Almachtig en allemachtig

IN HET NIEUWS is vandaag de beëdiging van Rutte-III. Verrassend veel bewindspersonen legden ten overstaan van koning Willem-Alexander niet de eed af maar verklaarden-en-beloofden. Natuurlijk zweren bewindslieden die namens confessionele partijen zitting hebben genomen in Rutte-III, maar ik had de indruk dat er relatief weinig uit de kring van VVD en D66 kozen voor het opheffen van de rechterhand en het omhoog wijzen van wijs- en middelvinger gecombineerd met de formulering “God almachtig”.

God almachtig is een bijzonder, ja gedateerd geval in het Nederlands. Net als in moederlief, moedertjelief en staten-generaal hebben we te maken met een nageplaatst bijvoeglijk naamwoord en die blijven onverbogen. Gewoon ABN is of zou moeten zijn: lieve moeder, generale staten, almachtige God. Kennelijk beschouwen we ze als één met het direct voorafgaande zelfstandig naamwoord, want we schrijven telkens één woord. Eigenlijk zouden we God-almachtig moeten schrijven.

Almachtig komt vrij geregeld voor in de bijdragen van de leden van de Tweede Kamer, in tegenstelling tot allemachtig dat Van Dale “een volkstalige verbastering van almachtig” noemt. Ik denk dat het een West-Nederlandse variant betreft. Het is al even geleden dat allemachtig in de Kamer klonk, hetzij als tussenwerpsel (dus uitroep), hetzij als bijwoord van graad (dus een smaakversterker vóor vooral een bijvoeglijk naamwoord). Dit allemachtig vormt in het woordenboek als het ware een trio met allejezus en allemenselijk met dezelfde functie en betekenis. Het is althans in de Handelingen van de Tweede Kamer nooit als een bijvoeglijk naamwoord opgenomen, de eerste mogelijkheid die Van Dale noemt en van het voorbeeld “een allemachtig gevaarte” voorziet.

Het is een kleine 20x vindbaar in de tijd van 1900 tot 2010 en dan zien we allemachtig optreden in combinatie met woorden als allemachtig bang, allemachtig groot, allemachtig weinig, allemachtig duur, allemachtig ingewikkeld en vooral allemachtig moeilijk en allemachtig belangrijk. Voormalig Kamerlid Wien van den Brink gebruikte het naar verhouding vaak, maar de allerlaatste was Han ten Broeke (VVD) die in 2010 verklaarde: “De VVD is niet getrouwd met de JSF, zij is ook geen fan van de JSF. Het “kreng” is allemachtig duur, het kost 6 mld. over bijna 30 jaar.” Minister Van der Laan vond in 2009 dat iets allemachtig veel geld kostte, Van den Brink  vroeg in 2005 aan Boris van der Ham (geen woordgrap, het ging over keurmerken op vlees): “Waarom heeft de heer Van der Ham zo allemachtig weinig vertrouwen in de consument?” Van den Brink was tevens varkensboer.

Ineke van Gent (GroenLinks) had in 2003  juist van de voorzitter te horen gekregen: “Mevrouw Van Gent, u bent niet degene die de minste interrupties pleegt en ook niet de kortste”, of zij beterde haar leven direct, toen ze flitsend-kort reageerde op een antwoord van minister De Geus: “Nee? Allemachtig!” De minister had gezegd, niet te weten waar bepaald geld voor de WAO vandaan zou komen.

Afgezien van nog enkele andere citaten van Wien van den Brink zijn dit de enige voorkomens van allemachtig sinds 2000 in de Tweede Kamer. Dat woord is dus kennelijk bezig met een terugtocht uit het Nederlands. Allemachtig volgt dezelfde route van die nageplaatste bijvoeglijke naamwoorden als in God-almachtig maar dan veel en veel later.

RUTTE-III (fragment website RTL)

 

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment

De aantrekkingskracht van het woord mechanisme

Hoe werkt dat eigenlijk als je als aspirant-bewindsman bij de formateur op bezoek komt? Bij de vrouwen is het eenvoudig, Mark Rutte duwt charmant de stoel waarop zijn collega is gaan zitten voorzichtig een eindje aan in de richting van de tafel, Schouten en Bijleveld licht ongemakkelijk, Ollongren geheel naturel. Bij binnenkomst voor het fotomoment heeft hij soms zacht gezegd: “Ik ga niet zoenen hoor!” Hoe anders bij de mannen. Er is geen lakei die de stoel aanschuift en dat leidt tot een bijzonder moment: wanneer gaat de aanstaande minister zitten?

Maandag konden we interessante verschillen waarnemen. Halbe Zijlstra wachtte zichtbaar bedremmeld als een leerling – staand met de hand aan de stoel – tot de nummer 1 van zijn partij z’n plaats bereikt had. Wopke Hoekstra deed hetzelfde maar veel subtieler: zinloos friemelen aan de middelste knoop van zijn colbert om even iets te doen te hebben en dan precies tegelijk met de nieuwe premier plaatsnemen. Nee, dan Ferdinand Grapperhaus! Rutte was nog niet halverwege de tafel of het eerste statement was in stilte door de CDA’er afgelegd: die zat, als eerste. De uitslag was achtereenvolgens 0-1, 1-1 en 1-0.

Werkt dat zo? Is dat een onderdeel van het mechanisme dat de formatie ook is?

Mechanisme is een woord met een lange parlementaire traditie. Midden in de 19e eeuw zegt het Tweede-Kamerlid Floris van Hall (hij is sinds kort baron) als ze plotseling hun stem over iets moeten uitbrengen dat geen normale parlementaire behandeling heeft gehad: “Die handelwijze is vreemd aan het mechanisme van onze Kamer en van onze instellingen, die eene voorbereiding, soms zelfs eene zeer langzame voorbereiding medebrengen.”

Thorbecke verdedigt niet veel later in de Kamer tegenover Willem Jonckbloet dat het onderwijs voor meisjes anders moet zijn dat dat voor jongens (1871): “Mogt het onderwijs aan middelbare scholen hier en daar de strekking van een mechanisme, van eene fabriek gekregen hebbon, zeker mag eene meisjesschool dergelijk karakter niet hebben.” Mechanisme wordt hier dus gelijkgesteld aan een fabriek, een reeks automatische handelingen.

Anderhalve eeuw later kunnen we vaststellen dat Kamerleden verzot zijn op het woord mechanisme, leden van vak-K niet minder. Als politici gesteld zijn op een woord, gebruiken ze dat veel en laten tegenover collega’s, journalisten en de publieke tribune horen dat ze waarachtig meetellen. Dat is bij een begrip als mechanisme ook bepaald voorstelbaar: de politiek stelt regels, maakt afspraken en gaat vervolgens achterover zitten, want dan moeten derden ze handhaven – de politici houden zich inmiddels met andere dingen bezig.

Als het woord zich ervoor leent (en dat is bij mechanisme het geval) wordt het mettertijd specifieker gemaakt en dijt het bijvoorbeeld aan de voorzijde uit. Met Schengen hadden we regels gesteld omtrent het verkeer binnen een aantal EU-landen en daarna moet het Schengen-mechanisme werken. Inderdaad, meneer Thorbecke, bijna fabrieksmatig. Het is maar één voorbeeldje uit een uitbreidbare reeks met een lengte van minstens tientallen en tientallen stuks die soms erg lang uitvallen:

“bail-in”-mechanisme, achteraf-mechanisme, afwentelingsmechanisme, afwikkelingsmechanisme, alarmmechanisme, arbitragemechanisme, beïnvloedingsmechanisme , beprijzingsmechanisme, bewijsvergaringsmechanisme, bewijsvoeringsmechanisme, brexit-mechanisme, CO2-beprijzingsmechanisme, controlemechanisme, correctiemechanisme, crisisherverdelingsmechanisme, EU-mechanisme, financieringsmechanisme, “freeriders”-mechanisme, geschillenbeslechtingsmechanisme, geschillenmechanisme, handhavingsmechanisme, herplaatsingsmechanisme, herverdelingsmechanisme, hervormingsmechanisme, ICS-mechanisme, investeringsbeslechtingsmechanisme, koppelingsmechanisme, monitoringsmechanisme, noodmechanisme, noodremmechanisme, overdrachtsmechanisme, overgangsmechanisme, prijsmechanisme, rechtsstaatmechanisme, relocatiemechanisme, resolutiemechanisme, restmechanisme, samenwerkingsmechanisme, sanctiemechanisme, Schengenmechanisme, solidariteitsmechanisme, spreidingsmechanisme, SRM-mechanisme, subsidiariteitsmechanisme, terugkeermechanisme, toegangsmechanisme, toezicht(s)mechanisme, verdedigingsmechanisme, verdeelmechanisme, verdelingsmechanisme, verificatiemechanisme, waarborgmechanisme, waarschuwingsmechanisme

De minister-president is maar een van de spelers die het woord hoorbaar bemint. Op persconferenties kan hij het hebben over “de vraag hoe wij nu verder aanvliegen op dat permanente crisismechanisme waaraan gewerkt wordt”. Of de journalisten horen van hem de verzuchting: “Er zijn zoveel vraagstukken aan te pakken voordat je naar een gemeenschappelijk depositogarantiestelsel of naar een gemeenschappelijk resolutiemechanisme kunt gaan”. En neem het Europees stabiliteitsmechanisme, ESM voor insiders als de premier en enkele anderen.

Mechanisme is een technisch begrip dat niet alleen te maken heeft met geld. Beluister Rutte op een andere persconferentie over de vluchtelingenstroom binnen Europa: “We weten via een herverdelingsmechanisme en via dat resettlementinstrument om hoe veel mensen het gaat”. (Instrument hoort in dezelfde technisch klinkende sfeer als mechanisme.) Jazeker, de Europese Raad heeft afspraken gemaakt voor een tijdelijk relocatiemechanisme voor 160.000 personen. In de Kamer sprak Rutte onder andere geregeld van het monitoringsmechanisme en van het rechtsstaatmechanisme.

Met het vertrek van minister Bert Koenders zwaait er iemand af, die vele, véle malen het woord mechanisme in de Tweede Kamer liet horen. Met een financiële bewindsman als Wouter Koolmees op komst, weten we dat we het woord in allerlei samenstellingen de komende jaren zullen blijven horen.

Bewindslieden die aantreden maken zich jargon eigen, maar in de Tweede Kamer bedienen volksvertegenwoordigers van links tot rechts zich er ook met hoorbare graagte van. Luister naar Tony van Dijck (PVV) of zoek in de Handelingen naar de taal van Harry van Bommel (SP).

Jammer trouwens, dat bewindslieden aan het einde van een kabinetsperiode in stilte vertrekken en dat het parlement niet in het openbaar afscheid neemt. Dat is een schril contrast met de entree voor de camera’s, het bezoek bij de formateur als beoogd bewindsman.

GRAPPERHAUS na bezoek aan formateur

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | Leave a comment

Men vergeve mij

Wensende wijzen worden er vele gevonden in de Heidelberger Catechismus – geen wonder in zo’n oude tekst. Maar de conjunctief is er bijna geweest, zelfs in het eigentijdse kookboek (men neme) komt het niet meer voor. Zeldzaam dus dat bij de opening van de Staten-Generaal “Leve de Koning!” geroepen wordt. Daartegenover is die oude taalvorm heel gewoon in de Heidelberger, bijvoorbeeld in het antwoord op vraag 56: “opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome”. Ook het Onze Vader wordt in de catechismus behandeld, vandaar het voorkomen van de conjunctieven worde, kome, geschiede.

Men vergeve mij is de zeer gangbare tekst die in de Handelingen van het Nederlandse parlement valt aan te treffen. Vroeger werd het ook wel gezegd bij wijze van verontschuldiging voor een uitweiding of een langere bijdrage dan de voorzitter lief was, maar meestal betrof het geen excuus voor de omvang maar voor de inhoud van het taalgebruik. Nemen we twee voorbeelden uit een uiteenlopende periode:

  • De Friese liberaal Daam Fockema zegt in 1832: “(…) dewijl zij de werkzaamheden door albeschikking vermeerdert en de bureaucratie versterkt. Men vergeve mij het gebruik van die twee vreemde woorden, en ik zal dit niet te vergeefs inroepen, want die gebreken zijn van eene vreemde afkomst en strijdig met den geest der Grondwet.”
  • Minister Boy Trip van Wetenschapsbeleid in 1976: “(…) heel veel, zeker van structurele vernieuwingen, begint bij research en development. Men vergeve mij deze Engelse woorden, maar ik vind nog altijd de vertaling ervan wat minder duidelijk.”

De laatste keer dat er iemand volgens de Handelingen in de Tweede Kamer men vergeve mij gezegd heeft, is minister-president Wim Kok. Het gebeurt bij de Regeringsverklaring van 1998: “Men vergeve mij de opmerking dat niet iedereen die een bevlogen visie van dit kabinet mist, er zelf in slaagt om een bevredigend antwoord op die vragen te geven, maar over smaak valt natuurlijk te twisten.” Men vergeve mij was al sinds 1950 bezig vervangen te worden door vergeef mij dat een tikkeltje minder deemoedig klonk – vergeef me was het laatste stadium op deze weg. Dat lijkt vooral na 2010 opgang te maken, afgaande op de verslagen.

Gerrit Jan Wolffensperger (D66, deze partij gebruikte bovengemiddeld men vergeve mij) gebruikte het excuus om een anecdote te vertellen: “Voorzitter! Men vergeve mij de vergelijking, maar het doet mij een beetje denken aan de hypocrisie van de man die de deur uitgaat om een ruzie te beslechten en daarbij een pistool in zijn zak stopt. Zijn buurman spreekt hem aan en zegt: weet je niet dat schieten heel gevaarlijk en verboden is? De man zegt: ja, maar ik zal het pistool absoluut niet gebruiken. Waarop de buurman zegt: maar waarom steek je het dan in je zak? De man antwoordt dan: je kunt nooit weten.” (4 september 1991)

De taalgeschiedenis heeft een frappante loop genomen bij de ontwikkeling van de wens vergeve mij tot een krachtterm, een vloek. Zie in Van Dale onder vergeme en een paar voorbeelden van Zuidelijk-regionale vormen. Vergeme is ontstaan uit vergeef me. De kwestie moet hier geweest zijn, dat vóor de wensende werkwoordsvorm niet men maar God gedacht moet zijn en dus ondanks de weglating toch ijdellijk gebruikt. Dat was in de kring van de Reformatie behoorlijk streng verboden.

 

Posted in PARLEVINKEN, prot-chr | Leave a comment

Verordineren en verordonneren

Een jubileumpje: dit is aflevering 250 in dit blog.

Stellingen-stad Wittenberg 2013 (SR)

In een oudere vertaling van de Heidelberger Catechismus (de tekst die een halve eeuw is ontstaan na de Reformatie van 1517 – en die begon met de publicatie van de 95 theses door Luther in wat ik maar even noem de stellingen-stad Wittenberg) wordt een inmiddels niet meer gangbaar werkwoord verordineren gebruikt. Het betreft Zondag 31, meer in het bijzonder het antwoord op vraag 85: “Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door den Christelijken ban?” Het antwoord heeft te maken met de kerkelijke tucht. Daarin wordt een belangrijke rol gespeeld door de mannen “die van de gemeente daartoe verordineerd zijn”. Van de gemeente = door de gemeente, zoals nog in het Duits. Het hele antwoord luidt:

“Alzo, als, volgens het bevel van Christus, degenen, die onder den Christelijken naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij, ettelijke malen broederlijk vermaand zijnde, van hun dwalingen of hun schandelijk leven niet willen aflaten, der gemeente, of dengenen die van de gemeente daartoe verordineerd zijn, aangebracht worden; en, zo zij aan de vermaning zich niet storen, van henlieden door het verbieden der Sacramenten uit de Christelijke gemeente, en van God Zelven uit het Rijk van Christus gesloten worden; en wederom als lidmaten van Christus en Zijn gemeente aangenomen, zo wanneer zij waarachtige betering beloven en bewijzen.” *)

Verordineren is volgens Van Dale verouderd, de betekenis heeft hetzelfde begin te weten ‘verordenen’. De laatste die het in een Kamerdebat gebruikte was Dries van Agt, als minister van justitie in het abortusdebat van 5 november 1974. Hij probeerde zijn tekst hoorbaar juridisch te formuleren, het onderwerp was er politiek-beladen genoeg voor: “Voorts regardeert met name de vraag, in hoeverre ongeboren leven behoort te worden ontzien, zozeer de gehele gemeenschap, dat het oordeel daarover niet aan de medische tuchtrechter, ten minste niet helemaal, kan worden afgeschoven, tenzij de wetgever zulks zou verordineren.”

Eerder had Van Agt het werkwoord ook al ‘es gebruikt: “Sommigen in deze Kamer verlangen dat de Minister van Justitie hoog uit het zadel verordineert, dat een strafbepaling welke deel uitmaakt van een wet van recente datum die met een ruime meerderheid van het parlement is aanvaard en tot onderdeel van onze wetgeving is gemaakt, helemaal niet zal worden toegepast.” (28 oktober 1971)

Taal regardeert de hele gemeenschap. Verordineren is uit het juridische jargon én uit het gangbare Nederlands verdwenen – wie aan een samenloop van omstandigheden durft te denken, kan veronderstellen dat het woord verordonneren dat verordineren heeft verdrongen. Zie bijvoorbeeld de samenloop van neergang en opkomst van de beide werkwoorden volgens de NGramviewer van de KB sinds ongeveer 1945. (Ja ik weet, dat dit op zich onvoldoende is propter…)

Marcus Bakker van de CPN heeft volgens het Kamerverslag op 12 oktober 1971 nog uitgeroepen: “Zij zouden blijkbaar moeten verordineren straks alles in de berm te rijden?” Maar na het zomerreces zegt hij volgens diezelfde bron: “U zit maar te verordonneren en u wilt alles maar regelen.” (18 augustus 1972) Het is goed mogelijk, te veronderstellen dat Bakker ook in 1971 al verordonneren heeft gezegd maar dat het toen nog door de Stenografische Dienst is gecorrigeerd.

Verordonneren is momenteel de gewone vorm – vanaf 1995 komt het enkele tientallen malen in de Handelingen voor, verordineren niet meer. Verordonneren vind ik strenger klinken, misschien verklaart dat mede deze overwinning. Er zijn minstens twee wegen te bedenken waarlangs taalgebruikers tot deze verandering gekomen zijn – wellicht hebben beide wegen elkaar versterkt. Dit zijn ze:

1) Het klankwettige pad is naar het voorbeeld van macaroni. Dat is oorspronkelijk maccheroni in het Italiaans waaraan we het ontleend hebben. Omdat wij “makkeroni” zeiden en dat plat vonden klinken (zoiets als “labberatorium”) hebben we dat aangepast tot macaroni, – die eerste a klonk als het ware dóór. Verordineren zijn we geneigd uit te spreken als “verordenéren” en daar zou het de voorafgaande o kunnen zijn die door echoot in verordonneren.

2) De analoge route. Verordineren spraken we uit als “verordenéren” en we zochten een minder volksige variant. Omdat er van hogerhand ook aan pardonneren gedaan wordt, werd verordonneren gecrëeerd als uitkomst van de optelsom bestaande uit begin en eind van het tweetal verordineren + pardonneren.

*) Ik vond henlieden niet in Van Dale, wijlieden evenmin. Wel is ulieden opgenomen: “(verouderd) om nadrukkelijk het meervoud aan te duiden in gevallen dat ‘u’ alleen daarvoor niet voldoende geacht wordt”. O? (Hier: uitroep van verwondering van mij, SR.)

 

Posted in PARLEVINKEN, prot-chr, Rijp voor opname (Van Dale) | Leave a comment

Vegen van bovenaf

IN HET NIEUWS Tom-Jan Meeus die vandaag in NRC Handelsblad schrijft over de overheids-obesitas die eraan zit te komen met Rutte-III. De ruime uitbreiding van het aantal bewindslieden en departementen moet de naamgever een gruwel zijn. Laten we ‘es kijken wat Mark Rutte er als premier over gezegd heeft op zijn wekelijkse personferenties.

Bijeengeveegd vanaf november 2010:
• De hervorming van de rijksoverheid. Dus een kleine krachtige staat met minder departementen, met minder ambtenaren, minder regels. (…) Regel de randvoorwaarden goed, zoals veiligheid en gezondheidszorg en andere zaken, maar laat mensen ook vooral dan binnen die context hun eigen leven leven. Er iets buitengewoons van maken zonder dat je daar als overheid de hele dag zit mee te sturen. Vanuit die filosofie zeggen we dat we aantal dingen niet meer hoeven. Dat leidt inderdaad ook tot besparing, tot minder ambtenaren. 05.11.2010

• dat we de noodzakelijke hervormingen gaan doorvoeren in Nederland; dat we de overheid kleiner gaan maken (…) Enfin, een zeer ambitieuze agenda van dit kabinet, in de kern samen te vatten als ‘minder overheid, meer banen’. 01.04.2011

• Jullie weten dat we in het regeerakkoord streven naar een kleine, krachtige, dienstverlenende overheid en daarbij hoort ook dat we proberen zoveel mogelijk taken die niet bij die overheid thuishoren ofwel niet meer te doen dan wel over te plaatsen naar gemeenten en provincies en daarmee een kleinere centrale overheid over te houden. 21.04.2011

• Dan, in de ministerraad vandaag een belangrijk besluit genomen om ook echt zichtbaar invulling te geven denk ik, want veel tastbaarder kun je het ook niet maken, aan een kleine, krachtige en dienstverlenende overheid. Want wij gaan de komende jaren 40% van de kantoorruimte in Den Haag afstoten. (…) Dit is een kabinet met twintig bewindspersonen. We hebben nog nooit zo’n klein kabinet gehad in Nederland na de oorlog. In de jaren ’80 bestond het kabinet nog uit dertig leden. Maar je moet de trap niet alleen bovenaf beginnen met schoonvegen, wij gaan ook verder in de overheid door om ook echt te komen tot minder ambtenaren. En dat doen we door niet te zeggen hoeveel fte’s iemand mag hebben, want dan wordt het vervolgens weer omgezet in consultants. En u weet het: een consultant is iemand die pakt je horloge en vertelt je hoe laat het is. Dus dat moe-we niet hebben. Wat we wel moeten hebben, is dat we in de budgetten snijen en door in de budgetten te snijden, slagen we er nu ook echt zichtbaar in om die overheid kleiner te maken. Het mooie is ook dat de departementen dalijk allemaal in het hart van de Hofstad zitten, dus dat betekent dat een klein, krachtig en dienstverlenend bestuurscentrum de komende jaren in het centrum van Den Haag tot stand komt. 27.05.2011

• Dat dit kabinet gelooft in een kleinere overheid, dat een kleinere overheid ertoe leidt dat mensen meer vrijheid hebben, meer eigen initiatief zullen ontplooien, en je uiteindelijk een krachtiger samenleving hebt. 10.06.2011

• Een kleinere krachtige overheid die mensen niet onnodig in de weg zit, maar er wel is als je hem nodig hebt. 01.07.2011

• Terug naar een kleine, krachtige overheid. 08.07.2011

• Bouwen aan een kleine, krachtige overheid (…) de overheid kleiner maken (…) Dus een kleine overheid past bij Nederland. Wij zijn een spaarzaam land. Het zit in onze genen. (…) Daarvoor is het ook noodzakelijk om de overheid kleiner te maken. En we werken aan een kleine, krachtige en dienstverlenende overheid, een overheid die zich alleen richt op haar kerntaken, (…) Wij zijn ook zelf begonnen met die kleine overheid. Minder ministers, minder ambtenaren, minder overheidsgebouwen. 14.10.2011

• Terug naar de kern: een kleine krachtige overheid en geen grote uitdijende overheid. (…) proberen de overheid zo klein mogelijk te houden 11.11.2011

• en natuurlijk het creëren van een kleine krachtige dienstverlenende overheid (…) dat past ook in het streven van het kabinet naar een kleine, krachtige en dienstverlenende overheid 23.12.2011

• Een van de kernpunten van het regeer- en gedoogakkoord is dat wij streven naar een kleine, krachtige overheid. 20.04.2012

• En ik vind dus ook dat als Nederland bezig is om de overheid kleiner te maken, dat je dat ook mag vragen van Europa. (…) Dat past in het streven van dit kabinet om te komen tot een compacte en slagvaardige overheid (…) dan moet je ook de overheid bereid zijn te verkleinen. Dat moet ook, want die overheid is te groot, 08.06.2012

• Laat mensen uitleggen waarom de Kamer, terwijl we in heel Nederland aan het inkrimpen zijn, terwijl we vinden dat de overheid zich met minder dingen moet bemoeien, laat anderen dan aantonen waarom de Kamer deze omvang moet behouden of zou moeten uitbreiden. (…) We zijn bij de hele overheid bezig om de overheid kleiner te maken. (…) We zijn met een enorme operatie bezig om ervoor te zorgen dat die overheid kleiner wordt, krachtiger wordt, dat die zich bezig houdt met de essentiële zaken. Het kabinet is ingekrompen. Dat betekent zoveel minder ministers en staatssecretarissen. We zijn echt de trap van bovenaf begonnen met schoon vegen. Ik vind dat ook de Kamer daar bij hoort. (…) Maar ook omdat we daarnaast de overtuiging hebben dat een kleinere overheid, een kleinere krachtige overheid zich veel minder als die geluksmachine zal opstellen en veel meer echt de randvoorwaarden zal organiseren waardoor vrije mensen in staat zijn zelf invulling te geven aan hun leven. 13.06.2012

• door de overheid kleiner te maken, efficiënter, sterker 21.12.2012

• Wij achten het niet verstandig vanuit de Dreesiaanse gedachte van soberheid, dat waar we in heel Nederland bezig zijn om de overheid kleiner te maken, om dan het kabinet groter te maken. 18.01.2013

• Daarom moet je ervoor zorgen dat die overheid kleiner wordt. Één voorbeeld: in 2016 zijn inmiddels 40% van de Haagse bureaustoelen weg, zijn drie gebouwen dicht, dus ook de overheid snijdt in het eigen vlees. 01.03.2013

• maar ook heel erg bezig zijn om in het vlees van de overheid zelf te snijden (…) zorgen dat we de arrangementen van de overheid zelf in omvang terugbrengen (…) die grote overheid in omvang terug te brengen naar een kleine krachtige overheid 05.04.2013

• zoveel mogelijk te snijden in het vlees van de overheid 14.06.2013

• Past ook in de visie van het kabinet om een kleinere, krachtigere overheid (…) dat leidt namelijk tot een minder grote overheid. Daar zijn wij druk mee bezig geweest. (…) dat beschouwen we ook als een hervorming in zichzelf want dat leidt tot een kleinere overheid (…) En ook wat ik bedoel met een kleinere overheid 12.07.2013

• ik denk dat het goed is dat wij in Nederland waar we de hele overheid kleiner maken en begonnen zijn bij de top. Je moet de trap altijd van bovenaf schoon vegen, we hadden een aantal jaar geleden nog 30 bewindslieden, nu 20. En het grote voordeel daarvan is dat het je ook dwingt keuzes te maken juist om niet overspannen te worden moet je keuzes maken. Dat betekent dat bewindslieden misschien sommige hobbyprojecten laten liggen en heel gefocust moeten werken, dat lijkt mij in het belang van Nederland. (…) maar ik ben er absoluut van overtuigd dat we in Nederland een kleinere overheid moeten hebben 24.01.2014

lean and mean Europa. Klein en krachtig zoals wij dat ook met de Nederlandse overheid willen 04.04.2014

• Ik ben van een kleine overheid, zoals u weet, als liberaal 14.11.2014

• We willen een kleine overheid, dan moet je beginnen bij het kabinet. 30.10.2015

• ik ben natuurlijk een liberaal ik geloof in een kleine overheid 15.04.2016

Toegegeven, Rutte zong het liedje afnemend frequent. Desondanks is het een koerswending die opmerkelijk is.

Posted in In het nieuws | Leave a comment

Op de grens: geveltuintjes

Post uit Apeldoorn vandaag en het steekt direct eventjes nauw, let op! Een gevel heeft inhoudelijk hetzelfde specifieke kenmerk dat een huisdeur ook bezit. Een huisdeur is niet elke deur in een huis, het is een ander woord voor die ene specifieke voordeur. Een gevel was de voormuur of een hoog deel daarvan en pas bij uitbreiding konden we ook van zij– en achtergevels spreken. Dat de gevel eigenlijk de voorgevel was, kunnen we zien aan de geveltuin. Van Dale omschrijft dat als “tegen de huisgevel aangelegd tuintje”. Kijk in gedachten misschien omhoog bij een gevel, maar bij een geveltuintje naar omlaag, naar verwijderde stoeptegels! Zoals huisdeur de voordeur is, zo moeten we huisgevel opvatten als die buitenmuur die gelegen is langs de openbare weg.

Het geveltuintje lijkt me iets van de jaren ’90 van de vorige eeuw. Zo heeft De Pijp al rond 1990 een geveltuinenactiedag. De vroegste vindplaats in LexisNexis is NRC Handelsblad van 13.05.1995: “Als inwoner van Haarlem kreeg ik onlangs een folder toegestuurd met de vrolijke titel ‘Breng kleur voor je deur’. Daarin spoort wethouder Rineke Gieske-Mastenbroek mij aan in het kader van de Sociale Vernieuwing, jawel, meer aandacht te besteden aan mijn voortuin. Of, als ik die niet bezit, eens na te denken over een geveltuin. Ik moet meer stadstuinieren want, zo schrijft de wethouder, al die fleurigheid ‘nodigt immers eerder uit om buiten te zitten en met de buren een praatje te maken’. Dat is belangrijk omdat er dan ‘een aangename sfeer ontstaat waardoor criminaliteit en vandalisme zich minder snel voordoen’.”

Tot zover Haarlem, de volgende plaatsen waar in die mooie krantenbank sprake is van geveltuinen gaat het ook om steden. In 1996 betreft dat bijvoorbeeld Rotterdam-Spangen, Nijmegen (volgens de gemeente zijn geveltuinen een verademing in woonstraten waar weinig groen is) en Amsterdam, niet alleen De Pijp, ook bijvoorbeeld Baarsjes. Trouw schrijft op 9 november dat een Amsterdamse deelraad een prijs uitloofde voor de mooiste geveltuin.

De ontwikkeling gaat verder. Het Dagblad voor Zuidwest-Nederland bericht op 1 februari 2000: “LEPELSTRAAT – Bewoners van de Kerkstraat in Lepelstraat mogen zogenaamde geveltuintjes aanleggen voor hun woning. Dat heeft het college van Bergen op Zoom besloten na een verzoek van A. Timmermans.” De initiatiefnemer weet anderen ook voor zijn idee te porren omdat het er een stuk groener, gezelliger en minder triestig door wordt. Maar een woordvoerder van de gemeente zegt wel, “dat het aanleggen van een geveltuin aan bepaalde regels is gebonden. Mensen mogen niet zomaar wat stoeptegels verwijderen en van alles gaan planten. Maar in de Kerkstraat is het trottoir breed genoeg om de eerste twee tegels vanaf de gevel te kunnen missen.”

Niet lang na Lepelstraat vraagt de wijk Fort-Zeekant hetzelfde.

De Stadspartij in Zutphen wil geveltuintjes (2003) en na een aanvankelijk open beleid van de kant van de gemeente komen er in 2005 regels en slecht onderhoud betekent ofwel opknappen of de oude straat herstellen. Want de openbare weg blijft wel van de gemeente, zo zegt ook de gemeente Den Haag. Die waarschuwt al direct voor een goede omgang met kabels en leidingen, maar een jaar of tien later attendeert diezelfde lokale overheid ons op het volgende: “de grond onder uw geveltuin blijft eigendom van de gemeente. De gemeente moet altijd toegang hebben tot kabels en leidingen. Dat kan dus helaas ook betekenen dat uw planten en de omranding van de geveltuin verwijderd moeten worden voor werkzaamheden of herinrichting. Ontstane schade valt niet te verhalen.”

Overal komen geveltuintjes in deze jaren, blijkt uit de gedrukte media, als het maar een beetje stedelijke omgeving is. Franeker volgt (“Geveltuintjes maken het stadshart van Franeker aantrekkelijk. Daarom helpt de gemeente de bewoners die al zo’n tuintje hebben dit zo netjes mogelijk te maken.”), Huizum-Oost een wijk van Leeuwarden (“Bewoners kregen gisteravond in het ‘groene warenhuis’ van Intratuin, midden in de eigen buurt, handenvol tips aangereikt voor aanleg en onderhoud van een geveltuin. Afmeting: tot maximaal 30 centimeter uit de gevel.”), Den Bosch – ook een van de gemeenten die een geveltuinwedstrijd gaat organiseren.

Dat brengt wel direct de kwestie ter tafel wat een geveltuin exact is want hoe moet de Bossche jury anders verantwoord z’n werk doen? Het reglement: “Een geveltuin moet liggen aan de voorkant van een huis dat grenst aan het trottoir. Gemeentegrond dus. Vanaf de muur van het huis mag je, als je een vergunning hebt, anderhalve stoeptegel weghalen. En daar mag je dan planten inzetten. Dat is een geveltuin.”

Arnhem duikt op, Winschoten (“’Een gelichte stoeptegel met een stokroos of zonnebloem kan al een geveltuin worden genoemd”, zegt de wethouder). Zwolle publiceert in 2007  een brochure om de geveltuin te promoten, in de omschrijving van de gemeente “een smalle strook groen langs een gevel, muur of schutting, liefst natuurlijk met een paar planten en bloemenpracht.” Zwolle neemt buurgemeente Kampen op sleeptouw. In 2009 reageert een woordvoerder op de eerste aanleg daar en zegt dat er geen beleid is van gemeentewege: “Geen beleid betekent geen toetsing of iets wel of niet mag. Er wordt wel gewerkt aan spelregels op dit gebied.” Dat is al het volgende jaar het geval, inclusief het aanvragen van een vergunning. Dat is in 2013 niet meer nodig maar Kampen houdt de vinger wel aan de pols: “Wie straks in de binnenstad een mooi geveltuintje wil aanleggen, hoeft daarvoor geen vergunning meer aan te vragen. De gemeente Kampen gaat, op initiatief van de Wijkvereniging Binnenstad, de plaatselijke wetgeving zo aanpassen dat het naleven van een aantal spelregels voortaan voldoende is. De impact van een geveltuin zou te gering zijn om die poespas te moeten doorstaan. (…) De regels zijn vooral praktisch van aard. Zo moeten verwijderde stoeptegels goed bewaard worden en mag er vanwege de mogelijke aanwezigheid van kabels niet dieper dan dertig centimeter gegraven worden. Om diezelfde reden zijn bomen en diepwortelende planten niet toegestaan. Bij schade is de eigenaar van het tuintje aansprakelijk. Ook houdt de gemeente het recht de tuin op te ruimen in geval van overlast of verwaarlozing.”

Geveltuinen komen er alom en wedstrijden volgen alom, gemeentelijk en/of in samenwerking met de regionale krant. Leiden, Tilburg, Nijmegen bijvoorbeeld of Den Bosch of Deventer. De gemeente Hilversum bevordert Dress Your Adress in 2010. Weesp behandelt het jaar erna in de raad een geveltuinenbeleid, bang als ze zijn “voor ongewenste situaties en overlast”. Tiel doet een proef in 2010 en stelt in 2011 regels: Een geveltuin mag maximaal veertig centimeter diep zijn en er moet minimaal 90 centimeter trottoir overblijven. In Den Bosch is in 2015 het aantal officieel geregistreerde tuintjes opgeklommen tot bijna 250 stuks.

De overheersende indruk is, dat gemeenten hun inwoners stimuleren bij de aanleg van geveltuinen, concreet-praktische hulp bieden en spullen weggeven die daarbij gebruikt worden. De achtergrond is duidelijk, geveltuinen geven een stedelijk-stenen geheel een groener aanzien. Het vergroot de aantrekkelijkheid van de leefomgeving, zo lezen we in alle delen van het land: groen draagt bij aan een schoner en fraaier straatbeeld, het is “stadsnatuur voor de deur”, voorbijgangers worden vrolijk van een geveltuin. Maar behalve dat, is het ook gezond. Groen zuivert de lucht, vangt fijnstof op en is geluiddempend.

De geveltuin is een algemeen verbreid verschijnsel geworden, inclusief tips in allerlei media, lessen, workshops en cursussen. In 2013 kan Romke van der Kaa concluderen: “Van een stiekem gelichte tegel is het verschijnsel uitgegroeid tot geaccepteerd tuingenre” naast de traditionele die bekend staan als rots-, moes- en siertuin. Dat is privé, daar heeft de gemeente niets mee te maken.

Er zijn enkele minpuntjes aan de geveltuin, want er is langzamerhand toch ook sprake van vernieling, diefstal en dierenhinder: “Het ene moment heb je een prachtige geveltuin, het andere moment is er een hond langs geweest en is het niets meer.”

Bemoeit de Centrale Overheid zich met de lokale geveltuinen? Waarschijnlijk niet, de Handelingen maken geen gewag van dit strookje op de gemeentelijke grens van privaat en publiek. Maar dat kan veranderen en dat is misschien dichterbij dan we denken. Een verzekeringsmaatschappij attendeert zijn klanten dezer dagen op een andere functie: “Wist u dat een geveltuintje wateroverlast in uw eigen huis voorkomt? Een geveltuintje kunt u eenvoudig zelf maken. Haal een rij tegels langs de gevel van uw huis weg. Leuke plantjes of bloemen erin. Klaar! Het regenwater stroomt dan makkelijker in de bodem. En het staat ook nog eens gezellig! Vraag wel eerst bij uw gemeente of u een geveltuintje in uw straat mag maken.”

Geveltuintje

 

 

 

 

 

 

 

 

De geveltuin is stilletjes op weg, onderdeel te worden van het Nederlandse waterbeheer. Het wordt tijd voor aandacht voor dat aspect in Rutte-III of IV. Aandacht? Zeg maar een gezamenlijke focus voor de ministers van Klimaat, Binnenlandse Zaken, Veiligheid en Justitie – van het hele kabinet.

Posted in In het nieuws | Leave a comment

Naarstig en naarstiglijk

 

Woonhuis Luther Wittenberg (fragment, SR)

Zondag 38 (vraag 103) van de Heidelberger Catechismus wil “dat ik, inzonderheid op den sabbat, dat is op den rustdag, tot de gemeente Gods naarstiglijk kome”. In dezelfde bron worden de geloven opgeroepen in een aantal opzichten hun best te doen en daarbij wordt het werkwoord benaarstigen gebruikt (Zondag 44, vraag 115). Benaarstigen is geheel uit het parlementaire taalgebruik verdwenen, het kwam voor het laatst voor in 1904, volgens de Handelingen van de Tweede Kamer. Naarstig is etymologisch gezien mogelijk ernstig ‘serieus, je best doend’ waarbij het slot van een aangrenzend woord is vóorgevoegd. (Omgekeerd, het verlies van een beginklank aan een vrij vast voorkomend woord ervóor is ook niet onbekend, zo werd een narreslee (met belletjes) verkleind tot een ‘arreslee.)

Ook naarstiglijk – door het achtervoegsel zo zichtbaar een bijwoord – is een woord dat een eeuw geleden misschien nog een zeker onderdeel uitmaakte van het levende Nederlands, ook al kwam het niet veel voor. Vóor 1900 zien we in de Handelingen van de Tweede Kamer enkele malen de vaste combinatie naarstiglijk en getrouwelijk – duetten zoals die in juridische bepalingen zo geregeld figureren: zie bijvoorbeeld Concludent, Medezeggingschap –  daarna zet de neergang van naarstiglijk in. De Kamervoorzitter doet in 1914 een belofte aan zijn medeleden: “Ik behoef nauwelijks te zeggen, dat ik de wenken, aan den Voorzitter gegeven, naarstiglijk zal overwegen.”

Op 25 juni 1970 is het Kamerlid Huub Franssen (PvdA) de laatste die het gebruikt als hij zich in het kader van een verandering van het Reglement van orde afvraagt: “Hoe zit het eigenlijk met die openbaarheid, waar komen die woorden „gesloten deuren” vandaan? Ik heb daarom naarstiglijk gespeurd naar de herkomst ervan.”

Van naarstiglijk is in de praktijk alleen naarstig nog overgebleven. Dat woord valt overigens in de Kamer verrassend vaak, vanaf 1995 bijna 90 maal – afgaande op de uitkomst van de zoekopdracht van de Handelingen via de daar voor bedoelde website (overheid.nl). De laatste is DENK-spreker Azarakan in het Verantwoordingsdebat van 31 mei 2017: “Tot slot wil ik iets zeggen over de Belastingdienst. Er is al veel over gezegd. Terwijl Rutte, Buma en Pechtold al ruim twee maanden naarstig op zoek zijn naar een vierde klaverjaspartner, is de Belastingdienst het slachtoffer van de huidige politieke impasse.”

Op 26 januari dit jaar is CU-leider Segers (dan nog niet de vierde klaverjasser) naarstig op zoek naar zelfrelativerende opmerkingen. Farid Azarakan en Gert-Jan Segers combineren elk van beiden naarstig met zoeken. Deze vaste combinatie is gangbaar Nederlands, ook al was er vroeger zekere variatie mogelijk.*) Nemen we drie citaten van drie staatssecretarissen uit Rutte-II als voorbeeld:

  • Klaas Dijkhoff reageert op een van de Oosting-rapporten over de Teeven-deal: “Ik heb op geen enkel moment de gedachte gehad dat ik op informatie stuitte die iets onthulde en die de Kamer na naarstig vragen onthouden is geweest.” (16.12. 2015 )

Het onthouden van iets aan de Kamer in het citaat van Dijkhoff zou dat zijn, waar het parlement nu juist naarstig vragend naar op zoek was.

  • Jetta Klijnsma zegt aan de Kamer wat ze al schreef: “Ik heb de Kamer ook al geschreven dat ik dit naarstig blijf monitoren.” (19.02.2014)

Hier is naarstig monitoren te zien als een vorm van serieus zoeken, althans nauwgezet en actief oog hebben voor.

  • Sander Dekker moet op 06. 11.2013 iets uitleggen omtrent niet goed lopende examens: “Alle vmbo-leerlingen zitten naarstig te wachten op hun examenuitslag die ze morgen zullen krijgen.”

Opmerkelijk is dat naarstig nu vergezeld wordt van een werkwoord waar geen actie meer in uitgedrukt is, naarstig zitten wachten is wat de leerlingen doen. Tussen het moment dat in de Heidelberger Catechismus opgetekend werd naarstiglijk kome en de uitspraak “naarstig zitten te wachten” ligt dan ook bijna een half millennium. Naarstig is mogelijk bezig, z’n handelende element te verliezen; alleen het element-spanning blijft dan nog over.

Resteert – in aanmerking nemend het waarschijnlijke fractievoorzittersschap van Dijkhoff en het zekere CvdK-schap van Klijnsma in Drenthe – nog de onzekere toekomst van Sander Dekker. Waarop zit hij momenteel naarstig te wachten? Binnen anderhalve week weten we het als de formateur een beetje voortmaakt.

*) In 1917 zegt de liberaal Rudolf Patijn: “ik zal mij natuurlijk beijveren de rede van den Minister naarstiglijk na te lezen.” In 1924 vindt Egbertus Beumer (ARP) dat “de Regeering naarstiglijk zal kunnen voortgaan aan de bearbeiding van deze stof en weldra met een nieuw wetsontwerp zou kunnen komen.”

 

 

Posted in PARLEVINKEN, prot-chr | Leave a comment