Voormalig uitsmijter Jorge Mario Bergoglio

De bijdrage van vanochtend (Menig school heeft vacatures) verlengen we nog even. Menig heeft dus een intrigerend gedrag, wanneer is het menig, wanneer is het menige? Tot ik het verhaal van Walt van der Linden vanmiddag in de NRC las – we mogen zeggen het verhaal waarin hij duidelijk positie koos, daar komen ongetwijfeld ingezonden brieven op – wist ik niet dat dat menig/menige-verhaal hier een vervolg zou krijgen. Dat komt door die ene zin die ook in de titel van deze bijdrage hierboven doorklinkt: “Eigenlijk had de wereld, kerk-watchers en media voorop, al na die eerste ‘Broeders en zusters, goedenavond’ op het balkon van de Sint-Pietersbasiliek besloten dat voormalig uitsmijter Jorge Mario Bergoglio de Beste Paus Aller Tijden zou worden.”

Het eerdere beroep van paus Franciscus trof me evenzeer als de aanduiding “voormalig uitsmijter”. Uitsmijter is een de-woord, voormalig moet hier een bijvoeglijk naamwoord zijn en dat in combinatie zou hebben kunnen leiden tot “voormalige uitsmijter”. Alwéer hebben we een bijvoeglijk naamwoord dat zich opvallend gedraagt vlak voor een beroepsaanduiding, net als het geval was in dat stuk over menig(e).

Een zoekopdracht in het digitale archief van NRC Handelsblad naar het gebruik van voormalig(e) leidde tot deze andere observaties, alleen voor de afgelopen 24 vanaf vanavond 18.00 uur teruggerekend:
• De groep bestond uit overwegend immigranten uit voormalige Sovjetrepublieken met een joodse achtergrond.
• De voormalige majoor houdt de vlaggenstok met het bloedrode vaandel fier omhoog.
• Meer dan zeven jaar is er voorafgegaan aan de metamorfose van dit voormalige vergaderpand op het KNVB-complex in Zeist.
• Makkelijk ging het niet voor de voormalige nummer één, nu de nummer 832 van de wereld.

Ook de voormalige majoor zou voormalig hebben moeten kunnen zijn, misschien ook de vroegere positie van Murray op de wereldranglijst (voormalig nummer één) – maar *voormalig Sovjetrepublieken en *voormalig vergaderpand lijken me zeer onwaarschijnlijke ja ongrammaticale mogelijkheden vandaar het sterretje.

Voor de goede orde keek ik ook nog even naar het verwante woord toenmalig(e) in datzelfde NRC-archief en vond voor de afgelopen week veertien stuks, om te beginnen deze:
Toenmalig vice-president Mnangagwa volgde hem op.
Toenmalig staatssecretaris Dijkhoff (VVD) beloofde dat overlastgevende asielzoekers eerder voor de rechter komen.
• Caldas ging persoonlijk bij toenmalig aanvoerder Maartje Paumen thuis langs
• Een moreel dieptepunt was het optreden van het toenmalig hoofd van de Shin Bet, Avrum Shalom, die toevallig ter plaatse was nadat (…)
• die met zijn toenmalige band The Konrads het nooit uitgebrachte nummer ‘I Never Dreamed’ speelt.
• Folkert Jensma, toenmalig hoofdredacteur van NRC, verwoordde dit fraai (…)

Toenmalig aanvoerder Maartje Paumen, dat lijkt op de bij Murray geopperde mogelijkheid voormalig nummer één, laten we dat ook als iets in de sfeer van een beroepsaanduiding beschouwen. Die vinden we immers ook bij de andere citaten, zij het met uitzondering van “zijn toenmalige band The Konrads”. Dat kán inderdaad net een andere kwestie zijn.

Waar menig(e) ons eerder vandaag bij bracht, daarheen brengen woorden als voormalig(e) en toenmalig(e) ons inmiddels niet minder. En hoe het precies zit, beste lezer, ik weet het niet. De e-ANS bevat toenmalig noch voormalig in het woordregister, maar er lijkt voldoende aan de hand te zijn om te hopen op nadere informatie bij dergelijke woorden want hun gedrag is er intrigerend genoeg voor.

 

Posted in In het nieuws | 1 Comment

Menig school heeft vacatures

Dat menig bij het traditionele ontleden een onbepaald voornaamwoord heette was een passende aanduiding, veel beter dan bijvoorbeeld in het geval van alle of geen. Menig betekent dat er ‘nogal wat’ van de aangeduide groep vallen onder wat er beweerd wordt, bij alle en geen ontbreekt die onduidelijkheid, die onbepaaldheid. Als iets betrekking heeft op geen mens of alle mensen weten we precies hoe laat het is, menig mens laat ons veel meer in het ongewisse.

Menig mens illustreert een apart trekje van het Nederlands: na menig volgt steeds een enkelvoud maar er wordt altijd een meervoud mee uitgedrukt, hoe onbepaald ook. En menig onderstreept nog eens z’n eigen onbepaaldheid bij het antwoord op de lastige vraag of we soms menig zeggen of menige. Het woordje gedraagt zich inderdaad wat als een bijvoeglijk naamwoord áls we maar in gedachten een onbepaald lidwoord voorvoegen. Laten we het illustreren met twee voorbeelden, een de-woord en een het-woord. Daar immers worden de verschillen duidelijk, het grote gebouw en de grote tuin trekken in hun verbuiging één lijn maar een grote tuin vormt als het ware een contrast met een groot gebouw.

Menig gedraagt zich in dit opzicht interessant: menig gebouw, menig eh wat, menige tuin of menig tuin? Hier is een variatie in het Nederlands mogelijk zoals we verderop zullen zien, die er niet is bij een grote of een groot tuin omdat die laatste combinatie in feite niet voorkomt.

Bij woorden die naar personen verwijzen gedraagt menig zich ook bijzonder. Er zijn sprekers voor wie het niet uitmaakt of iemand een bekwaam of een bekwame spreker genoemd wordt. Een groot auteur is een schrijver die als zodanig heel goed beoordeeld wordt, een grote auteur bevindt zich met zijn lengte in de buurt van de twee meter ongeacht de kwaliteit van zijn schrijverschap. In het Nederlands is/was het mogelijk om een bijvoeglijk naamwoord onverbogen te gebruiken als er iets werd uitgedrukt dat betrekking had op de kwaliteiten van de specifieke rol van een persoon. Een handig koetsier kon goed met paarden omgaan, een handige koetsier was welkom in zijn sociale omgeving omdat hij uitstekend kon timmeren of zoiets.

Dat specifieke gedrag komt terug bij menig dat dus tegelijkertijd doet alsof er stilzwijgend een voor gebruikt wordt: menig auteur = een groot auteur, menig gebouw = een groot gebouw. Bij onzijdige woorden verbaast menig dus niet, bij de-woorden meer, behalve dan bij die bijzondere groep waarbij er personen in bepaalde rollen in het geding zijn.

De vier voorbeelden in Van Dale onder het onbepaalde voornaamwoord menig ‘steeds gevolgd door een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud’ suggereren een simpele regel. Dit zijn die gevallen:

(1) menig mens

(2) menig uur ben ik er geweest

(3) ik heb menige slapeloze nacht doorgebracht

(4) in menig opzicht wordt dit bevestigd

De voorbeelden onder (2) en (4) bevatten de onzijdige woorden uur en opzicht dus daar verwondert menig (opgevat als (een) menig) niet. Ook voorbeeld (1) begrijpen we als we denken aan mens in de rol van mens.

Het derde voorbeeld geeft antwoord op de eerdere vraag in dit stuk: menige tuin of menig tuinMenige slapeloze nacht maakt duidelijk dat we bij de-woorden die niet naar personen verwijzen menige gebruiken – eigenlijk niet bijzonder verrassend voor een woord dat zich zo duidelijk als een bijvoeglijk naamwoord manifesteert. De e-ANS geeft dezelfde oplossing als Van Dale getuige enerzijds menig moe man, menig politicus met daar tegenover “Ik heb daar menige dag doorgebracht en menige vis gevangen.”

Maar nu lezen we in NRC Handelsblad van 30 juli 2018 een stuk over de problematiek van het lerarentekort op basisscholen. “Het lerarentekort is zo nijpend dat menig school voor komend schooljaar nog vacatures heeft openstaan (…)”. Wat zou een PABO-docent Nederlands vinden van de constructie menig school?

In het eerste deel van 2018 was menig vaker vindbaar in de NRC als het direct gevolgd werd door een de-woord en zonder dat er sprake was van de verwijzing naar een persoon. Onder dank aan LexisNexis noteren we:

• Bach Archiv-directeur Peter Wollny, intendant Michael Maul en Gardiner plengden menig traan.

• Menig inbox liep de afgelopen week vol met berichten over nieuwe privacyregels.

Tweemaal is niet veel, hoe was het in bijvoorbeeld 1990 in dezelfde krant:

• Menig openstaande rekening wordt nu vereffend.

• De verwachting van het partijbestuur dat menig lokale afdeling na de gigantische verkiezingswinst van vorige week woensdag (…)

• Terwijl zowel de scheidende voorzitter Kastermans als zijn opvolger Lansink er terecht op wijst dat menig amateurclub een grotere en betere organisatie runt dan een aantal profclubs.

• Het is de conclusie van menig discussie tussen jongeren in de Sovjet-Unie, (…)

Het Nederlands heeft een probleem met de vraag, hoe de omgang met menig moet zijn – ook op de PABO en in het Primaire Onderwijs. Gelukkig neemt de frequentie van menig al meer dan een eeuw regelmatig af….

 

Posted in In het nieuws | Leave a comment

Taal in een weekendkrant

Lezen veel abonnees een krant he-le-maal, laat staan een weekendkrant? Ik krijg NRC Handelsblad al een poosje dagelijks bezorgd maar ik kan me niet herinneren dat ik een exemplaar geprobeerd heb, van A tot Z te lezen. Dat is dit weekend veranderd – opeens zag ik dat er stukken in staan over het Rif-gebied in Marokko waarbij er niet over en weer naar elkaar verwezen wordt of hoe er op meerdere plaatsen sprake is van platformeconomie om zomaar iets te noemen.

Gelezen met het oog op taal – aha, staan er veel taalfouten in die krant? Nee, lezer, ik heb niet in de eerste plaats corrigerend gelezen, maar daarover verderop nader.

Daar komen we bij iets opvallends: op enkele plaatsen wordt door de auteur een aankondiging gedaan van iets dat verderop terug zal komen. Bijvoorbeeld: “Daarover straks meer” en “waarover later meer”. Die sturende tekstopmerkingen vielen me nu op en ze verbaasden me ook, want straks en later lijken tijdsbepalingen, maar de lezer leest ruimtelijk – ik zou dus verderop verkiezen.

Uiteraard is ook NRC Handelsblad van eind juli 2018 geschreven in het Nederlands van de tegenwoordige tijd. We zien dus een aantal keer en een aantal jaar, taal die een 10, 15 jaren eerder nog niet zo gemakkelijk in de krant zou belanden omdat er toen meer sprake was van een aantal keren en jaren. We lezen van het begin van een maatschappelijke diensttijd, – „We onderzoeken nog waar jongeren op aanslaan en waarop niet”, zegt een woordvoerder van het ministerie. Aanslaan, dat is taal van het Binnenhof en nabije omgeving, ook al heb ik daar tot dusver weinig waakhonden gezien. En dat er sprake is van een megadam en een megarechtszaak onderstreept al net zo dat we met de taal een stuk in de 21ste eeuw beland zijn als het meervoud hakenkruizen dat enige tijd geleden echt in bredere kring hakenkruisen was.

Mondeling is de geschreven tekst in deze weekendeditie ook als we een geïnterviewde zien zeggen “ik trek dat zó slecht”, of dat Dumoulin nog van het podium zou kunnen “lazeren” – laten we dat “niet normáál” noemen, simpelweg “niet leuk meer”. Het is in elk geval stilistisch van een heel ander slag dan de tekst in het hoofdredactionele commentaar die spreekt van “noopt tot lastige vragen”. Noopt dat is van een andere orde dan lazeren, maar de kwestie-Israel is ook iets heel anders dan de mogelijke eindrangschikking van de beste Nederlandse wielrenner in de Tour de France van 2018.

Een interessant stuk over een vertaling van een authentieke detective in Amerika bevatte de aanduidingen Golden State Killer, Green River Killer, East Area Rapist en Original Night Stalker: staan nog niet opgespoorde serieboeven in Amerika bekend onder een trio kenmerkende aanduidingen? Direct maar even gekeken of de Nederlandse naamgevingstrend nog is zoals hier een keer beschreven, namelijk liefst drie voornamen. Jazeker, de pasgeborenen hebben volgens de advertenties in de NRC 1x 1 voornaam, 3x twee voornamen, 1x vier stuks en het meeste (zes maal) drie voornamen. Drie is de trend, Renske Hinke Jannetje.

Drie komt terug in een verhaal waarin Australië aan de orde komt, het motto tegen huidkanker is daar slip-slop-slap, vertaald als ‘smeren, kleren, weren’. En de strijd tegen wilde katten wordt soms gestreden onder een Engels driewerfsmotto Trap, Neuter and Return. Vangen, onvruchtbaar maken en dan terug naar het wild.

Heb ik uit deze krant woorden geleerd of moet ik ze nog opzoeken? Jazeker, wat te denken van kroonvuur en het laddereffect of kletsklets? Of neem suikerhoudende herrie? Meer Engels dan ooit duikt er tegenwoordig in een gewone Nederlandse krant op, lang niet alles in deze sector zijn deze voorbeelden: jinx, fling, endurance racing, grid, paddock, unpluggen, condom snorting, cosplay – cool! Containment en freerider vergeet ik bijna.

Verrast was ik door de rechtsgedraaide taugé in het ene stuk en de linksgedraaide quinoa in een andere bijdrage. In beide gevallen betreft het vrij zeldzaam voorkomende bijvoeglijke naamwoorden met spottende inhoud, opgekomen rond 1990.

En dan, zoals aangekondigd, taalfouten. Veel? Nee – maar ik let er niet in het bijzonder op. Tweemaal dreigde in dezelfde zin zag ik en dat was vast een aangepaste tekst waaruit dat werkwoord eenmaal nog had moeten verdwijnen. “De Waal is een van de rivieren die Nederland doorsnijdt” of zoiets – klopt dat? De Waal is, maar rivieren doorsnijden toch? Welk type moleculen worden… of was wordt door het enkelvoudige type grammaticaal toch beter?

Ja en iets op hun rader hebben zal vooral een tikfout zijn, als er door de schrijver niet in stilte op de uitspraak gevaren is (als kind schreef ik wel eens moter) net als bij wijze van spreke.

Leerzaam zo’n weekendkrant helemaal lezen. Wist u, lezer, bijvoorbeeld dat het Arabisch het woord voor sinaasappel ontleend heeft aan Portugal (namelijk Bortugal) en niet zoals wij aan China?

Posted in In het nieuws | Leave a comment

De Minister van eh Defensie

Waarschijnlijk scoort eh hoog als we de frequentie van alle woorden nagaan in het gesproken Nederlands. Maar ook als het toevallig de absolute top van de ranglijst aan bijvoorbeeld een lidwoord zou moeten laten, dan nog is het verrassend dat eh in de grote Nederlandse grammatica die de ANS is, geen plekje in het register van behandelde woorden heeft gekregen en evenmin voorkomt in het stuk over de tussenwerpsels. Zó gewoon in het Nederlands en daar dan toch absent?

Op 11 juli 2018 mocht minister Ank Bijleveld van Defensie optreden in een uitzending van het programma Spraakmakers van Radio 1, nog net niet op weg naar een NATO-bijeenkomst in Brussel. Daar was ook de Amerikaanse president verwacht en die zou er de trom roeren over de kwestie van de verhoging van de afdrachten van de lidstaten. Dat was het onderwerp van gesprek met de minister, aan de tand gevoeld door Ghislaine Plag. Het was echt een soort verhoor, de interviewster gaf de excellentie geen kans om lange antwoorden te formuleren.

Daaraan kan het niet hebben gelegen – de minister liet zich niet van haar stuk brengen – dat ze zo vaak eh zei. Zoek eens naar actuele interviews met minister Van Engelshoven (Onderwijs en Wetenschap) van wie gezegd wordt dat die zoveel eh’s gebruikt, dat is lang niet meer zo opvallend als eerder – daar is dus aan geschaafd. Misschien ontkent ze het, maar juist een minister van Onderwijs kan met een gerust hart beweren dat ze nog dagelijks iets leert.

ANK BIJLEVELD (Ministerie van Defensie) en let op de penvoering

Haar collega Bijleveld zei niet zozeer ontzettend vaak eh – behalve misschien voor iemand die er speciaal op let. Veel opmerkelijker was de plek waar eh in de zin werd gepositioneerd. Kijk naar deze uitingen van mevrouw Bijleveld:

* ik ben het inderdaad heel erg eh met de eh heren eens

* in het bond-eh-genootschap

* in deze eh kabinets-eh-periode

* het moet echt eh beter

* waar het hier eh om gaat

* waarnaar eh wij streven

* die uit de Europese Unie eh stappen

* gemeenschappelijke waarden die we eh delen

* een extra stap eh wordt gezet

Wat aan dit soort uitingen frappeert is niet zozeer dat er ehs vallen, maar wel dat die vallen op rare plekken in een uiting. Een minister van Defensie weet heus wel dat de NAVO een bondgenootschap is, dus dan verrast de uitspraak “bond-eh-genootschap” net zo als “kabinets-eh-periode” uit de mond van een doorgewinterde politica. Nota bene: kabinets en dan -eh-periode! En in die andere voorbeeldjes valt eh eveneens op momenten dat duidelijk is dat de spreekster al formulerend in feite al laat horen hoe ze dat stukje wil gaan zeggen. Wie “waarnaar” zegt, heeft “streven” al in gedachten; wie begint met “waar het hier” levert een vreemd eh voordat de uiting vervolgt met “om gaat” want dat is één samenhangende constructie. Net zo opvallend als die eh’s in kabinetsperiode en bondgenootschap.

Eh is hier dus geen tussenwerpseltje dat aarzeling uitdrukt maar iets anders. De vraag is wát.

Maar ik heb geen idee wat het antwoord op die vraag eh is.

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | 2 Comments

Eufemisme, eufemistisch en wat er op lijkt  (v)

Nu het Kamerreces is begonnen en scholen vakantie hebben of driftig onderweg daarheen, in dit blog een uitsmijtend eufemisme-stukje tot besluit van dit parlementaire jaar. Het bestaat vooral uit wat oudere eufemismen die uit de Handelingen verzameld zijn. Harrij Notenboom was de financiële man van de KVP, de partij die via fractievoorzitter Schmelzer het kabinet-Cals zou laten vallen. Bij Notenbooms biootje staat op parlement.com: “Speelde een belangrijke rol in de “Nacht van Schmelzer” (13/14 oktober 1966)”. De financiële woordvoerder liet al in 1965 kritisch van zich horen in de richting van minister Vondeling (Financiën): “Dit is duidelijk: de Minister kan niet zeggen: mijn miljoenennota brengt inflatie. Hij heeft natuurlijk eufemistisch gezegd, dat er geen sterk remmende werking vanuit gaat. Wij vinden dat ook. Wij vinden nl., dat er helemaal geen remmende werking vanuit gaat, integendeel, dat er zelfs een stimulerende werking vanuit gaat.” Dit was wat toen een schot voor de boeg genoemd zou hebben kunnen zijn, een jaar voor De Nacht.

De sector-Financiën neemt veel echte eufemismen voor z’n rekening. Laten we lukraak wat opmerkingen van Kamerleden aanstrepen: beleidsombuigingen = bezuinigingen; oprekken is een eufemisme voor vergroten van het financieringstekort; positieve restpost – om uit te drukken dat de tarieven te hoog zijn; tijdelijke technische dekking = géen dekking. Een bezuinigingsdoelstelling wordt eufemistisch een efficiencykorting genoemd. Verschuivingen komen neer op verminderingen in de totale voorzieningen die er zijn, enzovoort.

De CDA’ers Bouke Beumer (vroeger ARP) en Huib Eversdijk wezen er elk een keer op dat oplopende korting een term was om gedifferentieerde inflatiecorrectie te verhullen.

Erik Visser (D66, toen nog D’66) legde de vinger in 1969 bij twee echte eufemismen: “De term politionele actie is m.i. een eufemisme voor oorlog” en “elimineren (…) betekende doden”. Zijn partijgenoot en vroegere VVD’er Hans Gruijters in 1973: “Ik neem aan dat de Regering met mij de indruk heeft, dat steeds meer mensen in deze categorie vanuit het bedrijfsleven, om het eufemistisch te zeggen, vrij zullen komen of, om het gewoon te zeggen, werkloos zullen worden.”

In latere jaren kwamen vooral uit de hoek van de SP talige onthullingen via Harry van Bommel (de postkantoren eufemistisch aangeduid als dienstverleningspunten) en Jan Marijnissen (De reorganisaties – het eufemisme voor ontslagen). Moreel en christelijk-fundemanteel verzet tekende Meindert Leerling (RPF dat later opging in de CU) aan in verband met euthanasie (“De commissie durft dat eufemistisch stervens-hulp te noemen, terwijl dat toch niet anders is dan moord”) en hij sprak van herwaardering als “enorm eufemisme voor de erosie van elementaire waarden”. Ook Gert Schutte (GPV, later CU) liet zich in deze vorm van taal-attentie niet onbetuigd.

Kees Vendrik (GroenLinks) duikt vaak op voor wie oog heeft voor de taal in de Tweede Kamer en dat betreft ook de sfeer van eufemismen. In 2002 citeren de Handelingen hem als volgt: “Huurharmonisatie is de officiële benaming voor de veel voorkomende praktijk dat huurprijzen van woningen soms in een klap met vele, soms tientallen procenten stijgen als de oude bewoners vertrekken en de nieuwe bewoners hun intrek nemen.”

KEES VENDRIK (Google-afb.)

KORT SAMENGEVAT

We hebben drie soorten eufemismen, te verdelen in echte en pseudo-eufemismen. Van de echte is hiervoor een reeks genoemd. Pseudo-eufemismen vallen uiteen in omgekeerde overdrijvingen mét en zónder ontkenning, achtereenvolgens een litotes en een understatement genoemd.

  • Typische voorbeelden van een litotes (het Griekse woord betekent ‘eenvoud, soberheid’) zijn uitingen zoals bijvoorbeeld: “geen schoonheidsprijs verdient”, “is er niet beter op geworden”, “geen sterktebod”, “niet vlekkeloos verlopen”, “bepaald niet fraai”, “niet de meest gelukkige gang van zaken”, “niet onverdienstelijk”, “weinig elegant”, “niet zo gelukkig met…”, “niet perfect”,”niet ideaal”, “weinig helder”, “niet in alle opzichten bevredigd” en “niet om over naar huis te schrijven”.
  • Understatements zijn bijvoorbeeld: “een enigszins wisselend beeld”, er “is een en ander op aan te merken”, “zeer beperkt effectief”,   “op gespannen voet met…”, “sceptische geluiden”, “ietsje duurder”, “aarzelingen oproept”, “inloopproblemen”, “een lichte vertekening van de werkelijkheid”, “minder bevredigend”, “het draagvlak kon groter zijn” en iets “voor verbetering vatbaar”. Telkens moet de hoorder een vertaalslag maken (zoals dat heet) en dat wat er gezegd is omzetten in iets in de sfeer van het tegendeel.

En tardief, waar deze reeks mee begon? Dat viel 7 jaar na de voorlaatste maal voor het állerlaatst in de Tweede Kamer in 1972 – de stenografische dienst zette het tussen aanhalingstekens. Die zijn niet zelden het signaal van aankomst óf vertrek van een nieuw stukje taal. Correctie, er is nog een áller-állerlaatste maal. Staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) haalde het op  28 januari 2014 nog eenmaal juridisch van stal toen de Kamer debatteerde over een proefverlof voor Volkert van der G.: “Speculeren erover of een bewindspersoon een verzoek gaat doen in de zin van artikel 15 d, lid 3 is nu tardief.” Niemand die er op reageerde of er over viel of het zelfs maar een eufemisme noemde zoals Hendrik Drucker in 1907 deed.

DRUCKER (Uit: Onze Afgevaardigden.
Portretten en Biographieën der Leden van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Rotterdam, 1901.)

Goede maanden gewenst!

Posted in PARLEVINKEN | 2 Comments

Eufemisme, eufemistisch en wat er op lijkt  (iv)

Kamerleden houden enerzijds van het benadrukken van wat ze zeggen (zie in dit blog bijvoorbeeld het uitbundig aangehaalde begrip bijwoord van graad) maar ze bedienen zich daartegenover niet zelden van understatements, het tegengestelde van overdrijven. Tegelijkertijd laten ze lang niet altijd na om de toehoorder voor het goede begrip even op dit eufemisme te attenderen en zo wordt een ónderdrijving toch weer een óverdrijving.

Zo’n aanduiding als eufemisme voorzien althans mannelijke politici (vergelijk eerdere afleveringen over dit onderwerp waarin vrouwen hoofdrollen vervulden) geregeld van een nadere specificatie:

• Ed Anker CU: Het wetsvoorstel concludeert terecht, en ik vond het misschien wel het mooiste eufemisme dat ik de afgelopen jaren heb gelezen, dat vele partijen zich hebben uitgesproken voor de noodzaak tot versterking van de bestuurskracht, zonder dat er een door alle betrokken partijen geheel aanvaarde oplossingsrichting uit naar voren is gekomen. Dit verdient een prijs.

• Laurens Jan Brinkhorst D66: Ik kom aan de kwestie van het opslagregime. De opmerkingen van Minister Van der Klaauw over dit regime ad hoc of wereldwijd verdienen de eerste prijs in een wedstrijd voor het beste eufemisme. In antwoord op ernstig aandringen van vele zijden in de Kamer zegt hij dat ‘nog niet alle bijzonderheden bekend zijn’ en dat ‘een zekere algemeenheid niet kan worden ontzegd aan de tussen de partijen bereikte formule over de plutoniumopslag. Ik vraag de Minister in alle oprechtheid, wat er eigenlijk wel bekend is.

• Kees Verhoeven D66: Fijn dat mevrouw Tellegen wil toegeven dat het nog niet 100% op orde is en dat er ruimte is voor verbetering, maar dat is het eufemisme van het jaar. Wij hebben het hier over basale handelingen die binnen 24 uur zouden moeten plaatsvinden, maar die niet plaatsvinden. Je kunt dan zeggen: er is ruimte voor verbetering.

• Elbert Dijkgraaf SGP: Het piept en het kraakt dus bij Defensie. De Algemene Rekenkamer heeft daar een mooi eufemisme voor en zegt: Defensie is geen geoliede machine. Dat lijkt mij het eufemisme van het jaar, met dank aan de heer Vendrik.

• Bram van Ojik GroenLinks: We krijgen in Brussel niet voor niets de post voor betere regels. Vooralsnog het eufemisme van het jaar.

Verhoeven, Dijkgraaf en Van Ojik hadden een voorganger in Pol de Beer. Deze VVD’er (van 1969-2003 parlementariër, 20 jaar in de Tweede Kamer en de laatste acht jaar senator) riep een term bij herhaling uit tot “het eufemisme van het jaar”.

• Minister Westerterp van Verkeer: Wij hebben een continuïteit in het Rijkswegenfonds, zij het op een lager niveau. De heer De Beer (VVD): Dat is het eufemisme van het jaar!

• Pol de Beer VVD: In de memorie van toelichting wordt gezegd dat, gelet op de sterke ontwikkeling van de vraag op de markt voor eigen woningen, en op het beleid ter zake van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid, is besloten om per 1 januari 1977 enkele wijzigingen aan te brengen in de subsidiebedragen ter zake het eigen woningbezit. Is het waar, dat met deze nogal cryptische zinsnede wordt bedoeld, dat de subsidies zullen worden verlaagd? Als dat waar is, krijgt de Minister voor deze zinsnede uit de memorie van toelichting van ons de prijs van het mooiste eufemisme van het jaar.

Mocht er aan het Binnenhof ooit besloten worden om daadwerkelijk zo’n Eufemisme-van-het-jaarprijs in het leven te roepen, dan zou bij de naamgeving aan De Beer gedacht moeten worden.

Pol de Beer VVD (via parlement.com)

 

Slot volgt: a.s. vrijdag

Posted in PARLEVINKEN | 1 Comment

Eufemisme, eufemistisch en wat er op lijkt (iii)

Het laatste voorbeeld in de vorige aflevering (Ik heb al aangegeven dat er weinig informatie is over dierproeven. Het lijden van dieren wordt eufemistisch aangeduid als ongerief.) (ongerief = lijden) was in 1995 al eens naar voren gebracht door Marijke Vos (GroenLinks) maar er zijn momenteel dus geen Kamerleden die zózeer oog hebben voor verhullend taalgebruik in de vorm van echte eufemismen als Ouwehand (PvdD) en daar de vinger op leggen. In 1994 ging Willie Swildens (PvdA) haar in dit opzicht voor, door in het kader van transportcondities voor dieren te zeggen: “uitvalpercentage is een eufemisme voor sterfte van dieren”. De dieren zijn vroeger dus niet altijd vergeten, maar ze hebben bij de PvdD een structurele pleitbezorger gekregen.

Esther Ouwehand is de laatste jaren de koningin van het echte eufemisme, dat wil zeggen van het onthullen daarvan – vroeger deed met name Jan Marijnissen (SP) zich op dat front gelden. Het is opmerkelijk dat het vooral vertegenwoordigers uit één hoek van de Tweede Kamer zijn die zich daar vooral door onderscheiden: oppositioneel links. Echte eufemismen worden daarbij vooral aangewezen in wat de kernpunten zijn in het programma van de aanwijzer.

In het afgelopen jaar waren het (ik neem aan toevallig maar is dat zo toevallig?) vooral vrouwen die in de Tweede Kamer verhullende eufemismen aan de kaak stelden:

* Hele dorpen komen op hun kop te staan, om huizen te versterken tot iets wat ze eufemistisch near-collapse noemen. Je kunt levend je huis uitkomen, maar je bent wel je huis kwijt. (Beckerman, SP)

* Ik lees verschillende suggesties voor eufemismen: lichte corrosie in plaats van “roest”, technische aspecten in plaats van “kwaliteit”, verscherven in plaats van “uiteenspatten”. Kirsten van den Hul PvdA spreekt tot minister Hennis van Defensie over het mortier-ongeluk in Mali waarbij twee doden vielen.

Sjoerd Sjoerdsma (D66) toonde voorheen enkele malen ook oog te hebben voor de “echte eufemismen” maar nu zijn partij deel uitmaakt van de regeringscoalitie is te verwachten dat hij zich in dat opzicht tijdens Rutte-III niet zal onderscheiden. Dat kan ook verklaren waarom partijen als CDA en VVD, die zeer lang regeringsverantwoordelijkheid hebben gedragen, zelden of nooit op dit soort taalgebruik attenderen: alle dualisme ten spijt kunnen ze waarschijnlijk al in een vroeger stadium redactioneel hun invloed uitoefenen óf ze hebben vrede met verdoezeling. De Partij van de Arbeid signaleert echte eufemismen alleen vanuit de oppositierol.

In feite is een surprise dat SGP en CU, hoezeer partijen van Het Woord en van de taal, slechts enkele malen en dus relatief zelden omfloerst politiek Nederlands in de Kamer aan de kaak gesteld hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

Wordt vervolgd: maandag

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment