Op een haar + op een oor na gevild = op een haar na gevild. N.a.v. de biografie van Hans van Mierlo

Kan het zijn dat er in de volgende zin een contaminatie voorkomt, een mix van twee uitdrukkingen? “Na vijf maanden lijkt de vorming van een kabinet op een haar na gevild.” Laten we ons niet bekommeren om het geploeter van Jaap Burger en Marinus Ruppert in de vroege jaren ’70 van de vorige eeuw en laten we Den Uyl en Van Mierlo ook ergens in een ruimte aan het Binnenhof de loop van de geschiedenis laten afwachten en naar de talige inhoud kijken.


“Na vijf maanden lijkt de vorming van een kabinet op een haar na gevild” staat in het begin van het hoofdstuk dat de vorming van het kabinet-Den Uyl beschrijft in Hubert Smeets’ lezenswaardige biografie van Hans van Mierlo, zojuist verschenen. (Het staat onder meer op blz. 143.)
Ik denk dat het een optelsom is van deze twee idiomatische uitdrukkingen in het Nederlands:

  • op een haar (na)
  • op een oor na gevild

In Dat gezegd hebbend… staan een paar voorbeelden van dat soort verschoven taal, hetzij als woord (plotsklaps = plotseling + eensklaps, puinzooi = puinhoop + rotzooi), hetzij als uitdrukking. “In het pak genaaid is mogelijk een contaminatie van in het pak gedaan ‘kind in de luiers gestopt’ en genaaid ‘belazerd’… zoals dat wat oneerbiedig heet.” (Dat gezegd hebbend… p. 153)

Van Dale plaatst beide uitdrukkingen op één lijn: het is op een oor of haar na gevild ‘het is nu bijna klaar, gebeurd, achter de rug’. Maar het grote boek van Stoett (zie F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk) via DBNL.nl) heeft maar één van deze twee: “Het varken is op een oor na gevild (of gewasschen), d.w.z. de zaak is op eene kleinigheid na afgedaan.”
Op een haar wordt door Stoett alleen op zichzelf beschreven, zonder dat er van villen sprake is: “Op een haar, d.w.z. zoodat het niet de breedte van een haar scheelt, verschilt; zoodat er niet de breedte van een haar aan ontbreekt”.

Als we via LexisNexis en dus in hedendaagse kranten kijken naar het voorkomen van dat villen in combinatie met hetzij een haar, hetzij een oor (in dialecten kunnen de woorden haar en oor vrijwel identiek klinken), dan zien we dat Van Dale gelijk heeft, beide komen vergelijkbaar frequent voor.
Er is wél onderscheid te maken als we de context erbij betrekken. Op een oor na zien we bij uitstek als er iets gedaan is dat bijna af is, op een haar na combineert vooral goed met iets passiefs, een gebeurtenis die nét niet heeft plaats gevonden. Typerend is het dus dat in een krant staat dat een verbouwing, een aankoop op een oor na gevild is (het varkentje is bijna gewassen), terwijl daartegenover een auto op een haar na in de sloot belandde, een voetbalclub is op een haar na veilig e.d.

Op een oor na villen is beeldend, op een haar na villen is daarentegen niet voor te stellen. Maar beide betekenen ‘vrijwel’ en het is dus geen wonder dat daaruit zo’n versmolten uitdrukking voortkomt.
De eerste die in de Tweede Kamer volgens de Handelingen de gecontamineerde variant gezegd heeft is mevrouw Ginjaar-Maas (VVD): “Als zoiets op een haar na gevild is, is het schandelijk dan nog de zaak op te willen houden.” (5 april 1979) Op een oor na gevild komt al veel langer voor (in deze bron zeker sinds 1907) en dat maakt die gedachte aan een mix extra aannemelijk.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De doctrine, feitelijk en anekdotisch: Bolkestein en Rutte

Frits Bolkestein (VVD) is de Nederlandse politicus aan wie het vaakst het doctrine-etiket is toegevoegd. Dat is enerzijds misschien geen wonder (hij was Europees Commissaris en in die hoedanigheid kan een onder hem uitgevaardigde richtlijn doctrine genoemd worden), maar wel dat hij er in het Nederlandse parlement zo vaak mee geafficheerd is. Het overkwam hem meer dan iemand anders én in verschillende betekenissen.

Zelf heeft Bolkestein over de ministeriële verantwoordelijkheid gesproken. Hij ontkende toen (tegenover Enneus Heerma CDA) dat er iets als een Carrington– of Bolkestein-doctrine was. Wat is er wel: “er is geldend staatsrecht”.

Willibrord van Beek (VVD) vatte dat staatsrecht in 2006 als volgt samen: “Wij zijn en blijven een fervent aanhanger van de Bolkesteindoctrine. De minister is verantwoordelijk, ook voor de ambtelijke organisatie, dus voor het doen en laten van zijn of haar medewerkers. Ook al treft de minister persoonlijk geen blaam wanneer er iets misgegaan is en ook al is er geen sprake van schuld bij hem of haar persoonlijk, dan nog blijft de minister altijd verantwoordelijk. Daarover kan geen misverstand bestaan.”

Maar op andere momenten blijkt uit de Handelingen dat er ook andere lezingen bestaan van de inhoud van de Bolkestein-doctrine:

• de Bolkesteindoctrine van de kostendekkende premies (1997)

• de Bolkestein-doctrine dat je eigenlijk niet acht jaar aaneengesloten op hetzelfde departement zou moeten zitten (Eerste Kamer 1998)

• hier lijkt zich een nieuwe Bolkesteindoctrine te ontwikkelen. Het dualisme lijkt zo geı̈nterpreteerd te worden dat de fractie van de VVD in de Kamer slechts wensen formuleert (wat spottend, Rosenmöller 1997)

• Vanuit het beginsel dat je een gulden dáár moet inzetten waar die het meeste oplevert (de Bolkesteindoctrine bij het milieu) geldt dat elke gulden voor de verkeersveiligheid vele malen méér maatschappelijk rendement oplevert dan een gulden voor de filebestrijding (1999)

• Bij Europese aanbestedingen kan de Bolkesteindoctrine om altijd de goedkoopste te kiezen, zeer slecht uitpakken voor het milieu. (2001)

• …. om je blindelings in het Europese marktgeweld te storten door de energiebedrijven, inclusief de netten, te privatiseren – de oude Bolkestein-doctrine – desnoods nadat je eerst een nationale kampioen hebt gemaakt. (2006)

In het voorbije kalenderjaar heeft Mark Rutte op diverse momenten laten zien, hoezeer familienaam+doctrine een anekdotisch moment in een debat kan opleveren:

• “Ik heb het vaker gezegd, ook in de media: hier geldt de Henk Kampdoctrine. Voor Henk Kamp werkten er maar twee mensen op Defensie: hij en de staatssecretaris. Ja, er waren er ook nog 60.000. Maar als daar kritiek op was, verdedigde hij de organisatie als zodanig.”

• “Het komt soms voor, vooral voor algemeen overleggen, dat er grote stapels stukken nog op het laatste moment worden toegezonden. Ik heb daar de Schippersdoctrine op toegepast. Edith Schippers belde in zo’n geval de voorzitter van de vaste Kamercommissie en zei: sorry, het kan echt even niet anders, maar er is nog een hele hoop informatie voor een AO dat heel binnenkort aanstaande is, zullen we het een paar dagen later doen?”

• “Koolmees was al bekend als onderdeel van de trojka en als minister van Sociale Zaken, maar hij is ook de uitvinder van de Koolmeesdoctrine. De Koolmeesdoctrine luidt dat gedrag uiteindelijk de kern is, dat het niet om de maatregelen gaat maar om het gedrag; maar hoe kom je van maatregelen en handhaving tot gedrag? Daar hoort communicatie bij. Daar hoort ook bij dat je ruiterlijk de enorme impact benoemt die het heeft.”

Wat de impact is van het bestaan van de Rutte-doctrine kunnen de komende weken duidelijk maken.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De betekenisontwikkeling van een woord: n.a.v. de Rutte-doctrine

Kijken in Van Dale naar de betekenis van het woord doctrine levert deze simpele informatie op: doctrine is ‘leer, leerstelling’. Dat is niet alleen simpel, het is ook onvolledig en de Handelingen van het Nederlandse Parlement kunnen ons aan een completer beeld helpen. Door het aftreden van Rutte-III en door het aangekondigde voornemen van het kabinet om de informatievoorziening te verbeteren, is het wel zeer actueel om aandacht te schenken aan doctrine. Immers, het was de Rutte-doctrine waarin het ontoereikende van de informatievoorziening waarover de Commissie-Van Dam sprak tot uitdrukking kwam.
Het was maar één sms-je van een ambtenaar, aldus Rutte, maar Rutte-doctrine is een etiket waar het zeker in campagnetijd vaker over zal gaan.

Google-afbeeldingen: Rutte bij de Commissie-Van Dam

Er is een duidelijke ontwikkeling in de inhoud van doctrine, van zwaar naar licht.
Het zware zit ‘m in de oorspronkelijke toepassing als er sprake is van een bestaande doctrine in vooral de rechtswetenschap maar ook in de kerkelijker sfeer van de dogmatiek. Voor juristen bijvoorbeeld is doctrine ‘de rechtsleer’, de theorie die als het ware de basis is of zou behoren te zijn van de rechtstoepassing, de jurisprudentie. In de Kamer is er wel eens onderscheid gemaakt tussen doctrinejuristen en praktijkjuristen.

Bij een vrij willekeurige plons in de parlementaire notulen vanaf het jaar 1950, zien we dat doctrine ook iets anders betekent, namelijk ‘politieke strategie’. Vooral de communistische doctrine, de Stalinistische doctrine zijn termen die in de Koude Oorlog geregeld vallen en die dan zeker een negatieve lading hebben. Hier voor het eerst zijn doctrine en indoctrineren echt naaste familie van elkaar.
Stalinistisch is een bijvoeglijk naamwoord (teruggaand op Stalin), een woordvorming die bijvoorbeeld het Engels ontbeert. Uit (ik neem aan) die internationaal-politieke taal komen daarom veel voorbeelden van de naam van een politicus gevolgd door –doctrine, waarmee een bepaalde aanpak in bijvoorbeeld de buitenlandpolitiek van een land of groep landen wordt uitgedrukt. De Truman– en de Eisenhower-doctrine zijn daarvan een voorbeeld, aan andere zijde de Breznjew-doctrine. Een reeks van regeringsleiders of ministers van Buitenlandse Zaken e.d. zijn langs deze weg vereeuwigd: Monroe-, Hallstein-, Dulles-, Baker-, Nixon-, Bush- en Bangemann-doctrine kunnen we hier onder rekenen. De Brundage-doctrine was een algemene regel uit de sfeer van de Olympische Spelen.
Heel soms – wellicht mede onder Franse invloed – is de volgorde omgekeerd zoals in de doctrine-Ailteret, de doctrine-Beaufre.

Zoals Van Dale in een reeksje voorbeelden demonstreert, er zijn ook samenstellingen als bedrijfsdoctrine, kerkdoctrine, overheidsdoctrine, partijdoctrine, staatsdoctrine. Daar is ‘leerstelling’ soms wat meer, soms wat minder van toepassing. Toen D’66 opkwam, was er sprake van een ontploffingsdoctrine: als we ons werk hebben gedaan gaan we onszelf opheffen. Daar lijkt –doctrine eerder een ‘voornemen’.

Na enkele kleine aankondigingen in de Nederlandse politiek werd 1997 het jaar waarin de toevoeging van –doctrine aan de naam van een Nederlands politicus doorbrak; let wel: voor binnenlands gebruik. Ik denk dat premier Lubbers er in 1993 mee begon toen hij met stille spot sprak van de Bolkestein-doctrine. Milieu-aspecten en de OV-jaarkaart voor studenten raakten elkaar in het toenmalige debat en Lubbers zei toen: “(…) krachtens de Bolkestein-doctrine moet hij een gelukkig mens zijn, want de overheid bemoeit zich er in ieder geval niet meer mee?” Bolkestein schoof dat punt liever even terzijde, maar hij was wel de eerste of een van de eersten naar wie een –doctrine geëtiketteerd werd. Bovendien overkwam het Bolkestein als een van de weinigen bij dit etiket dat dit diverse malen en in verschillende toepassing gecreëerd werd.

Een lange reeks van Nederlandse politici zijn dragers van het onderscheidingsteken dat het tweede lid –doctrine is zoals Wolffensperger, Stellingwerf, Jorritsma, Vendrik, Zalm, Balkenende, Van Aartsen, Van Mierlo, Van der Vlies, De Hoop Scheffer, Donner, Nawijn, Rosenthal en in de laatste Kamerperiode Snel, Bisschop, Dijsselbloem, Zijlstra, Van Ojik, Femke Halsema, Nijboer, Hans Alders, Koolmees, Schippers en Henk Kamp. Soms dus met voornaam en al, soms in de omgekeerde volgorde zoals in het verleden bij ons sprake was van de doctrine-De Vries, de doctrine-Drees/Oud.

De bijzonderste in dit rijtje is Roelof Bisschop. Het was premier Rutte die deze onderscheiding een keer in de Tweede Kamer op zijn (stille) gedoger van de SGP plakte: “Dit valt allemaal onder de Bisschopdoctrine: wijzigingen slechts na intensief overleg met de Kamer.”
Wie kent de Bisschopdoctrine? Veel succesvoller is de Rutte-doctrine, die vooral betrekking lijkt te hebben op iets uit de sfeer van selectief geheugen en het niet-volledig informeren van de Tweede Kamer. Waar één sms-je van een ambtenaar al niet toe kan leiden.

Vandaag werd Lord Carrington niet genoemd, ook al is hij de naamgever van de Carrington-doctrine: een bewindsman moet aftreden als de diensten die onder zijn verantwoordelijkheid opereren ernstig tekortgeschoten zijn, ook als deze bewindspersoon daar persoonlijk niet van op de hoogte was en er ook niets aan had kunnen doen. Zo formuleert Wikipedia het en voegt toe dat het een Nederlands begrip is, laat in de jaren ‘80 gemunt door… Frits Bolkestein.

Volgens een strikte uitleg van die doctrine is het de vraag, of Lodewijk Asscher gisteren had moeten aftreden (hij was geen bewindsman) en of het héle kabinet z’n ontslag vandaag wel had moeten indienen: ze hadden de betreffende diensten niet allemaal onder hun verantwoordelijkheid. Misschien had de premier ook alleen kunnen aftreden? Hoe zegt hij het zo graag: “Ik zeg: alles wat goed ging, heeft het team gedaan en alles wat niet goed ging, moet u mij aanrekenen.” Dat is kennelijk niet de concrete invulling van die Rutte-doctrine.

Kort samengevat: doctrine was iets groots als een leerstuk; het werd een (vooral internationale) strategie; in de Nederlandse politiek is het tegenwoordig eerder een trucje, een pesterijtje of zelfs een scheldwoord.

P.S. Het aftreden van Rutte-III is internationaal nieuws, CNN, The Guardian, Süddeutsche Zeitung:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Plus The Washington Post (de kop is een citaat uit de persconferentie van vanmiddag) en de Oostenrijkse omroep ORF:

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Voor het kabinet valt: nog even missionair terugblikken op taal van politici

“Je weet het niet, je weet het niet,”- zei Wim Kan dat al? Rutte III kan zomaar vallen door of vooruitlopend op wat Jesse Klaver (GroenLinks) en Lilian Marijnissen (SP) hebben aangekondigd.
Spannende tijden aan het Binnenhof. Wie gaan er, wie blijven er als de motie van wantrouwen wordt aangenomen? Of zet het kabinet er zelf een streep onder?

Stiekem kijken we nog even missionair terug op Binnenhofse taal uit de afgelopen jaren, taal van politici die onderwerp van attentie geweest is in dit blog. Een selectie (klein en ruw) nu we de spelers van het Haagse spel nog kennen. Véél meer staat er natuurlijk in Dat gezegd hebbend…

• Khadija jullie en ik ben de voorzitter Arib

• Thierry sluipmoordenaar Baudet

• Vera nabrander Bergkamp

• Ank eh Bijleveld

• Roelof gaarne Bisschop

• Martin huiliehuilie Bosma

• Jasper dat boeit niet van Dijk

• Nico diepgelovig Drost

• Jacco paGIna Geurts

• Rob verwachtingenmanagement Jetten

• Hugo der dingen de Jonge

• Jesse de heer Rutte Klaver

• Alexander gierend uit de klauwen Kops

• Renske tegen de plinten Leijten

• Helma gaat-u-gang Lodders

• Agnes versloeren Mulder

• Pieter alsdan Omtzigt

• Esther landbouwgif Ouwehand

• Mark Ruttiaans Rutte
• Mark besliste taal Rutte
• Mark HEMAworstliefhebber Rutte
• Mark zonder het Ruttiaans Rutte

• Carola zomaar gewasbeschermingsmiddelen en hoe of dat wij Schouten

• Arie ook als het gaat om met betrekking tot Slob

• Kees van nou en van de Psalmpolitie van der Staaij

• Madeleine stuiteren van Toorenburg

• Barbara als het gaat om Visser

• Eric gut gut en jeetje Wiebes

• Geert voor de bus gegooid Wilders

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Der dingen: wat is een greep naar ouder Nederlands, wat is aanstelleritis

De verdergaande digitalisering gooide een poosje roet in het eten, toen Internet of Things, IoT, vertaald werd als ‘internet der dingen’. Maar verder leek het ouderwetsige “der dingen” in de richting te gaan van een langzame dood in de nationale vergaderzaal. Goed, er was natuurlijk wel eens een vertegenwoordiger van een partij op religieuze, vooral protestantse, grondslag die het passend vond om der te gebruiken. Ook een enkele andere ervaren vergaderaar (minister Melkert, staatssecretaris Dijksma, Kees Vendrik (GroenLinks)) wierp het procedurele “volgorde der dingen” in de strijd en van het huidige kabinet vooral mevrouw Schouten, mevrouw Ollongren en Van Nieuwenhuizen. Verder leek deze tweede naamval meervoud op een langzaam uitdovende kaars.

Totdat de vlam vooral in het coronajaar 2020 begon op te flakkeren. Dat had vooral te maken met de minister van VWS die toen zo vaak in de plenaire zaal het woord moest voeren. Hugo de Jonge is de gebruikskampioen onder de der-dingenzeggers en hij beperkt zich in dit opzicht lang niet altijd tot de gewone (volg)orde der woorden.
Enkele voorbeelden zonder nadere context zijn voldoende:
• Dat is gewoon de werkelijkheid der dingen.
• om gewoon vast te houden aan een langjarig beleid en niet ineens de huidige situatie als de maat der dingen te nemen.
• Dat is de volgordelijkheid der dingen.

Ik denk dat er reden is om aan te nemen, dat een politicus zich via iets als “… der dingen” extern manifesteert als iemand die het klappen van de zweep kent. Hij hoort er bij.
Soms zie je dat iemand zich nog bevindt op weg naar die onderscheiding. Dat is het geval wanneer dezelfde Hugo de Jonge in 2019 blijkens de (ongecorrigeerde) Handelingen uitglijdt en zegt: “Het aantal stichtingen lijkt mij niet per se maatgevend der dingen om de mate van complexiteit aan te tonen.” (31.10.2019) Maatgevend der dingen.

Toen Thierry Baudet een jaartje deel had uitgemaakt van de Tweede Kamer, diende hij in 2018 een motie in waarin hij afweek van de normale slotwoorden “en gaat over tot de orde van de dag”. In plaats daarvan stond er nu: “en gaat over tot de dagelijkse orde der dingen.” Ambtgenoten moeten toen gedacht hebben: Arrivé!

Hetzelfde jaar probeerde de FvD-fractieleider dezelfde grap opnieuw te brengen, maar nu vergiste hij zich: “en gaat over tot de dagelijkse orde van der dingen”. De dagelijkse orde van der dingen.

Als er aan het Binnenhof naar ouder Nederlands gegrepen wordt, kunnen talige spoortjes een indicatie vormen van het ongebruikelijke in de taal van degene die het woord voert, hetzij een bewindsman, hetzij een volksvertegenwoordiger. (Zie wat Henk Krol overkwam toen hij gij verkeerd gebruikte.)
In theorie lijkt het me mogelijk dat er in dit soort gevallen sprake is van aanstelleritis, maar daarover kunnen medici beter oordelen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Aan de lat staan: van schuld naar financiële verplichting naar opdracht

Nog een keertje weerom naar het ingelaste coronadebat van 5 januari 2021. Minister De Jonge (VWS) bleek ook daar een liefhebber van de uitdrukking aan de lat staan. Hij gebruikte het diverse malen, onder andere in het antwoord op de herhaalde vraag, wat hij eerder had moeten of kunnen doen. In essentie kwam het neer op: “de GGD eerder vragen om zich voor te bereiden op grootschalige vaccinatie. Niet alleen voor de groep waarvoor men aan de lat stond, namelijk de groep van 18 tot 60 jaar, maar ook al voor het zorgpersoneel.”

Aan de lat staan komt in Nederlandse kranten op vanaf vroeg in de 21ste eeuw. In een stuk met aandacht voor het dialect van de Achterhoek in De Gelderlander van 25.06.2005 komt Jan Lensink uit Aalten aan het woord (hij is geboren in Haarlo bij Borculo, vader uit Aalten, moeder uit Woold) en verklaart enkele uitdrukkingen. “Ik bunne kats an de latten: ik zit helemaal aan de grond, ik kan nergens meer borgen, want er staat te veel schuld van mij aan de lat. Vroeger werd geborgd, ook in het cafe, en dat werd dan op een lat of aan een balk opgeschreven.”

Aan de lat staan betekende oorspronkelijk kennelijk – allicht in een horecagelegenheid – dat iemand iets had verteerd zonder te betalen en door het aan de lat te schrijven stond dat vast. Afgaande op het voorkomen in het Brabants Dagblad en de Provinciale Zeeuwse Courant verschuift de uitdrukking vooral in het Zuiden vanaf 2003. Dan gaat het niet meer om een openstaande rekening maar in politiek taalgebruik om een aangegane verplichting met een financieel aspect. Neem als voorbeeld wat er in het Brabants Dagblad van 24 september 2003 staat: “De Brabantse gemeenten staan volgens burgemeester G. Daandels van Deurne ‘aan de lat’ voor 40 miljoen euro op grond van landelijke afspraken die de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) dit voorjaar met rijk en provincies over de reconstructie hebben gemaakt.” Let op de aanhalingstekens rond de uitdrukking die dan dus als nieuw, nog weinig gangbaar wordt aangemerkt.

Wie via LexisNexis aan de lat verder volgt, ziet vooral weer in Zuidelijke kranten, dat er niet meer noodzakelijkerwijs sprake hoeft te zijn van een financieel aspect. Neem deze drie voorbeelden als illustratie daarvan:
• Brabants Dagblad 04.05.2007: (lijsttrekker Onno) “Hoes staat dan ook aan de lat voor het bestuursproject ‘Schoon Brabant’, waarbij de VVD’er onder meer een ambitieus actieprogramma moet ontwikkelen om de ruimtevretende leefstijl van de Brabander, de zogeheten ecologische voetafdruk, milieuvriendelijker te maken.”
• Dagblad De Limburger 12.10.2007: “De minister (Eurlings SR) staat ‘vol aan de lat’, wil ‘alles uit de kast halen’ en ‘zijn ambtenaren – als het nodig is – desnoods tot januari elk weekend over laten werken’”.
• Brabants Dagblad 29.06.2011 (De nieuwe burgemeester, mevrouw Buijs) “Stap twee is dat ik de mensen ga leren kennen, om me een beeld te vormen. Dat gaat verder dan wat ik tot nu toe aan dossiers gelezen heb. Inhoudelijk staan de wethouders natuurlijk aan de lat.”

Hier gaat het telkens om een verplichting die een politicus op zich heeft genomen of moet nemen. Maar al snel kan het ook gaan om een taak of een opdracht buiten het Openbaar Bestuur. Neem de Provinciale Zeeuwse Courant van 19.10.2010 waar het draait om het zwemmen van afstanden in het bad van Hulst: “Kinderen tot tien jaar staan dagelijks voor 250 meter aan de lat. De andere liefhebbers moeten elke dag het dubbele aantal meters afleggen.”

De laatste jaren komt aan de lat staan enkele tientallen malen voor in de Handelingen van de Tweede Kamer – De Jonge scoort hoog! – en dus genoeg om te veronderstellen dat Van Dale dit ook in deze betekenis zal gaan opnemen. Dit woordenboek heeft wel een verwante, maar andere manier van zeggen uit de spoorwegwereld: “aan de lat staan als machinist op een stoomlocomotief dienstdoen”.

Ten slotte. In andere regio’s dan Zuid (Noord en Oost in de eerste plaats en vooral in de sport?) komt aan de lat hangen voor als variant voor ‘bekaf zijn’:
• geloof maar dat ze behoorlijk aan de lat zijn met de vierde wedstrijd in acht dagen (Dagblad van het Noorden 23.03.2009)
• ,Ik had de afgelopen vier jaar al niet bepaald een lege agenda, en de andere wethouders ook niet. Iedereen was behoorlijk aan de lat.’ (De Stentor/Apeldoornse Courant 17.03.2010)

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Hoe complex de coronacrisis is: Pieter Heerma en de stenografen zijn het eens

Het was andermaal duidelijk in het coronadebat van 5 januari dat het ernstig is, die kwestie rond Covid-19 en dat minister De Jonge (VWS, CDA) het er niet gemakkelijk mee heeft. In diens schaduw heeft Pieter Heerma, de Amsterdamse fractievoorzitter van het CDA, in debatten geen simpele rol. Amsterdams: hij laat zijn thuistaal veel duidelijker doorklinken dan bijvoorbeeld collega Asscher (PvdA). Zou het Fries van thuis zijn Amsterdams verhevigen waardoor zo zo vaak klinkt als “so”? Maak daarbij onderscheid tussen wel- en niet-geassimileerde gevallen! In de uiting “Hoe gaan we zo snel mogelijk zo goed mogelijk vaccineren?” is een normale uitspraak van het Nederlands achtereenvolgens “zo” en “so” – Heerma segt in die gevallen (bij voorkeur “gefallen”) de stemloze variant tweemaal so: “Hoe gaan we so snel mogelijk so goed mogelijk vaccineren?”

Heerma (still van debat 05.01.2021)

Het zal Heerma’s realisering “puzel” voor puzzel niet verklaren en er komen ook wel eens hypercorrecties voor in de realisering door Friezen en Mokumers (luister eens naar Frits Wester die bijvoorbeeld “zamen” kan zeggen voor samen), maar er is meer. In de ongecorrigeerde Handelingen van 5 januari j.l. zien we dat de CDA-fractievoorzitter begrijpelijkerwijs spreekt van een vráagstuk voor de minister. Hij licht dat zelf in een tussenzinnetje toe: “Er zijn zo veel verschillende vaccins van verschillende distributeurs, vaccins met verschillende effecten op verschillende mensen; je weet niet wanneer het goedgekeurd wordt en hoeveel je wanneer krijgt; daar komen weer adviezen over van de Gezondheidsraad”.
Dat is niet een vráagstuk, dat is een compléx vraagstuk en zelfs dat is in de gedachten van Heerma waarschijnlijk nog een understatement. Wat zei hij volgens het verslag: “Deze crisis is namelijk zo complex (….)”. Wat zei hij in het vuur van zijn betoog: “Deze crisis is namelijk zo incomplex”.

Incomplex, zoals we kunnen spreken van ingemeen, in- en insmerig. Het voorvoegsel in- kan een bijvoeglijk naamwoord intensiveren. Daar zocht Heerma begrijpelijkerwijs naar in een antwoord op Wilders, die onder andere van zwabberen door De Jonge had gesproken.
Maar in– is een eigenaardig prefixje: z’n betekenis hangt af van de taalhistorische herkomst van het bijvoeglijk naamwoord waar het aan vastgehecht wordt!
Zeker, ingemeen is een versterking van het simpele gemeen, maar bij woorden uit de Romaanse hoek ligt het anders. Inhumaan is het tégendeel van ‘ontzettend humaan’.
Van Dale bevat daarom meer dan één trefwoord voor wie zoekt naar in-:

in-1
als voorvoegsel in samengestelde bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden ter aanduiding dat het in het tweede lid genoemde tot in het binnenste toe, geheel en al, in hoge mate aanwezig is: inbedroefd, inbleek, indom

in-2
als voorvoegsel in ontleende woorden ter ontkenning van het in het tweede lid genoemde: (…) incapabel, incoherent, incorrect

Heerma greep naar het eerste maar kon dat in combinatie met complex niet gebruiken als smaakversterker. De Dienst Verslag en Redactie corrigeerde de CDA-woordvoerder. Niet wat deze zéi staat in de Handelingen, wel wat hij bedóelde te zeggen.

De stenografen heten deze officiële verslaggevers in de wandeling – ik zou ze samen met Pieter Heerma graag beforderen tot stenograven.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen