Namen noemen we… (vii): Bos

Een wijsheid van de leraar Nederlands: “Je hebt in Nederland pas wat gepresteerd als er een straat naar je genoemd wordt.” Op dit moment vraag ik me even af, of hij zich gerealiseerd zou hebben, hoe bijzonder het vanuit taalkundig perspectief is als straten (ik noem even een paar uit m’n woonplaats) Karel Doormanstraat, prof. Ridderbosstraat of Riekele Prinsstraat heten. Het aparte is immers dat persoonsnamen in een taal als het Nederlands bij voorkeur níet als begin van een samenstelling figureren.

Kijken we naar wat ik gemakshalve 2017 noem – maar het is de periode van de nieuwe Tweede Kamer vanaf 23 maart tot 22 december – en bladeren we door de Handelingen: waar staat een familienaam in een woord? Heel simpel is het aan de rechterzijde, als er gesproken wordt van het regeerakkoord-Rutte, de methode-Rutte, de periode-Rutte, het pakket-Rutte of het kabinet-Rutte. Honderden moties zijn er ingediend, van de motie-Özütok tot de motie-Zijlstra, die onderstrepen dat bijvoorbeeld familienamen als tweede lid van een samenstelling juist prima passen in het Nederlands.

Maar vind maar ‘ns aan de voorzijde een familienaam! De ‘Hillen-regeling’ is door de Dienst Verslag en Redactie van de Tweede Kamer vast om die reden tussen aanhalingstekens gezet: eigenlijk kán dat niet, Hillen-regeling, maar daartegenover wél het effect-Hillen, de maatregel-Hillen, de regeling- of de wet-Hillen die ook wel het wetje-Hillen heet.

Frappant is vanuit dit perspectief dat we in de verslagen van 2017 deze woorden opgetekend vinden en zelfs zonder aanhalingstekens: Hillen-aftrek Hillen-effect  Hillen-geraakten Hillen-regeling Hillen-subsidie Hillenconstructie Hillengevallen Hillenwet Hillenwoningen

HANS HILLEN (fotocollage Google)

 

 

 

 

 

Dijsselbloem-proof vond ik nog, in een citaat dat door de voorzitter gebruikt werd bij het afscheid van de voriuge minister van Financiën en “Rutte-Bumatax” ook al citerend in een bijdrage van Van Rooijen (50PLUS) in diens eenzaam-lange strijd tegen de intrekking van de wet-Hillen. Dijsselbloem-proof is vast in een bewonderende, Rutte-Bumatax vast in een veroordelende sfeer gecreëerd en dat zijn precies de omstandigheden waarin het even minder nauw steekt hoe de taalregels van het spel ook eigenlijk alweer waren. Dito: DENK spreekt van het negatieve Wilders-effect op de Nederlandse economie.

Ik neem aan dat het precies die context geweest is waarin de term Bosbelasting bewust gemunt is, framing vanuit laten we zeggen het kamp dat stond tegenover Wouter Bos (toen populair  leider van de PvdA). Bosbelasting is een term die niet conform algemene regelmatigheden van het Nederlands is, maar de makers van het begrip zijn hier geholpen door het verschijnsel dat Bos in de vorm van bos een heel gewoon Nederlands begrip is en géen eigennaam. De eerste die het in de Tweede Kamer gebruikte was CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen. Hij vroeg aan Wouter Bos: “Ook dit is feitelijk niet juist, maar wees nu eens eerlijk. Wilt u ouderen extra gaan belasten, wilt u een “Bos-belasting” voor 65-plussers invoeren of niet?” Dat gebeurde op 27 september 2006 en vormde impliciet de aankondiging van wat CDA-lijsttrekker Balkenende Wouter Bos ruim een maand later zou verwijten, U draait en u bent niet eerlijk. Ik schreef in eerdere afleveringen van deze reeks dat ik zoiets graag verboden zag wegens discriminatie op grond van familienaam. Was Verhagen ook de bedenker van het rijm Met Bos ben je de klos?

* Bijzonder, dat het woord bosbelasting Van Dale gehaald heeft, én daar met onderkast geschreven wordt alsof het niets met de PvdA-leider van toen te maken heeft. Vreemd, de houdbaarheidsbijdrage staat niet in Van Dale.

* Opmerkelijk, er is wel een uitzondering op die algemene regel van samengestelde woorden: een term als het Chabot-arrest maakt duidelijk dat we met technischer taalgebruik in een andere sfeer vertoeven bij familienaam-vooraan. Denk ook aan het Bernoulli-effect, röntgenfoto’s, de Sapir-Whorfhypothese e.d. Maar die bevestigen als het ware dat er in de gewone wereld andere taalregels gelden.

* Ook apart: partijnamen kunnen alleen maar vóoraan in een samenstelling opereren. We spreken van CDA-lijsttrekker, PVV-stemmers, PvdD-fractie maar een omgekeerde volgorde komt niet voor – vooralsnog. Partijnamen gedragen zich talig gezien net als straatnamen.

Posted in PARLEVINKEN, Rijp voor opname (Van Dale) | Leave a comment

Namen noemen we…. (vi): Graus

Namen doen er echt toe, zeker in de politiek. Toen Rutte-I in het voorjaar van 2012 viel en er weinig tijd was om een concept-begroting naar Brussel te sturen, werd in enkele dagen een akkoord bereikt door een initiatief van de oppositiepartijen ChristenUnie, D66 en GroenLinks waarbij de coalitiepartijen VVD en CDA zich aansloten. Omdat het nu net deze partijen waren die eerder de aangepaste missie naar Afghanistan hadden mogelijk gemaakt, heetten die spontane begrotingsafspraken het Kunduzakkoord.

Ho even, heette dat zo? Wie de Handelingen van de Tweede Kamer nagaat, ziet dat het bij uitstek zo betiteld wordt door die partijen die er juist níet bij betrokken waren maar er kritiek op hadden. Verreweg het vaakst spreken PVV-woordvoerders van dat Kunduz-akkoord, maar ook de PvdA doet het geregeld. Een CDA-lid zegt het vrijwel nimmer, van de VVD vond ik maar één citaat (van Helma Neppérus), zij het toen voorzien van het voorbehoudende “het zogenaamde Kunduzakkoord”. Lente- of Voorjaarsakkoord zijn als aanduiding duidelijk minder succesvol gebleken – het kan zijn dat de niet-gebonden partijen er langer en vaker op terug zijn gekomen.

Geert Wilders sprak als woordvoerder van (toen nog) de grootste oppositiepartij PVV bij de Algemene en Politieke Beschouwingen van 25 september 2013. Namen klonken in twee opzichten bij hem door. Wilders: “Wij gaan ook geen — hoe zal ik het noemen? — Buma’tje doen en zeggen: weet je wat, pak de helden in de zorg maar aan, pak hun salaris af, haal de werkloosheidsbezuinigingen maar wat naar voren en schuif dat geld maar door. Het was niet alleen de heer Buma. Alle partijen die vorig jaar tekenden voor Kunduz, dat sommigen het Voorjaarsakkoord noemen, het CDA, D66, de ChristenUnie, GroenLinks, zetten hun handtekening onder een akkoord dat 9 miljard aan belastingverhogingen bevatte voor burgers en bedrijven. Die partijen plukten geld uit de portemonnee van al die mensen.”

Kunduz dat sommigen Voorjaarsakkoord noemen en Buma’tje doen, achtereenvolgens gericht tot de partijen die later na onderhandelingen juist wel of juist niet Rutte-III zouden vormen en Buma’tje tegen de fractievoorzitter van het CDA.

Jesse Klaver (GroenLinks) reageerde op 12 november 2014 op Helma Lodders (VVD) in een debat over Verantwoorde groei melkveehouderij en nam via haar ook de andere regeringspartij PvdA in het vizier: “Mijn fractie heeft een benaming voor de opstelling van mevrouw Lodders. Dat noemen wij een PvdA’tje doen. Je blaast hoog van de toren dat het allemaal schandalig is: het is niet nodig en we zullen er nooit mee instemmen. Vervolgens stem je er echter gewoon mee in en volg je het kabinet, want dan zijn de vage antwoorden van een minister of een staatssecretaris toch voldoende. ”

GroenLinks is vaker creatief met taal. Toen het nieuwe D66-Kamerlid Jetten zijn PVV-collega Dion Graus niet bleek te kennen, zei deze tegen hem: “De fractievoorzitter van GroenLinks heeft mij ooit een werkwoord toegedicht: grausen. Dat is als partijen jarenlange waarschuwingen van mij genegeerd hebben en moties van mij hebben doen verwerpen die hierover gaan. Dat is “grausen”.” (6 april 2017)

Graus had gelijk, Klaver gebruikte dat on-Nederlands ogende werkwoord: 24 september 2013. Vanaf dat moment hebben PVV’ers het geregeld aangehaald, Graus zelf nog het vaakst.

DION GRAUS (website Tweede Kamer)

 

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Namen noemen we…. (v): Opstelten

Even uit eigen werk citeren? De laatste bijdrage voor het Krokusreces aan dit blog eindigde zo: “Er lijkt me iets voor te zeggen om woordspelingen met namen van betrokkenen in de vergaderingen van het Parlement ook fout te rekenen – en via een expliciete anti-discriminatiebepaling in het Reglement van Orde te verbieden.” In deze aflevering voeg ik een argument toe aan dat van de vorige keer, toen het ging over het maken van blendings als Bumor.

Hoe ongebruikelijk misschien in het gewone leven, maar in de Kamer kán het: een familienaam van een verkleinvorm voorzien. De begroting van het toen nog zo geheten ministerie van Veiligheid en Justitie was op 28 november 2012 aan de orde. Woordvoerder Gerard Schouw sprak namens D66, oppositiepartij. De minister in het juist aangetreden kabinet Rutte-II was Ivo Opstelten (VVD).

Schouw volgens de Handelingen: “Ik ben nu weer aangekomen bij de “Opsteltentjes”. Wat zijn dat? Het eerste kenmerk is dat dat voorstellen zijn die een bewindspersoon heel graag wil, maar – en dat is een tweede kenmerk – die niet lukken. Het derde kenmerk is dat ze dan heel soepel via een soort politieke zijdeur worden afgevoerd.”

De familienaam van een politicus (het is altijd eentje van een andere partij) wordt van Opstelten verkleind tot Opsteltentje om iets te bestrijden.

Opstelten was als minister enkele maanden tevoren opgevolgd door Ard van der Steur, toen zijn naam op 26 mei 2015 toch nog in verkleinde vorm in de Tweede Kamer klonk door toedoen van Nine Kooiman (SP, ook oppositie): “Deze minister doet een “Opsteltentje”: heel grote woorden en uiteindelijk niet concreet maken waarmee hij komt. Dus vraag ik de minister graag om concreet te worden.”

Die manier van zeggen, een Opsteltentje doen, ken ik alleen van de Tweede Kamer. De algemene omschrijving gaat bijvoorbeeld zo: we voegen de verkleiningsuitgang toe aan de (voor- en) achternaam X van een politieke tegenstander, combineren het met een vorm van het werkwoord doen toe en drukken op die manier iets negatiefs uit op een manier waardoor zekere persoon met de naam X (wellicht) eerder van zich heeft doen spreken. Opstelten is niet het enige slachtoffer van deze praktijk maar bij hem was er na die eerste keer in 2012 ook nog in 2017 een echo bij het debat over de afschaffing van de dividendbelasting. Jesse Klaver zei toen: “Kijk, bij ons noemen we dit al “een Ivo-Opsteltentje doen”. Je zegt: bij mijn beste weten is er niets. Straks komt er iets naar buiten en dan zit dit kabinet met de gebakken peren.” De betekenis bleek verschuifbaar, de strekking was onveranderd negatief.

Paul Ulenbelt (SP) verweet in 2013 een PvdA-kamerlid een Samsommetje te doen, door zijn fractievoorzitter Emiel Roemer in maart 2017 herhaald met de vraag aan Lodewijk Asscher (PvdA): “Gaat u hier nu niet gewoon een Samsommetje doen door voor de verkiezingen heel hard uit te halen om vervolgens na de verkiezingen met dezelfde VVD om tafel te gaan zitten?” Een naampje doen is dus iets dat kan blijven hangen, het stigmatiseert.

Het debat over Discriminatie en racisme in Nederland op 6 april 2017 was voor een aantal van de deelnemers het moment van hun maidenspeech. Dat gold bijvoorbeeld voor Theo Hiddema (FvD) die voor deze ene eerste keer over de hem toegestane tijd mocht heen gaan. Dat verleidde Farid Azarkan (DENK) tot dit begin van zijn tweede termijn: “Voorzitter. Complimenten aan beide bewindslieden voor de beantwoording. Ik zie dat de tijd tikt. Mocht ik een Hiddemaatje doen, namelijk ver over mijn tijd heen gaan, dan hoop ik dat u mij dat kunt vergeven. Ik zal snel zijn.” Jasper van Dijk (SP) pikte dat op in zijn spreekbeurt: “Voorzitter. Het is wel knap als je al na één debat een verschijnsel op je naam kunt krijgen: een Hiddemaatje. ” Daarna zei Chris van Dam (CDA, ook maidenspeecher deze dag): “Ik ben blij dat er over een Hiddemaatje wordt gesproken en niet over een Van Dammetje, want misschien had dat wel eerder aan de beurt kunnen komen.”

In Politieke Junkies van 16 februari 2018 werd een stukje interview met minister Ollongren getoond. Ze liep van de camera weg en keerde terug om het gesprek min of meer te vervolgen. Dat noemde de presentator van die avond in De Balie een Vogelaartje doen: die raakt nooit weer kwijt dat ze zoiets onhandigs deed in een Powned-interview. Dat is al even geleden, door de uitdrukking blijft het beeld extra hangen. Bij de eerdere aflevering van Politieke Junkies (27 januari 2018) was sprake van een Rob Oudkerkje doen ‘hoorbaar via een microfoon iets zeggen wat geheim en dus niet voor derden bedoeld was’.

Dat taalgebruik, een familienaampje doen, lijkt me discriminatie. Ik zou het via een expliciete bepaling in het Reglement van Orde proberen te verbieden.

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Namen noemen we…. (iv): Buma

Portemanteau is een Frans woord dat (zegt Van Dale Frans) allereerst ‘kapstok’ en ‘kleerhanger’ betekent. Die tweede omschrijving geeft het mooist aan waarom er in de taalkunde sprake kan zijn van een portmanteau-woord. Een concreet voorbeeld is simpeler dan het geven van een definitie, vandaar: Drenthenieren. Maar ook alcomobilist is een fraaie. Of flextremist, een prijs die SP-jongeren toekennen.

Het gaat dus om een geconstrueerd woord dat de kop van woord A deelt met de staart van woord B: Drenthe + rentenieren = Drenthenieren of Drentenieren, al naar de plaats waar we de woorden precies aan elkaar plakken. De flextremist is de flexwerkgever + extremist, een wat meer gedwongen overkomende aanduiding voor een prijs die geen positieve onderscheiding inhoudt. Dan is alcomobilist geslaagder, iemand die onder invloed van drank wordt aangehouden: alcohol + automobilist. Wie het zichtbaarder wil: alcohol + automobilist = alcomobilist.

De mooiste portmanteauwoorden delen iets gemeenschappelijks van beide woorden. Verplicht is dat niet (Jeroen Krabbé vertelde een keer dat hij in een recept gebruik maakte van rozenten, een mix van rozijnen en krenten, Brexit = Brittannie + exit heeft het evenmin), maar als er sprake is van een stukje overlap dan oogt het resultaat als het ware échter, meer naturel. Grusical is de Duitse combinatie van gruseln (griezelen) en Musical: de s is het scharnier tussen beide woorden. Het haakje van de kleerhanger.

Niet het Duits is de taal waar het stikt van die portmanteauwoorden, wel het Engels waar ze ook wel blendings heten – van Oxbridge tot Reagonomics. Heel actueel is de aanduiding Javanka in het Witte Huis, een term uit de keuken van Steve Bannon die ermee allerminst vriendschap mee uitdrukte voor Jared Kuschner en zijn vrouw Ivanka Trump.Het kwam naar buiten via dat ongelofelijke boek over de binnenkant van het Witte Huis in het eerste jaar van Trump.

Namen vormen succesvol materiaal voor het maken van blendings, vooral in de sfeer van kritiek. Dat geldt ook voor Nederland. In het debat over de regeringsverklaring van Rutte-III waren de bordjes verhangen: Buma (CDA) verdedigde opeens het kabinet, Asscher (PvdA) was van vice-premier verhuisd naar de oppositie. Na Buma’s bijdrage zei hij: “We weten nu dat de inspiratie voor het regeerakkoord blijkbaar is gegeven door de Reformatie van 500 jaar geleden. Ik dacht eerst dat het “bumor” was (…).”

Ook Jesse Klaver gebruikte de term. Hij deed dat evenmin als Asscher als eerste, al was dat debat van 1 november 2017 volgens de verslagen de eerste maal dat bumor in de Tweede Kamer viel. Klaver debatteerde met Buma over de aangekondigde BTW-verhogingen die níet in het CDA-verkiezingsprogramma stonden. Buma: “Verpakkingenbelastingen met 2 miljard verhogen en niet zeggen dat je dat doet, dat vind ik geen sterk verhaal.” Klaver: “Het is grappig dat de heer Buma dit zo brengt. Dat is ook bijna “bumor”” en lichtte toe: GroenLinks liet de kiezers wél vooraf weten, welke belastingverhoging deze partij voorstond.

Bumor is de optelsom van Buma + humor, met de m als gedeeld terrein tussen beide woorddelen en in technische zin dus geslaagd. Zo’n blending zou een contaminatie heten als twee uitdrukkingen met elkaar gemixt werden (duur kosten = duur zijn + veel kosten) en dan fout gerekend worden. Er lijkt me iets voor te zeggen om woordspelingen met namen van betrokkenen in de vergaderingen van het Parlement ook fout te rekenen – en via een expliciete anti-discriminatiebepaling in het Reglement van Orde te verbieden.

P.S. Krokusreces in Den Haag: daarom pas op maandag 5 maart op deze plek een nieuw vervolg in de reeks over namen in de politiek.

 

Posted in PARLEVINKEN | 1 Comment

Namen noemen we…. (iii): Lubbers

Het afscheid van Ruud Lubbers – de afgelopen week door het bekend worden van zijn overlijden, de komende door zijn uitvaart – is in 1994 in figuurlijke zin al vrij snel na zijn vertrek uit de Nederlandse politiek bevestigd met het boek Afscheid van Ruud Lubbers, onder redactie van Robbert Ammerlaan. Bij deze en bij de vorige aflevering is de voorzijde van dat boek van uitgeverij Anthos afgebeeld. Een keur aan collega’s en betrokkenen uit politiek en maatschappij droeg aan dat boek bij, zodat het een dikte kreeg van een bladzijde of 350.

In feite is daarin verrassend, hoe weinig aandacht er dan geschonken wordt aan Lubbers’ taal. Snel corrigeren: het gaat er diverse malen over, in Ammerlaans voorwoord, ietsje in het verhaal van Relus ter Beek (jongeren-dossier, vertrekpunten), Gerrit Braks (o.a. “Uit zijn taalgebruik zou je kunnen concluderen dat hij zich wat afschermt, wat afstandelijk is. Dat is niet waar.”), Gerrit Brokx (“Hij ziet het graag ‘een slag anders’.”). Maar dan zijn we al over bladzijde 100 heen en arriveren bij Seth Gaaikema, de neerlandicus uit Groningen. Ook die zegt op het terrein van zijn eigen vakgebied een beetje maar verrassend weinig. Toevallig staan de meeste talige dingen over Ruud Lubbers meer achterin, uit de pen van Jacques Wallage en uit die van Max van Weezel vooral.

We hebben het nu kennelijk meer over de taal van de overleden premier dan destijds na zijn vertrek, ook al heeft Lubbers met de aanduiding lubberiaans Van Dale gehaald. Ook dat staat daar kort geformuleerd en een aantal dagen na het overlijden is het nog niet geactualiseerd met Lubbers’ overlijdensjaar.

 

Laten we Femke Halsema aan het woord laten, naar de Handelingen van de Tweede Kamer van 21 januari 2010. Aan de orde is het debat over de uitspraken van de minister-president over belastingverhoging. dat is dan Jan Peter Balkenende, die in de nabetrachting bij Nieuwsuur naar voren kwam als degene die het dichtst bij Rotterdamse Ruud had gestaan, ook in de laatste periode.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter. Elke premier die langer zit en daarbij enige positie opbouwt, kan vroeg of laat rekenen op vervorming van zijn naam. Een van de beroemdste was natuurlijk het “belubberen”, door Marcel van Dam ooit geïntroduceerd voor premier Lubbers. Even beroemd is volgens mij “lubberiaans” geworden. Ik heb dat laatste nog eens even nagezocht en ik wil het opfrissen tot “balkeriaans”. De definitie van “lubberiaans” en wat mij betreft “balkeriaans” is namelijk: een oorverdovende onduidelijkheid van ongeëvenaarde zwalkende kwaliteit. Het lijkt mij dat wij in dit geval met recht kunnen spreken van “balkeriaans”.

Er is geen enkele duidelijkheid over het standpunt van het kabinet. Het reageert in toenemende mate geïrriteerd als het naar de Kamer wordt gehaald, omdat het gedwongen wordt te spreken over de eigen conflicten, het onderlinge tegenspreken en het elkaar een hak zetten. Laat ik eerlijk zeggen: ik heb er ook schoon genoeg van. Ik zou het ongelooflijk plezierig vinden als het kabinet eens naar de Kamer kon worden gehaald om beoordeeld te worden op een inhoudelijk voorstel. Dat betekent wel dat het kabinet moet beginnen met regeren en stoppen met ruzie maken. Alstublieft!

 

Mevrouw Halsema is geraakt en laat dat horen. In haar ergernis voorziet ze Balkenende van het nieuwe suffix –eriaans dat pas ontstaan is door Ruud Lubbers, kijk naar het slot van zijn familienaam. Die irritatie onderstreept ze door alleen het begin van de naam Balkenende te benutten – en maakt zo een woordspeling met het geluid dat ezels maken.

Lubberiaans is in de Handelingen soms ook vindbaar in andere lezingen dan we uit Van Dale kennen. Hier volgt de totale oogst en met uitzondering van Femke Halsema’s citaat uit 2010.

• Gijs van Aardenne (1974): “De heer Van Aardenne meende dat de Nederlandse bevolking toch enigszins „Lubberiaans” reageerde en een zekere soberheid toepaste.”

• Willem Drees jr (1974): “Men ziet het in de openbare gebouwen met stoken en verlichting; daar wordt geen enkele actie ondernomen, zoals dat een jaar geleden wel korte tijd is ge-weest om meer ‘Lubberiaans’, zoals men het noemde, te ageren.” [Van Aardenne en Drees hebben het beiden over Lubbers’ oproep voor de televisie om de verwarming een graadje lager te zetten en de gordijnen dicht te doen: hij verscheen in trui in beeld, SR.]

• Job Kohnstamm (1988): “(…) de definitieve produktie van het paspoort en over de welhaast onontwarbare knoop met betrekking tot de klemmende vraag wie nu de opdracht zou krijgen: KEP of de Staatsuitgeverij. De ontknoping is even simpel als Lubberiaans: ze dienden beide die opdracht te krijgen.”

• Ina Brouwer (1990): “(…) ik heb toch niet helemaal begrepen of er nu wel of geen evaluatie komt. Het was een beetje open. Ik zou bijna willen zeggen: een beetje “Lubberiaans”.”

• In 1992 gebruikt Ruud Lubbers het bijvoeglijk naamwoord zélf (over een speech zegt hij: u zult er weinig Lubberiaans in vinden).

• Rudolf de Korte (1994): “We zullen wellicht twee volgende kabinetsperiodes driftig moeten “aansparen” – typisch Lubberiaans neologisme; wanneer komt het in Van Dale? -om het land van deze erfenis te ontdoen.” [aansparen heeft Van Dale nog niet gehaald, SR]

• Johan Remkes (1994): “(…) het niet beheffen van duurzame energiebronnen in het kader van de invoering van een energieheffing in 1996. Die zin komt op ons wat Lubberiaans over. Wat wordt daarmee precies bedoeld?”

• Paul Rosenmöller (1995): “De minister-president kwam met een bijna Lubberiaanse oplossing: wij gaan de A73 koppelen aan de Betuwelijn. Iedereen die er een beetje verstand van heeft, raakt dan echt de kluts helemaal kwijt. Dan worden er appels met peren vergeleken, misschien om ons knollen voor citroenen te verkopen.”

• Eimert van Middelkoop (1995): “In die zin begroeten wij de wetsvoorstellen vanuit een positieve grondhouding, om het goed Lubberiaans-Rotterdams te zeggen.” [Van Agt was overigens de eerste die deze uitdrukking gebruikte, SR]

• Jozias van Aartsen (1996):  “Hij (Eisso Woltjer, PvdA) voegde mij namelijk de van de heer Lubbers komende opmerking “eens, maar nooit weer” toe.” [Lubbers voegde zijn vice-premier De Korte die kwalificatie in de Tweede Kamer toe, SR]

• Job Kohnstamm (1996): “Ik zou dus ook bij de heer De Hoop Scheffer willen bepleiten dat wij die dossiers, om het Lubberiaans uit te drukken, “even uit elkaar trekken”.”

• Mat Herben reageert in 2005 met de mededeling “Dat is waarschijnlijk Lubberiaans” als iemand hem niet zegt te begrijpen.

• Camiel Eurlings (2010) weet het even niet: “Ik moet hiervoor kijken naar de ambtenarenloge. Ik laat mij even informeren wanneer dit volgens de laatste inzichten precies zal zijn. Daarom ga ik nu een beetje lubberiaans spreken, terwijl ik in volle verwachting naar de ambtenarenloge kijk.”

En in de jaren daarna waren er nog twee incidenten waarbij Lubbers’ naam werd aangeroepen om begrip te vragen voor duisternis.

Deze week zal de oud-premier in de Tweede Kamer herdacht worden en dan zal vast iets preciezer verteld worden over wat we onder het Lubberiaans moeten verstaan.

Wat hemzelf betreft was duidelijk dat hij het begrip Lubberiaans geheel akkoord vond, het werkwoord belubberen daarentegen allerminst. Doen degenen die hem dezer dagen gedenken hem een plezier, dan laten ze dat werkwoord achterwege.

P.S. Ik blijf het frappant vinden, hoe onmogelijk het was voor Ruud Lubbers om de naam van het staatshoofd uit te spreken. Hij zei echt iets wat sterk in de buurt kwam van wat eerder Chinees lijkt: “ko-nie-jin“.

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment

Namen noemen we… (ii): Lubbers

Toeval: afgelopen woensdag was de dag dat het overlijden bekend gemaakt werd van de vroegere minister-president Ruud Lubbers en het was de dag waarop enkele uren tevoren in dit blog aandacht gevraagd was voor de omgang met namen van politieke tegenstanders. Voor vandaag werd het eerste vervolg in een reeksje aangekondigd en het is daarom logisch, om te beginnen met aandacht te vragen voor Ruud Lubbers.

Het volgende is een fragment uit het verslag van de Tweede Kamer van 12 oktober 1983. Het kan niet anders dan in de afgelopen dagen geregeld genoemd zijn in terugblikken op de vroegere minister-president.

 

Aan de orde: de Rijksbegroting voor 1984.

De heer Van Dam (PvdA): Mag ik de minister-president eens wat vragen? Ik krijg over dat probleem van de echte minima nogal eens een paar brieven en ik wou eens een poging doen, dat wat dichter bij de mensen te brengen. Stel: u hebt een tuinman, Flipse heet hij. Die krijgt van u honderd gulden in de maand. Op een gegeven moment zegt u: ‘Flipse, het zijn moeilijke tijden, wij doen er een tientje af, maar je hebt het zo moeilijk, je krijgt een eenmalige uitkering.’ En Flipse zegt: ‘Dank u wel, mijnheer, dat is prachtig.’ Volgend jaar weer. U zegt: ‘Flipse, de tijden blijven moeilijk. Wij doen er weer een tientje af, maar eenmalige uitkering.’ Flipse komt thuis, geeft het loonzakje aan zijn vrouw en die zegt: ‘Flipse, je hebt een tientje minder volgens mij.’ ‘Nee’, zegt Flipse, ‘ik heb een eenmalige uitkering weer gehad.’ ‘Nee’, zegt zij, ‘je hebt een tientje minder. Volgens mij heb jij je laten belubberen.’ Flipse komt bij u terug en zegt: ‘Maar, mijnheer Lubbers, hoe kan dat nou?’ Hoe legt u hem dat dan uit? Minister Lubbers: Ik zou dat niet uitleggen. Ik zou dat niet hoeven te doen, want ik zou ook die man niet met dat verhaal naar huis gestuurd hebben. Het is namelijk uw verhaal, het is niet het mijne. Zo is het!

Ja, zo is het! Dat is toch de systematiek van de eenmalige uitkering of niet?

Minister Lubbers: Nee, nooit is die voorstelling gegeven. U suggereert nou, dat thuis de vrouw van die mijnheer zou moeten ontdekken, dat de goede man bedonderd is. Nou, ik vind het niet erg koosjer om de voorstelling te geven alsof iemand dat zo zou doen en alsof de overheid dat zo zou doen.

De heer Van Dam (PvdA): Juist, dat is niet koosjer. Op blz. 53 van de Miljoenennota staat het staatje over de inkomensverdeling. Er staat: sociale minima -3,5%. Vervolgens staat er: aan de echte minima zal een eenmalige uitkering worden verstrekt, welke ertoe leidt dat de inkomensachteruitgang voor deze categorie inkomenstrekkers met 3,5% wordt beperkt, ledere normale Nederlander die dit leest, ziet dat alle minima er 3,5% op achteruitgaan, behalve de echte minima. De werkelijkheid is echter dat de echte minima, als zij de eenmalige uitkering niet kregen, er 6,2% op achteruit zouden gaan. Deze groep gaat er nu 2,7% op achter achteruitgang van de andere minima vorig jaar. (sic, SR) Volgend jaar gaan de echte minima er 3,5% op achteruit. Alle echte minima worden, net als die tuinman, belubberd!

Minister Lubbers: Mijnheer de Voorzitter! Tegen deze woordspeling moet ik groot bezwaar maken. De fractievoorzitter van de partij van de heer Van Dam heeft een probleem onder ogen gebracht en er vragen over gesteld. Hij behoort dus tot die groep van Nederlanders die de intelligentie wordt toegemeten dit te zien. Het is uitgebreid besproken, iedere keer weer. Ik heb hier betoogd dat dit een reëel probleem is. Ik heb geen enkele indruk willen wekken dat dit geen reëel probleem is. De heer Van Dam probeert nu de suggestie te wekken dat de regering hier de zaak aan het bedonderen is. Ik acht dit volstrekt onaanvaardbaar. Als hij, hoe geestig hij het ook vindt, een woordspeling invoegt, acht ik dat, ook als oud-collega, onder de maat! (applaus ter rechterzijde).

Tot zover de Handelingen. In 1983 werd met de naam van Ruud Lubbers dus hetzelfde uitgehaald door Marcel van Dam als veel later door Thierry Baudet (FvD) met de familienaam van Eric Wiebes: zie de vorige aflevering. Wiebes liet het passeren, Lubbers verstrekte zelf de vertaling van het verzonnen werkwoord belubberen ‘bedonderen’ en was not amused. In een vervolgbijdrage zal het nogmaals over Lubbers gaan, meer in het bijzonder over het woord Lubberiaans, dat de afgelopen dagen geregeld is afgestoft. Maandag.

Afscheid van Ruud Lubbers (Anthos)

 

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment

Namen noemen we… (i)

Net midden in de Carnavalsweek waarin het Zuiden Voorjaarsvakantie heeft, organiseert het onderwijsveld een staking in Noord-Nederland. Diezelfde woensdag – het leed voor de ouders is niet zo groot want de middag hebben de kinderen waarschijnlijk toch al vrij – is het in Duitsland de politiek belangrijke Aschermittwoch. Op die dag wordt er uitgedeeld naar de tegenstanders en zo sluiten de eigen rijen zich (wat meer). Omdat Duitsland een ander land is waar we allicht minder emoties bij hebben, kunnen we probleemloos kijken naar wat Andreas Scheuer vandaag in Passau uitriep. Scheuer is secretaris-generaal van de CSU, dat is de wat rechtserse zusterpartij van de CDU in Beieren. De dag nadat Martin Schulz definitief de handdoek in de ring had geworpen (hij was dé hoop van de SPD maar takelde in een beperkt aantal maanden volledig af), sprak de CSU-man van het ausschulzen van de politiek. De CSU heeft met de CDU een coalitie gesloten met de SPD die daar nog een ledenraadpleging over moet houden – in Nederland gaan de coalitiepartijen minder scherp met elkaar om, denk aan de ingetogen houding van Buma, Segers en Pechtold in het debat over Halbe Zijlstra, dinsdagavond in de Tweede Kamer.

SCHEUER (CSU) SZ 14.02.2018

 

 

Wat betekent ausschulzen? Geen idee en waarschijnlijk is dat ook niet van belang, het gaat erom, een van de grote tegenstanders onderuit te halen op basis van zijn achternaam met iets wat iets negatiefs suggereert. Hetzelfde deed Scheuer  in de richting van Oostenrijk. Daar werd Bondskanselier Christian Kern (SPÖ) kortgeleden opgevolgd door zijn christen-democratische tegenstrever Sebastian Kurz en in Passau sprak Andreas Scheuer naast dat ausschulzen van het wegkernen. Ook daar geldt: je gebruikt de familienaam van een politieke tegenstander – zelfs in een ander land – en je gebruikt dat negatief.

Denk niet dat het een specifiek Duits gebruik is of dat het beperkt is tot die ene woensdag in het jaar dat het Aschermittwoch is. Thierry Baudet (Forum voor Democratie) deed hetzelfde met minister Eric Wiebes in een van de gasdebatten: “Als Wiebes niet voor 1 juli van dit jaar dit probleem oplost en de schade heeft bijgeschreven op de bankrekeningen van de Groningers moet Wiebes wieberen.” Wat dat werkwoord betekent? Andermaal: het doet er niet toe, de sfeer is negatief en door dat te doen straalt dat af op de persoon die genoemd wordt.

Overigens – het zijpaadje is maar kort – kunnen negatieve én minder-negatieve woorden ook indirect op iemand betrokken worden zónder de naam te noemen. Als ik het goed heb geteld zei minister-president Rutte 11 maal (zegge: elf) in het debat over het aftreden van de minister van Buitenblandse Zaken dat het beeld over wat er gedeeld was met Halbe Zijlstra door de bron van zijn verhaal diffuus of diffuser was geworden. De naam noemde de premier niet eenmaal, maar 11x werd Jeroen van der Veer (ex-SHELL) geassocieerd met het diffuus worden van een verhaal. Het was in datzelfde debat de minister-president die hardnekkig niet sprak van het liegen door Zijlstra maar bijna consequent repte van “de waarheid niet spreken”.

Als het Nederlandse onderwijs te hoop loopt tegen de betreffende minister, is het niet ongewoon om als actievoerder iets te doen met de naam van die bewindsman. Waren er in de tijd van Wim Deetman op die post (dus midden jaren ’80) geen protestdoeken met de tekst “Deetman lik-me-reet-man”? Zoiets herinner ik me, en via Google kom ik erachter dat zoiets inderdaad het geval is geweest: zie afbeelding.

Het is dus niet verbazend, dat de pijlen die nu op minister Arie Slob gericht worden voorzien zijn van teksten waarin Slob en in het slop met elkaar verbonden worden.

Een familienaam is iets waar niemand om gevraagd heeft – dat alleen al zou een reden moeten zijn voor politici om daar geen gebruik van te maken in het debat, zelfs niet als het om de meest gehate tegenstanders gaat. Huids- of haarkleur, een lichamelijk gebrek of ander persoonlijk kenmerk, dat zijn onderwerpen waarop iemand niet gediscrimineerd behoort te worden en namen staan daarmee op één lijn. Nee, nee, nee, namen noemen we niet, zong Wim Kan ooit.

Namen zijn interessante objecten, ook in de politieke taal. Het is een onderwerp om een poosje speciaal naar te kijken. Vanaf vrijdag.

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment