): “Het Verenigd Koninkrijk verliest zijn toegang tot de Europese interne markt en als Akzo en Shell puur fiscaal gedreven zouden zijn, waren ze allang weggeweest, (…)”. Over een poosje wordt dan gezegd fiscusgedreven, want een onzelfstandig voorkomend –gedreven verlangt kennelijk een zelfstandig naamwoord als basis (fiscus) en geen bijvoeglijk naamwoord (fiscaal).

Het kan bijna niet anders, dit –gedreven is over komen waaien uit het Engelse taalgebied, getuige data driven, value driven e.d. Een website is content driven. Zo’n nieuw woorddeeltje heeft zoveel aantrekkingskracht, dat het zelfs gebruikt wordt als vertaling van een ander Engels woord zoals in het citaat van Bruno Bruins, value-based.

Woorden als subsidiegedreven en waarde(n)gedreven waren al eens eerder te horen, maar dat verandert niets aan de hoofdzaak: zelfstandig naamwoord + -gedreven kwam tot een doorbraak in de Tweede Kamer in 2017.

CONTENT DRIVEN (Google-afbb.)

 

Posted in PARLEVINKEN, Rijp voor opname (Van Dale) | 4 Comments

Woorden in mijn mond

Het heet in de Tweede Kamer in langzaam toenemende frequentie in het pak genaaid worden. Wat het PvdA-kamerlid Worrell in de jaren ’80 nog voorzichtig uitdrukte door toevoeging van een soort excuus is inmiddels een gangbaarder manier van zeggen. Het is een poging tot het zaaien van twist tussen coalitiepartijen. De jonge fractieleider Mark Rutte (VVD) stelde in 2009 vast dat het premier Balkenende is overkomen door toedoen van de PvdA. In de Telegraaf van 15.02.2009 smijt hij een bommetje: “Bos heeft Balkenende in het pak genaaid. De vraag is wanneer hij erachter komt.” Twee jaar later zegt Paul Ulenbelt (SP) het in de Kamer inzake de pensioenleeftijd tegen de gedoogpartij PVV (“Zo wordt de PVV via de achterdeur door het CDA en de VVD flink in het pak genaaid”) en ook Sybrand van Haersma Buma (CDA) zegt het in 2014 tegen zijn collega-fractieleider Halbe Zijlstra: “De PvdA heeft u gewoon in het pak genaaid.” Rotjes gooien naar de tegenstander hoort bij het parlementaire handwerk.

Misschien is in het pak genaaid een samenvoeging van het oudere in het pak genomen (in de luiers = luren gelegd) plus genaaid ‘bedonderd’.

Vriendelijker klinkt het wanneer iemand bij de neus genomen wordt. Maar die manier van zeggen is omgekeerd juist aan het verdwijnen uit het parlementaire taalgebruik. De laatste maal dat het in de Handelingen opgetekend werd, was in 2011. De vraag is hier hoe het zit met het lidwoord in die uitdrukking: iemand bij de neus nemen betekent in feite iemand bij zijn neus nemen. Vooral in het Nederlands en de Nedersaksische streektalen hebben/hadden ze er een voorkeur voor om het bezittelijk voornaamwoord niet te gebruiken als dat door de context al zonneklaar is – dan liever een lidwoord. “Is de vrouw er ook?” kan aan een gehuwd persoon gevraagd worden, of komischer: de baas. Net zo goed mogelijk is de mededeling “Ik heb pijn in de kop.” De vrouw of de baas is hier ‘uw vrouw’ maar wie komt er anders voor in aanmerking binnen die vraag? De kop is ‘mijn hoofd’ – tja, hoe zou een mens koppijn in het hoofd van iemand anders kunnen hebben?

Wat bij mij bij de neus nemen nog niet is opgevallen, is wel schering en inslag in het geval van iemand iets in de mond leggen. Kijk naar een paar citaten van het afgelopen kalenderjaar uit de verslagen van de Tweede Kamer:

  • Steven van Weyenberg 20 september 2017: “Het past u niet om dit soort woorden in mijn mond te leggen, meneer Özdil.”
  • Aukje de Vries 5 juli 2017: “Mevrouw Van Tongeren blijft maar woorden in mijn mond leggen.”
  • Farshad Bashir 19 januari 2017: “Mevrouw Schouten, die hier niet is, maar die destijds ook woorden in mijn mond probeerde te leggen die ik niet in die context had gezegd.”

Zeg niet “alle drie zijn in het buitenland geboren” (respectievelijk Gent, Leeuwarden en Kabul) maar kijk naar wat ze zeggen en wat waarschijnlijk met precisie in de Handelingen is vastgelegd. Alle drie zeggen de sprekers dat u woorden in mijn mond legt in plaats van de gangbare formulering in het Nederlands dat u mij woorden in de mond legt.

Logisch, het gaat om mijn mond.

Logisch, het is een niet erg normale constructie met mij in de rol van dativus incommodi zoals iemand met Latijn in het pakket zou kunnen zeggen (dat is een meewerkend voorwerp dat letterlijk lijdend is, het is de benadeelde persoon). Als gevolg daarvan verhuist dat mij en wordt dan aangepast tot een bezittelijk voornaamwoord mijn.

In de krantenverzameling LexisNexis is “in mijn mond leggen” nauwelijks vindbaar – buiten de religieuze sfeer waarin God bijvoorbeeld een dominee woorden in diens mond legt, in diens woorden.

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Wat zij aanbevolen

IN HET NIEUWS is Ierland, daar gaat wat veranderen. De definitieve uitslag van het abortus-referendum is nu in de vroege vooravond van zaterdag 26 mei 2018 nog niet bekend maar een verrassend grote hoeveelheid ja-stemmen maakt een nieuwe, liberalere koers op dat terrein desondanks duidelijk.

De kwestie was eerst te heikel, werd toen geparkeerd bij 99 burgers die zich er onder leiding van een rechter over bogen. “Wat zij aanbevolen”, schrijft Melle Garschagen zojuist in een blog van NRC Handelsblad, “schokte Ierland”.

Waarschijnlijk duurt het niet lang of er verandert ook iets in dat blog en dat zou jammer zijn. Nu zien we hoe het Nederlands aan verandering onderhevig is. Als een oplettende lezer de NRC er straks op wijst – het is examentijd, correctoren draaien overuren – dat we in het ABN zeggen “wat zij aanbevalen”, pakt er iemand op de redactie de e-ANS of Van Dale en concludeert dan: verdraaid, het is zo… We zeggen ook niet “wat wij besproken”, “toen wij vernomen”.

Maar waarom zou de NRC dat aanbevolen niet gewoon laten staan? Ook als het gecorrigeerd wordt, is het Nederlands bij werkwoorden als aanbevelen zonder twijfel aan het veranderen – waarom die variatie dan niet getoond?

fragmentje e-ANS

Afwachten.

Aanvulling 30.05.2018. Na het commentaar van de NRC-eindredacteur (zie onder) was de krant van 28 mei j.l. geen verrassing meer:

 

Posted in In het nieuws | 1 Comment

Modder in Haags duet (1998)

Door een toeval komt Haags duet uit 1998 op m’n bureau, het Verslag van de verkiezings- en formatieperiode in de vorm van dagboeknotities door Frits Bolkestein (VVD) en Margriet Brandsma (NOS). Het idee is van de laatste, die in een Woord vooraf als cliché voor politici noteert: ijdel, arrogant en overwegend saai. Wat hij ook mag zijn, in ieder geval blijkt dat Bolkestein níet overwegend saai is voor wie z’n aantekeningen leest. Zíjn het wel dagboek-aantekeningen, notities die je als het ware binnensmonds mompelt, krabbels voor jezelf? Bij Brandsma oogt het in dit opzicht authentieker dan bij Bolkestein die veel dingen opschrijft voor de lezer van wie hij weet dat deze over z’n schouder meekijkt. “Ik word namelijk 65” noteert hij op zaterdag 4 april, niet direct een mededeling voor in een persoonlijk dagboek. Bij een klassiek concert de sponsor noteren, van een componist de reden van zijn vroege overlijden, vertellen waarheen de opbrengst van een lezing gaat – zoiets is enigszins verrassend in een dagboek, lijkt me.

Z’n interviewster Dieuwertje Blok (KRO-televisie) noemt Bolkestein “erg anti-VVD”, ze betichtte hem van het gooien met modder. “Nu heb ik dat nog nooit gedaan”, aldus de VVD-leider, “Noch zal ik het ooit doen.” Twee bladzijden verder noemt hij een landelijk bekende politicus “zuipschuit, ruitjetikker, versierder”. Als het vertrek van een zeer bekende bewindsman veel aandacht krijgt, noteert Bolkestein: “Wat een ophef over een mislukte minister!” Het gaat in beide laatste gevallen om iemand van de PvdA en D66, de coalitiegenoten met wie tijdens het schrijven van Haags duet onderhandeld wordt over een voortzetting van Paars.

Dat is een rood-groene draad door de bijdragen van de politicus. Behalve Wim Kok, premier en de nummer 1 van de PvdA met wie zaken gedaan worden voor Paars II, heeft hij voor veel collega’s uit de coalitie (plus De Hoop Keffer van het CDA) steken of steekjes klaar. Jan Pronk en Rick van der Ploeg (beiden PvdA) krijgen zelfs bij herhaling tikken uitgedeeld. Over Pronk: “Er is niet veel voor nodig om in de zandbak van de Nederlandse politiek een hele piet gevonden te worden.” En Van der Ploeg “is blijkbaar gesteld op gratuite provocaties” door de manier waarop hij als Kamerlid de gelofte aflegt. Anderen van de PvdA en D66 worden afgeschilderd als breedsprakig, drammerig, scoren als bewindsman een onvoldoende. Een bijdrage van de D66-onderhandelaar doet hij af met “geürm”, D66-bewindslieden noemt hij luitjes.

Neem daartegenover zijn eigen partij. Hij haalt wel een kritische uitspraak van Kees Fens over Hans Wiegel met instemming aan, maar verder is Bolkestein louter positief. “Een voortreffelijke verzameling posten en uitstekende mensen” heeft hij bijeen gebracht, concludeert de VVD-leider tegen het einde van de formatie. Eerder had hij al van Jacques Wallage (PvdA) geschreven dat deze spijt had van een aantal benoemingen in Paars-I om die passage af te ronden met: “Ik vind dat de VVD de beste ploeg heeft geleverd.” Vooroordeel bevestigende opmerkingen of zelfs grappen over socialisten (soms meegebracht uit Vlaanderen of Duitsland), verspreid over het boek debiteert Bolkestein er verschillende, het is een belangrijk kenmerk in die helft van Haags duet.

Kritiek op journalisten (bij de concurrentie én binnen de eigen NOS) heeft ook Margriet Brandsma, maar bij haar lijkt het allemaal veel genuanceerder, niet zo bijtend geschreven. Ze geeft terloops inkijkjes in het journalistieke televisiewerk van het eind van de 2oste eeuw. Verrassend is zij in haar observaties van haar collega-auteur, die tv-opnamen zeer geregeld over laat doen omdat deze niet tevreden is over de manier waarop hij iets naar voren brengt.

Tot besluit Bolkesteins precisie als hij het heeft over uitingen van zichzelf. Hij moet ergens een prevelementje houden, een uur voor een regionaal radiostation kwekken of hij heeft voor de televisie gebabbeld over infrastructuur. Bij de formatie geeft  hij aan het journaille  “dezelfde stomme antwoorden op dezelfde stomme vragen”. Het moet hem opgelucht hebben dat hij niet lang na de formatie van Kok-II de vaderlandse politiek kon verlaten, met zevenmijlslaarzen weg van de natte grond in de polder.

 

 

Frits Bolkestein en Margriet Brandsma, Haags duet. Verslag van de verkiezings- en formatieperiode. Amsterdam, 1998.

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Vrienden tegen wil en dank

Het boek van Wilma Borgman en Max van Weezel over Rutte-II is een boek van dichtbij: het gaat over het tweede kabinet van Rutte en ook nog een beetje over de totstandkoming van het derde, het speelt op die vierkante kilometer waar het in dit blog omdraait. Het tweede kabinet van Mark Rutte bestond uit een verrassende coalitie van tegenpolen die in tijden van crisis vooral problemen oploste maar in de peilingen al snel z’n meerderheid kwijt was. Het leek in dat opzicht op wat de jonge Ruud Lubbers op het Canisius overkwam. Prima cijfers Ruudje! Maar je doubleert, de paters vinden het lastig dat je iedere avond een uur voor je klasgenoten al wilt gaan slapen omdat je een jaartje jonger bent. Hoe onterecht, hoe zinvol de latere premier dat ook heeft ervaren.

De taal in Vrienden tegen wil en dank komt de lezer van dit blog misschien best wel vertrouwd voor. Sander Dekker beklaagt de collega’s die niet in de directe werkomgeving wonen, “dat lijkt mij best wel heftig en zwaar”.

Hij zal geregeld een constructie aantreffen zoals die Arie Slob (CU) in de mond gelegd wordt op blz. 136: “dit gaat niet gratis zijn voor de coalitie”, een aan het Engels ontleende manier van zeggen van gaan+werkwoord om een toekomstige tijd uit te drukken. Het woord ruig wordt op diverse plaatsen benut in de modernere betekenis van ‘hard, zwaar, wel even slikken’. Het Lenteakkoord was een ruig pakket, maar het eerdere regeerakkoord was ook al ruig genoemd – later is Martin van Rijns portefeuille “wel erg ruig, jongens”.

Opereren bepaalde ministers (zoals Stef Blok) “onder de radar” net als PvdA-leider Diederik Samsom? Dat is een nieuwe aanduiding van onzichtbaarheid, vanaf 2012 in de Handelingen voorkomend met Boris van der Ham (D66) als eerste spreker en direct omarmd in de Plenaire Zaal. Lodewijk Asscher neemt zich al even eigentijds voor dat hij het verschil wil maken in de Kamer. Klaas Dijkhoff is dienend in zijn taak als bewindsman, zegt hij, zo zit hij erin, in de wedstrijd zeg maar. En Henk Kamp waarschuwt dat het maar goed is dat het een minister in het kabinet niet alleen maar om z’n eigen dingetje gaat. Eigentijds, eigentijds, eigentijds Binnenhofs.

Eind 2014 gebeurde er in de Eerste Kamer iets verrassends. In de Senaat was de coalitie van VVD en PvdA telkens op hulp van een deel van de oppositie aangewezen, C3 ook wel de constructieve drie genoemd (te weten D66, CU en SGP). Terwijl dat voor een zorgvoorstel van minister Schippers geregeld was, stemde de VVD wel maar de PvdA onverwacht niet unaniem voor. Edith Schippers op blz. 51: “Toen voelden de constructieve drie zich enorm genomen. De regeringspartijen hadden hen overgehaald mee te doen en toen kwamen ze in de Eerste Kamer op de koude koffie.”

Daar kunnen we waarschijnlijk zien dat de interviewers hun gesprekspartners zo veel mogelijk aan de lezers hebben willen laten hóren. Het tegenstemmen door de PvdA’ers Duivesteijn, Linthorst en Ter Horst zorgde ervoor dat C3 en coalitie op de koffie óf van een koude kermis thuis kwamen – twee Nederlandse uitdrukkingen die grote teleurstelling uitdrukken en die hier (nog steeds in een zekere emotie?) gemixt zijn tot op de koude koffie komen. Heerlijke cappuccino.

Binnenhofs taalgebruik ontbreekt in het belangrijkste deel van het boek, het slot dat meer body heeft dan het voorgaande. Dat betreft een royaal stuk over de lessen die te trekken zijn uit Rutte II en waarvoor de auteurs te rade zijn gegaan bij Bas Jacobs (de econoom, Jeroen Dijsselbloem mag op hem reageren), Kim Putters (Sociaal en Cultureel Planbureau) en Wim Voermans (staatsrecht).

Vrienden tegen wil en dank (website Balans)

Wilma Borgman en Max van Weezel, Vrienden tegen wil en dank. De lessen van het tweede kabinet-Rutte. Amsterdam 2018.

 

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment

Efkes aandacht voor Bruno Bruins’ taalgebruik

Aan de orde kwam deze week (16 mei) in de Tweede Kamer een debat over het rapport van de Onderzoekscommissie seksuele intimidatie en misbruik in de sport. Aanwezig bewindsman is Bruno Bruins (de minister voor Medische Zorg en Sport). D66-Kamerlid Anja Diertens had het debat aangevraagd, Michiel van Nispen (SP) dient de meeste moties in. De minister sprak daar niet zo’n positief oordeel over, het was afraden of een vraag om aanhouden “opdat ik haar kan meenemen naar het kabinet om er daar het gesprek over te voeren”.

Hier spreekt (hoe bescheiden ook overkomend) een bewindspersoon: Opdat! Wie zegt er nog opdat tegenwoordig!

Van Nispen toonde begrip, maar zou toch wel graag een reactie van het kabinet willen hebben op aanbevelingen van een verkennende werkgroep. “Zo wereldschokkend is dat verzoek dus ook weer niet. Kan er daarom misschien voor dinsdag een brief liggen?” Dat is de vriendelijk gestelde vraag op woensdag 16 mei, ruim vijf uur. En de minister kijkt in gedachten naar z’n agenda om antwoord te kunnen geven op de concrete na-vraag van Kamervoorzitter Voortman: “Is dat mogelijk, meneer de minister?

Minister Bruins: Nee. Dat wordt een brief met heel weinig inhoud. Het is nu woensdagmiddag en we hebben de pinksterdagen nog vóór volgende week dinsdag. Het verzoek is inderdaad niet zo schokkend, maar de thematiek is wel indringend en verhoudt zich niet met efkes een briefje posten voor volgende week dinsdag, zeker niet als we daar ook nog met collega’s het gesprek over moeten voeren.”

BRUNO BRUINS (website ministerie)

De minister voor Medische Zorg en Sport die net nog opdat had gezegd om met Het Kabinet te kunnen overleggen, houdt nu de oppositie op een afstandje met een antwoord waarin het woord efkes voorkomt. Over taalvariatie gesproken, over botsing van stijlregisters. Efkes! Dat staat net als effe in Van Dale, notate bene. Effe is de informele vorm van even, efkes is Belgisch Nederlands schrijft Van Dale (toegevoegd in 2009, dan pas). Allee, spreekt Bruno Bruins opeens Vlaams? Welnee, het betreft zonder twijfel een Noord-Nederlandse, volkstalige variant uit de mond van de excellentie, zij het nu niet Westelijk zoals in het geval van effe maar waarschijnlijk zuidelijk. Misschien éventjes over de grote rivieren vanuit Arnhem bezien.

Een volkstaalvorm wordt soms door sprekers in de politieke arena gebruikt om op distantie te gaan van iemand bij wie ze niet willen horen of van een plan, een mening, een voorstel waar ze het niet mee eens zijn. Door niet even of eventjes te gebruiken klinkt het nét even bijzonderder – voor wie het hoort. Zie bijvoorbeeld de bijdrage onder de titel Teugen en vergeet de aanvullingen bij dat stuk niet.

Iedereen heeft vrijheid van meningsuiting en al helemaal binnen de muren van het Parlement, dus waarom zou mr. drs. Bruins niet efkes mogen zeggen in plaats van het normale even of eventjes in het ABN? Maar het is opvallend genoeg om mede-taalliefhebbers daar op te attenderen. Bovendien was het de allereerste maal dat het woord in de richting lijkt te gaan van opneming in de Handelingen.

Lof aan de Dienst Verslag en Redactie die de uitspraak van de minister vlot in het ongecorrigeerde verslag zette én precies in de vorm waarin hij het zei.

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment