Rotterdamisering en spinraggisering: de Binnenhofse voorliefde voor een achtervoegsel

In het debat over de evaluatie van de Politiewet 2012 (vorig jaar op de toepasselijke datum 12-12), gebruikte Roelof Bisschop (SGP) een term die niet eerder in de Handelingen stond opgenomen en die hij daarom toelichtte: “Ergens lezen we iets over Rotterdamisering van de politie. Dat is dat politiemensen op het platteland zich opgeslokt voelen en zich gedwongen voelen om als grootstedelijke politie te werken.” Bijzonder was dat Bisschop Rotterdamisering zei en niet Rotterdammisering (wat hij volgens de Handelingen later wél een keertje deed). Nu oogt het net als robotisering terwijl robottisering ook zou kunnen.

We kunnen veilig aannemen dat Binnenhofse sprekers stapelverzot zijn op woorden die eindigen op –isering en –iseren, ik veeg ze maar even samen. In het Retrograde woordenboek van Nieuwborg zijn enkele tientallen vindbaar op –isering, in de Handelingen verzuip je erin maar daar gaat het om honderden. Sommige zijn zó gangbaar dat ze een neutrale betekenis hebben (gekregen), denk aan willekeurig aangestreepte gevallen als harmonisering, liberalisering, digitalisering, deconstitutionalisering, internationalisering, legalisering, commercialisering, formalisering, modernisering, optimalisering, individualisering, flexibilisering, actualisering, democratisering, temporisering, automatisering.

Van Dale zegt bij het achtervoegsel –iseren dat daarmee “van uitheemse bijvoeglijke naamwoorden werkwoorden worden gevormd die betekenen: de door het grondwoord bedoelde of de daarmee geassocieerde eigenschap (doen) krijgen: afrikaniseren, amerikaniseren, banaliseren, bestialiseren, bureaucratiseren” e.v.a. Of dat helemaal klopt is twijfelachtig, getuige commercialisering, deconstitutionalisering, formalisering waar we dan een andere klinker zouden hebben verwacht (wegens commercieel, deconstitutioneel, formeel). En bovendien: niet ieder basiswoord kunnen we uitheems noemen.

Wat Bisschop aanhaalde was ondanks alles een bijzonder voorbeeld van een geografische afleiding op –isering. Enerzijds is dat heel gewoon, zie afrikaniseren en amerikaniseren, maar gebruikelijk is dan een land of een werelddeel als basis en niet een stad, zelfs niet als het zo’n grote havenstad betreft. In de Handelingen vond ik als vergelijkbaar geval alleen het in 1994 genoemde Srebrenisering “optie, waarbij talrijke vluchtelingen in de omsingelde stad zijn samengedreven”, afgeleid van Srebrenica. Van Balkanisering was al in 1947 sprake, Europeïsering dateert van 1963, Vietnamisering is van 1970 en daarna, Finlandisering volgt spoedig en er is in 1979 sprake van Tsjechoslowakisering. Soms zien we Amerikanisering naast ver-Amerikanisering. Misschien geldt niet voor iedereen dat in de tweede vorm door ver– een zekere veroordeling doorklinkt.

En woorden op –isering kunnen wel degelijk afstandnemend en spottend van inhoud zijn. Vermassalisering en multiculturalisering zijn daarvan actuelere voorbeelden zoals vitaminisering (van de margarine) in 1949 al eerder kan zijn geweest. In de Eerste Kamer werd de aanduiding Wallagisering in 1992 gebezigd om kritiek op de grotere omvang van scholen mee aan te geven: dat verwees naar Wallage als Staatssecretaris van Onderwijs. Ook spinraggisering hoort in deze groep, een term die in 1999 door minister Peper (Binnenlandse Zaken) in het debat gebruikt is in éen adem met de juridisering, horizontalisering en dehiërarchisering van de overheid. Roelof Bisschop zou liever van spinragisering gesproken hebben, neem ik aan.

Posted in Uncategorized | 1 Comment

De term “nabrander” en de dood van Frans Andriessen

De term nabrander staat voor het eerst opgetekend in de Handelingen van de Tweede Kamer van 30 november 1911 en betreft dan de oorspronkelijke, militaire betekenis. Het viel bij een debat over een ongeval op Hr. Ms. Hertog Hendrik. Kolonel Joor Verheij las het rapport daarover: “Ik heb daaruit opgemaakt, dat het ongeval te wijten was aan een nabrander. Bij het gelijktijdig afgaan van het schot van het nabijzijnd kanon van 24 c.M. bemerkte de wigman, d. i de man die de wig behandelt, niet, dat de patroon weigerde, en in stede van te wachten, zooals dat dan is voorgeschreven, heeft hij werktuigelijk met de hand den tuimelaar buiten werking gesteld, toen het sluitstuk geopend, waarna de patroon bij geheel geopend sluitstuk ontbrand is.”

Van de militaire betekenis is alleen het figuurlijke aspect nog over als Ruud Nijhof (DS70) de eerste is die het weer gebruikt, afgaande op de verslagen. Op 4 maart 1980 spreekt hij over de Arbeidsvoorwaarden en zegt dan: “Andriessen heeft ook deze ombuigingen (m.b.t. Gemeente- en Provinciefonds SR) als ten dele niet hard gekwalificeerd in zijn exit-brief. Wordt bij de maatregelen ten aanzien van de vrije beroepsbeoefenaren gedacht aan een versneld bereiken van de zogenaamde norminkomens? Uit mijn kritiek, ten dele eerder geuit bij het exit-debat volgt dat ik de visie van Andriessen goeddeels onderschrijf, zij het dat ik toen zijn kritiek als een nabrander ten opzichte van het beleid zoals dat te vinden is in de Miljoenennota 1980 heb gekenmerkt.” Minister van Financiën Frans Andriessen (deze week overleden) trad af op 22 februari 1980 en liet daarbij in de vorm van een vertrekbrief een bommetje achter dat later tot ontploffing kwam. Door toedoen van Ruud Nijhof is nabrander aan een nieuwe toekomst begonnen, bijna 60 jaar na het vorige gebruik.

Ruud Nijhof (Google-afbeeldingen)

Zelf draagt Nijhof daaraan bij op 7 oktober van hetzelfde jaar 1980 tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen door in hetzelfde verband met het aftreden van Andriessen te zeggen: “Met de Miljoenennota 1980 werd het Bestekbeleid definitief onderuit gehaald dank zij de heer Lubbers; als nabrander volgde het vertrek van de heer Andriessen.”

Nadat mensen als Henk Couprie CDA, minister Van den Broek, minister Kok en Flip Buurmeijer (PvdA) het woord ook gebruikt hebben, is het Frans Weisglas (VVD) die nabrander op 24 september 1992 voor het eerst z’n procedurele betekenis geeft die tegenwoordig gangbaar is aan het Binnenhof. Weisglas richt zich tot Ina Brouwer (GroenLinks) die aan het woord is en benut haar spreekbeurt om iets aan het kabinet te suggereren: “Mag ik dit als nabrander aan de regering vragen?” (De voorzitter: Nee, want u hebt uw termijn reeds gehad. U kunt niet buiten de twee minuten om.)

Presidium TK (actuele website TK: bij de klok, niet bij de tijd)

Tegenwoordig is het begrip nabrander niet alleen procedureel van inhoud maar zelfs specifiek bedoeld voor binnen het mondelinge debat – ik associeer het allereerst met een voorzitter als Anouchka van Miltenburg maar dat is misschien onterecht. Van haar hoorde ik het waarschijnlijk het eerst bewust en meer dan eens. Vooral de voorzitter (m/v maar meer v) speelt met dat woord óf hij/zij krijgt het van deelnemers (m/v en het meest v) aan het debat te horen. In 2019 kwam het tot dusver 7x voor en we hebben pas éen kwartaal achter de rug:

• Vera Bergkamp (D66): “Ik heb nog even een nabrander over een heel concreet punt: de overgangsperiode.”

• De voorzitter: U bent net geweest, mevrouw Kuiken. Of heeft u een briljant voorstel?
Attje Kuiken (PvdA): “Nou, een briljante nabrander. Ik ga ervan uit dat die brief er gewoon woensdag is.”

• Minister Dekker (Rechtsbescherming): “Ik heb zelf nog één korte nabrander. Die is meer van technische aard,(…).”

• De voorzitter (t.w. Vera Bergkamp): “Er is nog een nabrander van mevrouw Bromet.”

• Vera Bergkamp (D66): “Even een nabrander over de bemiddeling.”

• De voorzitter (Arib): “Een korte vraag, mevrouw Buitenweg. Zo te zien heeft u een nabrander.”

• Kathalijne Buitenweg (GroenLinks): “Ja, zeker. Het was eigenlijk een nabrander voor de minister van Justitie en Veiligheid. Mag ik toch nog snel iets tegen hem zeggen?” (De voorzitter: Ja hoor.)

Aanvulling 30 maart 2019. Vera Bergkamp, derde van rechts op de foto van het presidium, reageerde via Twitter: “Dank! Interessant. Ik kende deze achtergrond/geschiedenis niet. Ik gebruik het soms als ‘haakje’ om ergens op terug te komen.”

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Kiezen tussen keuzes en keuzen: een paar trends

Een persbericht van 16 februari 2017, een maand voor de Kamerverkiezingen van dat jaar, opent aldus: “Het Centraal Planbureau (CPB) publiceert vandaag de resultaten van de doorrekening van de verkiezingsprogramma’s. ‘Keuzes in Kaart 2018-2021’ omvat een analyse van de financieel-economisch keuzes van elf partijen. De onderlinge verschillen blijken groot.” Het was niet voor het eerst dat het CPB zo’n doorrekening openbaar maakte, bij de vorige verkiezingen was er bijvoorbeeld iets vergelijkbaars:

De eerste editie van Keuzes in Kaart kwam uit in 1986. Politici kunnen in afgekorte teksten spreken van KiK, maar ik geloof niet dat ze dat zo frequent doen, al was het ter voorkoming van misverstanden.

De vraag hier is simpel: waarom Keuzes in Kaart en niet Keuzen in kaart? Over kiezen gesproken, in het Nederlands kunnen we met een woord als keuze inderdaad twee kanten op in het meervoud. Kort na WO II gaf C.B. van Haeringen zich er nauwkeurig rekenschap van: “Bijzondere aandacht verdient de toeneming van het –s-meervoud bij woorden die op –ə, geschreven –e, uitgaan. De voor de hand liggende verklaring, te vinden o.a. bij Schönfeld, Hist. Gr.3 116, Overdiep, Stil. Gr. 249, is deze dat het meervoud niet van het enkelvoud te onderscheiden is bij sprekers die in woorden als kiezen, gieten enz. de slot-n apocoperen. Zo komen meervouden op als bendes, boetes, gemeentes e.d. Zulke pluralia horen dus thuis in het gebied dat de –n apocopeert, en aangezien in dat gebied de centra van de beschaafde omgangstaal liggen, worden ze hoe langer hoe meer algemeen-nederlands.” Hij karakteriseert in deze gevallen het –s-meervoud als taal met een zweem van “volkstaal”. Met andere woorden schrijft Van Haeringen, er is een factor “die zich in latere tijd doet gelden bij de keus tussen –s en –en, en die ik zou willen noemen de statigheidsnuancering.” Vandaar het onderscheid “in sfeer tussen vogelen en vogels, vleugelen en vleugels, tempelen en tempels”.

Maar dat verklaart niet waarom het CPB spreekt van Keuzes in Kaart en niet van *Keuzen in Kaart. Laten we even kijken, wanneer er volgens de Handelingen van de vergaderingen in de plenaire zaal van de Tweede Kamer keuzes gezegd wordt en wanneer keuzen. Is er variatie? De eerste tweedeling die we op basis van de verslagen in het kalenderjaar 2018 kunnen maken is die tussen het samengestelde woord met –keus of –keuze aan de rechterzijde: samenstellingen (zoals blijkt uit beleidskeuzes, zorgkeuzes, studiekeuzes, verduurzamingskeuzes) kiezen steeds voor –s in het meervoud. Dat is een verrassing ten opzichte van wat Van Haeringen had geschreven, misschien een nieuwere ontwikkeling.

Dan het basiswoord keuzes tegenover keuzen. Het meervoud keuzen komt in 2018 in vergelijking met keuzes zéer weinig voor, 13 om 834. Bij dit laatste grote aantal zitten ook 8 voorkomens van Keuzes in Kaart. Even door het kalenderjaar heen op zoek naar het niet-meer-zo-gangbare keuzen:
• Roelof Bisschop (SGP): “Je kunt bepaalde keuzen van gemeenten onverstandig vinden, maar gaan gemeenten niet in de eerste plaats zelf over hun gemeentelijke huishouding en over de zaken die zij van belang vinden?”

• Kees van der Staaij (SGP): “We hebben vanavond een debat gehad waarin nog eens naar voren gekomen is welke politieke keuzen er gemaakt worden rond het eigen risico.”

• Klaas Dijkhoff (VVD): “Ik denk dat ook ouderen daar verschillend over denken, en hun politieke keuzen ook baseren op hoe zij dat wegen en hoe ze het beleid wegen.”

• Hayke Veldman (VVD) [Klimaat-debat] “We moeten in het hier en nu keuzen maken die behapbaar en betaalbaar zijn. Daar waar de Raad van State adviseerde om kostenefficiëntie als materiële norm in de wet op te nemen, stellen de indieners dat zij de regering zo veel mogelijk ruimte willen bieden in de keuzen die voor het klimaatplan te maken zijn.”

• Staatssecretaris Visser (Defensie) zei: “Door een aantal keuzen in het verleden (…)”.

Is het toeval dat we tweemaal SGP-sprekers aantreffen bij die zeer zeldzame keren dat er sprake is van keuzen? Ik denk het niet.

Keuzen en keuzes wisselden elkaar eventjes af in het begrotingsdebat Defensie (het ministerie waar wel iets gebeurd was in het nabije verleden). Isabelle Diks (GroenLinks) was eerst nog “volks” toen ze sprak van “Keuzes bijvoorbeeld om een kantine te laten verrommelen of om gasmaskers te bestellen met chroom-6 en daar niets aan te doen.” Maar ze sprak ernstig in enkele interrupties met minister Bijleveld die ook wat ambtelijk sprak van keuzen:

• Diks: “Dan kom ik een beetje in de buurt van mevrouw Karabulut die aangeeft dat de NAVO allerlei keuzen heeft gemaakt en ervoor heeft gekozen om bepaalde oorlogen en een bepaalde strijd aan te gaan.”

• Bijleveld: “Er zijn duidelijke keuzen gemaakt, die voor een deel onontkoombaar waren, omdat er echt geen geld voor was. Het blijven altijd keuzen die gemaakt zijn.”

• Diks: “Dat moest inderdaad gebeuren met het budget dat er was, maar dat doet niets af aan het feit dat er ook intern keuzen zijn gemaakt, die uiteindelijk desastreuze gevolgen hebben gehad, keuzen waar de Tweede Kamer als zodanig niet bij betrokken was.”

• Bijleveld: “Het zijn keuzen die gemaakt zijn. Ik heb gezegd dat die keuzen zijn gemaakt, omdat er te weinig budget was.”

Eerste opvallende regelmaat: komt het meervoud van keus of keuze tweemaal dicht bijelkaar voor, dan kiezen we kennelijk dezelfde variant. Tweede opvallend regelmaatje tussen alles door dat/wat Van Haeringen nog niet herkende: Keuzen met hoofdletter komt niet voor! Dat wil zeggen, als keus of keuze in het meervoud op de voorste positie van de zin belandt, lijken we de toehoorder niet in het ongewisse te willen laten over het getal (enkelvoud of meervoud) en kiezen daar alleen voor het ondubbelzinnige, niet mis te verstane keuzes. Vandaar ook de benaming van dat CPB-rapport. Voor “statigheidsnuancering” is het dan nog te vroeg, dat kan verderop nog wel.

Trouwens, dat deed het CPB niet – het bediende zich louter van keuzes, ook bij het doorrekenen van het SGP-programma.

P.S. Het meervoud keuzes lijkt pas in de Handelingen vermeld te worden vanaf het midden van de jaren ‘60 van de vorige eeuw. De variant keuzen is dus de oudere vorm.

Posted in Uncategorized | 1 Comment

Uitspraakverschil als geloofsverschil: de tummerman en Thierry Baudet

Een bijzonder geval van taalvariatie is vindbaar in de Dialect-atlas van de Zeeuwsche eilanden van E. Blancquaert en P.J. Meertens (Antwerpen, 1939). In dat dialectgeografische overzicht staat ook de situatie op Goeree-Overflakkee beschreven, niettegenstaande de titel van het boek gelegen in de provincie Zuid-Holland. Oude-Tonge is daarin opvallend omdat er taalverschil is dat samenhangt met religie. Op diverse plekken in de zinnen in het dialect van “Klein Antwerpen” (zoals Oude-Tonge vroeger genoemd schijnt te zijn wegens z’n vissersvloot van relatief grote omvang) staat enerzijds wat de normale wijze van zeggen is, gevolgd door een specificatie voor de Rooms-Katholieke variant.

Oude-Tonge Wikipedia

Is het nóg zo in Oude-Tonge (van oude tongen gesproken) dat hoorbaar is aan een werkwoord op –en of juist op –e of iemand wel of niet iemand uit het RK-milieu is? Kennelijk was hij doe RK, hij doet niet-RK. Het woord lucht moet hier normaliter als lócht uitgesproken zijn, lucht in de Roomse kring van sprekers die duidelijk kleiner van omvang was. Of neem Jozef, de timmerman: ook timmerman in de katholieke sfeer, tummerman daarbuiten.

Variatie is natuurlijk een algemeen en meest in het oog springend kenmerk van dialecten. Maar ook het ABN is niet altijd zo Algemeen als de naamgeving suggereert. Er kan ongeweten en onbedoeld een variant worden gebruikt (bijvoorbeeld Zuidelijk iets over het voetlicht brengen versus elders voor het voetlicht) maar ook wel bewuster. Kristelijk of Gristelijk voor de geschreven vorm Christelijk kunnen duidelijke sjibbolets zijn, tekens van besefte taalvariatie.

Op een goed moment in een debat in de Tweede Kamer sprak premier Rutte de naam van de fractievoorzitter van het Forum voor Democratie op z’n Nederlands uit, inclusief accent op de eerste lettergreep. Ik weet niet meer wanneer het precies was, maar de reactie van het Kamerlid maakte duidelijk dat hij hier niet op gesteld was want hij zei iets als “dan kan ik ook wel Ruttee zeggen”.

De afgelopen dagen ben ik begonnen te letten op de realisering van de familienaam Baudet. Vergeten we het accent, dan zijn er vier varianten met als uitersten helemaal Frans (Boodè) tot helemaal Nederlands (Bouwdet). Daartussen bevinden zich de mengproducten “Boodèt” en “Bouwdè”. Er is naar mijn idee nog onvoldoende zichtbaar van een bewuste variatie in de uitspraak van Thierry Baudet. Maar als deze z’n opkomst in het Nederlandse politieke spectrum voortzet, zou het over een poosje heel goed kunnen zijn dat er iets ontstaat als een Franse uitspraak door aanhangers en een Nederlandse door mensen die zich politiek elders positioneren en dat hiermee illustreren. Een vergelijkbaar verschil kortom als tussen het destijdse Lente- of Kunduz-akkoord, maar dan wat meer voor de oplettende beschouwer.

P.S. Als ik het goed hoor, wordt Thierry wel op z’n Frans uitgesproken maar dan met uitzondering van het verwachte slot-accent.

Baudet (via Google)

Posted in Uncategorized | 3 Comments

Van een grandioze ketterij in het Nederlands: Rutte vergeleken met Baudet

Het was lang wachten gisteren op de speech van de grootste winnaar van de Statenverkiezingen. Was het pas tegen twaalven, te elfder ure zou victor Baudet zelf later zeggen, dat hij neer daalde om zijn kompanen toe te spreken? Ik was direct op het verkeerde been gezet bij de verrassende opening toen ik hoorde dat er gesproken werd van “de l van Minerva”. De l van Minerva? Toen ik een dag later via Youtube naar de automatisch gegenereerde ondertiteling keek, zag ik dat een machine hetzelfde had verstaan:

… de l van Minerva …

Toen kort daarop volgens de tekst gezegd werd “Maar die uil van Minerva slaat niet alleen op deze avond pas zijn vleugels op” verstond het apparaat opnieuw iets licht anders:

… die wel van Minerva …

Mag het even over het Nederlands van Thierry Baudet gaan? Natuurlijk, hijzélf zei: “Men gelooft niet meer in Nederland, dat is zeker. Niet meer in de westerse beschaving ook, in onze taal, die inmiddels is afgeschaft op onze universiteiten.” Dat klonk als een bijzonder en tegelijk impliciet verwijt in de richting van een binnendringende taal van elders terwijl de eigen tekst van Baudet véel taal en beelden uit een andere vreemde regio bevatte, het Mediterrane gebied, ook als we verder kijken dan de naam en het logo van FvD. 1)

Nee, we letten even op het Nederlands en wel op een kleinigheid. “Iets dat dood leek, iets dat voorbij leek, iets dat achter ons zou liggen, iets dat definitief achter ons zou liggen, dat kan, zo weten wij, weer tot bloei komen.” Dat was de aangekondigde renaissance van Forum in de vorm van een herhaling, iets dat…, iets dat…, iets dat…, iets dat….

Dat is vreemd.

Luister naar iemand als Mark Rutte:
• Het aantal mensen wat werkt is historisch hoog.
• Dan is de enige uitkomst het uittredingsverdrag wat er nu ligt.
• Dat is het normale besluitvormingsproces wat het kabinet ieder jaar heeft in april en in augustus.

Daar valt de luisteraar wellicht op, hoezeer de MP van Nederland een moderner gebruik van het onzijdige betrekkelijk voornaamwoord laat horen en hij is waarachtig niet de enige. We leerden op school dat het-woorden met dat verbonden worden (aantal dat, verdrag dat, proces dat): allemaal tot je dienst, Rutte zegt meestal wat. In de Handelingen van de Tweede Kamer wordt zoiets gecorrigeerd.

Aan de andere kant zijn van Mark Rutte ook de volgende uitingen te horen, net als de voorbeelden van hierboven genoteerd op diens wekelijkse persconferenties:
• En wat vorige week gebeurd is, dat is ook niet iets wat je hen kunt aanrekenen.
• Dat is iets wat ik niet kan beslissen.
• je haalt uiteindelijk in onze samenleving het hele draagvlak weg voor iets wat heel breed in Nederland gevoeld wordt.

We leerden op school, dat alles, iets, niets onbepaalde voornaamwoorden zijn die als betrekkelijk voornaamwoord niet dat maar wat selecteren.*) Rutte verandert het betrekkelijk voornaamwoord dat in wat, maar iets wat past hij dus níet aan – of hij/hem zou al gewezen moeten worden op het “foutieve” karakter van aantal wat, verdrag wat, proces wat. Misschien zou hij dan zichzelf willen corrigeren (zoals waarschijnlijk in zijn geval bij het gebruik van een enkelvoudsvorm van het werkwoord als aantal het onderwerp is maar daar ga ik nu aan voorbij).

Thierry Baudet betoonde zich in zijn overwinningsspeech niet iemand die (Johan Cruijff zou zeggen iemand wie) het relatief voornaamwoord wijzigt in wat:

• dit geseculariseerde zondvloedgeloof, dat zich in deze tijd heeft meestergemaakt van de harten en geesten van onze bestuurders
• Het is een schuldcomplex dat blijkbaar een uitweg nodig heeft.
• dan is dat het sterkste gevoel dat ik heb

Ik veronderstel dat Baudet heeft opgemerkt dat mensen als Rutte op dit punt zondigen tegen regels van het Nederlands zoals hij deze geleerd heeft en in reactie zelf met iets dat de hypercorrecte toer is opgegaan door een verandering van het vroeger juiste iets wat.

De vraag is nu nog even wát we precies aan kunnen merken als een grandioze ketterij die het Nederlands is binnengedrongen, om Baudet te kopiëren uit zijn toespraak van gisteravond **): het aantal wat van Rutte of iets dat van Baudet.

Of allebei.
Of geen van beide.

*) Ik verwijs naar een toegankelijke bron: Kort en goed. Grammatica van het Nederlands van Frida Balk-Smit Duyzentkunst. (Den Haag, 2000) blz. 99.

**) Over de Haagse politiek zei Baudet: “in dat immense vacuüm, dat culturele en spirituele vacuüm, is tegelijkertijd haast ongemerkt een grandioze ketterij binnengedrongen”, zijnde de transitie. Typisch voorbeeld van een hyperbool.

1)-Aanvulling 22.03.2019: Vice-premier Hugo de Jonge had delen gezien van Baudets overwinningsspeech zei hij vandaag op de wekelijkse persconferentie van de minister-president. Hij had niet alles begrepen, sprak van “gezwollen en pompeuze teksten”.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Gierend uit de klauwen

We hoefden er in 2019 niet lang op te wachten dat de uitdrukking met gierend uit de klauwen langs kwam in een plenaire vergadering van de Tweede Kamer, want de uitdrukking is enerzijds toenemend populair maar tegelijkertijd afkomstig van een afnemend aantal partijen. Op 26 februari kreeg Alexander Kops (PVV) bij de Regeling het woord om een debat aan te vragen over de kosten voor de renovatie van het Binnenhof. Het AD had uit een vertrouwelijk stuk geciteerd waaruit zou blijken dat er naast het geraamde halve miljard 72 miljoen extra moest worden uitgetrokken. Kops: “Dat kan echt niet. De Kamer wordt buitenspel gezet en ondertussen lopen de kosten gierend uit de klauwen.”

Dat er iets gierend mis gaat, vooral kosten, is eigenlijk niet eens zo’n oude manier van zeggen in de Kamer. Afgaande op de Handelingen begint het gebruik in de jaren ‘80 van de vorige eeuw en het lijkt erop dat we het allereerst aantreffen in het regionale Nederlands van Zuid-Holland, regio Rotterdam. Dit zijn de eerste drie citaten:

• 1981 ….loopt dat tekort gierend op. (Hans Kombrink PvdA, Rotterdam)

• 1983 ….gierend uit de hand loopt (Gert Schutte ChristenUnie/GPV, Nieuwpoort ZH)

• 1986 ….gierend uit de hand gelopen (Ad Nijhuis VVD, Rotterdam)

Later blijft het aandeel Zuid-Holland groot ook al is de manier van zeggen inmiddels algemener gangbaar en zijn er kabinetsleden die deze gebruiken: in 1989 minister Herfkens (Ontwikkelingshulp) en een jaar later Ter Beek (Defensie) die vaststelt: “u vliegt toch wel redelijk gierend door de bocht!” Over defensie gesproken, in 1993 zegt Bas van der Vlies (SGP, Sliedrecht) over Leopards: “Knarsend en gierend heeft hij die tank daar geparkeerd.” Daar zien we in de verbinding met knarsen dat gieren eigenlijk hetzelfde betekent.

Dat iets gierend uit de hand loopt is alleen al daarom een manier van zeggen die secundair gevormd moet zijn. Knarsen doen handen nu eenmaal niet direct en datzelfde geldt voor het begrip waar het van zal zijn afgeleid, klauwen. Handen klinkt vriendelijker. Maar een klauw hoeft niet per se naar dieren te verwijzen, het woord heeft ook de betekenis die doet denken aan gebogen metaal dat iets bijelkaar moet houden.*) Een situatie kan vervelend zijn als een deur knarsend uit z’n hengsels raakt, uit de klauwen giert.

Een toenemende tendens zien we niet lang na 2000 als we kijken naar de frequentie van de combinatie van gierend met lopen, handen, klauwen of andere varianten zoals gierend de pan uit rijzen, de bocht uit vliegen, omhoog vliegen, oplopen, achteruit hollen. Vooral zichtbaar is dat als met de komst van de LPF Gerard van As (Gouda) aan de debatten deel gaat nemen. Hij zegt direct al in 2004: “dan was het tekort gigantisch en gierend uit de hand gelopen”.

Schutte en Van der Vlies gaven het voorbeeld, ook andere woordvoerders namens ChristenUnie en SGP gebruiken het onderstrepende bijwoord gierend. Dat geldt bijvoorbeeld voor Kees van der Staaij (Vlaardingen), André Rouvoet (Hilversum), Arie Slob (Nieuwerkerk aan den IJssel), Gert-Jan Segers (Lisse), de Noordeling Roelof Bisschop nota bene bij herháling. Hij kan op de voorzittersstoel zelfs zeggen: “We hadden keurige afspraken gemaakt, maar het is gierend uit de hand gelopen.”
Kijkend naar de tien keer dat de uitdrukking in 2018 de Handelingen haalde (naast Bisschops presidiale citaat) lijkt het wel alsof de PVV onderhand het alleengebruiksrecht heeft. Alleen William Moorlag (PvdA) zei vorig jaar van een rijkscoördinatieregeling dat het “echt helemaal gierend de bocht uit is gevlogen”. Voor het overige is het louter PVV, ja zelfs een pas de deux voor Fleur Agema en Alexander Kops, waarbij de laatste een voorkeur voor het gebruik van de vaste combinatie met klauwen heeft:

Fleur Agema (website TK)

Agema: Er is nu een gierend tekort.

Kops: De kosten van het klimaatbeleid lopen gierend uit de klauwen

Agema: dat er hier toen gierende debatten waren over de te verwachten arbeidsmarkttekorten in de zorg

Agema: Ook in de nacht loopt het personeelsprobleem en daarmee de kwaliteit van zorg gierend uit de hand.

Kops: Niettemin lopen de kosten in Duitsland gierend uit de klauwen.

Kops: De kosten lopen gierend uit de klauwen.

Kops: namelijk dat het allemaal gierend uit de klauwen zal lopen en onbetaalbaar wordt

Kops: al die partijen kiezen ervoor om de kosten gierend uit de klauwen te laten lopen.

Kops: De kosten zullen gierend uit de klauwen lopen

Alexander Kops (website TK)

P.S. Gierend wordt verder uiteraard gebruikt in combinatie met lachen maar soms ook in licht ander verband. Premier Rutte vreesde in 2017 als hij iets zou proberen te beantwoorden: “Ik ga dan dadelijk gierend af als een gieter”; Arda Gerkens (SP) had het in 2003 over zo’n grote administratieve last “dat sommigen er gierend gek van werden”.

*) De betekenis ‘hengsel’ zou gebaseerd kunnen zijn op de betekenis ‘(gekromde) poot van roofdier’.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Dranklokaal en partijlokaal tegenover schoollokaal: n.a.v. een geciteerd gedicht


De dichter Menno Wigman (1966-2018) overleed in februari, in september vorig jaar droeg Thierry Baudet (FvD) tijdens de Algemene en Politieke Beschouwingen een licht gewijzigde tekst van hem voor, zonder auteurs- of bronvermelding. Bijzonder voor iemand die opgegroeid is in de jaren ’70 van de vorige eeuw was het gebruik van het woord dat voorkomt in “het zachte golven van een dranklokaal”. Het is een van de “Mooie dingen, allemaal mooie dingen” die de geciteerde tekst openend aankondigt. Dranklokaal, nu zouden we het een café noemen, de omschrijving die Van Dale kiest.

Menno Wigman (Google-afbeeldingen)

Lokaal is een bijzonder woord. In Friesland – is Baudet daar ook lijstduwer van zijn partij? – bestaat een bekend lied waarin gerept wordt van het Dokkumer lokaaltje, een boemeltrein. Dat is een verkleinde inkorting van “lokaalspoortrein” met lokaal wellicht in de rol van bijvoeglijk naamwoord. Aan het niet-ingekorte zelfstandig naamwoord kent Van Dale drie betekenissen toe, achtereenvolgens te illustreren met deze drie voorbeelden: partijlokaal, schaftlokaal, gymlokaal.

Eigenlijk zou ik de eerste twee groepen liever samenvoegen en het onderwijs apart houden. Het golvende danslokaal van Menno Wigman is er eentje die in de eerste beide groepen past, net als (ik haal wat voorbeelden uit de Handelingen aan): evangelisatielokaal, vaccinelokaal, stempellokaal en – dezer dagen nog steeds gangbaar – stemlokaal. In een vaccinelokaal werden vaccinaties gegeven, in een evangelisatielokaal werd er misschien wel over dat onderwerp gepreekt.

Het gebruik van dit lokaal lijkt me zeer verminderd, het is grotendeels in het bezit genomen door het onderwijs. Lokaal wás in de woorden van Van Dale “gebouw mbt. het doel waarvoor het bestemd is, m.n. als vergaderplaats” en “ruim vertrek, zaal, vooral mbt. het doel waarvoor het gebruikt wordt”. Lokaal ís toch voor het grootste deel alleen nog de derde omschrijving “verkorting van schoollokaal” maar wel bij voorkeur aangevuld met het specifieke vak dat juist daarin gegeven moet worden. Logisch omdat andere lokalen zonder specifieke uitrusting daar minder geschikt voor zijn: gymnastieklokaal, handenarbeidlokaal, natuurkundelokaal, tekenlokaal.

Alleen al aan het woord is te horen dat de volgende gevallen niet op een normale school thuis (zouden moeten) horen: melklokaal, proeflokaal, schaftlokaal, therapielokaal, verenigingslokaal, visbewerkingslokaal, wachtlokaal, waslokaal, zorglokaal. Net als dranklokaal allemaal verleden-tijd-woorden die ooit in de Tweede Kamer zijn gevallen, zij het dan niet tijdens dat opvallendste debat van het jaar, de Algemene Beschouwingen.

Op allerlei plaatsen noemen café’s zich nog dranklokaal, zoals in Leiden (de WW), Zeist (de Druppel), Amsterdam (de Kom-eet) en Deurne (De Brouwer).

Proost.

Posted in Uncategorized | Leave a comment