Onnetje en echie: bij ministeriële beschikking gepromoveerd

Het moment waarop de volkszanger op het station van mijn geboorteplaats uitstapte begon voor hem de zegetocht door het dorp achter het lopende vuurtje aan: Jan Roos! Zo heette hij bij ons, in een groot deel van de provincie was zijn naam Jan de Roos, misschien ook wel de officiële registratie in de gemeente waar hij vandaan kwam, net over de Friese grens. Dat dorp kende ik, een van de huisartsen bij ons was er (leidende figuur in het verzet) ondergedoken, daarheen begeleid door iemand die ik goed gekend heb.
Jan Roos had een wandelstok in de hand, droeg in mijn gedachten een hoge hoed en vooral een lange zwarte jas die volgehangen was met onderscheidingen. Het was wat men later fake zou noemen, zoals zijn hele optreden door zijn buigingen en uithalen misschien iets leek maar niets was. Vooral veel uithalen. Hij oogstte er allicht voldoende mee om in de loop van de middag tevreden (Tot over een jaar of twee!) weerom te gaan naar zijn woonplaats die mij dus allereerst doet denken aan de Tweede Wereldoorlog.

In het Nieuwsblad van het Zuiden van 29 mei 1943 komt een “Nederlandsch student in Duitschland aan het woord” – anoniem, wie weet wie het geschreven heeft. Hij is in een “arbeidslager werkzaam als Sanitäter, belast met de dagelijksche medische verzorging der arbeiders.” De student is heel tevreden. “Het moeilijke is echter om te weten te komen, of ik hier “voor het echie” zit of niet.” Wat een luxe-probleem midden in de oorlog.

Het propagandastukje is de eerste tekst die ik via Delpher vond waarin het woord echie vindbaar is. (Oudste vindplaats is een relatief begrip, ouder dan oudst vindbaar is vast mogelijk.) Na de Tweede Wereldoorlog komt echie voor in sportverslagen. Een vroeg voorbeeld is het schaatsverslag van wedstrijden in Oslo in Het Vaderland van 25 november 1960: Jan Pesman (stayer uit Holwierde) wordt opgeroepen, beter te presteren bij het WK en de Olympische Spelen in Squaw Valley want dan gaat het om het echie. Dat doet onze boerenzoon, in plaats van 15e wordt hij in Amerika derde.*)

Het Vaderland 25 november 1960

Dat echie is typisch een woord uit de wereld van het kinderspel, en wel in de Randstad. Die regionale beperking is zichtbaar aan de jarenlange beperking tot de sportverslagen uit Westelijke kranten. De werkelijke doorbraak naar de sportredacties is aanwijsbaar een feit vanaf plm. 1975.
Geen wonder dat het tot oktober 2000 duurt dat echie in de Tweede Kamer gebruikt wordt. Ad Melkert (PvdA, afkomstig uit Gouda) in een debat over de Staat van de Europese Unie: “Het gaat nu om het echie.”

Dat is wel het moment van de opkomst van het woord – in 2009 is het Alfons Dölle (CDA) die het als eerste als senator gebruikt. Hij was afkomstig uit Gelderland en attendeerde op de gebruikssfeer. De omroep moet aan zijn taken voldoen, “niet alleen op papier, maar ook in het “echie”, zoals voetbaltrainers dat noemen”, zegt Dölle. Ook Jan Marijnissen (SP, Oss) had het aan de overzijde al eens laten vallen.

Minister Plasterk (Den Haag) is de eerste bewindsman met echie in zijn portefeuille en hij kent echie echt! Op 19 december 2012 spreekt hij over zojuist verkregen kennis: “Ik heb 25 jaar onderzoek gedaan, maar kende het verschil tussen een test en een experiment niet. Nu wel: bij een test is het voor het onnetje en bij een experiment is het voor het echie.” Hij herhaalt dat op 24 mei 2016: “Een test is voor het onnetje en een experiment voor het echie.” Twee dagen later volgt uit zijn mond een kleine correctie waarmee de achtergrond van dat onnetje verklaard wordt: “Een test is, zoals we in Den Haag zeiden, voor het onechie en een experiment voor het echie.”
Heeft de Fries Buma (CDA) goed opgelet, gingen zijn kinderen naar school in de omgeving van Den Haag? In hetzelfde jaar stelt de fractievoorzitter apodictisch: “Democratie is geen speeltuin. Democratie gaat om het echie.”

De frequentste echie-zegger van dit moment is minister De Jonge (VWS). In het corona-overleg met de Tweede Kamer van de afgelopen week, 15 april 2021 wist hij in een-en-hetzelfde debat van geen ophouden:
• straks, als je voor het echie aan de slag gaat,
• na het wetsvoorstel kunnen we dat toegangstesten pas voor het echie doen
• als we overgaan naar fase 2, waarin we het voor het echie gaan doen
• dan kunnen we straks ook voor het echie aan de gang

Ik zie in gedachten iemand die zwaait met een wandelstok, allerlei decoraties op zijn zwarte jas en uithalen, véel uithalen.

Jan de Roos (still uit OOG-reportage, fragment)

*) Jan Pesman is in die tijd zo populair dat hij zich met zijn verloofde in dezelfde straat als Jan de Roos hierboven, de Herestraat in Groningen, nauwelijks kan vertonen. Hij gaat dan een winkel binnen en schaft zich er een hoed aan om daardoor minder herkend te worden. (pers. med. aan mij door Pesman, SR)

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het Orkest van André Vieux, Ronnie Flex en Hugo de Jonge: inlassen

In een vroegere spelling van het Nederlands was er verschil zichtbaar – niet te hóren overigens – tussen ingelascht en ingelast. Lasschen was wat we nu schrijven als lassen ‘ergens iets tussen maken’, vooral wat een ambachtsman zoals een timmerman of een smid doet. Als de klus geklaard was, was er ergens iets ingelascht. Ingelast was het voltooid deelwoord van een werkwoord ingelasten dat we normaliter niet in woordenboeken vinden.
In te lassen is zeer geregeld in media te vinden, in te gelasten zeer zelden maar het komt voor. Nemen we als voorbeeld de bonte avond van carnavalsvereniging De Muuzevangers in Maarheeze in 2018. Het thema was dat jaar “Station Maarheeze” waar het orkest van André Vieux op een van de wereldtournees strandde. Wat deed de dirigent in deze (schitterende, geloven we het Eindhovens Dagblad van 22 januari van dat jaar) parodie? “Het orkest maakte gebruik van het oponthoud door een extra repetitie in te gelasten op het perron.”

Enkele weken eerder stond in Het Parool (van 6 december) de aankondiging dat de populaire rapper Ronnie Flex door het succes van zijn toer door Nederland met de Deuxexperience band had besloten om “een extra concert in te gelasten”.

Tweemaal dezelfde constructie met in te gelasten maar er is een klein verschil in betekenis. Bij de rapper werd een concert aan de agenda toegevoegd, wie erbij wilde zijn kon proberen een kaartje te bemachtigen voor Paradiso. In het geval van De Muuzevangers werd er weliswaar ook iets tussengevoegd maar dat was een repetitie voor het orkest en dat zal dus eerder een opdracht geweest zijn. In het geval van Maarheeze lijkt “in te gelasten” meer op zijn plaats dan in Amsterdam.

Dat is meestal zo, als we kijken naar de teksten die LexisNexis laat zien – in te gelasten is niet zelden in feite inlassen omdat er geen enkel aspect van gelasten en dus ‘een opdracht of commando’ zichtbaar is.

Maar neem nu De Haagse Stemming (die hier meer dan eens aangeprezen nieuwsbrief van NRC Handelsblad) van 15 april 2021. Zorgen over bijwerkingen van het Janssen-vaccin brachten de minister van VWS tot een besluit: “De Jonge vindt het „heel verstandig” om een prikstop in te lassen.” Hier is het een richtlijn van het ministerie en daar past dus beter in te gelasten. Misschien een onderwerpje voor het Taalloket van Onze Taal, waar ik de kwestie nog niet kon vinden.

De Haagse Stemming – NRC Handelsblad 15.04.2021

Hyperventilerend aan het plafond. De coronadashboard van de overheid mag beweren dat de situatie in heel Nederland zeer ernstig is, een lolletje moet kunnen. De minister grijpt opnieuw naar zijn beeldspraak uit januari 2020. Toen zei hij volgens de Handelingen: “Stel dat het kabinet had moeten zeggen: “oké, we nemen deze stijging van de uitgaven, maar helaas moeten we die 2 miljard dan wel verhalen op Defensie”, waardoor de heer Van der Staaij van boosheid van het plafond gekrabd had moeten worden, “of op het onderwijs”, waardoor de heer Jetten uit de kroonluchter gevist had moeten worden. Ja, dan hadden we natuurlijk wel een heel ingewikkeld debat gehad met elkaar!”

Dat wordt lachen straks bij het coronadebat. Half 2 in het theater aan Het Binnenhof, Plenaire Zaal.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

PONTIFICAAL, van vol ornaat naar opzichtig-nadrukkelijk. En dan?

Pontificaal (foto SR)

De magnolia verzette zich enkele weken met zeker succes tegen de kou die lange tijd vanuit het Noorden het land binnenstroomde en stelde de bloei uit. Maar de prunusachtige boom op dew foto voor de RK-kerk in Bedum trok zich van de kille polaire lucht niets aan en bloeide in de eerste aprilhelft van 2021 pontificaal. Komen we verderop op terug.

Omdat de Centrumdemocraat Hans Janmaat altijd klaagde dat er niemand naar hem luisterde, ging het Kamerlid Jan Franssen (VVD) op een keer tijdens diens bijdrage pontificaal voor het spreekgestoelte staan, zwijgend. 1) Wat deed Franssen precies, behalve zwijgen?

Wat doet Geert Wilders wanneer hij in 2007 aankondigt ergens pontificaal voor te gaan liggen als er iets gebeurt?

Ik denk dat pontificaal bezig is aan een opmars in het Nederlands – en zeker dat van het Binnenhof. Daarom eerst maar naar het verleden: waar komt pontificaal vandaan? Het heeft dezelfde oorsprong als het werkwoord pontificeren ‘als bisschop bepaalde liturgische handelingen verrichten’. Dat gebeurt in bijvoorbeeld een Pontificaal Lof in vol ornaat waardoor iedereen ziet dat daar een bisschop doende is. Een pontifex is de Latijnse aanduiding voor degene die de link is tussen aarde en hemel, een bisschop en dat kan een normale zijn of de eerste onder hen (de pontifex maximus, de paus). Pontificaal is het bijvoeglijk naamwoord bij pontifex; dat werkwoord pontificeren betekent ook iets figuurlijks, namelijk ‘de bisschop uithangen’ of neutraler in de woorden van Van Dale ‘doen alsof je groot gezag hebt’. Wanneer minister Beyen van Buitenlandse Zaken in 1954 in de Kamer verklaart dat hij níet zal pontificeren is dat een aanduiding van handelen in het besef van bescheidenheid, Nederland is niet het grootste land van Europa.

Als pontificaal in het laatste kwart van de 20e eeuw begint op te komen is het geregeld in de context van ‘opvallend, zéer zichtbaar via de media’. Omdat dit niet zelden een bewuste keus van een politicus betreft, is ‘opzichtig’ ook een juiste vertaling van pontificaal. Met de taalhistorie in gedachten is het verrassend dat politici als Van Middelkoop (GPV/CU), Van der Vlies (SGP) en Cramer (CU) bij de betrekkelijk weinige gebruikers zijn van een oorspronkelijk katholiek begrip.

Mark Rutte pontificaal (foto: Klaas Dijkhoff)

Deze actieve betekenis ‘nadrukkelijk, bepaald niet zonder reden’ is in de praktijk te zien als Mark Rutte op verzoek van Klaas Dijkhoff pontificaal een hoody draagt met de tekst Breda Samen Sterk. Hier op de foto van Dijkhoff binnenskamers, maar ook fietsend op zondag onderweg naar het Catshuisoverleg in het koude voorjaar van 2021. Het is opgetekend te lezen in citaten uit vergaderingen als deze:
“Wat merkwaardig dat de VVD, de leidende partij van Paars die dit allemaal verzonnen heeft, hiervan vervolgens zo pontificaal afstand neemt.” (Kees Vendrik GroenLinks, 2004)
“Het is angstaanjagend om te zien hoe dit soort grote woorden en doelen in het verleden, maar ook nu nog, pontificaal worden neergeschreven in de begroting.” (Han ten Broeke VVD, 2011)
“Daar refereert de heer Van Nispen aan en dat staat dan ook pontificaal in zo’n brief.” (Minister Dekker Rechtsbescherming, 2018)

In het verlengde van het aspect van kijk-mij-eens ligt de negatieve nuance van het Engels, die enorme influencer van de taal aan het Binnenhof (en niet alleen bij de huidige minister-president). De Oxford English Dictionary zegt van pontifically: “Now usually depreciative: arrogantly; dogmatically; pompously.” Zover is het bij ons meen ik nog niet, ook al lijkt pontificaal bezig, zich een weg te zoeken door het Nederlands. CDA-leider Hoekstra gebruikt het woord soms namelijk anders, neutraler. Hij zei over het door corona lastig geworden houdbaarheidssaldo iets waarin pontificaal een passievere betekenis lijkt te hebben: “Laat ik dit bij het ministerie en het planbureau neerleggen om er richting de volgende formatie over na te denken, want ik denk dat die vraag vanaf dag één pontificaal op tafel ligt.” (Minister Hoekstra, Financiën, 2021) Diezelfde Hoekstra had eerder als CDA-lijsttrekker in het Reformatorisch Dagblad van 27 februari j.l. minder neutraal over de vrijheid van onderwijs gezegd: “Ik sta pontificaal achter artikel 23”. Dat onderwerp met dat woord in die bron.

P.S. Frank Poorthuis schreef gisteren in een column voor het AD en een massa regionale kranten over een website van de overheid waarop een kabinetsfoto pontificaal stond opgenomen: het hele Rutte-III dicht opeen in de Tweede Kamer, eind 2019 en dus kort voor corona. Rutte aan het woord, Hugo de Jonge naast hem opkijkend: “Die foto van drie minuten voor de brand en nu: twee schoolmeesters voor een afgebrand schoolgebouw, de schrik nog in de ogen.”

 

1) Aldus Peter Bootsma en Carla Hoetink in Over lijken. Ontoelaatbaar taalgebruik in de Tweede Kamer. Amsterdam 2006:172.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Alle talen zijn mij ener potz natz

In het Hawija-debat van 14 mei 2020 werd een motie van wantrouwen ingediend tegen de minister van Defensie (mevrouw Bijleveld-Schouten). Forum voor Democratie maakte duidelijk, deze niet te zullen steunen omdat deze fractie de indruk had “dat we het in de toekomst beter gaan doen. Ik heb daar vertrouwen in”. Er was zicht op het feit “dat er een aantal dingen echt niet goed zijn gegaan” maar daar zou nu lering uit worden getrokken, verwachtte Thierry Baudet in andere bewoordingen.
Daar, zei hij letterlijk volgens de Handelingen, is “in den breedte zicht op”.

Ik kan me niet zomaar een bijeenkomst voorstellen waarbij iemand “in den breedte” zegt, maar in het Nederlandse Parlement gebeurt het. Weliswaar zijn het incidenten, het wórdt nu en dan genotuleerd en dat is bijzonder.
Allereerst laat “in den breedte” zien dat iemand een formele toon aanslaat, misschien is het zelfs pedant. Dat is geen wonder in een bijeenkomst in des lands vergaderzaal en het is ook niet verboden. Het nieuwe Reglement van Orde rept niet van de taal waarin het woord gevoerd mag worden (je zou verwachten het Nederlands, het Fries of enige andere door het parlement in Nederland erkende variant, nee, alle talen zijn voor het RvO één pot nat maar ik ben benieuwd naar de actie vanuit de voorzittersstoel wanneer een Limburgse volksvertegenwoordiger in het erkende Limburgs zou beginnen te spreken).

In den breedte is om een taalhistorische reden een mengvorm en voor wie Duits in zijn/haar pakket gehad heeft moet dit gesneden koek zijn, Kinderspiel! Wij hebben in het Nederlands lange tijd die rijtjes gehad, in hoge mate vergelijkbaar met wat het Duits nog altijd bezit: der/des/dem/den bij mannelijke woorden, die/der/der/die bij vrouwelijke. De functie in de zin bepaalt welk van de vier naamvallen gebruikt wordt en voorzetsels spelen daarbij een belangrijke rol. Leren dus die rijtjes met aus, bei, mit usw.

In hoort bij de lastiger voorzetsels, de naamval hangt van de betekenis af en een spreker moet dus met meer rekening houden dan uitsluitend het geslacht van het zelfstandig naamwoord. Kijken we naar in den breedte.
Woorden op -e zijn nogal eens vrouwelijk en Van Dale bevestigt dat bij breedte. We zien nu al direct dat het raar is, in den breedte want den staat niet bij de vrouwelijke verbuigingen (die zo lekker simpel waren met die/der/der/die). Wat is er aan de hand?

Er zijn in theorie allerlei verklaringen maar het simpelst is, te wijzen op de versteende uitdrukking “in den brede”. Nu ja, niet zodanig versteend dat deze zelden voorkomt, volgens de ongecorrigeerde Handelingen zelfs enkele tientallen malen in het voorbije kalenderjaar.
Een spreker van het Nederlands die in den brede niet kent of niet begrijpt, die zal dat kunnen corrigeren tot wat er net naast ligt – in den breedte. Fout, maar dr. Baudet was niet de eerste wie/die dat in een plenair debat overkwam. Al in de jaren ‘90 drong het voor het eerst in de Handelingen door in de bijdrage van Wim van Gelder (PvdA): “Uitgaande van het feit dat er eventueel 100 scholen in den breedte zouden kunnen komen en er straks 25 topinstituten overblijven (…).”

Van Gelder kwam uit Het Gooi. Zijn familienaam wijst op een Oostelijke herkomst, maar het zijn in het algemeen vooral sprekers verder van de oostelijke staatsgrens af die hypercorrect “in den breedte” zeggen – ik veronderstelde dat Duits in het pakket hier een rol bij speelt.
In den brede = ‘in der Breite’ of ‘in die Breite’ in het Duits, hangt van de betekenis af.

Hotel Garni In der Breite (Albstadt)

Het Duits van Marten Toonder (hij had wortels in Noord-Groningen) was waarschijnlijk beter dan dat van het gemiddelde lid van de huidige Kamer, helemaal als we de ex-leraar Duits Alexander Kops (PVV) buiten beschouwing laten. Professor Zbygniew Prlwytzkofsky laat al sinds 1947 in de Bommel-verhalen wat overdegrenzig van zich horen, denk dus niet dat zijn naam gebaseerd is op de Amerikaanse politicus Zbygniew Brzeziński. Die maakte pas vanaf de zestiger jaren carrière, de jaren zestig.

Marten Toonder, Heer Bommel en de Unistand (1979)

P.S. Als het gebruik van in den breedte een beetje toeneemt, is te verwachten dat ook in den blindte en in den vreemdte opkomen. Analogievorming.

Aanvulling 19.04.2021: De SGP kent zijn naamvallen. Zaterdag werd daar op een congres gesproken over een motie die uitsprak dat de man “het hoofd der vrouw” is. Der vrouw. Is er ergens een cultuur waar het omgekeerde aangehangen wordt, dan is daar de vrouw “het hoofd des mans”.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Archaïsche achtervoegsels zoals in eerstens en laatstens (iii)

Het wordt een spannende week voor wie de Tweede Kamer volgt: hoe zal Vera Bergkamp het als voorzitter aanpakken, hoe zal ze het doen? Zal ze net als Khadija Arib vanaf 12 november 2020 systematisch deed de stenografen bedanken aan het eind van de vergaderdag? De diensten noemde mevrouw Bergkamp op haar sollicitatie-dag frequent. Zullen we deze gewaardeerde verslaggevers van de Dienst Verslag en Redactie weer zichtbaar aanwezig hun werk zien doen, logisch gezeten tussen de drie plekken vanwaar er officieel gesproken wordt, afgezien van de voorzittersstoel vanuit vak-K, spreekgestoelte en interruptiemicrofoons? En talig gezien, zal mevrouw Bergkamp sprekers ook aankondigen als “namens + partijnaam”?*)
Het heeft me verbaasd dat mevrouw Arib dat deed en niet gewoon van zei.

Namens is een woord waar we allicht een achtervoegsel in kunnen herkennen, maar welk? Het zou ook in rechtens kunnen zitten, in wegens, blijkens, willens, zinnens, nopens, wetens maar ook in nevens en krachtens (en alvorens)?
Ze klinken net als de gevallen in de twee eerdere afleveringen van dit reeksje vooral juridisch. Dat is anders bij een groepje dat er wel wat op lijkt, maar dat door de overtreffende trap tegelijkertijd afwijkt: hoogstens, minstens. Hoogstens is hetzelfde als ‘ten hoogste’, zoals minstens identiek is aan ‘ten minste’. Is het achtervoegsel nu -ens of -ns? Ik kies voor het laatste op grond van de verwantschap met eerstens, tweedens, derdens e.d.: we hebben immers geen *tweed of *derd, dus ik neem aan tweede+ns e.d. Maar het zoeken naar een suffix –ns in Van Dale of de e-ANS is even vergeefse moeite als naar –ens.

Er zijn een paar meer van die apartige woorden op -ns die nog altijd in de plenaire zaal gehoord worden en Mark Rutte is er een liefhebber van, weet de lezer van dit blog al langer en getuige zijn optreden in de Handelingen:
• Wat ik nu zo snel kan nagaan, is dat wij eind november, begin december te horen kregen: vroegstens 4 januari kunnen wij van start.
• Wij zullen de Tweede Kamer daarna snelstens informeren.
• Uiteraard bestens. Je kunt nooit duizend procent garantie geven.

Als minister Van Ark (Medische Zorg) zegt: “Dan gaat het vooral, primair en eerstens om het garanderen van de continuïteit van zorg voor de patiënt in de regio”, dan kunnen we voorzichtig vermoeden dat ze dit taalgebruik heeft afgekeken van partijgenoot Rutte of van een voorganger op die post, Bruins.

Woorden als vroegstens, snelstens klinken misschien niet zozeer juridisch als wel over-de-grenzig – Rutte is qua talen NED, hij spreekt Nederlands en Engels maar is daarnaast ein wenig deutschsprachich. Als de premier het nog een poosje aan het Binnenhof volhoudt, maken we een keer mee dat hij ook laatstens gaat gebruiken. Dat zou een aansluiting aan parlementair taalgebruik uit 1817 en 1847 impliceren.

Bestens is van deze aparte woorden nog weer een vreemd geval door z’n vooral financiële context. Het is relatief succesvol in het Binnenhofs en we horen minister Ollongren (BZK) het misschien nog het meest gebruiken: “We zullen (….) in de tussentijd bestens moeten handelen in het belang van de inwoners van Sint-Maarten.”
Ik neem aan dat het vooral ambtenaren zijn die dit woord nu en dan insteken.

Vreemde kostganger in dit geheel is meestens.
“Verder heb ik aandacht gevraagd voor de 14.000 meestens kinderen waarvan het ene deel wel onder de Wet langdurige zorg komt te vallen en het andere deel niet.” (Mona Keijzer CDA op 11.09.2014) Vreemd, niet alleen omdat het ontbreekt in Van Dale (dat geldt ook voor vroegstens en snelstens) maar door de betekenis ‘vooral’. Die andere woorden zijn telkens te omschrijven als ‘op z’n best’, ‘op z’n snelst’ en ‘op z’n vroegst’ maar dat is bij meestens niet mogelijk.

*) Logisch is het om een spreker X (m/v) te voorzien van de aanduiding “X van de (partijnaam)”; dat betekent “van de” als er een partij volgt die een letternaam heeft (VVD, D66, PvdA e.d. maar misschien “van het” als er iemand van de CDA-fractie aangekondigd wordt); bij fracties die zonder letternaam door het leven gaan, VOLT, JA21, Bij1, ontbreekt het lidwoord: mevrouw Simons van Bij1, de heer Eerdmans van JA21 verschillen daarin van de heer Wilders van de PVV en mevrouw Marijnissen van de SP.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Archaïsche achtervoegsels zoals in ambtshalve en spoedheidshalve (ii)

Van Dale geeft het in de omschrijving heel nauwkeurig aan, de hier bedoelde woorden die uitgaan op -halve zijn bijwoorden – ze onderhouden dus een nauwe relatie met een werkwoord in de zin. Dat verklaart iemand kortheidshalve, ik leg dat gemakshalve niet nader uit en dergelijke.
In dat opzicht is ambtshalve een buitenbeentje. Laten we eerst een paar voorbeelden uit de Handelingen van de Tweede Kamer in grofweg het voorbije jaar op een rijtje zetten:
• Door in het geval dat fracties of groepen zelf niet in actie komen de Voorzitter ambtshalve een tweede lezing van het voorstel aanhangig te laten maken, wordt dat doel bereikt. (Dat zei Kees van der Staaij (SGP) vanuit vak-K bij de behandeling van het nieuwe Reglement van Orde.)
• Wel hebben we nog een vraag bij de ambtshalve indiening door de voorzitter. (Dat vroeg Roelof Bisschop (ook SGP) aan Van der Staaij bij hetzelfde debat.)
• Hoe gaat zij het vertrouwen geven aan medewerkers dat diezelfde medewerkers niet bij ieder besluit dat zij ambtshalve nemen of moeten nemen bang zijn voor de gevolgen? (Helma Lodders (VVD) bij een van de debatten over de Kinderopvangtoeslagaffaire.)

Telkens was het dus een juridische sfeer, als het ware ‘van rechtswege’ opgeroepen door het reglementerende onderwerp of facet daarvan.
De drie aangehaalde voorbeelden zijn de laatste van de afgelopen parlementaire periode. Eenmaal fungeerde ambtshalve daarin níet als bijwoord, getuige “de ambtshalve indiening door de voorzitter”. In die woordgroep is ambtshalve een bijvoeglijk naamwoord. Maar zeg “de ambtshalve indiening” hardop en een modale ABN-spreker voelt dat het even vreemd klinkt als bijvoorbeeld “een spoedheidshalve afkorting”.

De reden: ambtshalve is een bijwoord. Van Dale schreef het, het is in het Duits met de vergelijkbare woorden op –halber niet anders (vorsichtshalber, pflichthalber). De torenspitsen van de beroemde kathedraal in Zagreb werden vorsichtshalber gedemonteerd. De nieuwe trainer van FC Bayern, Guardiola, wilde de eerste training alleen maar pflichthalber afwerken met het oog op de nieuwsgierigheid van de fans.

In 2019 zei minister Dekker (Rechtsbescherming) een keer iets wat de oorsprong van dit voorbeeld van juristentaal misschien duidelijk maakt. Dekker: “Er is een amendement van de SGP over het ambtshalve verlenen van de vi.” Het ambtshalve verlenen kunnen we op een dubbele manier ontleden,*) maar omdat woorden op -shalve eigenlijk altijd als bijwoord fungeren moet dat hier ook wel het geval zijn.
Uit “het ambtshalve verlenen” kan dan bij juristen “de ambtshalve verlening” ontstaan zijn en in die kring gebruikelijk geworden – logisch, maar taalkundig aanvankelijk in afwijking van de dan geldende regels.
Vergelijkbare gevallen zijn: een ambtshalve wijziging
een ambtshalve gang naar….
een ambtshalve toetsing
de ambtshalve indiening
de ambtshalve vervolging

Raar Nederlands? Ja, maar niet voor juristen. Prof. mr. dr. D.H. de Jong (emeritus Strafrecht RU Groningen) bevestigde me de gangbaarheid van dit taalgebruik in zijn vakgebied en citeerde bij wijze van adstructie uit een arrest van de Hoge Raad, de hoogste rechter in Nederland. Hetzelfde gevoel heeft de oud-rechter mr. J.R. Meijeringh: woorden op -halve zijn bijwoorden maar ambtshalve kan ook voor hem als bijvoeglijk naamwoord dienst doen.

Zou Van Dale het moeten aanvullen met dit vakspecifieke aspect? Een kennis van me vreest dat het woordenboek dan helemaal uit zijn voegen barst.

*) Ik heb de neiging hier klassiek uit te weiden en op het begrip onbepaalde wijs te wijzen als rare term. Onbepaald zou hier kunnen betekenen dat het een werkwoord is zonder nadere vorm zoals tijd of vervoeging, óf dat het zowel bij de werkwoorden gerekend kan worden als bij zelfstandig naamwoorden. Klassiek uitgedrukt: die onbepaalde wijs heet infinitivus maar ook verbum substantivum, dus werkwoord-zelfstandig naamwoord.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Archaïsche achtervoegsels zoals in ambtshalve en spoedheidshalve (i)

Van Dale heeft (hetzij voor ons gemak of om redenen van efficiency) gekozen voor één achtervoegsel -halve. Dat is iets om even een wenkbrauw bij in beweging te brengen zodra we zien hoe -halve in twee groepen uiteenvalt. Die zijn op basis van hun verschijningsvorm aan te duiden als -thalve en -shalve en dat zou Van Dale dus ook als twee verwante maar wel verschillende suffixen opgevat kunnen hebben.

  • Allereerst -thalve zoals in harenthalve, hunnenthalve, mijnenthalve, onzenthalve, uwenthalve, zijnenthalve. De omschrijving bij deze voorbeelden luidt: “archaïsch achtervoegsel waarmee van de bezittelijke voornaamwoorden bijwoorden zijn afgeleid om aan te geven dat een uitspraak de persoon of personen betreft of geldt ten opzichte van de persoon of personen aan wie het voornaamwoord refereert (met -ent- als overgangsklank)”. Aha, het is zelfs niet –thalve maar –enthalve!

Inderdaad archaïsch, ik zou niet simpel kunnen aangeven wanneer een spreker bijvoorbeeld mijnenthalve in de Tweede Kamer heeft gebruikt.

  • Vervolgens –shalve, “achtervoegsel waarmee van abstracte zelfstandige naamwoorden bijwoorden worden gevormd die betekenen: uit hoofde van het genoemde, krachtens het in het eerste lid genoemde (met -s- als overgangsklank)”. De maximale vorm van het achtervoegsel is dus wel –shalve als we afgaan op voorbeelden die het woordenboek verstrekt zoals ambtshalve, beroepshalve.
    X-shalve betekent in ambtshalve dus ‘krachtens het ambt’.
    Dat is vrijwel hetzelfde als wat er door Van Dale vermeld is bij een apart onderscheiden groep en die onder meer bestaat uit correctheidshalve, duidelijkheidshalve. Hier is de omschrijving ‘krachtens’ misschien net niet correct maar ‘ter wille van, met het oog op’ komt wel in de buurt. Sterker, ik zou bereid zijn om ‘met het oog op’ als betekenis te accepteren voor bijvoorbeeld bestuurshalve, discreetheidshalve, eershalve en in feite de hele reeks.

Als we -shalve niet per se juridisch willen gebruiken, betekent het altijd iets als ‘wegens, in verband met, omwille van X’.
Komt dit -shalve nog veel in de Tweede Kamer voor? Ja, kortheidshalve nog het meest, in de 12 maanden van februari 2020-2021 gebeurde dat 73 keer en dat is daarmee een vrij algemeen gangbaar woord, zij het dat het bij uitstek uit vak-K gehoord wordt. Een kabinetslid heeft een net wat zwaarder gewicht dan volksvertegenwoordiger en brengt dat in zijn taalgebruik tot uitdrukking, tikje formeler. Premier Rutte houdt van –shalve: in de genoemde periode sprak hij van zorgvuldigheidshalve, tweemaal van veiligheidshalve. Heerlijk die woorden! Maar het zijn vooral protestantse politici van wie we horen hoe we op hen kunnen vertrouwen, afgaande op het gebruik van de term eerlijkheidshalve. In 2020 gebruikte Roelof Bisschop (SGP) het eenmaal evenals minister Hoekstra, minister Bijleveld. Minister De Jonge sprak natuurlijk het meest in de Tweede Kamer en hij was de koploper met liefst 5 maal eerlijkheidshalve.
Zeker met het volgende voorbeeld zou je geneigd kunnen zijn, te denken dat het achtervoegsel niet –shalve is maar –heidshalve. Minister De Jonge bedient zich van spoedheidshalve, niet in Van Dale opgenomen (in die bron wel het gewoner ogende spoedshalve), maar in de Kamerverslagen van vroeger bepaald vindbaar. De Jonge (VWS) stofte het woord een beetje af, het was al een jaar of zes niet in de plenaire zaal hoorbaar geweest. Zekerheidshalve gebruikte de bewindsman het direct enige malen op korte afstand achtereen; een dubbele injectie zogezegd met het oog op een langduriger werking.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen