Variatie in familieberichten (7): Marjan uit Maria Janna, Marith uit Maria Judith e.d.

Vooral rond de officiële voornaam Maria zien we veel voorbeelden in rouwadvertenties waar het volgende uit duidelijk wordt: roepnamen kunnen samentrekkingen zijn van twee doopnamen. Uit een enorme voorraad is het simpel enkele voorbeelden te lichten:
Malou < Marie-Louise
Margriet < Maria Grietje
Mariot < Maria Otto (vrouwennaam)
Marjan < Maria Janna of Maria Janneke
Marleen < Maria Lena
Marjel < Margriet Jellina
Marjet < Martha Jetske

Hier is dus het beginstuk Ma– of Mar– van Maria (of Margriet, Martha) gecombineerd met het beginstuk van de (eventueel een) tweede voornaam.
Dat is bijvoorbeeld niet zelden ook het geval met het product Marian, gebaseerd op Maria Anna. Maar aan de basis van Marian kan ook Maria Johanna liggen en dan is het begin van de ene naam gekoppeld aan een middenstukje van de andere. Vergelijk de voornaam Marinel wanneer deze ontstaan zal zijn uit Maria Cornelia. Of Marian voortgekomen uit Maria Adriana, Marlies/Marlis < Maria Elisabeth e.d.

Uit Brabants Dagblad

Mariette is enkele malen geobserveerd als samentrekking uit Maria + Henriëtte maar ook uit Marie Antoinette: een begin van Maria voorzien van een slotstuk van een andere naam. Marita < Maria Metta, Marith < Maria Judith, Marisa < Maria Louisa, Marlien < Maria Pauline zijn gevallen die duidelijk maken dat dit een succesvol procédé is.

Ook al is de volgorde van de doopnamen A+B, dat kan heel goed aangepast worden tot B+A om een partje van elk van de twee te mixen tot een roepnaam (de eerste twee gevallen zijn in beeld zichtbaar gemaakt):
Anna Maria > Marian
Johanna Maria > Majo
Johanna Martina, Margrieta Johanne, Maria Joanna, Martje Joukje > Marjo
Helena Maria > Marleen
Helene Maria > Marlene
Pieternella Maria > Manella
Leijntje Maria > Marleijn

De spelling in dit laatste voorbeeld maakt duidelijk dat we inderdaad aan juist deze combinatie moeten denken bij deze allicht bewust gekozen voornaam.

Uit PZC

In een minderheid van de gevallen wordt er een beetje gesmokkeld, zoals Marlijn < Amarise Willemijn laat zien. Of kijk naar Marjon < Margrieta Johanna waarbij een niet helemaal perfecte weg is afgelegd van twee doopnamen naar een kennelijk geprefereerde roepnaam.

Omdat Maria en andere feminiene voornamen die beginnen met Mar– zo’n succesvol geval zijn, ging het in deze aflevering over vrouwelijke roepnamen. Bij mannen zijn er ook mogelijkheden. Maar Maria zal in deze reeks nogmaals onderwerp van attentie zijn. (volgende aflevering)

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Mark Rutte zonder het Ruttiaans. Dat moet ik uitleggen.

Foto RVD

De toespraak van premier Rutte wilde ik hóren en daarom zag ik hem pas later. Ik kon me geen voorstelling maken van het decor: was het opgenomen in ‘t Torentje, zou er een afbeelding staan van Den Uyl die zich tot ons op 1 december 1973 richtte tijdens de Oliecrisis en zou er een Nederlandse vlag staan waar de Tweede Kamer zo op gesteld is? Een vaantje op z’n minst?

Via de Rijksvoorlichtingsdienst zag ik wat ik eerder had gehoord in context: geen nationaal symbool, in plaats daarvan wat boeken en cd’s (Chopin?), een foto van Thorbecke wellicht. Handen op het papier, wat suggereert dat er wel tekst ligt voor het geval dát maar dat de minister-president zich uit het hoofd tot ons richt.
Wat ik hoorde was een Mark Rutte zonder een zweem van het Ruttiaans. Dit blog bevat sinds september 2016 een stuk of 500 afleveringen en in minstens een kwart daarvan kwam de taal van de premier aan de orde – niet eerder hoorde ik hem spreken zoals op 16 maart 2020. (Tik RUTTE in het zoek-hoekje en controleer.) Nergens was iets van de Mark Rutte te horen die ik kende van de tientallen en tientallen malen dat ik hem had gezien in Nieuwspoort of in de Tweede Kamer, er was zelfs geen woord uit een andere taal bij – we zitten in een crisis.

De speech is in essentie vast op zondag geschreven. “Laat ons daaraan vasthouden” klonk net als wat Wopke Hoekstra bij Buitenhof formuleerde als “we moeten ons op de experts verlaten”. Daarna stel ik me voor is er aan geschaafd om de tekst bekkender te maken door een of ander bureau. Met dank aan de Rijksvoorlichtingsdienst is het direct zichtbaar, wat zij publiceerden was de autocue.

Tekst RVD

Het is zó gepresenteerd dat we niet een verzameling zinnen zien maar één grote hoeveelheid alinea’s.
Door de lay-out weet degene die voorleest direct: “hier staat een punt; stoppen, afhankelijk van wat er volgt beetje meer of beetje minder” en er ontstaat als het ware een natuurlijke pauze die ons bij een volgende zin brengt of plotseling bij een aanvulling die eigenlijk nog wel eventjes moest volgen. Zo krijgt een schriftelijke tekst een spreektaliger en mondeling karakter. Dat is het duidelijkst te zien aan de beknopte constructies die hier en daar zichtbaar worden:

• Het coronavirus houdt ons land in de greep.
Ons, én de rest van de wereld.
• Je vraagt je af: gebeurt dit echt?
Want de maatregelen die hier en elders worden getroffen zijn ongekend voor landen in vredestijd.
• We zitten allemaal met vragen.
Wat kan ik doen om mezelf en de mensen om me heen te beschermen?
• Aan deskundigen als Jaap van Dissel en zijn collega’s binnen en buiten het RIVM.
Virologen, intensive care artsen en andere specialisten.

Er is geknipt zodat opsommingen soms niet doorlopen, waardoor we aan improvisatie kunnen denken.
Er is geknipt, zodat zinnen soms beginnen met een voegwoord (want, en) die gewoonlijk juist niet voorop staan maar een tweede deel van een zin vormen.
Er is vooral in de eerste helft van de toespraak geschrapt, zodat we allerlei incomplete zinnen zien zónder een persoonsvorm terwijl ze eigenlijk het vervolg zijn van wat er voor de vorige punt staat:
• Ons, én de rest van de wereld.
• Aan deskundigen als Jaap van Dissel en zijn collega’s binnen en buiten het RIVM.
• Virologen, intensive care artsen en andere specialisten.
• Stappen die onvermijdelijk op ons af komen.
• Net als vroeger met de mazelen.

Alle bijzonderheden die we van de spontane spraak van Mark Rutte kenden zijn hier afwezig. Geen grapje, geen Engels, geen terminologie voor de protestanten, zelfs nauwelijks een voorbeeld van het Binnenhofs (waarvoor ik graag verwijs naar Dat gezegd hebbend…)
En het woord nuwe sprak de premier dankzij de teleprompter zelfs bijna uit als nieuwe.

Hoe familiair hij de vorige week in de Tweede Kamer ook acteerde: dit was een Mark Rutte die we nog niet kenden, boven de partijen. Boven Den Haag.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Variatie in familieberichten (6): Adde Klaas en Derk Anne Knol ingedikt tot AK en DAK

Deze reeks zal voor een aanzienlijk deel in het teken staan van het onderscheid – vaak het logische onderscheid – tussen ‘de’ officiële doopnaam en de roepnaam uit de praktijk van alledag. Ook het lidwoord aan het slot van de vorige zin zou apart gemarkeerd kunnen worden: er is niet altijd sprake van éen enkele doopnaam of die ene waar een roepnaam van is afgeleid. Ook de praktijk van alledag is eveneens zoiets waarbinnen variatie kan bestaan, want iemand kan in de familie anders genoemd worden dan bijvoorbeeld op het sportveld of in een studentenhuis.

Uit DvhN

Vooral in die laatste sfeer veronderstel ik een naam als die gedragen wordt door iemand die officieel Jakob heet maar dat hóeft helemaal niet het geval te zijn natuurlijk: de afbeelding maakt duidelijk dat het een ouder procédé moet zijn. Het is een voornaam die simpeltjes is teruggebracht tot het noemen van de eerste letter van de voornaam. Op dezelfde manier kan een verkorte aanduiding zijn voor iemand die aanvankelijk David, Derk, Derkje, Desiré, Dina of Dionisius gedoopt is. Het verband kan iets minder indirect zijn als we in een familiebericht zien dat Everdina of Frederik kortweg “Dé” genoemd worden: dat zou dan via de verkorte vorm Dina gebeurd moeten zijn maar bij Frederik is dat wat lastiger te herleiden. (Oplossing: aflevering 13.)
Net zo is de naam Ka begrijpelijk als telegram-aanduiding voor iemand die Katja gedoopt is, maar Catharina die in de advertentie verkort staat tot Ka is misschien minder een letternaam als wel een inkorting van Catharina en dus eigenlijk te schrijven als Ca.

kan herleid worden naar allerlei langere, officiële voornamen maar is ook de letternaam die gebaseerd is op Gaitske of Gaatske; Gerard of Gerardus en Gijsbert, Grietje. Dit alles blijkens familieberichten verzameld via mensenlinq.nl en met vooral de regionale krantenals bron.

Minstens zo frequent is de keuze van het gebruik van niet één- maar tweeletter-aanduidingen, zoals bij Déjé als roepnaam voor Dirk Jan. In een familiebericht stond AE een overledene achter wie Auke Emile bleek schuil te gaan; AK is de korte weergave van Adde Klaas; Bea kan in feite BA zijn, geresulteerd uit de initialen van de voornamen Boukje Ada. Geejee is aangetroffen als roepnaam voor Gerrit Jan (dus GJ), IP voor Inne Petrus.

Minder geregeld is een trio aangetroffen zoals de benaming Kig, teruggaand op de bijna prinselijke namenreeks Karel Isaäc George. Een aparte variant van dit type is een geval als DAK ‘Derk Anne Knol’: de eerste letter van de twee voornemen hebben tot een roepnaam geleid in combinatie met de eerste letter van de familienaam. Dat lijkt typisch iets voor naamgeving in de studentikoze sfeer.

Voornamen bestaan nogal eens – vooral bij meisjes maar niet bij uitsluiting – uit de combinatie van een voornaam plus een verkleinvorm. Dat laatste kan ook een regionale variant zijn: Ceeke ‘kleine C’ voor iemand die Cor gedoopt is; Geke eventueel te zien als ‘kleine Gé’ voor het officiële Gooitske. Als Begie in een Noordelijke krant de roepnaam is van iemand die eigenlijk Berend heet, dan is daar allicht ook zo’n combi gemaakt van eerste letter plus verkleinvorm uit de streek. Bekie (op basis van Bene) kan volgens hetzelfde recept gemaakt zijn.

Uit DvhN

Het is niet allemaal simpel wat er op dit terrein vindbaar is. Hoe zit het bijvoorbeeld met “Emma” als de persoon in kwestie alleen Maatje heet? Of hoe verklaren we precies het ontstaan van Jeep als roepnaam van Jekele Pieter?

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Een Haagse familiariseringstendens: Mark doe dat nou niehiet

Het was een lang debat over het coronavirus afgelopen donderdag in de Tweede Kamer. Ik zie vooraf dat een van de drie aanwezige bewindslieden (Grapperhaus, Justitie en Veiligheid) zich naar het gestoelte van de voorzitter begeeft en een eerbiedige buiging maakt voor mevrouw Arib. Zij beantwoordt dat met een even minzame nijging van haar kant. Als alle spelers hun plaats op het toneel hebben ingenomen zonder handen te schudden kan het debat beginnen. De spreektijden zijn zes minuten, dit gaat duren.

Gelukkig is daar een kwieke minister-president die vlot (en tegelijk niet moe om iets wat hij al meermalen gezegd heeft te herhalen en te herhalen) antwoorden geeft op wat de geachte afgevaardigden in eerste termijn te berde hebben gebracht. Bewonderenswaardig kwiek: de MP is waarachtig in touw met het virus en vindt dan tussendoor nog tijd om naar Groningen te gaan waar dan ook net het eerste coronageval is geregistreerd, maar de premier komt er woensdag (zoals hij de Kamer terloops meedeelt) voor de aardgasproblematiek en de Eemshaven. Daar in Appingedam vertelde Mark Rutte dat hij kwam omdat er problemen blijven met de versterkingsoperatie van de huizen, waar het goed loopt komt hij niet. Ik vroeg me af: wat is er aan de hand met de Eemshaven?

Al snel wordt duidelijk hoe de Tweede Kamer, Hoog College van Staat, vanuit het perspectief van minister-president Rutte gestructureerd is. De VVD (Hayke Veldman) is onzichtbaar want volledig in lijn met pg Rutte. Het CDA (Pieter Heerma) is wat meer present, eerste coalitiepartner of niet: had een kwartet Kamerleden van die partij in het laatste reces niet een reeks kritische vragen gesteld juist over corona? Ook Rob Jetten (D66) is duidelijk aanwezig en hij krijgt van de premier een behandeling van de eersterang en waar nodig een excuus voor een verkeerd gevallen woord. Datzelfde geldt in feite voor Gert-Jan Segers (CU) en diens naaste buurman Kees van der Staaij (SGP), vaak stille vennoot van Rutte-III. Bij interrupties van de laatsten merken we hoe de premier niet kan wachten tot ze hun punt gemaakt hebben, hij zegt tijdens hun inbreng hoorbaar instemmend al ja en nee.

Jesse Klaver (GroenLinks) en Lodewijk Asscher (PvdA) zijn echtere woordvoerders van de oppositie en dat is aan de premier te horen: niet zelden noemt hij hen ook in dit debat simpel “Klaver” en “Asscher”. Het gebeurt in de Kamer vrijwel nooit buiten een hoofdelijke stemming dat de naam van een Lid zónder enige nadere voorbepaling genoemd wordt. Dat is wel degelijk het opmerken waard want kijk naar de behandeling die twee buitenspelers krijgen, Maarten Hijink (SP) en Geert Wilders (PVV): mij is niet eenmaal opgevallen dat ze simpel als “Hijink” of “Wilders” worden aangeduid, evenmin trouwens als bijvoorbeeld de binnenspelers Heerma, Segers of Van der Staaij. Zo legt Rutte een zichtbaar politiek patroon neer in het Kamerdebat; hij heeft al de coalitiepartners + SGP en bij PvdA en GroenLinks valt er waarschijnlijk iets te halen, weten we vanaf de thuistribune op grond van de taal van de premier. Zonder verdere aanduiding worden door hem geregeld ook de ministers Bruins en Grapperhaus simpel als “Bruins” en “Grapperhaus” betiteld: “Bruins zal er zo nader op ingaan, of nee, sorry: Grapperhaus gaat er zo nader op in.” Sorry!

Eigenlijk vrij geregeld horen we hoe Mark Rutte iemand al begint te antwoorden voor de vraag geheel is gesteld: Jesse Klaver of Maarten Hijink zeggen dan dat ze nog bezig zijn (zoals de premier zelf in zo’n geval doorpraat via “ik maak ‘m even af”), maar Eva van Esch (PvdD) en Femke van Kooten (VKA) laten het passeren en zij zwijgen – de voorzitter stemt daarmee in.

Ferd, Bruno, Mark

Zo hoorden en zagen we het in de plenaire zaal, maar de premier liet ons ook getuige zijn van wat er eerder in de binnenkamer van het OMT gebeurde, het Outbreak Management Team:

• De mensen die de brand aan het blussen zijn, zeggen: Mark, Ferd, Bruno, alsjeblieft, doe dit, want het sluiten is nu niet nodig en wij lopen risico’s met de bezetting van die functies.
• Toen werd er gezegd: Mark, pas nou op, dan nemen we toch een risico
• het OMT heeft gezegd: luister, het is belangrijk om nu verdergaande maatregelen te nemen

Luister, pas nou op, alsjeblieft – dat zijn amicale uitingen vergelijkbaar met het tussenwerpsel “jongens”:
• kreeg ik van de NCTV als feedback: jongens, pas op, we moeten dat even heel precies bekijken
Jongens, dát is de afweging!
Jongens, let nou op, we zitten nu echt zelf te micromanagen.

Het enkelvoud van dit jongens is “joh” maar dat kwam deze keer eens niet langs, in plaats daarvan wel:
• Toch nog een keer, .
• Dat is ook mijn advies, .
oké, wij snappen het, het is veel makkelijker om de scholen wel te sluiten, maar dan doen we het niet. Wat denk je nou?
Ja luister, uiteindelijk moeten we roeien met de riemen die we hebben.
Sorry, zo gaat het nu eenmaal in de fase waarin we zitten.
Sorry, dan moeten we even schorsen.

Het is allemaal taal uit de mond van minister-president Rutte in het coronadebat van 12 maart 2020 die één impressie wekt en die al in de titel van dit stuk is prijs gegeven: er is hoorbaar een familiariseringstendens gaande in de vergaderingen van de Tweede Kamer, waar jullie het bezig is te winnen van u.

De stenografen leggen het precies vast en de voorzitster vindt het goed.

*) P.S. 19 maart 2020. Bij het Coronadebat van gisteren – het enige plenaire debat van deze week -kwam joh wél voor in een bijdrage van de premier: “joh, misschien is het toch beter om het via Skype te doen of op een andere manier.” En jullie is nu geheel geaccepteerd: 1x in dat debat, geuit van verschillende kanten.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Variatie in familieberichten (5): Door van de Wever ziene Driek van het Strötje

Een klein deel van de teksten in de familieberichten die via mensenlinq.nl simpel vindbaar zijn mag anders doen vermoeden, rouwadvertenties zijn iets serieus. Niet zelden kan de lezer als het ware proeven hoeveel moeite de nabestaanden-opstellers van teksten hun best hebben gedaan om enerzijds dit, anderzijds dat op papier te zetten. Dat geldt nog het meest voor het beginstuk van zo’n advertentie, afdeling A.

Een heel praktisch voorbeeld van het doen van moeite is in de kern van de advertentie (afdeling C) het weergeven van de gangbare roepnaam naast de officiële voornaam (enkel- of meervoud). Dat onderwerp is een van de punten van aandacht verderop in deze reeks, hier vraag ik alvast wat attentie voor een regionaal verschijnsel dat we maar in een deel van Nederland aantreffen in deze bron. In Limburg, in Noord-Brabant, in het meer oostelijke deel van Gelderland en Overijssel kan een overledene op deze manier betiteld worden:
Beuningse Boy van Annie (als aanduiding voor Gradje Willems)
Riek van Cemente Pietje (te weten Riek Coopmans)
Messelink Mine (= Mine Hartgerink)
Tinus van café de Tumbler (Tinus van der Meijs)
Willem de Kwèèker (officieel Wilhelmus Josephus Maria Rijnkels) uit BN De Stem:

Dat zijn allemaal zichtbaar neutrale aanduidingen die in de omgeving van de overledene kennelijk voldoende gangbaar zijn om in een serieus medium als een rouwadvertentie opgenomen te worden. Het is regionaal (en vooral in R.K.-regionen) en zeker niet landelijk: ik kan me niet herinneren er ooit eentje van gezien te hebben in NRC Handelsblad om maar iets te noemen.

Het vereist een apart specialisme om deze specifieke, lokale naamgeving precies te begrijpen. Vanaf een afstandje zijn er drie elementen die hierin zichtbaar zijn: de vermelding van een beroep, de weergave van een ouder-kindrelatie en een topo-element. Kwèèker, Cemente, café lijken voorbeelden uit de beroepssfeer te betreffen, misschien is Beuningse Boy daaraan verwant. Topografisch zijn gevallen als Annie van de Keppelseweg, Jan van de Bulte maar dat kan bijvoorbeeld in Limburg ook gecombineerd worden met een beroep: Zef de fitsemaeker oet de Daalstraat, of met een familie-aanduiding (Mies van Metsers Joep).

Zoals gezegd, hier is nabije kennis een vereiste voor iemand die allerlei namen uit deze sector wil begrijpen, zoals Grad van Donck’s Koêb, Ben van Gieskes Nel of Door van de Wever ziene Driek van het Strötje. Limburg bevat in dit verband een enorme rijkdom, een goudmijn. Enerzijds is dat misschien onpraktisch door de omvang, anderzijds bevat zo’n naam voor de kenners wel heel wat meer informatie dan welke combinatie van voor- en achternaam dan ook.

uit De Limburger

Aan te nemen is dat er meer streken zijn waar een vorm van die officieuze naamgeving gebruikelijk is of was, allereerst aangrenzend aan de regio’s die hierboven genoemd zijn. Maar blijkbaar is dat systeem daar (ik denk aan het zuid-oosten van Drenthe) niet zodanig geaccepteerd dat het tot in familieberichten wordt uitgedragen.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Variatie in familieberichten (4): Gevolgd naar het licht en De pendule staat stil

De eerste aflevering in deze serie opende met een verwijzing naar de Washington Post. Daar werd vroeg in februari 2020 aandacht gevraagd voor wat een abonnee van die krant had verzameld op basis van de zogeheten death notices in die krant. Als voorbeeld gold de variatie in aanduidingen voor het overlijden.
Dat is in Nederlandse kranten waarachtig ook het geval. Het is een belangrijk aspect van de familieberichten omdat het de sociale achtergrond van de overledene in alle stilte maar tegelijkertijd nadrukkelijk belicht. In het protestants-christelijke landelijke dagblad Trouw verrast het niet om te zien dat iemand “in de Heer ontslapen” is, “in Gods ontferming opgenomen”, “in Gods hoede geborgen”, dat een echtgenoot zijn vrouw is “gevolgd naar het Licht” of dat iemand “naar haar Heer en heiland gegaan” is. Dat zijn allemaal omschrijvingen voor het overlijden. In De Volkskrant staan in plaats van dergelijke aanduidingen andere die net zo duidelijk het overlijden uitdrukken maar hier zonder religieuze sfeer: “(die en die) is niet meer”, wat meer literair aangeduid met de woorden “door de poort van de dood gegaan”, “over gegaan naar het Al”.

Brabants Dagblad (fragment)

Deze aanduiding van ‘inslapen, sterven’ is van een andere aard dan wat (soms, maar niet zeer vaak) in regionale kranten met dezelfde betekenis uitgedrukt wordt op een lossere manier. In een familiebericht in het Brabants Dagblad is er weleens sprake van “de vogel is gevlogen”, “hij is uitgespeeld”, “rustig weggefietst uit het leven” of van een biljarter “jouw laatste partij is gespeeld” of “het vuur is uit, je strijd is gestreden” gezegd van een brandweerman. In dezelfde bron staat in contrast daarmee een advertentie waarin er sprake is van een diepgelovige man “door de Heer tot zich geroepen in het Paasoctaaf” (dus rond Pasen); in de Gelderlander vinden we een verwijzing “naar de eeuwige jachtvelden” of “is aan zijn laatste reis begonnen”, maar daar bevindt zich in dezelfde steekproef ook “door de Heere weggenomen”; in de Leeuwarder Courant staat: “de teugels uit handen moeten geven” maar ook “Hommels ferstoarn” (plotseling overleden); in de Limburger: “de pendule staat stil”, “voor jou als sportman kwam de finish sneller dan verwacht” tegenover “heengegaan voor het eeuwige leven”; in de PZC: “regie uit handen gegeven” tegenover “naar haar Droomland gegaan” en “heeft het leven los moeten laten”; in Tubantia: “gooide het bijltje er definitief bij neer”, “Met kaarten heeft hij veel gewonnen maar deze strijd heeft hij verloren”, versus “de Heere heeft thuisgehaald” en het simpele “Ons Hennie is nie meer”.

Het Algemeen Dagblad heeft veel regionale edities en dat kan verklaren waarom er in deze bron overlijdensomschrijvingen gevonden worden als “De laatste zet geschoven, de laatste kaart gespeeld” en “Je fietstocht is te vroeg geëindigd”.

Al deze voorbeelden hebben een heel andere toon dan wat uit dit familiebericht in NRC Handelsblad blijkt en waar de hand van de overledene figuurlijk in zichtbaar is:

Vooral in het midden en zuiden van het land is de uitdrukking gangbaar dat een persoon “in liefde is losgelaten”. Dat is inclusief dat element in liefde althans in de steekproef niet in Zeeland gevonden en evenmin in het Dagblad van het Noorden. In beide is wel eenmaal “heeft het leven los moeten laten” aangetroffen, respectievelijk “heeft het leven losgelaten”.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

De plek van een initiaalwoord in het woordenboek en de veranderende GGD’s

Wanneer is die omslag precies geweest, jaren ‘90 van de vorige eeuw? Ergens in die jaren besloten woordenboekmakers om afkortingen niet meer aan het begin van een letter in een lijstje op te nemen en ze daar op te lossen. Het was even wennen, een woord als KLM opzoeken midden in de K, BV ver in de B en niet meer in een aparte groep aan het begin.

Daarmee veranderde nog iets en misschien was dat mede de bedoeling van de lexicografen: BV, KLM en al die andere afkortingen werden nu behandeld als wóorden. Hadden ze een meervoud, een verkleinvorm? Vroeger niet aan de orde, nu kwesties die in het nieuwe lemma aan de orde kwamen net als de vraag hoe het zat met de accentuering. Vroeger kon je als native speaker binnen dat lijstje aan het begin van een letter zó zien dat al die initiaalwoorden normaliter de nadruk op de laatste letter gelegd kregen.
En net zo voorspelbaar: áls zo’n rijtje letters een meervoud had, dan was dat hetzelfde als het meervoud van de laatste letter zelf.
Accu schrijf je met twee c’s, liggen met twee g’s, dopper ‘doperwt’ met twee p’s, kitten met twee t’s en ik bedenk zo even geen woord met twee v’s of w’s. De letters cee, gee, pee, tee, vee, wee hebben allemaal uitsluitend een s-meervoud en het is dan ook waarschijnlijk dat alle woorden uit de sfeer van ABC, KPMG, PSV – indien nodig en mogelijk – enkel en alleen een meervoud op s krijgen. Wat voor cee en gee geldt, zal ook van toepassing zijn op dee.

Maar dan is daar ineens corona en daarmee naast RIVM de regionale GeeGeeDee. Van de RIVM hebben we er maar eentje, waren er een stuk of 25 GGD’s? Luister naar de technische briefing eerder deze week over Ontwikkelingen coronavirus door de Vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ineens komt als meervoud naast GGD’s ook GGD’en voor, onder andere zo gebruikt door Dr. Ir. A. de Boer die volgens haar naambordje Directeur Publieke Gezondheid GGD Haaglanden is en dus de eerste getuige in dit verband. Helaas/uiteraard staat er niet bij waar ze van afkomstig is en van welke politieke of religieuze richting.

Dat is intrigerend, want past ze in dat opzicht bij de enige twee van wie er dit kalenderjaar in de Plenaire Zaal “GGD’en” geregistreerd is? In de plenaire vergadering van donderdag was het alleen Joba van den Berg (CDA) die het eenmaal over GGD’en had. (In een eerder debat gebruikte staatssecretaris Blokhuis (ChristenUnie) datzelfde meervoud éen maal.) De Dienst Verslag en Redactie van de Tweede Kamer kan de variant GGD’en corrigeren naar GGD’s wat verreweg het vaakst gezegd wordt, maar op de een of andere manier lijkt GGD’en aan het Binnenhof op het ogenblik een mogelijk wordend meervoud in het Nederlands en dat is vreemd vanuit de regels van het Nederlands. Een virus zeg maar.

De Boer, Blokhuis, Van den Berg vlnr

Toen ik de vertaling van Klemperers LTI las (De taal van het Derde Rijk, zie de serie over dat onderwerp) zag ik dat Will Hansen op allerlei plaatsen een n-meervoud koos (synagogen bijvoorbeeld op p. 232, anekdoten op p. 352) waar een pluralis op -s gewoner zou hebben geoogd. En, natuurlijk synagoges of anekdotes is ondubbelzinniger een meervoud uit de mond van een spreker bij wie synagoge of anekdote in enkel- en meervoud eender klinkt.

Bij de mogelijkheid om te kiezen tussen n of s (zie het stukje over keuzes en keuzen) lijkt de n-vorm iets méer te hebben, een streepje voor op het toch wat gewonere maar verder identieke woord met een s.
Zou dat kunnen verklaren dat we getuige worden van een voorzichtig opkomend GGD’en, nét in de spannende tijd van het coronavirus dat we alle respect willen opbrengen voor deze sector?
Regelmatig de handen wassen en afwachten.

Posted in Uncategorized | 1 Comment