Mitsgaders en mitsdien (i)

 

INSCRIPTIE LUTHER-HUIS WITTENBERG (SR)

Het SGP-kamerlid Koos van den Berg – gepromoveerd op waterstaatsrecht – heeft de Provinciale indeling van de gemeente Vianen zonder twijfel met plezier aangegrepen om voor zijn bijdrage aan het debat van 12 april 2001 over dat onderwerp in de geschiedenis te duiken. Hij citeert bijna hoorbaar handenwrijvend hoe Vianen in 1725 verkocht is aan de Graaf van Hompesch en dat deze zich daarbij verplichtte, dat hij de “Gereformeerde Religie, mitsgaders die daartoe gestigte Kerken, Schoolen en Revenuen… ongekreukt zou laten, zou maintineeren en beschutten”. Uit de mond van iemand van de Staatkundig Gereformeerde Partij klinkt hier oude taal betrekking hebbend op de Gereformeerde Religie mitsgaders wat niet al.

Van den Berg is de laatste die tot nu toe het woord mitsgaders “archaïsch: alsook, benevens” (Van Dale) in de Tweede Kamer heeft laten vallen. Maar het was een citaat. In de loop van de jaren ’80 klinkt als het ware het laatste echo van deze archaïsche term in de vergaderzaal, zonder dat er geciteerd wordt maar zonder twijfel ook met wat aangezette stem. De laatste spreker is René Toussaint (PvdA) die op 3 december 1985 in het debat over Vrije-beroepsbeoefenaars verrast is door wat een CDA-collega hem voorlegt: “De vraag heeft namelijk bijzonder weinig te maken met het onderwerp dat nu aan de orde is en mitsgaders met het amendement dat door mij is ingediend.”

De positie van het woord “… en mitsgaders met…” maakt duidelijk dat het voor Toussaint niet een natuurlijk begrip is. Dat maakte dezelfde spreker vijf jaar eerder ook al duidelijk: “In het kader van dit betoog heb ik gesproken over de richting van maatschappelijke ontwikkeling. Mitsgaders zou het individu hierdoor kunnen bepalen hoe de gezondheid het beste van de grond kan komen.” (29 oktober 1980) Maar mitsgaders vormt het begin van een verklarende na-bepaling en betekent ‘ook, inclusief, met inbegrip van’. Het heeft altijd de structuur van X mitsgaders Y, het ene met inbegrip van het andere dat direct volgt. Toussaint gebruikt het hier bijna als ‘dus, bijgevolg’ – andere betekenis en andere positie.*) (Vergelijk hoe gij verkeerd gebruikt werd, dat wil zeggen op het laatst anders dan voorheen: een zuivere toon verglijdt bij vertrek nog net even tot een dissonantje. Dat doet denken aan plechtig geworden woorden als derhalve, nochtans en thans die in het Parlement een zeker verlengd bestaan krijgen door specifiek gebruik in formele context.)

Op 2 juni 1983 is Gerrit Mik (D66) de allerlaatste die mitsgaders naturel gebruikt – maar hij doet dat getuige de context niet minder met een knipoog – in een onderwijsdebat : “Mijnheer de Voorzitter! 25 jaar persoonlijke ervaring met drop-outs van het onderwijssysteem, met dat tijdvak corresponderende universitaire ervaringen en publikaties mijnerzijds, mitsgaders geluiden van wetenschappers van naam waar ik mijzelf uiteraard niet onder reken – hebben mij tot het maken van mijn opmerkingen gebracht.”

Zó stierf de naklank van een allang en allang verouderd woord langzaam weg aan Het Binnenhof, niettegenstaande de Heidelberger Catechismus: “hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen.” (Zondag 10, vraag 27)

*) Toussaint verwarde mitsgaders waarschijnlijk met mitsdien, waarover a.s. maandag in dit blog.

Posted in PARLEVINKEN, prot-chr | Leave a comment

Te hoop gooien

IN HET NIEUWS was de laatste dagen defensieminister Jeanine Hennis, die eergisteren aan het eind van het Kamerdebat haar aftreden bekend maakte. Gert-Jan Segers (CU) had “zeer veel respect” voor de manier waarop ze zich in de Tweede Kamer verdedigde, “niet overtuigend” vond Jesse Klaver (GroenLinks) haar optreden. Zo kunnen oordelen verschillen al naar de contemporaine positie.

Wie zo’n lang debat volgt, hoort telkens dezelfde woorden voorbij komen. Een vier maal door Hennis gebruikte uitdrukking was die van het op een of op één hoop gooien van dingen:

• De drie OVV-rapporten waarnaar u nu snel verwijst, hebben wel overeenkomsten, maar ze zijn niet helemaal op één hoop te gooien.

• Ik vind het echt van belang dat we vanavond niet de “can do” op één hoop gooien met het veiligheidsbewustzijn (….).

• laten we het noodzakelijke veiligheidsbewustzijn, dat overal nodig is, in de vredesbedrijfsvoering en in can-dosituaties, niet op één hoop gooien.

• Weliswaar was er al een tijdje sprake van een hoeveelheid van bezuinigingen, maar het is te makkelijk om het ook op die hoop te gooien.

Daarmee weten we, op een hoop gooien moeten we vooral níet doen naar het oordeel van de spreker m/v. Omdat één hoop nog wat ordentelijker oogt dan op een hoop, is die laatste manier van zeggen als het ware nóg erger maar het op afstand gaan zit ‘m vooral in het werkwoord gooien in de hedendaagse politieke taal. Deze wijze van zeggen begon vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw op te komen.

Kijken we naar de ongecorrigeerde verslagen van de vergaderingen van de nieuwe Tweede Kamer – eind maart aangetreden – dan krijgen we een overzichtje als dit uit een totale hoeveelheid van inmiddels bijna 150 vindplaatsen van het werkwoord gooien:

– Sophie Hermans (VVD): “Dat vraagt om een extra investering in de verpleeghuiszorg, maar niet door zomaar geld over de schutting te gooien.”

– Paul van Meenen (D66) vraagt zich af, “of het dan helpt dat de overheid allerlei toetsen in dat veld gooit.”

– Farid Azarkan (DENK) over bepaalde uitzendbureaus: “We moeten partijen die echt de wet overtreden en dit soort schadelijke praktijken nastreven, uit die bond gooien.”

– Madeleine van Toorenburg (CDA): “We weten toch allemaal dat er allerlei gekkies zijn die niets anders doen dan proberen zand in de raderen te gooien.”

– Zihni Özdil (GroenLinks): “(…) om daarom het kind met het badwater weg te gooien, is op zijn zachtst gezegd zeer onverstandig.”

– Jasper van Dijk (SP): “Maar wat nu als de economie aantrekt of als een nieuw kabinet de grenzen voor goedkope arbeid verder wil opengooien?”

– Staatssecretaris Sander Dekker: “Je kunt ook de belastingen omhooggooien.”

– Staatssecretaris (dan nog) Klaas Dijkhoff wil regels aanpassen maar tegelijkertijd zorgen dat “we niet de hele regeling weggooien”.

– Rik Grashoff (GroenLinks): “Ik ga vandaag dan ook niet pleiten voor rigoureuze maatregelen om het plan weer op de schop te gooien (…)”.

– Remco Dijkstra (VVD): “Vindt mevrouw Kröger dat je dat dan maar in de prullenbak moet gooien?”

– Lilian Marijnissen (SP) “Dat wil niet zeggen dat je dan de hele boel om moet gooien,(…)”.

– Lilian Marijnissen (SP): “We kunnen over en weer gaan gooien (…) met allerlei casussen, (…)”.

– Tony van Dijck (PVV): “We gooien 60% over de schutting (…)” en “het blijft een groot zwart gat waar we onze zuurverdiende belastingcenten in gooien.”

– Gidi Markuszower (PVV): “Ik heb het over stevigere en strengere rechters die hoger straffen en criminelen minder snel weer de straat opgooien.”

– Dion Graus (PVV) over China: “ze gooien wel al die goedkope troep en auto’s bij ons op de markt”.

– Erik Ronnes (CDA): “We zullen moeten opletten dat we met het stellen van kaders niet weer regels over de muur gooien richting gemeenten (…)”.

– Dion Graus (PVV) over hoe er met dierenbeulen omgegaan zou moeten worden: “ze uit de maatschappij halen, ze zwaar straffen, ze een levenslang houdverbod opleggen, ze in de gevangenis gooien”.

Dit is een selectie van taal in de Tweede Kamer sinds eind maart. Telkens neemt de spreker (v/m) afstand van wat hij/zij zegt door het woord gooien, óf er wordt wat dwarsig gedrag mee uitgedrukt (minister Lodewijk Asscher “de kont tegen de krib gooien”) zoals in een overleg- of discussiesituatie. Sven Koopmans (VVD) wil ergens “een extra dimensie in gooien, om het nog iets lastiger te maken”, maar zijn partijgenote minister Edith Schippers wil dat in ander verband nu juist niet: “om nu zomaar een term eruit te halen en een niet-getoetste term erin te gooien, lijkt mij te ad hoc”. Lilian Helder (PVV) over drugsdumpingen in Noord-Brabant: “ik gooi Limburg er dan ook maar eventjes in”.

Het is een uitzondering als gooien letterlijk gebruikt wordt, zoals “het ingooien van ruiten en het bekladden van muren” wat ambtenaren overkomt in Brabant in een bijdrage van Hanke Bruins Slot (CDA). Of neem Alexander Pechtold (D66) die had begrepen hoe de samenwerking tussen CDA en PVV indertijd verliep: “Ik heb daarover weleens gehoord dat er inderdaad van alles gebeurde aan tafel, zoals trekken en met glazen gooien.” Staatssecretaris Martin van Rijn verwees naar assisterende kinderen: “tot 12 jaar kunnen kinderen af en toe hun kleding in de mand gooien”. Semi-letterlijk is het volgooien van de tank (Leijten, SP), het in de prullenmand gooien van regels, de idealen overboord of de handdoek in de ring, zoals mevrouw Hennis uiteindelijk deed.

JEANINE HENNIS (website Tweede Kamer)

 

 

 

 

 

Gooien is een geliefd begrip in de hedendaagse politieke taal, smijten nog niet maar dat kan er de vergrotende trap van worden. De VVD gebruikt het zeer veel in figuurlijke en wat lossere zin, het CDA vooral in verband met zaken over de muur of schutting gooien in de richting van een lagere overheid. Bij de PVV oogt het gooien wat ruwer.

Alles valt dus niet op één hoop te gooien. Er gaat een achteloze indruk van uit die bijna het tegendeel is van de beheerste en betrouwbare politiek van stap-voor-stap. (Zie voor dit laatste in de taal van Mark Rutte bijvoorbeeld de bijdragen over Uitrollen, Wirtschaften en duwen in de Ruttiaanse reeks.)

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN, Taal van Rutte | 1 Comment

Bijwoorden in Heidelberger

De Heidelberger Catechismus (catechismus is naar Van Dale een ‘overzicht van de beginselen of voornaamste waarheden van de leer van een kerk, vroeger in de vorm van vragen en antwoorden’) is een van de drie zogeheten Formulieren van Enigheid in de Nederlandse protestantse wereld. Deze mogen enkele eeuwen oud zijn en ontstaan in het verlengde van de Reformatie waarvan dit jaar het 500-jarige bestaan herdacht wordt, ze hebben een echo tot in de tegenwoordige tijd. In de eerste plaats klinkt er in het Parlement – voor de goede verstaander – nog altijd taal uit de Heidelberger door. Maar veel praktischer is het gegeven, dat partijen als ChristenUnie en SGP laten blijken zich ook in 2017 in hun politieke handelen te baseren op deze teksten.

De Heidelberger begint dus vrijwel met een beschrijving van de ellende van de mens (als gevolg van de zondeval door Adam en Eva in het Paradijs) en is ook verder een tekst waarin het geregeld gaat over zonde, kwelling, verdoemenis, duivel. Het is bovendien een tekst die zich – vanzelfsprekend, denk aan de tijd van het ontstaan – afzet tegen de Rooms-Katholieke kerk, die van de paapse Mis. Als onderwijsdocument heeft het onveranderd hoorbaar invloed.

Wie een minder hedendaagse versie bekijkt, moeten de vele bijwoorden opvallen die dezelfde vorm hebben als ganselijk en eveneens uit het normale Nederlands verdwenen zijn in tegenstelling tot de Engelse equivalente woordgroep op -(e)ly: eerstelijk, eeuwiglijk, getrouwelijk, gewilliglijk, gewisselijk, godzaliglijk, ijdellijk, klaarlijk, moedwilliglijk, naarstiglijk, onstraffelijk, oprechtelijk, scherpelijk, schrikkelijk, trouwelijk, valselijk, volkomenlijk, waarachtiglijk, zaliglijk, zekerlijk, zwaarlijk.

In vroegere Kamerbijdragen van vooral SGP-vertegenwoordigers als de predikanten Abma, Van Dis, Kersten en Zandt klonken die woorden bovengemiddeld door. Zij brengen uitdrukkelijk te berde wat soms wat implicieter te vernemen uit andere hoek. Zo is de knipoog in de opmerking van Laurens-Jan Brinkhorst duidelijk voor degene die de vrees kent in de kring van protestanten om Gods naam ijdellijk te gebruiken: “De heer Frinking riep de naam van D’66 ijdellijk aan” (zegt Brinkhorst op 8 november 1979 onder stilkle verwijzing naar het derde gebod).

Terug naar de SGP. Ds. Van Dis keerde zich in de jaren ’60 van de 20ste eeuw diverse malen tegen het vloeken, vooral in het leger:

  • Wij zullen hierover thans niet in den brede spreken, maar toch kunnen en mogen wij niet nalaten, er bij de bewindslieden ten sterkste op aan te dringen, tegen dit kwaad krachtig op te treden. In de eerste plaats, omdat het hier een nadrukkelijk gebod Gods betreft, dat ieder mens geldt, hetzij hoog of laag, hetzij rijk of arm, nl. dat de naam des Heren niet ijdellijk gebruikt mag worden en dat God niet onschuldig houdt wie Zijn naam ijdellijk gebruikt. (15 maart 1961)
  • Ook bepleiten wij andermaal, dat er tegen het vloeken in de weermacht streng zal worden opgetreden, daar het ijdellijk gebruiken van Gods naam een van de grootste zonden is, die bij Israël weleer op Gods bevel zelfs met de dood moest worden gestraft. (7 december 1967)

Juist hiervóor had hij protest aangetekend tegen vrije dagen voor maar een deel van de soldaten: “Wanneer wordt bedacht, dat rooms-katholieke militairen op rooms-katholieke feestdagen steeds verlof kregen en dat zij ook elk jaar een week verlof krijgen voor het deelnemen aan een dusgenaamde bedevaart naar Lourdes, moet daarbij toch wel van een onduldbare discriminatie worden gesproken.”

Een dusgenaamde bedevaart: ds. Van Dis bleef een man van het woord.

 

Posted in PARLEVINKEN, prot-chr | Leave a comment

Voorgelicht door Ybeltje

IN HET NIEUWS is het boek dat zo succesvol is, dat de verkoopster aan collega’s moet vragen of ze nog een exemplaar in voorraad hebben. “En ik had van haar nog nooit gehoord!”, zegt ze. Ik vertel haar, dat ik even was nagegaan wat voorzitster Arib eerder dit jaar tegen haar had gezegd bij de korte tekstjes tot de vertrekkende Kamerleden. Dat begint zo: “Ybeltje Berckmoes-Duindam. Ik hoop dat ik uw voornaam goed uitspreek. Ja, gelukkig. U zette zich, een beetje buiten de schijnwerpers, in op het terrein van emancipatie en kindregelingen en later ook Defensiepersoneel. Waar u vooral belang aan hechtte, is dat zowel mannen als vrouwen financieel onafhankelijk zijn. Ook was u een van de zeven VVD-Kamerleden die voor het initiatiefwetsvoorstel van Pia Dijkstra waren. Door uw interview met BNR Nieuwsradio vertrekt u met een knal. Het was een week — echt: één week — voordat de verkiezingscampagne van start ging. Iedereen was in rep en roer over uw uitspraken. Maar mijn enige zorg was: ik hoop dat ze zich niet afsplitst!”

Uit het boek dat Ybeltje – ik zal niet de enige zijn die door de Y geneigd is, “Iebeltje” te zeggen en dus net als mevrouw Arib te aarzelen over de uitspraak van de voornaam – heeft gepubliceerd, weten we dat Thierry Baudet geprobeerd heeft, haar inderdaad nog juist af te laten splitsen en als voorlopend lid van het FvD in de Tweede Kamer te hebben.

Heeft mevrouw Berckmoes het boek zélf geschreven, is de vraag die een lezer snel moet voelen opkomen. De hele stijl lijkt meer op een verhaal dat ze heeft verteld aan iemand die dat vervolgens op een heel bescheiden manier heeft geredigeerd. Alleen de toon van het Nawoord lijkt wat afwijkend. Waarom zou mevrouw Berckmoes dat en vooruit, dan ook niet het Voorwoord zelf op papier hebben gezet? Maar zinnen elders zijn eerder die van een verteller dan van een schrijver zoals deze:

“Ik kan me nog herinneren dat ik met Fred Teeven…”

“Was ikzelf overigens nog nooit geweest.”

“Dacht ik.”

“Niets voor mij dus.”

“Ik heb weleens gezegd: (….).”

“Ik dacht: huh? Gaat dat zo?”

“Maar ik dacht ook: we gaan niet beleven dat we weer gaan falen.”

Het is vooral spreektaal, zoals verder blijkt uit opmerkingen dat ze ergens geen hout van snapt of zich ergens helemaal de tandjes van schrikt.

Wie het boek van Bas Haan over de bonnetjes-affaire heeft gelezen, zal inhoudelijk dingen herkennen in deze publicatie-van-binnenuit en de VVD kan er niet blij mee zijn, want daarvoor hechten ze daar te veel aan het externe beeld zo laat mevrouw Berckmoes genadeloos zien.

We leren van haar wat themafracties zijn (een ingekorte samenstelling voor het wat onpraktisch lange themafractievergaderingen). Ze vertelt hoe Klaas Dijkhoff een koersboek bedenkt en waarschijnlijk ook het intellectuele eigendom bezit van verantwoordelijkheidsvakantie, waarvan de VVD het CDA tijdens Rutte II geregeld betichtte. Nog even en die vakantie zit erop.

We komen in aanraking met het begrip gespreksladder, een aanpak die Mark Rutte waarachtig beheerst, namelijk om het verloop van een interview naar z’n hand te zetten (blz. 130). In dat verband geeft mevrouw Berckmoes de term stap-voor-stap als voorbeeld. In 2010 zei Rutte dat nog niet, in 2017 voortdurend, zegt ze.

Dat klopt. Het begon tijdens z’n 18e persco als MP, die van 27 mei 2011, toen het ging over de verlenging van de missie in Libië en de zogeheten artikel-100-procedure die daarbij hoort: “Dus ook de Kamer heeft daar vervolgens iets van te vinden. Dus dat moet ook zorgvuldig. Stap voor stap.”

In al z’n persconferenties als minister-president in de periode van Rutte I en II heeft hij dat stap voor stap inmiddels meer dan 100 maal gezegd. “Dat klinkt redelijk” zegt mevrouw Berckmoes, waardoor je mensen makkelijker meeneemt in je frame. – Ik denk dat ermee te maken heeft dat Rutte vóor of na stap-voor-stap geregeld spreekt van “voorzichtig” of “zorgvuldig”. Zoiets wekt vertrouwen bij alle beheersing.

We moeten wachten op de memoires van Bas Mouton of deze hiervan het geestelijk eigendom kan claimen: van hem is Rutte een perfecte leerling, begrijp ik uit de herinneringen van Ybeltje Berckmoes (blz. 130). Of was het Laura Huisman? Ook een zeer belangrijk coach voor onze MP maar evenzeer op de achtergrond (blz. 134). Nieuwsgierig makend.

Deel website uitgeverij Van Praag

 

 

 

 

 

Ybeltje Berckmoes, ‘Voorlichting loopt met u mee tot het ravijn’. Mijn ontluisterende jaren in de VVD-fractie. Amsterdam, 2017.

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN, Taal van Rutte | Leave a comment

Het bijwoord GANSELIJK

Gans als onderstrepend woord komt zelden in het hedendaagse Nederlands voor – ook al zijn er bijvoorbeeld talige sferen zoals idiomatische uitdrukkingen die een zekere bescherming bieden waarin het bijwoord langer kan overleven. Neem bijvoorbeeld de vlieg die de ganse zalf bederft. Het wordt in de Tweede Kamer waarschijnlijk vooral aangehaald in bijdragen van de kring van kleinere protestantse partijen als ChristenUnie en SGP. De geciteerde uitdrukking met de vlieg stamt uit een bijdrage van Roelof Bisschop (SGP) waarmee hij een onderdrukte christelijke minderheid op het oog had (2 november 2016).

Ganselijk is aan de uiterlijke vorm extra zichtbaar als bijwoord (denk aan de vergelijkbare Engelse woorden op –ly) en zoals gans vooral direct gevolgd door anders zo handhaaft ganselijk zich bij uitstek in een bepaalde vastere, ontkennende sfeer. Bisschops fractiegenoot Elbert Dijkgraaf deelt op 21 april 2011 een tikje uit aan Sharon Dijksma, zijn collega van de PvdA: “Ik had toch een wat warmer, socialer hart van mevrouw Dijksma voor de kleine ondernemer verwacht. Dat mis ik ganselijk.” Dijkgraaf is dan nog geen jaar Kamerlid maar voelt zich voldoende in het Parlement thuis om dit zeldzame woord te gebruiken.

Dat het juist van iemand uit de kring van de SGP afkomstig is, is geen wonder als we enkele andere citaten uit Kamerverslagen bekijken. Nemen we Joop Voogd (PvdA) die zich in het debat over de Filmkeuring (4 juni 1975) richt tot zijn protestants-christelijke collega Jan de Koning (ARP/CDA), van wie hij heeft begrepen dat hij “ganselijk onbekwaam tot enig goed” is.

Toen het twee jaar tevoren ging over de Overheidscontrole op omroepprogramma’s (jazeker, 20 juni 1973) sprak Voogd tegen een fractiegenoot van De Koning: “Maar ik geef de heer Schakel graag toe, dat het natuurlijk ook volstrekte onzin is, te veronderstellen dat omroepbestuurders per definitie ganselijk onbekwaam tot enig goeds zouden zijn en dat zij per definitie altijd ongelijk hebben, ook als zij eens binnen hun eigen organisatie maatregelen nemen.”

Ganselijk onbekwaam tot enig goed is onderdeel van een langere tekst, een vraag uit de Heidelberger Catechismus, een samenvatting van het protestantse geloofsgoed uit het midden van de 16de eeuw. Het betreft Vraag 8, in een oudere versie in het Nederlands: “Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?” Het antwoord op deze vraag is bevestigend, “Ja wij (…)”. Het is een van de eerste kwesties die de Catechismus aan de orde stelt onder het kopje “Van des mensen ellende”.

Die keren dat ganselijk in de Handelingen van de Tweede Kamer opduikt (in de nieuwere spelling en dus zonder in te gaan op de eerdere verslagen toen nog ganschelijk geschreven werd), is dat in een negatieve context. Minister Edzo Toxopeus hield van het woord in de formele vergadersetting (“Zo heb ik echter die motie ganselijk niet geadstrueerd, mijnheer de Voorzitter, in het geheel niet.”). Zijn partijgenoot Cornelis Berkhouwer (VVD) zegt in 1960: “Ik ben daar niet ganselijk meer van overtuigd”.

Geregelde gebruiker van ganselijk is staatssecretaris Willem Hendrik van den Berge, bijvoorbeeld in 1961: “Het gaat mij toch te ver om baten, die uit loterijen en kansspelen verkregen worden, ganselijk vrij van belasting te stellen.” Van den Berge is geboren op Tholen – dat past geheel bij de sfeer van de Heidelberger Catechismus. Ook al was hij partijloos en stemde hij op de Partij van de Arbeid, hij moet taal van vroeger hebben meegekregen.

Am Anfang war das Wort – In den beginne was het woord

Dit stuk verscheen ook op http://www.neerlandistiek.nl

Posted in PARLEVINKEN, prot-chr | 1 Comment

Het bijwoord GANS

In het ene land is ganz volkomen normaal, een paar kilometer verderop is het identieke gans in feite helemaal uit de taal verdreven. Zo is de situatie tussen het Duits en het Nederlands. Van Dale spreekt van “verouderd” bij dit bijwoord met de betekenis ‘geheel en al, in elk opzicht’. Zie voor die veroudering de ontwikkeling bij de Ngramviewer van de Koninklijke Bibliotheek. Zoiets geldt nog niet voor het Duitse ganz. (Dat is een understatement, maar de Duitse Ngramviewer via Googlebooks laat rond 1920 wel een duidelijke maar tijdelijke daling zien.) Dit is de situatie in het Nederlands:

GANS ANDER(…) KB Ngramviewer v.a. 1940

Het was op 12 juni 2013  sowieso al een bijzonder optreden in de vergaderzaal van de Tweede Kamer van de woordvoerder van het burgerinitiatief Sloop de muur (te weten die welke Israël*) heeft aangelegd), want het betrof de voormalige minister van Justitie en minister-president Dries van Agt. Hij refereerde aan z’n eerdere optredens in de oude vergaderzaal, “nu zonder sterren en strepen en in een naar ambiance en allure gans andere locatie”. Een gans andere locatie en daarmee onderstreepte de vroegere bewindsman zijn ouderdom én diens taalgebruik, een onderwerp waar geregeld veel aandacht voor is geweest.

Enkele maanden tevoren had Mark Rutte in zijn wekelijkse persconferentie van 5 april gesproken over het aanstaande bezoek van de Russische president Poetin en over de punten waarover hij met hem van gedachten zou wisselen, namelijk die welke hij eerder al met hem had besproken, waaronder de kwestie van de homorechten in Rusland. Dat was een herhaling van zetten, vond Mark Kranenburg (NRC), had de minister-president daar verwachtingen van? De minister-president: “Het is mijn overtuiging dat in de relatie die wij hebben met Rusland, ook die Duitsland heeft, mijn Duitse collega zal al zaterdag, of zondag, excuus, met Poetin spreken, dat het van heel groot belang is dat je in die relatie deze thema’s bespreekt, open bespreekt, normaal bespreekt, ook normaal maakt dat je het er met elkaar over hebt. Ik heb niet de illusie dat daarmee onmiddellijk de situatie in Rusland een gans andere zal zijn dan die vandaag is. Ik merk wel, als je praat in Rusland – ik heb ook gesprekken gehad in oktober met mensen uit de oppositie, mensen uit de mensenrechtenbeweging – dat zij de analyse delen.” Merk in het voorbijgaan op, hoe de Nederlandse premier zichzelf terloops hardop corrigeert op het punt van de afspraken in de agenda van de Duitse Bondskanselier.

Inderdaad, een herhaling van zetten bevestigt Rutte en het zal niet direct leiden tot een gans andere situatie in Rusland. Over understatements gesproken. Het bijwoordje gans is hoogst ongebruikelijk in de taal van Mark Rutte, niet in de taal van Van Agt en zijn regio-, tijd- en corpsgenoten (zoals Fons van der Stee die zijn betogen er op een formele manier nadrukkelijker mee maakte). Van Agt bijvoorbeeld op 14 oktober 1980 in de Tweede Kamer: “Zaterdag jongstleden mocht ik het woord voeren als lid van mijn partij. Vandaag sta ik voor u in mijn hoedanigheid van Minister-President. In die hoedanigheid is het mij niet gegeven, komt het mij zelfs niet toe, mijn persoonlijke levensbeschouwing te vertolken als ware die de levensbeschouwing van het ganse kabinet.”

APB 1980 (uit Handelingen)

*) Ik schrijf Israël volgens de regels, maar ik vraag me af waarom dat niet evengoed Israel zou kunnen zijn. Dat leidt immers tot dezelfde uitspraak.

P.S. In verband met 500 jaar Reformatie staat dit blog de komende weken in het teken van de hoorbare invloed op het Binnenhof van een belangrijke tekst uit deze kring, de Heidelberger Catechismus. Het logo van het Luther-Jahr markeert alleen de aanleiding voor de keuze van het onderwerp-taal in deze weken voor Hervormingsdag, niet de Reformatie als zodanig.

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Lekker zelf

Taal en de Nederlandse Waddeneilanden hebben gemeenschappelijk dat ze aan de wandel zijn. Beide veranderen, onze eilanden van West naar Oost, het Nederlands gaat allerlei kanten op. Zo denk ik, dat het woord lekker een vrij nieuwe ontwikkeling doormaakt, misschien wel begonnen in de kindertaal (vergelijk Een beetje boel). Denk aan de uiting: “Ik weet het wel maar ik zeg het lekker niet!” Dat is typisch iets uit de kleuterachtige taalsfeer waarbij het woord lekker aan een lange neus doet denken, lekkerlekker puh.

Dat maakt duidelijk dat lekker ‘aangenaam, smakelijk’ in dit geval voor maar één partij van toepassing is, degene die spreekt. Ook al verschillen smaken, lekker is niet zelden voor alle partijen “een aangename smaakgewaarwording teweegbrengt” (Van Dale).

Maar lekker lijkt in beweging. Op 25 januari 2017 kwam het woord in twee verschillende debatten in de Tweede Kamer op twee verschillende manieren voor, laten we zeggen het oude en het nieuwe gebruik. De ene woordvoerder zei volgens de Handelingen:

  • “Naast alle inhoudelijke, technische en financiële aspecten was ik toch weer het meest gegrepen door de inleiding van collega Van Laar, die begon over de doffe ogen van kinderen die aan het werk zijn en niet datgene kunnen doen wat zij eigenlijk moeten doen, namelijk naar school gaan en lekker spelen.”

Hier spreekt iemand met warmte over kinderen en wat zij zouden moeten kunnen doen, onder meer lekker spelen.

De andere woordvoerder zei op diezelfde 25ste januari in een ander debat:

  • “Ik wil maar zeggen: de mensen die de grootste mond hebben, geven vaak zelf niet het goede voorbeeld. Ze wonen in dure huizen, gaan lekker lang op vakantie en klagen vervolgens over klimaatverandering.”

Dit is eerder bijtend en nijdig van toon – dat kan het woord lekker tegenwoordig veel beter dan een jaar of 20 geleden, zo heb ik de indruk. Lekker heeft kortom een positieve en een negatieve connotatie, de ontvanger moet op basis van de context maar begrijpen welk van beide van toepassing moet zijn.

Het bekendste gebruik van lekker had waarschijnlijk plaats bij de Algemene en Politieke Beschouwingen van 2011. De minister-president reageerde toen niet geheel neutraal op een uitnodiging van PVV-leider Wilders, die zei: “Doe eens normaal.” Rutte reageerde toen met het bekende: “Doe eens normaal? Doe lekker zelf normaal! Tjongejonge!

Lekker? Nog opvallender en eigenlijk vreemder is die combinatie lekker zélf. Daar zijn er de laatste jaren verrassend veel voorbeelden van in de Kamerhandelingen, zoals in 2015 en 2016. Telkens gaat de spreker op afstand:

• De Graaf (PVV) “De kas moet gevuld blijven en voor de veiligheid zoekt de Nederlandse burger het maar lekker zelf uit.” 25 oktober 2016

• Tony van Dijck (PVV) “Met de participatiemaatschappij bedoelde premier Rutte waarschijnlijk de “zoek het maar lekker zelf uit”-maatschappij.”  26 mei 2016

• Madlener (PVV) “Het dragen van zo’n helm op een e-bike schijnt van Europa te moeten. Dat heeft de minister althans geschreven. Dat is natuurlijk belachelijk. Laten mensen dat lekker zelf bepalen! ” 29 oktober 2015

• Roemer (SP) “We nemen dit serieus en ik erken dat het te vaak fout is gegaan”, dan komt dat al heel anders over bij de Kamer dan als hij zegt: zoek het lekker zelf uit met een bewindspersoon die een keer iets niet goed gedaan heeft.”  [28 oktober 2015]

• Tony van Dijck (PVV) “(…) of als de Grieken op hun 50ste met pensioen willen, dan moeten ze dat lekker zelf weten, maar niet op onze kosten.”[ 23 juni 2015]

• Graus (PVV) “Mijnheer de voorzitter, ik zeg het zoals ik het zeg. Het zijn míjn woorden. Ik bepaal die lekker zelf.” (Graus had het CDA betiteld als “misschien een incestueuze bende”.) [4 februari 2015]

Vanaf 2010 werd het gangbaar in de vergaderingen van de Tweede Kamer om lekker zelf te gebruiken, eerst vooral in de richting van de PVV – inmiddels lijkt die partij het lekker zelf overgenomen te hebben. Het was Ineke van Gent (GroenLinks) die er in 2002 mee begon en het nadien zéer geregeld gebruikte, lekker zélf. Ze nam anderen daarin mee, maar pas eind 2011 zei ook een PVV’er het: “(…) dat iedere wegbeheerder, zoals u weet zijn dat het rijk, de provincie en tal van gemeenten, in Nederland lekker zelf bepaalt wie er over de busbaan rijdt, ambulance of niet.” (Spreker was André Elissen.)

Ineke van Gent ging eind 2012 uit de Kamer, kreeg een baan in de wereld van het personenvervoer en begint dinsdag als burgemeester van Schiermonnikoog, lekker zelf.

INEKE VAN GENT (via RVD)

Zonnig weekend! Dat wordt dringen op de boot.

P.S. Vanaf volgende vrijdag staat dit blog gedurende enkele weken in het teken van het feit dat het vrijwel 500 jaar geleden is dat de Reformatie begon. De Protestantse geloofsleer werd enkele tientallen jaren na 1517 samengevat in de Heidelberger Catechismus en vandaaruit onderwezen. Ik probeer in een stuk of tien bijdragen na te gaan, in hoeverre de taal van die tekst in de Tweede Kamer heeft doorgeklonken of nog doorklinkt.

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment