De primeur van een dialectwoord in de Tweede Kamer: versloeren


Volgens parlement.com is het Kamerlid Agnes Mulder (CDA) – haar smoeltje ‘pasfoto’ is niet alleen op deze site toe aan een update – geboren in Hardenberg (Overijssel). Vandaaruit heeft haar levensloop zich in noordelijke richting bewogen, we zien Drentse plaatsen als Emmen, Meppel en Assen in de informatie over haar.
Is dat van belang in het kader van een blog dat zich met taal bezighoudt? Bij uitstek! Op 16 januari 2019 stond de Afhandeling schade en versterkingsoperatie Groningen vanwege gaswinning op de agenda – mevrouw Mulder is de woordvoerder van het CDA. Zij zorgt er ook voor dat er niet alleen over Groningen maar waar nodig ook over Noord-Drenthe gesproken wordt bij dit onderwerp.

Bron: website Tweede Kamer (maart 2019)

Het was een ellendige situatie, kijk alleen naar wat woordvoerders over die afhandeling zeiden, inmiddels een jaar of zes, zeven nadat de klap van Huizinge ook in Den Haag en Rijswijk gevoeld was:
• Sandra Beckerman (SP): “Daar staan we weer. Het zoveelste gasdebat, en veel Groningers hebben het vertrouwen verloren dat het ooit goed komt.”
• Tom van der Lee (GroenLinks) over de gedupeerde Groningers. “Zij verkeren nog steeds in diepe onzekerheid, wanhoop en afschuw over al dat markt- en overheidsfalen.”
• Henk Nijboer (PvdA): “”Ik wacht”, zo heet de nieuwe serie in het Dagblad van het Noorden. Mensen met schade wachten jarenlang op een oplossing voor hun problemen.”

Coalitiewoordvoerders lieten zich verrassend genoeg vergelijkbaar uit.

• Carla Dik (CU): “Kafka in Groningen: dat is het. Voorzitter, ik besef dat dit grote woorden zijn, maar mijn fractie kan het niet anders omschrijven.”
• Matthijs Sienot (D66): “Het is weer een debat over de schade en de versterkingen in Groningen, en de Groningers wachten al veel en veel te lang.”
• Agnes Mulder was in de veronderstelling van minister Wiebes geregeld positieve berichten te krijgen: “Maar het is oorverdovend stil gebleven. En het lijkt erop dat de minister het laat versloeren doordat er onvoldoende geld en capaciteit beschikbaar komt.”

Wat zegt u? Versloeren? Staat niet in Van Dale. Staat niet méer in Van Dale.
Het gebeurt niet ontzettend veel, dat lemma’s uit het Groot woordenboek van de Nederlandse taal verwijderd worden. In 1984 staat het er nog met de omschrijving ‘verslampampen, verkwisten’ plus een toevoeging waarin gewezen wordt op het gewestelijke karakter.

Van Dale 1984

Bij de 12e druk van 1992 blijkt het geschrapt. Blijkt voor wie kijkt: aanvullingen krijgen van de uitgever meer attentie dan verwijderde trefwoorden. Een geschrapt woord met een onjuiste omschrijving (versloeren is niet zozeer ‘verkwisten’) kunnen we missen als kiespijn.

Van Dale 1992

Versloeren is inderdaad gewestelijk. Sla het Drentse woordenboek van Kocks c.s. op. Versloeren = verslonteren Non moej de bool niet laoten versloeren, dat zul ja zunde wezen. Het hef al genoeg kost (Bei), Die hef zien kwaol versloeren laoten (Klv), As die mèensken nietwat netter wordt, versloert ze er in ‘komen ze erin om’ (Zwe). De voorbeelden komen achtereenvolgens uit Beilen, Klazienaveen, Zweelo – de wereld van Agnes Mulder.
Maar fersloere is ook Fries en in dezelfde betekenis. Groningers noemen het even terecht Gronings: Ter Laan (niet alleen de man die langer dan Beckerman, Mulder, Van der Lee, Nijboer en Sienot bijelkáar in de Tweede Kamer zat, maar hier opgevoerd als de maker van het grote Groninger woordenboek dat binnenkort online komt) gebruikt een ander Gronings woord dat door hem op z’n Nederlands geschreven had kunnen worden als vertaling, versloddern.

Wie verder zoekt in Oostelijk Nederland vindt vast meer voorbeelden, maar dat verandert aan de zaak niet zoveel: versloeren wijst in regionaal Nederlands op ‘een onvoldoende mate van attentie die veroordeeld wordt, nalatigheid’ en dankzij Agnes Mulder kwam het begin dit jaar voor het allereerst in de Handelingen. Tom van der Lee (Silvolde), Henk Nijboer (Groningen) en Matthijs Sienot (Kampen) zullen het kennen. Sandra Beckerman komt uit de regio-Veenendaal maar is tegelijkertijd inmiddels zo lang Groningse dat zij het woord als gewestelijk herkend moet hebben.
De belangrijkste vraag is, hoe het staat met minister Wiebes (Delft). Anders dan zijn ambtsvoorganger Kamp (werkelijk oestelijk georiënteerd, hij kwam uit Hengelo) is onzeker of Wiebes ooit met dat woord versloeren is geconfronteerd. Hij reageerde er in het geheel niet op. Toch is het verwijt van iets laten versloeren niet mis, excellentie.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

De twee kanten van reuring: het Binnenhof vergeleken met elders


Reuring in de Tweede Kamer (i)
Reuring is een woord dat me op begon te vallen toen ik een keer een lezing mocht geven op een festival met die naam in Emmen. Het moet 2010 geweest zijn, want toen is de langere variant van die tekst verschenen als Het balletje in het schuurtje – het opsporen van regionaal Nederlands in gedrukte nieuwsmedia. Maar al op 3 februari 2004 sprak Margot Kraneveldt (dan nog LPF) in de Tweede Kamer van “misverstanden over het amendement dat ik heb ingediend. Ik heb blijkbaar her en der voor nogal wat reuring gezorgd.” Dat is een ander soort reuring dan van dat festival in Emmen dat heel plezierig verliep.

Later in datzelfde jaar 2004 zei Gerard van As (ook LPF) volgens de Handelingen: “Wij vinden dat die reuring niet iedere keer de kop moet opsteken.” Het woord gebruikt hij ook in het jaar erna. En begin 2005 vroeg Wim van Fessem (CDA): “Reuring scheppen in het gevoelige asieldossier?” Op datzelfde punt veronderstelde João Varela (ook LPF) tegenover Klaas de Vries (PvdA): “U maakt altijd heel veel reuring met uw linkse vrienden, laat ik ze zo maar even noemen, over het terugkeerbeleid van deze minister. Vindt u niet dat u doordat u zoveel reuring maakt slapende honden wakker maakt en de Congolese autoriteiten juist op die manier op de hoogte brengt van het Nederlandse terugkeerbeleid?”
Daarna duurt het een paar jaar, maar de echte doorbraak en de renaissance van reuring komt in 2008: Ineke van Gent over reuring rond kaarten in het OV, Margriet Kraneveldt (inmiddels overgestapt naar de PvdA) over kinderopvang, enzovoort.
Telkens is het een vorm van kritische ophef die over iets is ontstaan.

Reuring in de maatschappij (ii)
Hoe anders ligt het in de wereld buiten het Binnenhof. Via LexisNexis is vrij simpel na te gaan dat reuring iets later in de media opduikt dan in de Handelingen én in een andere, positieve betekenis. De eerste vindplaats is in een nummer van het AD uit juli 2006 waar uitgaanstips opgenomen staan: “Wie liever in Nederland blijft en tevreden is met een kleiner programma, gaat naar Reuring in Purmerend (reuring.com). Daar is veel theater, muziek en dans op de straten en pleinen. Van 11 tot 16 juli treden ongeveer tien artiesten op, waaronder Postman, Kraak & Smaak, Racoon en Brace.”
Dat festival in Purmerend zal jaar na jaar in de media opduiken rond de zomer maar minstens zo vaak in de aanloop daar naartoe.

Trouwens, reuring moet welhaast een Noord-Hollands woord zijn. Daar in de wereld van de Zaan en Alkmaar komt het het eerst in de kranten voor en daar dragen bijvoorveeld ook sportclubs (zwemmen, waterpolo Noord-Scharwoude), een dichterscollectief (in Alkmaar) en een manege in Castricum die naam. Reuring is het zelfstandig naamwoord dat met ‘roeren’ te maken heeft. Beroering is de gangbare parlementaire betekenis, leven in de brouwerij de maatschappelijke. Klein chronologisch rondje om dat te illustreren aan de hand van dat te prijzen medium dat LexisNexis is?

In januari 2007 wordt een Drentse website onthuld die met de naam reuring getooid is. Het Dagblad van het Noorden noteert: “Het moet een website van alle Drenten worden, zegt Frank Groenwold van het Groninger bureau Dizain, de ontwerper van de site. “Zeg maar een digitaal buurthuis.””
NRC Next meldt in februari dat De Pijp (Amsterdam) sinds november een nieuw eetcafé onder deze naam heeft. Als enkele jaren later een zaak in Haarlem die naam ook wil gebruiken, ziet de eigenaar daarvan af onder juridische bedreiging vanuit Amsterdam.
De Zwolsche Courant bericht in juni: “Er komt reuring in de stadsgracht, als na de zomer een begin wordt gemaakt met het uitbaggeren.”
Het Leidsch Dagblad heeft in augustus van hetzelfde jaar aandacht voor Beachrock, onderdeel “van Reuring aan Zee, een initiatief van alle Katwijkse strandpaviljoens en de gemeente Katwijk.”

De opmars van dit toeristisch-cultureel bepaalde gebruik van reuring zet zich in 2008 voort. Leeuwarden is het zelfs ernst: “De gemeente Leeuwarden wil ,,meer reuring” in de stad op cultureel gebied en steekt daarom de komende jaren negen ton meer in cultuur dan de voorgaande periode. Daarnaast dwingt de gemeente culturele instellingen tot meer samenwerking door te korten op hun subsidie als zij dat nalaten.” Het IDFA zocht en vond al reuring bij de opening van het Amsterdamse filmfestival.

Citaat uit een bericht in De Gelderlander: “Er moest weer leven in de brouwerij komen in Klarendal-Arnhem. Dat was een van de doelen van 100% Mode in Klarendal. ‘Het wijk’ miste de reuring van weleer.” Nog later in 2008 meldt Tubantia: “En dat is precies wat Kees de Groot, de directeur van de Hengelose Creatieve Fabriek, wil: reuring. Er moeten dingen gebeuren op het voormalige fabrieksterrein van Hazemeyer aan de Tuindorpstraat.”

In latere jaren vreest de gemeenteraad van Wieringermeer: ‘Met CAV ook reuring weg uit Slootdorp’; een actie van de de middenstand levert “twee maal anderhalf uur ontzettend veel reuring op in het doorgaans niet zo bruisende centrum van Nieuwegein”; De Dorpsraad Den Ham (Overijssel) heeft het onderwerp ‘reuring op De Brink’ opgeworpen. “De raad vindt dat de plek in hartje Den Ham ‘levendig moet worden en meer moet worden gebruikt’.” En later: “Het initiatief voor meer ‘reuring’ op De Brink spreekt aan” er komt na een brainstorm een werkgroep die een notitie maakt als “basis voor verder overleg om te komen tot meer ‘reuring’ op De Brink”; De Limburger meldt uit Geleen: “Jaarlijks evenement op Markt met buitenlandse artiesten – Ondernemers willen ‘reuring’ in centrum”; het Noord-Hollands Dagblad verwacht dat er extra “reuring komt op de voormalige marinewerf” in Den Helder; in dezelfde krant enkele maanden later over de komst van roofdieren in Hoenderdaell in deze regio: “Wij als VVV zijn voorstander van en positief over vrijwel alles wat reuring en toerisme in de regio brengt, waar we gezinnetjes op vakantie in de Noordkop naartoe kunnen sturen”; in de omgeving van Arnhem heeft het trio Enge Buren (bekend om ongein en hilariteit) een nieuwe show, Reuring; Veendam voert actie om geld bijeen te brengen om de Sportclub van die naam (een BVO) in stand te houden: een beetje geld, “veel reuring” maar weinig respons, vat het Dagblad van het Noorden in 2012 samen; in juni 2013 nieuws in De Limburger: “De gemeente Maastricht en de ondernemers in het Bassin maken samen een actieplan dat moet zorgen voor meer reuring in het havengebied”; laat in dat jaar lezen we in een van de Stentor-bladen in het Oosten des lands: “Swingavonden in De Slof moeten zorgen voor ‘reuring in Vorden’”; na de verkiezingen voor de gemeenteraad lijken de bordjes verhangen in Wijk bij Duurstede met een concreet maatschappelijk gevolg: “Met de beoogde deelname van de Protestants- Christelijke Groepering (PCG) in een coalitie met SP en GroenLinks maken ondernemers zich zorgen over hun plannen het hele jaar op zondagen meer reuring in de historische binnenstad te krijgen.” Trouw meldt dat Beatrix Ruf directrice werd van het Stedelijk Museum want op haar vorige werkplek in Zwitserland “groeide de Kunsthalle uit tot een instituut waar altijd reuring is. Reuring, dat is exact wat het Stedelijk Museum nu al heel lang mist”; dezelfde maand schrijft de PZC over voornemens in Middelburg: “Jarenlang stond het leeg, nadat TNT Post het pand had verlaten. De drukte die het postkantoor in de Lange Noordstraat met zich meebracht, viel weg. Maar als het aan Wilmar Hartman ligt, eigenaar van het pand, keert de reuring terug. (…) “We hopen dat er veel mensen zullen in- en uitlopen, dat er reuring ontstaat. Want we willen dit gebouw teruggeven aan de stad Middelburg.”” Vergelijk daarmee de actie in Veendam, vrijwel op dezelfde dag gemeld door het DvhN: “Ondernemende vrouwen trekken ten strijde tegen de leegstand in Veendammer winkelland. En dat onder het motto: de reuring moet terug.” Iets dergelijks zien we in Vlaardingen, De Bilt (wethouder Hans Mieras wil een open podium voor kunstenaars: Ik heb de kunstenaars gepord om er alvast wat reuring aan te geven), het Brabantse Gestel (“Twee bewoners van de wijk Hanevoet in Gestel willen meer reuring brengen in wijkcentrum ‘t Slot aan het Kastelenplein.”) en Hengelo: “’Reuring en beweging. Dat is wat de Toekomstbestendige Binnenstad Hengelo nodig heeft.” Of neem Dreumel (Er is weer reuring op het dorpsplein), Drunen (Reuring, die moet er komen. Reuring door onder meer de verhuizing van de openbare bibliotheek naar De Voorste Venne.), Veenendaal (Rond het gemeentehuis heeft afgelopen zondag een zogenaamde graffiti-jam plaats onder de naam Reuring Sunday.) of Kerkrade: die gemeente wil reuring in gemeenschapshuis Heilust en in de opstartfase hoeven de gebruikers niet te betalen voor het gebruik van de nog te realiseren multifunctionele accommodatie West. Lochem wil maandelijks reuring, Wapenveld wil het. Brummen streeft naar “Meer reuring langs Apeldoorns Kanaal”, en in Deventer is Tseard Ettema, de man achter het onlangs geopende Fooddock in het Havenkwartier: hij “wil hoe dan ook evenementen ‘met landelijke uitstraling’ organiseren. Eén keer per maand moet er flink reuring zijn in de Zwarte Silo, waar Fooddock is gevestigd. Van bruiloften tot evenementen, alles is mogelijk.” Alles is mogelijk? Niet overal! “Initiatiefnemer Gerrit van Rossem is zich er terdege van bewust dat zijn plannen voor ‘meer reuring in de kerk’ bij sommigen een frons teweeg zullen brengen” in Zaltbommel. Vrijwilligers in het theater in de Haarstraat in Gorinchem hebben één doel voor ogen: reuring creëren. Zelfs Tilburg wil “Wat reuring in een stukje centrum dat anders toch maar leeg staat.”
Ik sla een reeks van plaatsen over om niet voorbij te zien aan eenzelfde soort plannen en acties rond parken in Amsterdam, New Babylon in Den Haag of rond De Nieuwe Binnenweg in Rotterdam – overal in Nederland wordt in deze jaren gestreefd naar nieuwe reuring.

Reuring in dubbele betekenis (iii)
Die toch min of meer positieve kleur van het woord reuring blijkt verrassend genoeg uit een interview met CDA-voorzitter Ruth Peetoom in het Nederlands Dagblad (in 2012): “We hebben een ontzettend pluriform ledenbestand. Op het congres hoor je allerlei tongvallen, en zie je verschillende kleuren mensen. Bij het CDA is reuring, en daarom trekken we ook altijd de aandacht.” Reuring heeft in 2015 ook de betekenis van ‘positieve opschudding’ in een uitlating van staatssecretaris Mansveld tegenover het ANP: “Je moet constateren dat er reuring is ontstaan in de taxiwereld, veroorzaakt door Uber en ook door anderen. Ik vind het belangrijk dat die reuring er is en tot beweging leidt. Dan moet je als overheid schakelen, maar dat gaan we netjes doen.”

Maar nemen we nu de “veegweek” van de politie in Tilburg die leidde tot een actieweek tegen hennep en synthetische drugs van de politie in Noord-Nederland, zo lezen we in het Brabants Dagblad van 18 september 2018. De Tilburgse veegweek vond plaats in maart in de regio Midden-Brabant. “Het startpunt was anders dan gebruikelijk: geen groot voorbereidend onderzoek maar bij de politie binnengekomen vage meldingen en verdachte situaties over drugs, die nog niet waren opgepikt. Het resulteerde in een reeks adressen die in één week letterlijk zijn nagelopen. Daarbij werkte de politie intensief samen met gemeenten, de Taskforce Brabant-Zeeland en de Belastingdienst. Het doel: reuring veroorzaken onder criminelen, informatie verzamelen en ruimen.”

Hier is reuring wel voor opschudding zorgen maar toch niet meer in een positief verband. Dat blijkt ook uit berichten uit Lage Zwaluwe (de aanleg van zonneparken zorgt voor reuring onder buurtbewoners die zich zorgen maken om hun uitzicht) of over de aanleg van Lelystad Airport. Reuring heeft heel duidelijk twee betekenissen gekregen, de oorspronkelijk positieve uit de maatschappij blijkend uit de kranten en dat andere gebruik van het woord in de Tweede Kamer dat eerder te signaleren viel en vanaf het begin negatief was.

Bijzonder bij dit alles is de vondst van een stukje tekst van Ton den Boon in Trouw (2014). De kop vat samen: Reuring betekent behalve ‘drukte’ soms ook ‘gedoe’. Dat is inderdaad bijzonder, want tot vandaag staat in de elektronische Van Dale maar één omschrijving van reuring die in het licht van het voorgaande bijzonder is, incompleet ben ik geneigd te zeggen: “gezellige drukte”. Ton den Boon is hoofdredacteur van die prachtige bron.

Van Dale
Posted in Uncategorized | 2 Comments

De plenaire zaal als theater en arena: de termen pluralis majestatis en irrealis in de Tweede Kamer.


Lastig hoor, twee bijzondere soorten meervoud waar we een verschillend etiket voor hebben: het bescheidenheidsmeervoud tegenover het majesteitsmeervoud. In beide gevallen is er sprake van we of wij, in beide gevallen betekent het ‘ik’ maar toch maken we onderscheid. Dat gebeurt blijkbaar al langer want er bestaan Latijnse aanduidingen voor, pluralis majestatis en pluralis modestiae.

Het koninklijke meervoud komt niet heel veel maar wel stelselmatig voor:

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de voorziening van een nationaal raadgevend referendum af te schaffen en daartoe de Wet raadgevend referendum in te trekken;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: (….)”

Zo begint de officiële bekendmaking van een nieuwe wettelijke bepaling. Ik sla geen acht op de notatie “bij deze” waar “bij dezen” te verwachten was maar keer terug naar de eerste positie van de zin, het onderwerp. Wij slaat op de Koning der Nederlanden, twee voornamen, veel titels (enz. enz.) bij wie je grammaticaal een enkelvoud veronderstelt. Maar nee, in deze context is zo’n pluralis majestatis gewoon.

De tegenhanger is een bescheidenheidsmeervoud waarbij iemand het gebruik van ik probeert te vermijden en daarom wij gebruikt. Wikipedia stelt bescheidenheids- en majesteitsmeervoud aan elkaar gelijk en voegt er in beide gevallen een negatief oordeel aan toe door te spreken van het benadrukken van de eigen belangrijkheid. Verrassend nieuws voor ons, eh voor mij.

• Op donderdag 17 januari 2019 voerde minister Bruins (Medische Zorg) in de Tweede Kamer het woord bij het wetsvoorstel Experiment gesloten coffeeshopketen. Eerst was er ‘s middags de Regeling van Werkzaamheden, daarna kwam Bruno Bruins en hij begon met terug te blikken op het overleg: “Heel veel van het debat vanochtend ging al over de inhoud van de AMvB. Dat maakt het een beetje lastig en het nodigt ook uit, misschien daagt het ook wel uit, om zo nu en dan op onderwerpen uit die AMvB in te gaan.” Maar ja, een Algemene Maatregel van Bestuur bevat vooral de uitwerking van een wet en dus verzette de minister zich tegen die benadering omdat het zo ver nog niet was: “Toch willen we dat niet doen — pluralis majestatis.”

We. Maar is dat hier in het geval van een bewindspersoon als majesteitsmeervoud te kwalificeren, zelfs als we bedenken dat Bruins mede sprak namens Grapperhaus, de minister van Justitie? Het lijkt eerder een normaal, hooguit een collegiaal meervoud (laten we een pluralis collegae verzinnen) – het Wij van de Koning is nog niet aan de orde zolang een wet onderwerp van parlementaire bespreking is.

Waarom gebruikte minister Bruins hier die term pluralis majestatis?

(Website van ministerie van VWS)

• Een andere Latijnse term uit de wereld van de grammatica benutte Thierry Baudet (FvD) op donderdag 21 februari 2019 in een debat met minister Schouten (Landbouw en Visserij). Hij diende een motie in waarvan de status eventjes onduidelijk was: was het er eentje van afkeuring of wantrouwen? De tekst van de uitspraak bevatte de oproep aan de minister “nu alles in het werk te stellen om voortzetting van de pulsvisserij mogelijk te maken en een Europees verbod tegen te houden;
spreekt uit dat als dit haar niet lukt, en de Europese Unie toch tot een dergelijk verbod komt, de minister dient af te treden”. Baudet vond dat het een motie van wantrouwen was en zei toelichtend: “er zit inderdaad een irrealis in verwerkt. Dus áls het gebeurt, dan moet dat gebeuren.”

Dat is een gebruik van de term irrealis waarvan ik me afvraag, of een gymnasium-docent dat goedkeurt. Irrealis is een van de dingen die iemand bij Latijn leert en dan is het gekoppeld aan een aanvoegende wijs in de bijzin. Maar dat ontbreekt in de motie, een conjunctief staat er niet in. Goed, er is sprake van een voorwaarde maar die wordt bij het gebruik van een irrealis als inderdaad ‘irreëel’ voorgesteld – hier is het simpelweg óf het een óf het ander. Deze motie is iets als een conditionele periode, meen ik.

Waarom gebruikte Thierry Baudet de term irrealis?

Zou het kunnen zijn – ik kies voor een voorzichtige omschrijving – dat de plenaire zaal de spelers weleens verleidt om talig te imponeren op dit podium dat zowel theater als arena is? Een incidentele misgreep ware mogelijk, lijkt ons.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

De frequentie-explosie van een woord dat soms geen inhoud meer heeft: verhaal


Onder de tweede betekenis (van in totaal zes stuks) geeft Van Dale als “uitdrukking” het volgende: een lastig verhaal en omschrijft dat met ‘een lastig voorval, een lastige situatie’. Eigenlijk vind ik alle betekenissen die het woordenboek bij verhaal-I onderscheidt kleine variaties op hetzelfde thema, alleen deze ene uitdrukking heeft een heel andere inhoud om niet te zeggen is een heel ander verhaal. Verhaal-II is de juridische variant zoals die gebruikt wordt in verhaal halen. Verhaal-I kan dus tegelijkertijd iets van zekere omvang en een geheel aangeven (zoals gewoon was in de vorm van een lezing, voordracht, verslag) maar het kan in gedachten ook vervangen worden door iets kleins. Dat maakt verhaal tot een zéer wendbare term in het hedendaagse Nederlands. Geen wonder dat het zo’n enorme vlucht heeft genomen, zoals blijkt als we nagaan hoe het in bijdragen in een Kamervergadering gebruikt wordt. Alleen al de frequentie laat dat zien. Tel gewoon “verhaal” in de Handelingen gedurende de maanden januari en februari in 1969 en vergelijk dat met dezelfde automatische zoek-opdracht een halve eeuw later, dus de maanden januari en februari van dit jaar. Daartussen zit een enorm onderscheid, laten we zeggen van een stuk of 10 in 1969 tegenover een stuk of 200 tegenwoordig.*)

In 1969 betrof het bijna steeds een (wat) groter geheel. Neem als voorbeelden deze drie stukjes tekst van toen:

• Dit hele verhaal wordt daarin uitvoerig besproken.

• Ik zou er een heel verhaal over kunnen vertellen, wat

• Als ik nu de draad van mijn verhaal weer opvat, dan

In enkele gevallen, zoals “De Minister heeft deze vragen toen beantwoord met het verhaal, dat het bedrijfsleven toch op tijd was geïnformeerd.” kunnen we het woord verhaal beperkter opvatten. Maar dat is in die tijd even uitzonderlijk als dat het tegenwoordig juist gewoon is om dat te doen. Neem bijvoorbeeld deze drie citaten:

• Ik heb hier het VVD-verhaal gehouden. (Dilan Yeşilgöz, VVD)

• Dan zijn we terug bij het verhaal van het CDA: we gaan nog eens een paar jaar onderzoek doen. (Hijink, SP)

• Dus wat is nu eigenlijk het ware verhaal van de VVD? (Vicky Maijer, PVV)

Hierbij betreft “verhaal” steeds de kern of een element uit een groter geheel en niet de totaliteit van de bijdrage. Standpunt is misschien een goede omschrijving.

Soms is “verhaal” zelfs geheel weglaatbaar zonder dat de uiting aan betekenis zou inboeten.

• Premier Rutte: De tragiek bij dit hele verhaal is dat… = De tragiek hierbij is dat…

• Roald van der Linde, VVD: Nee, het verhaal is natuurlijk als volgt = Nee, het is natuurlijk als volgt

• Klaas Dijkhoff, VVD: Het is dus een complexer verhaal dan alleen maar zeggen…. = Het is dus complexer dan alleen maar zeggen…

• Machiel de Graaf, PVV: want er zit altijd aan het eind van het verhaal nog een ambtenaar in de gemeente die… = want er zit altijd aan het eind nog een ambtenaar in de gemeente die…

• Minister de Jonge, Zorg: Midden-Limburg Oost, hetzelfde verhaal, wil het aantal gesloten plaatsingen van jongeren terugbrengen = Midden-Limburg Oost, hetzelfde, wil het aantal gesloten plaatsingen van jongeren terugbrengen

• Kathalijne Buitenweg, GroenLinks: Vrijdag klonk het verhaal al aanzienlijk anders. = Vrijdag klonk het al aanzienlijk anders.

Het duidelijkste geval waar de inklinking van de oorspronkelijke betekenis zichtbaar is, betreft de veelgebruikte combinatie “het eerlijke verhaal is ”. Dat is ook in de eerste maanden van 2019 over een breed spectrum door de politieke partijen gebruikt en het betekent niets anders dan wat weer te geven is als ‘hoe het (in mijn optiek) werkelijk zit, de waarheid (volgens mij)’.

Bijzonder in dit geheel van het woord verhaal is dat het niet alleen bewindslieden of debatdeelnemers zijn die zich er veel van bedienen. De voorzitter m/v zei in de afgelopen twee maanden dit:

• U wilde nog wat zeggen. Maak even uw verhaal af.

• Ik stel voor dat de minister weer met haar eigen verhaal verdergaat, zodat we dit interruptierondje nu hebben afgerond.

• Ik wil haar ook de gelegenheid geven om haar eigen verhaal te doen. 

• U mag uw verhaal eerst afmaken.

• Ik zie u naar meneer Van Ojik kijken, maar ik wil toch dat u even verdergaat met uw verhaal.

• Ik stel dan voor dat de minister eerst zijn verhaal afmaakt.

• Ik zou dus een beroep op u, maar ook op de heer De Graaff en andere Kamerleden willen doen om toch bij het onderwerp te blijven van het verhaal van mevrouw Nijkerken-de Haan, of u het ermee eens bent of niet.

In de taal van de voorzitter m/v betekent verhaal altijd alleen maar ‘mondelinge bijdrage aan het debat, niet zijnde een interruptie’. Met uitzondering dan van die ene keer dat ze zei: “Ja, elk verhaal heeft meerdere kanten. Gaat u verder, minister.”

Khadija Arib (Website Tweede Kamer)

*) Dat is natuurlijk met veel meer woorden het geval, het observeren van toeneming of afname van het gebruik als we 50 jaar met elkaar vergelijken. Toevallig zie ik maatwerk een stuk of 50x voorkomen in jan/feb 2019 maar in heel 1969 slechts eenmaal, in november van dat jaar. Het woord komt enkele malen langs in Dat gezegd hebbend...

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Het gebruik van jeetje: wie zegt het ‘t meest in de plenaire zaal?

Degene die het vaakst gut zegt in de Tweede Kamer (zie Dat gezegd hebbend… blz. 134) is ook de spreker die tegenwoordig de frequentielijst aanvoert waarop de aantallen jeetje staan: minister Eric Wiebes. Wiebes is geen schreeuwer, stemverheffing lijkt hem vreemd. Daar passen woordjes als gut en jeetje wonderwel bij. Dat zijn tussenwerpsels van het vriendelijker soort, eerder tegen de spreker zelf gericht dan tot een ander.

Website ministerie EZK

De herkomst van beide woorden zal verklaren waarom ze zelden te noteren zijn uit de mond van CDA-, ChristenUnie- of SGP-sprekers. Gut is een klinkerverandering van god. Door het meer naar de uitspraak te schrijven valt het misschien niet eens zo ontzettend op als wanneer we gud zouden schrijven. Jeetje is een verkleinvorm die de uitroep een verzachtende sfeer verstrekt. Bovendien is niet het hele woord (of de naam) Jezus gebruikt maar alleen de eerste lettergreep daarvan of mogelijk niet meer dan de eerste letter.

Net als bij de uitroep mijn hemel voegt Mona Keijzer zich bij de sprekers van de niet-christelijke partijen in het gebruik van jeetje. Opnieuw lijkt er een grens te lopen tussen christelijk en niet-christelijk maar die moet binnen de rk-gelederen minder strikt zijn dan bij de protestanten.

De protestanten zullen het er niet mee eens zijn, maar jeetje heeft een wat familiaire, huiselijke connotatie. Partijen als PVV en SP gebruiken het niet zo veel maar áls iemand van die flanken het zich laat ontglippen, dan is het bijna steeds iets in de sfeer van ‘wat vervelend dat ik zo weinig interruptietijd heb’ (zoals Agnes Kant SP en Lilian Helder PVV). Toen Hero Brinkman (al dan niet nog als PVV’er) het een keer uitriep, was het omdat de staatsscretaris hem had betrapt op de verkeerde rangaanduiding van een militair. Op één uitzondering na, horen we PVV’ers verder niet “jeetje” zeggen.

Ook in het idioom van GroenLinks en de PvdA zit jeetje niet zo typisch vastgemetseld. Staat het in de Handelingen bij bijvoorbeeld Ineke van Gent (GrienLinks, ik vertikte me maar laat het nu maar staan omdat ze inmiddels burgemeester is van een Friese gemeente) of Jeroen Dijsselbloem (PvdA) dan is er een lichte spot te lezen in het betreffende citaat. Dat geldt ook voor staatssecretaris Klijnsma (PvdA).

Jeetje is dus allerminst een exclusief feminien woord, maar vrouwen scoren naar verhouding wel hoog in het gebruik ervan. Partijpolitiek is D66 de belangrijkste leverancier. Geen wonder dat het allereerste citaat in 1997 op naam komt van Ursie Lambrechts uit die partij. Niet vreemd dus ook dat we Alexander Pechtold zo geregeld tegenkomen als we het woordje opzoeken. Na D66 volgt de VVD als tweede grote jeetje-zeggende partij. Nee, niet Mark Rutte, maar bijvoorbeeld wel Bibi de Vries, Edith Schippers (beiden bij herhaling) en naast hen incidenteler ook een aantal mannelijke parlementariërs zoals Blok, Leegte en Taverne.

Er is één PVV’er die we nu en dan in dit verband tegenkomen en wel Geert Wilders. Toch een beetje VVD’er gebleven.

Waarschijnlijk is de Dienst Verslag en Redactie tegen 2000 begonnen om jeetje te noteren. Gelukkig maar dat deze nuances tegenwoordig in de Kamerverslagen zichtbaar zijn.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Articuleren en de voordelen van meertaligheid: Mark Rutte in de Tweede Kamer

Het was een thuiswedstrijd voor de minister-president, dat debat over de Staat van de Europese Eunie van donderdag 7 februari 2019. Hoorbaar tijdens het begin van zijn beantwoording tegen de bode corrigerend zeggen dat hij een cappuccinootje had besteld –ja, heerlijk– en even later met een knipoog de rol van de VVD-leider spelen door hier nog even te herhalen wat hij maandagavond al in eigen kring had rechtgezet over zijn optreden bij Buitenhof. Nee, de premier vindt de verkiezingen voor Europa wel degelijk belangrijk.

Voor de verandering had de PM een bijrol, veel van de onderwerpen had hij aan de minister van Buitenlandse Zaken overgedragen: “De gedachte is dat ik een paar dingen zeg over de strategische agenda en de Europese Monetaire Unie, en dat de heer Blok vervolgens de vragen zal beantwoorden op het terrein van de institutionalia, brexit, MFK, het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid, het interne en externe veiligheidsbeleid, de rule of law, de coalitievorming en een rubriek varia. Dat betekent dat het leeuwendeel van de workload vanmiddag ligt bij de minister van Buitenlandse Zaken.” Dat is de door de premier eerder genoemde “heer Blok”.

We horen van de institutionalia, van rule of law en workload. Maar ho, de minister-president doet ook wel iets want hij haast zich corrigerend toe te voegen: “Om dat nog enigszins te redresseren een enkele inleidende opmerking vooraf. Het is ook al opgemerkt door velen, denk ik, in de eerste termijn van de Kamer, dat wij natuurlijk te maken hebben met een Europese Unie die niet in isolatie werkt, maar zich heeft te verhouden tot de ontwikkelingen in de wereld.” To redress omschrijft de OED met ‘to put (a matter or situation) right again; to reform, amend, improve.’ 

Inderdaad, het Engels klinkt op allerlei momenten door de ministeriële antwoorden heen. Dus ook als het Nederlands mag ogen, zoals ‘in isolatie’ (in isolation hier eerder aan de orde geweest) en ‘zich hebben te verhouden’ (to relate, zie de bijdrage over dat onderwerp in dit blog).

Het werd nog Engelser – ik vond zelfs: onverstaanbaar Engels – toen Mark Rutte het volgende zei: “Kijk, ik sta zo in de wedstrijd dat wij als Nederland altijd een Europa hebben beforward dat communautair is, met een sterke rol voor de Europese Commissie, vanuit de gedachte dat de Europese Commissie ook bescherming biedt aan de kleinere lidstaten, waarbij ze natuurlijk initiatieven neemt, maar ook degene is die strikt en onpartijdig de regels moet toepassen.”

…een Europa hebben beforward….
Handelingen TK 07.02.2019

Zó staat het in de gecorrigeerde Handelingen, alleen heb ik dat ene woord beforward gecursiveerd waarvoor ik de Oxford English Dictionary nodig heb om het te begrijpen en ik zoek:


De OED weet niet wat beforward is. Dus ga ik naar debatgemist.tweedekamer.nl en luister naar wat er gezegd is.

Geen wonder dat de stenograaf van de Dienst Verslag en Redactie er Engels van maakte binnen zo’n anglicistisch geheel. Geen wonder dat het bij de controle gehandhaafd is en op het net werd gezet. En geen wonder dat er ook een ‘no problem’ gekomen zal zijn van de medewerker aan wie Algemene Zaken het klusje zal hebben toevertrouwd om de woorden van Rutte in het ongecorrigeerde verslag nog even tegen het licht te houden.

Versta ik iets dat lijkt op beforward? Ja, maar ik versta eerder nog “bevoorword”. En dat doet ontzettend denken aan een wat aan het Nederlands aangepaste vorm uit de oostelijke buurtaal, het Duits. Befürworten is in die taal ‘bepleiten, voorstaan’. Dat past in deze context helemaal, ook al had de premier dat wel iets duidelijker mogen articuleren – in de oorspronkelijke betekenis van ‘helder uitspreken’.

In The Guardian waarschuwde David Cannadine vandaag, dat Groot-Brittannië zich ook in de aanloop naar een Brexit bewust moet zijn van de enorme educatieve, culturele en psychologische voordelen van meertaligheid. Dat geldt voor de andere EU-landen niet minder en die wendbare Mark Rutte is een concreet bewijs van the benefits of multilingualism. Maar bij al dat soepele wisselen van talen wel duidelijk blijven spreken graag. Bitte.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

De taal van minister Schouten in het pulskor-debat (ii): met liefde en blauwe ogen

Het was een debat waar mevrouw Schouten – zij spreekt geregeld expressief met haar blik – zich zichtbaar niet plezierig voelde, althans niet tegenover elk van de deelnemers. Dat gold niet merkbaar haar ferventste tegenstander Frank Wassenberg (PvdD), wel bijvoorbeeld William Moorlag (PvdA): diens partijgenoten Van Dam en Dijksma waren Schoutens directe voorgangers op dit dossier en daar diende Moorlag zich wél bewust van te zijn. De minister: “Vanaf het moment ongeveer dat ik het dossier op mijn bord kreeg, moest ik van nul naar iets meer gaan, zeg maar.” Een beetje zelfreflectie had mevrouw Schouten dus graag van Moorlag gezien: “Ik constateer wel dat dat het ene lid van een fractie wat beter lukt dan het andere lid.” Over welke fractiecollega van Moorlag sprak de minister en wie controleerde hier wie? Politiek verrassend was de botsing met Arne Weverling, woordvoerder van de VVD, met wie de minister na afloop vast nog een visje is gaan eten om zaken recht te breien. Hij was op zeker moment flabbergasted en zij was er zelfs een beetje zat van, zo viel tussen de coalitiegenoten niet in alle collegialiteit te horen.

De minister vergat telkens de naam van Frank Futselaar zei ze (SP, maar grotendeels voorstander van de pulsvisserij) en had naar eigen zeggen ook geregeld problemen met het verstaan van wat Laura Bromet (GroenLinks) te berde bracht. “Mijn excuses dat ik u vaak niet goed begrijp, mevrouw Bromet. Dat zal ongetwijfeld meer aan mij liggen dan aan u.” Maar no hard feelings bij mevrouw Bromet, want die begon haar afsluitende bijdrage met deze algemene opmerking over het debat: “Allereerst moet het mij van het hart dat het mij bijzonder heeft gestoord dat mannelijke collega-Kamerleden spreken over “lief”, over “blauwe ogen” en over “ze kan niks” als het gaat over de minister en haar vervolgens dan ook consequent “mevrouw” noemen. Ik hoop dat het de laatste keer is geweest.”

Dat had betrekking op vooral Barry Madlener (PVV) en in zijn voetsporen enigszins Thierry Baudet (FvD). Madlener had gezegd: “De minister vervalt in lieve woorden, met “ik doe mijn best voor de vissers”, maar ze faalt. Nederland heeft gefaald. Ik vind de minister een heel lieve mevrouw, maar het gaat hier om keiharde business in Europa.” Madlener vond dat de minister-president het onderwerp moest overnemen. Dat raakte de minister: “Ik hoor de heer Madlener spreken over “lieve mevrouw” of “meisje”. Dat doet hij weleens vaker.*) Ik constateer dat hij als een stoere vent met zijn armen over elkaar vanaf de zijlijn alleen maar loopt te roepen en niets doet.” Wie controleerde wie?

Thierry Baudet vroeg concluderend: “De minister zegt dus dat we haar maar gewoon op haar blauwe ogen moeten geloven als zij zegt dat er keihard onderhandeld zou zijn voor de pulsvissers. Begrijp ik dat goed?”

• Ter verdediging van Baudet: de minister opende haar ogen meer dan eens en inderdaad, die oogden blauw. Maar daar gaat het minder om dan om het volgende. Iemand op de blauwe ogen geloven is sekse-neutraal Nederlands en die uitdrukking kan even goed met zijn als haar gecombineerd worden, lijkt me. Dat is aan de Kamertaal te demonstreren. Volgens de verslagen is vanaf 1995 52 maal de woordgroep “zijn blauwe ogen” gebruikt tegenover 11 maal “haar blauwe ogen”.

• Ter verdediging van Madlener: het was de minister zélf die haar eigen inzet voor de pulsvissers bepaald nadrukkelijk naar voren bracht en ze onderstreepte dat aldus tegenover de woordvoerder van de PVV: “Ik wil de heer Madlener er ook op wijzen dat we nog midden in een proces zitten om te kijken hoe we hier voor de vissers het beste gaan uithalen. Dat is wat ik aan het doen ben. Dat is wat mij drijft. En dat is waarom ik ook echt nog dag en nacht met dit dossier bezig ben. Dat doe ik met liefde, meneer Madlener, ook omdat ik vind dat de vissers daar recht op hebben.” Met liefde én de afgevaardigde werd rechtstreeks aangesproken, ingeleid met van een streng klinkend meneer. Daar corrigeerde fungerend voorzitter Buitenweg de minister vragenderwijs, nadat die nog juist een tegenstelling tegenover Madlener onder woorden had gebracht door zich als het ware masculien in zijn positie te verplaatsen: “Ik kan dan voor de bühne heel grote woorden spreken en heel stoer zeggen: die had dit moeten doen, die had dat moeten doen, deze had nog meer gesprekken moeten voeren, of dat het Chefsache geweest had moeten zijn.” 

Minister Schouten in pulskor-debat

*) Mevrouw Schouten moet verwezen hebben naar het debat van 19 december 2018 waar Madlener haar als “een heel braaf meisje in de Europese klas” had betiteld. Na een zekere tussenkomst van de voorzitter paste hij zich aan: “Nou ja, “jongetje”, oké. Ze toont zich het braafste jongetje van de klas, om het maar zo te zeggen als het spreekwoord luidt.”

Posted in Uncategorized | 1 Comment