De Minister van eh Defensie

Waarschijnlijk scoort eh hoog als we de frequentie van alle woorden nagaan in het gesproken Nederlands. Maar ook als het toevallig de absolute top van de ranglijst aan bijvoorbeeld een lidwoord zou moeten laten, dan nog is het verrassend dat eh in de grote Nederlandse grammatica die de ANS is, geen plekje in het register van behandelde woorden heeft gekregen en evenmin voorkomt in het stuk over de tussenwerpsels. Zó gewoon in het Nederlands en daar dan toch absent?

Op 11 juli 2018 mocht minister Ank Bijleveld van Defensie optreden in een uitzending van het programma Spraakmakers van Radio 1, nog net niet op weg naar een NATO-bijeenkomst in Brussel. Daar was ook de Amerikaanse president verwacht en die zou er de trom roeren over de kwestie van de verhoging van de afdrachten van de lidstaten. Dat was het onderwerp van gesprek met de minister, aan de tand gevoeld door Ghislaine Plag. Het was echt een soort verhoor, de interviewster gaf de excellentie geen kans om lange antwoorden te formuleren.

Daaraan kan het niet hebben gelegen – de minister liet zich niet van haar stuk brengen – dat ze zo vaak eh zei. Zoek eens naar actuele interviews met minister Van Engelshoven (Onderwijs en Wetenschap) van wie gezegd wordt dat die zoveel eh’s gebruikt, dat is lang niet meer zo opvallend als eerder – daar is dus aan geschaafd. Misschien ontkent ze het, maar juist een minister van Onderwijs kan met een gerust hart beweren dat ze nog dagelijks iets leert.

ANK BIJLEVELD (Ministerie van Defensie) en let op de penvoering

Haar collega Bijleveld zei niet zozeer ontzettend vaak eh – behalve misschien voor iemand die er speciaal op let. Veel opmerkelijker was de plek waar eh in de zin werd gepositioneerd. Kijk naar deze uitingen van mevrouw Bijleveld:

* ik ben het inderdaad heel erg eh met de eh heren eens

* in het bond-eh-genootschap

* in deze eh kabinets-eh-periode

* het moet echt eh beter

* waar het hier eh om gaat

* waarnaar eh wij streven

* die uit de Europese Unie eh stappen

* gemeenschappelijke waarden die we eh delen

* een extra stap eh wordt gezet

Wat aan dit soort uitingen frappeert is niet zozeer dat er ehs vallen, maar wel dat die vallen op rare plekken in een uiting. Een minister van Defensie weet heus wel dat de NAVO een bondgenootschap is, dus dan verrast de uitspraak “bond-eh-genootschap” net zo als “kabinets-eh-periode” uit de mond van een doorgewinterde politica. Nota bene: kabinets en dan -eh-periode! En in die andere voorbeeldjes valt eh eveneens op momenten dat duidelijk is dat de spreekster al formulerend in feite al laat horen hoe ze dat stukje wil gaan zeggen. Wie “waarnaar” zegt, heeft “streven” al in gedachten; wie begint met “waar het hier” levert een vreemd eh voordat de uiting vervolgt met “om gaat” want dat is één samenhangende constructie. Net zo opvallend als die eh’s in kabinetsperiode en bondgenootschap.

Eh is hier dus geen tussenwerpseltje dat aarzeling uitdrukt maar iets anders. De vraag is wát.

Maar ik heb geen idee wat het antwoord op die vraag eh is.

Posted in In het nieuws, PARLEVINKEN | 2 Comments

Eufemisme, eufemistisch en wat er op lijkt  (v)

Nu het Kamerreces is begonnen en scholen vakantie hebben of driftig onderweg daarheen, in dit blog een uitsmijtend eufemisme-stukje tot besluit van dit parlementaire jaar. Het bestaat vooral uit wat oudere eufemismen die uit de Handelingen verzameld zijn. Harrij Notenboom was de financiële man van de KVP, de partij die via fractievoorzitter Schmelzer het kabinet-Cals zou laten vallen. Bij Notenbooms biootje staat op parlement.com: “Speelde een belangrijke rol in de “Nacht van Schmelzer” (13/14 oktober 1966)”. De financiële woordvoerder liet al in 1965 kritisch van zich horen in de richting van minister Vondeling (Financiën): “Dit is duidelijk: de Minister kan niet zeggen: mijn miljoenennota brengt inflatie. Hij heeft natuurlijk eufemistisch gezegd, dat er geen sterk remmende werking vanuit gaat. Wij vinden dat ook. Wij vinden nl., dat er helemaal geen remmende werking vanuit gaat, integendeel, dat er zelfs een stimulerende werking vanuit gaat.” Dit was wat toen een schot voor de boeg genoemd zou hebben kunnen zijn, een jaar voor De Nacht.

De sector-Financiën neemt veel echte eufemismen voor z’n rekening. Laten we lukraak wat opmerkingen van Kamerleden aanstrepen: beleidsombuigingen = bezuinigingen; oprekken is een eufemisme voor vergroten van het financieringstekort; positieve restpost – om uit te drukken dat de tarieven te hoog zijn; tijdelijke technische dekking = géen dekking. Een bezuinigingsdoelstelling wordt eufemistisch een efficiencykorting genoemd. Verschuivingen komen neer op verminderingen in de totale voorzieningen die er zijn, enzovoort.

De CDA’ers Bouke Beumer (vroeger ARP) en Huib Eversdijk wezen er elk een keer op dat oplopende korting een term was om gedifferentieerde inflatiecorrectie te verhullen.

Erik Visser (D66, toen nog D’66) legde de vinger in 1969 bij twee echte eufemismen: “De term politionele actie is m.i. een eufemisme voor oorlog” en “elimineren (…) betekende doden”. Zijn partijgenoot en vroegere VVD’er Hans Gruijters in 1973: “Ik neem aan dat de Regering met mij de indruk heeft, dat steeds meer mensen in deze categorie vanuit het bedrijfsleven, om het eufemistisch te zeggen, vrij zullen komen of, om het gewoon te zeggen, werkloos zullen worden.”

In latere jaren kwamen vooral uit de hoek van de SP talige onthullingen via Harry van Bommel (de postkantoren eufemistisch aangeduid als dienstverleningspunten) en Jan Marijnissen (De reorganisaties – het eufemisme voor ontslagen). Moreel en christelijk-fundemanteel verzet tekende Meindert Leerling (RPF dat later opging in de CU) aan in verband met euthanasie (“De commissie durft dat eufemistisch stervens-hulp te noemen, terwijl dat toch niet anders is dan moord”) en hij sprak van herwaardering als “enorm eufemisme voor de erosie van elementaire waarden”. Ook Gert Schutte (GPV, later CU) liet zich in deze vorm van taal-attentie niet onbetuigd.

Kees Vendrik (GroenLinks) duikt vaak op voor wie oog heeft voor de taal in de Tweede Kamer en dat betreft ook de sfeer van eufemismen. In 2002 citeren de Handelingen hem als volgt: “Huurharmonisatie is de officiële benaming voor de veel voorkomende praktijk dat huurprijzen van woningen soms in een klap met vele, soms tientallen procenten stijgen als de oude bewoners vertrekken en de nieuwe bewoners hun intrek nemen.”

KEES VENDRIK (Google-afb.)

KORT SAMENGEVAT

We hebben drie soorten eufemismen, te verdelen in echte en pseudo-eufemismen. Van de echte is hiervoor een reeks genoemd. Pseudo-eufemismen vallen uiteen in omgekeerde overdrijvingen mét en zónder ontkenning, achtereenvolgens een litotes en een understatement genoemd.

  • Typische voorbeelden van een litotes (het Griekse woord betekent ‘eenvoud, soberheid’) zijn uitingen zoals bijvoorbeeld: “geen schoonheidsprijs verdient”, “is er niet beter op geworden”, “geen sterktebod”, “niet vlekkeloos verlopen”, “bepaald niet fraai”, “niet de meest gelukkige gang van zaken”, “niet onverdienstelijk”, “weinig elegant”, “niet zo gelukkig met…”, “niet perfect”,”niet ideaal”, “weinig helder”, “niet in alle opzichten bevredigd” en “niet om over naar huis te schrijven”.
  • Understatements zijn bijvoorbeeld: “een enigszins wisselend beeld”, er “is een en ander op aan te merken”, “zeer beperkt effectief”,   “op gespannen voet met…”, “sceptische geluiden”, “ietsje duurder”, “aarzelingen oproept”, “inloopproblemen”, “een lichte vertekening van de werkelijkheid”, “minder bevredigend”, “het draagvlak kon groter zijn” en iets “voor verbetering vatbaar”. Telkens moet de hoorder een vertaalslag maken (zoals dat heet) en dat wat er gezegd is omzetten in iets in de sfeer van het tegendeel.

En tardief, waar deze reeks mee begon? Dat viel 7 jaar na de voorlaatste maal voor het állerlaatst in de Tweede Kamer in 1972 – de stenografische dienst zette het tussen aanhalingstekens. Die zijn niet zelden het signaal van aankomst óf vertrek van een nieuw stukje taal. Correctie, er is nog een áller-állerlaatste maal. Staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) haalde het op  28 januari 2014 nog eenmaal juridisch van stal toen de Kamer debatteerde over een proefverlof voor Volkert van der G.: “Speculeren erover of een bewindspersoon een verzoek gaat doen in de zin van artikel 15 d, lid 3 is nu tardief.” Niemand die er op reageerde of er over viel of het zelfs maar een eufemisme noemde zoals Hendrik Drucker in 1907 deed.

DRUCKER (Uit: Onze Afgevaardigden.
Portretten en Biographieën der Leden van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Rotterdam, 1901.)

Goede maanden gewenst!

Posted in PARLEVINKEN | 2 Comments

Eufemisme, eufemistisch en wat er op lijkt  (iv)

Kamerleden houden enerzijds van het benadrukken van wat ze zeggen (zie in dit blog bijvoorbeeld het uitbundig aangehaalde begrip bijwoord van graad) maar ze bedienen zich daartegenover niet zelden van understatements, het tegengestelde van overdrijven. Tegelijkertijd laten ze lang niet altijd na om de toehoorder voor het goede begrip even op dit eufemisme te attenderen en zo wordt een ónderdrijving toch weer een óverdrijving.

Zo’n aanduiding als eufemisme voorzien althans mannelijke politici (vergelijk eerdere afleveringen over dit onderwerp waarin vrouwen hoofdrollen vervulden) geregeld van een nadere specificatie:

• Ed Anker CU: Het wetsvoorstel concludeert terecht, en ik vond het misschien wel het mooiste eufemisme dat ik de afgelopen jaren heb gelezen, dat vele partijen zich hebben uitgesproken voor de noodzaak tot versterking van de bestuurskracht, zonder dat er een door alle betrokken partijen geheel aanvaarde oplossingsrichting uit naar voren is gekomen. Dit verdient een prijs.

• Laurens Jan Brinkhorst D66: Ik kom aan de kwestie van het opslagregime. De opmerkingen van Minister Van der Klaauw over dit regime ad hoc of wereldwijd verdienen de eerste prijs in een wedstrijd voor het beste eufemisme. In antwoord op ernstig aandringen van vele zijden in de Kamer zegt hij dat ‘nog niet alle bijzonderheden bekend zijn’ en dat ‘een zekere algemeenheid niet kan worden ontzegd aan de tussen de partijen bereikte formule over de plutoniumopslag. Ik vraag de Minister in alle oprechtheid, wat er eigenlijk wel bekend is.

• Kees Verhoeven D66: Fijn dat mevrouw Tellegen wil toegeven dat het nog niet 100% op orde is en dat er ruimte is voor verbetering, maar dat is het eufemisme van het jaar. Wij hebben het hier over basale handelingen die binnen 24 uur zouden moeten plaatsvinden, maar die niet plaatsvinden. Je kunt dan zeggen: er is ruimte voor verbetering.

• Elbert Dijkgraaf SGP: Het piept en het kraakt dus bij Defensie. De Algemene Rekenkamer heeft daar een mooi eufemisme voor en zegt: Defensie is geen geoliede machine. Dat lijkt mij het eufemisme van het jaar, met dank aan de heer Vendrik.

• Bram van Ojik GroenLinks: We krijgen in Brussel niet voor niets de post voor betere regels. Vooralsnog het eufemisme van het jaar.

Verhoeven, Dijkgraaf en Van Ojik hadden een voorganger in Pol de Beer. Deze VVD’er (van 1969-2003 parlementariër, 20 jaar in de Tweede Kamer en de laatste acht jaar senator) riep een term bij herhaling uit tot “het eufemisme van het jaar”.

• Minister Westerterp van Verkeer: Wij hebben een continuïteit in het Rijkswegenfonds, zij het op een lager niveau. De heer De Beer (VVD): Dat is het eufemisme van het jaar!

• Pol de Beer VVD: In de memorie van toelichting wordt gezegd dat, gelet op de sterke ontwikkeling van de vraag op de markt voor eigen woningen, en op het beleid ter zake van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid, is besloten om per 1 januari 1977 enkele wijzigingen aan te brengen in de subsidiebedragen ter zake het eigen woningbezit. Is het waar, dat met deze nogal cryptische zinsnede wordt bedoeld, dat de subsidies zullen worden verlaagd? Als dat waar is, krijgt de Minister voor deze zinsnede uit de memorie van toelichting van ons de prijs van het mooiste eufemisme van het jaar.

Mocht er aan het Binnenhof ooit besloten worden om daadwerkelijk zo’n Eufemisme-van-het-jaarprijs in het leven te roepen, dan zou bij de naamgeving aan De Beer gedacht moeten worden.

Pol de Beer VVD (via parlement.com)

 

Slot volgt: a.s. vrijdag

Posted in PARLEVINKEN | 1 Comment

Eufemisme, eufemistisch en wat er op lijkt (iii)

Het laatste voorbeeld in de vorige aflevering (Ik heb al aangegeven dat er weinig informatie is over dierproeven. Het lijden van dieren wordt eufemistisch aangeduid als ongerief.) (ongerief = lijden) was in 1995 al eens naar voren gebracht door Marijke Vos (GroenLinks) maar er zijn momenteel dus geen Kamerleden die zózeer oog hebben voor verhullend taalgebruik in de vorm van echte eufemismen als Ouwehand (PvdD) en daar de vinger op leggen. In 1994 ging Willie Swildens (PvdA) haar in dit opzicht voor, door in het kader van transportcondities voor dieren te zeggen: “uitvalpercentage is een eufemisme voor sterfte van dieren”. De dieren zijn vroeger dus niet altijd vergeten, maar ze hebben bij de PvdD een structurele pleitbezorger gekregen.

Esther Ouwehand is de laatste jaren de koningin van het echte eufemisme, dat wil zeggen van het onthullen daarvan – vroeger deed met name Jan Marijnissen (SP) zich op dat front gelden. Het is opmerkelijk dat het vooral vertegenwoordigers uit één hoek van de Tweede Kamer zijn die zich daar vooral door onderscheiden: oppositioneel links. Echte eufemismen worden daarbij vooral aangewezen in wat de kernpunten zijn in het programma van de aanwijzer.

In het afgelopen jaar waren het (ik neem aan toevallig maar is dat zo toevallig?) vooral vrouwen die in de Tweede Kamer verhullende eufemismen aan de kaak stelden:

* Hele dorpen komen op hun kop te staan, om huizen te versterken tot iets wat ze eufemistisch near-collapse noemen. Je kunt levend je huis uitkomen, maar je bent wel je huis kwijt. (Beckerman, SP)

* Ik lees verschillende suggesties voor eufemismen: lichte corrosie in plaats van “roest”, technische aspecten in plaats van “kwaliteit”, verscherven in plaats van “uiteenspatten”. Kirsten van den Hul PvdA spreekt tot minister Hennis van Defensie over het mortier-ongeluk in Mali waarbij twee doden vielen.

Sjoerd Sjoerdsma (D66) toonde voorheen enkele malen ook oog te hebben voor de “echte eufemismen” maar nu zijn partij deel uitmaakt van de regeringscoalitie is te verwachten dat hij zich in dat opzicht tijdens Rutte-III niet zal onderscheiden. Dat kan ook verklaren waarom partijen als CDA en VVD, die zeer lang regeringsverantwoordelijkheid hebben gedragen, zelden of nooit op dit soort taalgebruik attenderen: alle dualisme ten spijt kunnen ze waarschijnlijk al in een vroeger stadium redactioneel hun invloed uitoefenen óf ze hebben vrede met verdoezeling. De Partij van de Arbeid signaleert echte eufemismen alleen vanuit de oppositierol.

In feite is een surprise dat SGP en CU, hoezeer partijen van Het Woord en van de taal, slechts enkele malen en dus relatief zelden omfloerst politiek Nederlands in de Kamer aan de kaak gesteld hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

Wordt vervolgd: maandag

 

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

Eufemisme, eufemistisch en wat er op lijkt (ii)

We zien in feite dat er in de voorbeelden aan het eind van de vorige bijdrage twee groepen uitingen te onderscheiden zijn, in beide gevallen eufemisme genoemd: er zijn zinnen mét en zinnen zónder een ontkenning daarin. “Het is een spannende periode in de wereld. Dat is natuurlijk een eufemisme” is net zo’n understatement van minister Kaag als “dat de informatievoorziening over en weer (…) nog wel verbeterd kan worden” uit de mond van staatssecretaris Van Rijn.

Daartegenover hebben we “Het is niet geheel uit te sluiten dat het deze kabinetsperiode niet lukt” en “een claim die niet onmiddellijk wordt terugbetaald” – minister Halbe Zijlstra en Pieter Omtzigt gebruiken beiden een of zelfs een dubbele ontkenning in hun eufemisme. Het kan zijn dat zij beiden op de middelbare school geleerd hebben dat zoiets een litotes heet.

Een understatement is een omgekeerde overdrijving zónder, een litotes is hetzelfde maar dan mét een ontkenning. Misschien staat het zo niet in alle literaire handleidingen, maar deze indeling lijkt me zeer verdedigbaar, vooral als we deze twee samen de pseudo-eufemismen noemen. Bij pseudo-eufemismen moet de toehoorder zelf een stapje zetten om te begrijpen wat er bedoeld wordt.

Het voorbeeld van Esther Ouwehand (PvdD) uit de vorige aflevering is een beetje een apart geval binnen deze selectie: “We hebben gezien dat er in 28 van de slachthuizen waarin onverdoofd wordt geslacht, sprake is van tekortkomingen. Dat is een eufemistische term om te zeggen dat het niet goed gaat.” Dit PvdD-Kamerlid scoort veel eufemismen en die zijn in onderscheid met het taalgebruik van haar collega’s (vrijwel) altijd van het aparte soort dat niet als understatement of litotes valt aan te merken. Bij Ouwehand gaat het meestal om echte eufemismen.

Bij echte eufemismen hoeft de toehoorder niet zelf een stapje te zetten om te begrijpen wat er bedoeld wordt want de spreker zegt dat het ene woord A een eufemisme is voor het andere woord B. Kijk naar andere voorbeelden van dezelfde spreekster, het eufemisme A is telkens onderstreept en de feitelijke betekenis staat er na het =-teken achter:

• wij weten dat “uitval” betekent dat 5% van de dieren gestorven is, maar een consument weet dat niet (uitval = gestorven)

• Aan mooie woorden ontbreekt het niet, maar mooie woorden hebben nog nooit een ecosysteem hersteld. Neem die bezwering over het gebruik van “gewasbeschermingsmiddelen”, een aardig eufemisme voor “landbouwgif”. Die zouden in Nederland alleen maar gebruikt worden als het echt niet anders kan; “geïntegreerde gewasbescherming” heet dat dan. (gewasbeschermingsmiddelen = landbouwgif)

• om ruimte te maken voor megastallen. Dat is depositieruimte, om in het eufemistische jargon te blijven. De Partij voor de Dieren is de enige partij die zich hier met hand en tand tegen heeft verzet, de enige partij die zich niet in het pak heeft laten naaien door het slim gekozen frame dat de Programmatische Aanpak Stikstof bedoeld was voor natuurherstel. (depositieruimte = megastallen)

• Niet één koe, maar 200.000 koeienoffers moeten Brussel gunstig stemmen om de derogatie ongemoeid te laten. Dat is een eufemisme voor mogen afwijken van alles wat is afgesproken. (derogatie = mogen afwijken van alles wat is afgesproken)

• Wanneer wildbeheereenheden – dat is een eufemisme voor jagers – op basisscholen vertellen dat het doodschieten van dieren nodig is en de kinderen zelfs wapens in handen geven, zegt het kabinet: dat staat basisscholen vrij en jacht is legaal in Nederland. Wanneer organisaties die opkomen voor de belangen van dieren een lezing geven, stuurt het ministerie van OCW een brede waarschuwing uit. Ik vind dat ongehoord. (wildbeheereenheden = jagers)

• Middels deze nota van wijziging worden nog meer nieuwe stallen en uitbreidende veeboeren – in de nota eufemistisch “projecten” genoemd – vrijgesteld van vergunningplicht. Opnieuw wordt de Natuurbeschermingswet uitgekleed. In plaats van een individuele vergunning voor deze projecten te verlenen, worden ze meegenomen in het bestemmingsplan van het landbouwontwikkelingsgebied – dat is het namelijk – en voilà, weg is het probleem! (projecten = nieuwe stallen en uitbreidende veeboeren)

• Om nog maar te zwijgen van het lot dat deze muizen vervolgens wacht, want zodra de eitjes bevrucht zijn, worden de dieren gedood en opengesneden. Ook dat heet dan eufemistisch “het oogsten van embryo’s”. (oogsten van embryo’s = gedood en opengesneden)

• Ik heb al aangegeven dat er weinig informatie is over dierproeven. Het lijden van dieren wordt eufemistisch aangeduid als ongerief. (ongerief = lijden)

Bij dat laatste voorbeeld begint de volgende aflevering: wordt a.s. vrijdag vervolgd.

Posted in PARLEVINKEN | 1 Comment

Eufemisme, eufemistisch en wat er op lijkt (i)

Het is een wat bittere toon die Hendrik Drucker in de Tweede Kamer aanslaat op 17 mei 1907: “En”, zeide de Minister, „soms komt die dagvaarding wel eens te laat ter kennis van den belanghebbende.” De Minister noemde dat euphemistisch „tardief”; dat klinkt niet zoo hard; „te laat” begrijpt men beter. Men kan dan later vernemen, dat men veroordeeld is vóórdat men een dagvaarding heeft ontvangen.”

In dit kader is het woord eufemistisch het signaal voor die bittere toon, een aanklacht tegen onrecht. Maar als Kamerleden tegenwoordig iets eufemistisch noemen, bedoelen ze meestal een understatement. Om het ingewikkelder (maar ook helderder) te maken kunnen we een understatement onderscheiden van een litotes. Misschien is het allemaal allemaal VWO-stof, maar volg de tekst gewoon, lezer, aan het eind van het serietje dat ik hier probeer te maken, staat een kleine samenvatting gepland.

Laten we kijken wat het beeld is van die momenten dat het woord eufemisme en eufemistisch in de Tweede Kamer klinkt. Ik voorspel alvast dat wat ik verderop “echte eufemismen” zal noemen, het interessantst vind vanuit politiek-taalkundig oogpunt.

Interessant is niet hetzelfde als komisch, want dat is het als een spreker als Klaas Dijkhoff ergens in 2017 zegt: “(…) dat er in dit onderdeel van het asielbeleid, namelijk de terugkeer, een hapering zit, om het maar eens eufemistisch te zeggen.” Hier is het vermakelijke tongue-in-cheek dat de VVD-woordvoerder een hapering noemt wat hij héel slecht geregeld vindt. Dat is ook de letterlijke betekenis van eufemisme, ‘mooi zeggen en daarmee verhullen’. Maar Dijkhoff zélf verhult hier helemaal niet, juist door de toevoeging “om het maar eens eufemistisch te zeggen” vestigt hij er de aandacht op: begrijp me niet verkeerd, luisteraar, ik zég wel hapering maar ik bedóel een veel ernstiger woord dat u zelf wel kunt invullen. Kortom, hier wordt door een spreker het omgekeerde van een hyperbool gebezigd, geen over- maar een ónderdrijving – een understatement.

Martin van Rooijen van 50PLUS zegt in hetzelfde kalenderjaar 2017 in de Plenaire Zaal: “(…) om meer te beleggen in Nederlandse bedrijven door barrières weg te nemen, zoals dat eufemistisch heet”. Dat is eenzelfde methode van een spreker om te wijzen op omfloerste taal – hoezo, barrières wegnemen door bijvoorbeeld 1.4 miljard euro aan dividendbelasting cadeau te doen of rulings te treffen met honderden bedrijven die dan fiscaal prettig behandeld worden?

Dijkhoff en Van Rooijen zijn niet de enigen. Sterker, eufemisme en eufemistisch zijn zéer geliefde etiketten die sprekers op stukjes in hun Tweede Kamerbijdragen plakken. Uit het afgelopen jaar nog een paar voorbeelden, telkens understatements die als eufemisme geafficheerd worden:

• ontstaat er een claim die niet onmiddellijk wordt terugbetaald, zeg ik heel eufemistisch. (Pieter Omtzigt, CDA)

• Dit is een onderwerp dat al heel lang speelt. Hoe zal ik het eufemistisch zeggen? Het is niet geheel uit te sluiten dat het deze kabinetsperiode niet lukt. (minister Zijlstra over het Midden-Oosten)

• Het is een spannende periode in de wereld. Dat is natuurlijk een eufemisme. (minister Kaag)

• (…) is hij bereid om over de onderlinge verhoudingen opnieuw met de Caribische delen van ons Koninkrijk en met ons als parlement in gesprek te gaan om te kijken of we tot een — laat ik het maar vriendelijk zeggen, met enig eufemisme*) — optimalisering kunnen komen? (Roelof Bisschop, SGP)

• dat de informatievoorziening over en weer — wie bel je als er een probleem is, weet de wethouder dat, zijn er soms andere aanbieders die iets kunnen? — nog wel verbeterd kan worden; zei hij eufemistisch. (staatssecretaris Van Rijn)

• We hebben gezien dat er in 28 van de slachthuizen waarin onverdoofd wordt geslacht, sprake is van tekortkomingen. Dat is een eufemistische term om te zeggen dat het niet goed gaat. (Esther Ouwehand, PvdD)

*) Let op: enig eufemisme zegt Roelof Bisschop. Woorden op –isme zijn in verschillende groepen in te delen, bijvoorbeeld op basis van hun telbaarheid: een germanisme, een anglicisme e.d. zijn alleen al daarom iets anders dan alcoholisme of amateurisme dat gewoonlijk niet van het lidwoord een voorzien kan worden en anders dan germanismen en anglicismen niet in het meervoud om te zetten. Een vleugje paternalisme lijkt me gangbaar Nederlands, enig eufemisme klinkt mij vreemd in de oren: een paternalisme is gek, een eufemisme is normaal ABN. Twee eufemismen is prima net als een handvol frisismen. Maar twee illusionismen, enkele triomfantalismen, een paar obscurantismen, nee toch? Daarom, we hebben twee soorten –ismen en eufemisme hoort bij de telbare soort.

EUFEMISME Van Dale

Wordt vervolgd: a.s. maandag

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment

De taal van de straat in de plenaire zaal: Boven de partijen (ii)

Nog eenmaal over het boek van Gerry van der List, Boven de partijen.

In het korte stuk over Piet Bukman (die evenmin lang Kamervoorzitter geweest is, namelijk in de periode 1996-1998) staan naar verhouding de meeste en duidelijkste taalveroordelende opinies. Kamerleden moeten zich duidelijker uitdrukken (blz. 84), zegt hij, maar op de volgende bladzijde lezen we in contrast bijna: “Ik vind het geen vooruitgang dat de taal van de straat steeds meer in het parlement wordt gesproken.” Wel ABN, geen straattaal, aldus Bukman.

Vóor hem was Deetman Kamervoorzitter. Hij was de opvolger van Dick Dolman, die teleurgesteld afscheid moest nemen van de functie die hij met genoegen had bekleed en naar tevredenheid van veel parlementariërs. Dat maakte de stemming in 1989 duidelijk, want Dolman werd nipt verslagen. Het overkwam Deetman (CDA), zegt hij: “wij waren de grootste partij”. In feite kon Deetman z’n hele kandidaatstelling niet helpen: “Het was bij mijzelf niet opgekomen. Ik ben gevraagd. Ik was verrast, verbaasd.”

Hier moet van hogerhand bij geholpen zijn. Heeft minister-president Lubbers er een rol in gespeeld dat zijn minister van Onderwijs voorzitter werd? Het staat niet in Boven de partijen, maar er vallen enkele kritische opmerkingen over de oud-premier (bijvoorbeeld in het stuk over Dolman). Deetman zegt dat hij als minister door Dolman in zijn rol als voorzitter altijd goed behandeld is en voegt daaraan toe: “Dat konden niet al mijn collega’s zeggen.” (blz. 72)

Ook Wim Deetman is bezorgd over “het oprukken van volks taalgebruik. (…) Ruw taalgebruik kan ertoe leiden dat de werkelijkheid geen recht wordt gedaan. De nuance gaat dan verloren. Het is niet zo dat de kiezers zich beter vertegenwoordigd voelen als Kamerleden plat praten. Kiezers zijn niet gek.” (blz. 75) In dat verband had Deetman wel eens aanvaringen met Jan Marijnissen: “Dat hebben we uitgesproken. Marijnissen heeft zich aangepast.”

Verrassend is dat het taal-onderwerp geregeld aan de orde komt in de gesprekken, maar veel voorbeelden lezen we eigenlijk niet. Nu ja, dimmen en nepparlement. Deze PVV-term (waarbij nep– waarschijnlijk een vertaling is van Eng. fake, SR) zou Deetman niet hebben laten passeren, zegt hij, maar dat gebeurde in een andere periode. ““Ik zou dit en dat hebben gedaan” zult u niet snel uit mijn mond horen. De tijden zijn veranderd. Het heeft geen zin om de ervaringen van je eigen voorzitterschap als les voor te houden aan een latere voorzitter. Dat is idioot. Dat moet je niet willen.” (blz. 75)

Hier is hetzelfde aan de hand als in het geval van Jeltje van Nieuwenhoven (zie de vorige aflevering over dit onderwerp). Het is duidelijk dat de citaten uit 2017 dateren, lang ná Deetmans eigen functioneren op de voorzittersstoel. “Dat moet je niet willen” is een manier van zeggen die pas rond 2000 begon op te komen. Maar bijzonderder is het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord idioot juist uit de mond van iemand als Deetman. Het woord in deze betekenis – ‘belachelijk’ dus niet zoals vroeger als aanduiding voor iemand die geestelijk gestoord is – is enerzijds gangbaar geworden na het vertrek van Deetman, anderzijds in de Tweede Kamer bij uitstek hoorbaar vanaf de flanken en niet of nauwelijks uit de kring van zijn eigen CDA. De vraag zou kunnen zijn, of Deetman zo’n woord bij nadere beschouwing ook niet een voorbeeld van opgerukt volks taalgebruik vindt.

Hij zou zich kunnen verdedigen met te zeggen dat het inmiddels een andere periode is. Taal verandert, ook aan het Binnenhof.

Boven de partijen. De voorzitter van de Tweede Kamer bevat onder andere een wel zéer royaal register, van Piet Aalberse tot Zwitserland.

Gerry van der List, Boven de partijen. De voorzitter van de Tweede Kamer, Amsterdam 2018.

Posted in PARLEVINKEN | Leave a comment