Tijdelijk (niet) in gebruik

Wat viel er te lezen op een plastic zak over het haltebord Bedumerbos. Deze halte (Qbuzz lijn 61) was bijna heel 2025 buiten gebruik als gevolg van een lange omleiding in Bedum. Die begon vroeg in januari en zal nu in november wel bijna voorbij zijn.

Tweemaal was die tijdelijke omleiding een beetje aangepast en dat waren momentjes dat deze halte weer in gebruik kon worden genomen – anders dan de vorige keer met lijn 61 in de normale rijrichting.

Wat doet Qbuzz om de gebruikers van de bus duidelijk te maken dat de tijdelijk opgeheven halte tijdelijk heropend wordt? 

Op deze manier:

Nog op 5 november 2025 verandert de aanduiding, nu al voor over een maand of twee terwijl de opheffing van de opheffing van de omleiding zo ongeveer nog niet daar is:

Screenshot
Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

De dubbele aanmoediging van Budje Brocken

Bud Brocken was een voetballer die populair was in Groningen in die paar jaren dat hij er speelde van 1982-1985. De rechtsbuiten bewoog zich door zijn positie in de nabijheid van de fanatieke supporters langs de zijlijn. Zij moedigden hem aan door het scanderen van zijn voornaam: Budje, Budje, Budje!

Officieel luidde die Budde (nummer één van zijn katholieke doopnamenreeks Budde Jan Peter Maria), in de wandeling versoepeld tot Bud – ongetwijfeld liefkozend, ook voor zijn vele supporters in het Groninger Oosterparkstadion.

Het bijzondere was dat wat hem toegeroepen werd in Groningen óók een andere klank had en dus wat dubbel was.

Een bepaalde periode kende de stad Groningen een bijzondere school voor een aparte, zeer laag begaafde groep kinderen. Zij waren om verschillende redenen als zodanig herkenbaar in de binnenstad. Hun school stond aan een doodlopend straatje dat uitkwam op de Butjesstraat dat verder leidde naar de belangrijke Oude Boteringe- en Oude Ebbingestraat.

Ook al was er eerst dus een straat (waar dan ook naar vernoemd of naar wie) en toen pas de school, in de wandeling werd er in de stad Groningen gesproken van de Butjesschoule en de leerlingen heetten daarom Butjes.

Ik schreef over de geschiedenis van de school in het verlengde van de ontdekking dat Butje niet meer alleen in het centrum van de stad Groningen maar ook elders in het land een negatieve aanduiding voor jongere personen was geworden, een scheldwoord. Het is logisch te veronderstellen dat deze aanvulling op de Nederlandse woordenschat het gevolg was van een vorm van binnenlandse export, veroorzaakt door studenten die eerder in Groningen gestudeerd hadden.

Zo had de kreet Budje, Budje, Budje in het geval van Brocken een dubbele inhoud, Budje én met een knipoog butje.

Ik belde de voetballer in 1992 over deze situatie. Hij ging er niet onder gebukt. Lachend zei hij dat de Butjesstraat naar hém genoemd was, wist ik dat niet?

Vandaag is Bud Brocken overleden, 67 jaar oud.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Speelkwartier: de kers op de spreekwoordelijke taart

Een van de vorige bijdragen bevatte voorbeelden van wat plat of grof taalgebruik te noemen is. Verzachting werd daar bij aangebracht door toevoeging van het bijvoeglijk naamwoord spreekwoordelijk. Zó zeggen we dat nu eenmaal met de volksmond (ik niet, wij) lijkt er gezegd te worden en dan is de inhoud sneller acceptabel – excuses hoef ik dus niet te maken. Neem als voorbeeld wat in LexisNexis vindbaar is net als citaten uit kranten verderop: “De show leidde tot een breuk met hun internationale boekingskantoor en bracht een storm van kritiek teweeg. Het trio veegde daar de spreekwoordelijke billen mee af.” Wat een bijvoeglijk naamwoord oogt is hier natuurlijk een bijwoord, want het gaat om figuurlijk afvegen en niet om een figuurlijk lichaamsdeel.
Spreekwoordelijk heeft ook een tikkeltje andere functie door toevoeging aan een algemeen bekende wijze van zeggen. Dat de kogel door de kerk is of moet, verandert als het ware licht van karakter door toevoeging van het stempeltje spreekwoordelijk. Dezelfde gang van zaken, ik zeg het niet, want het was een cliché. Het blíjft een cliché maar de auteur laat blijken dat hij/zij zich daar bewust van is en dat scheelt een stukje.

Spreekwoordelijk betekent tegenwoordig dus ‘figuurlijk’ of helderder gezegd ‘niet echt, hoor!’
“Dat de ontwikkelaar die de kerk kocht deze ook nog wilde gaan slopen voor nieuwbouw, was helemaal zout in de spreekwoordelijke wond.” Niet letterlijk nemen dus en naar de EHBO rennen, want er is geen wond te zien.
Wat stond er op het menu in het huis waarin het wielrennen van oudsher een populaire sport was? Bedenk dat ook nu alleen figuurlijke uitleg van de uitdrukking bedoeld is bij “de zoons des huizes hadden fietsen met de spreekwoordelijke paplepel binnengekregen.”
Als er ergens de spreekwoordelijke aap uit de mouw komt, hoeft er geen sprake te zijn van een circus-act – het is figuurlijk. Maar als Raymond de Roon (PVV) van een Islamitische aap uit de mouw spreekt en deze nader preciserend van een familienaam voorziet, kan er een groot gedoe over ontstaan en niet alleen omdat het woordje spreekwoordelijk in die context ontbrak.

Rolde (SR)

Het al gedegradeerde Rolder Boys parkeerde de spreekwoordelijke bus voor het doel. Denk niet dat de sportverslaggever van het Dagblad van het Noorden getuige was van een bijzondere verkeerssituatie op het voetbalveld waartegen de scheidsrechter had moeten optreden. De collega van de Gooi- en Eemlander kende zijn sportcliché’s ook: Batavia wisselde in de rust drie spelers en parkeerde de spreekwoordelijke bus voor het eigen doel. Ze wilden een al te dramatische nederlaag voorkomen.

De inkt druipt er wel eens van af, zó zichtbaar hebben sommige schrijvers hun best gedaan in het verknopen van taal:

  • De rupsen van deze algemene vlinders vreten zich met zoveel voortvarendheid door de bladeren, dat zelfs de spreekwoordelijke groei de kool niet kan redden.
  • In plaats van dat we van de spreekwoordelijke zwaarden ploegen smeden, gebeurt in de huidige geopolitieke verhoudingen juist het omgekeerde.
  • De kiem voor de spreekwoordelijke muur waar de burgemeester is tegen gelopen, is in het stadhuis te zoeken.
  • Hier viel niet eens de spreekwoordelijke druppel tijdens de traditionele lintjesregen.
  • in plaats van er dan dus maar gewoon mee op te houden en het penseel aan de spreekwoordelijke wilgen te hangen, moest en zou de Gentenaar de Vincent van Gogh uithangen.

Verknoopte, ineen gedraaide tekstbijdragen klinken er soms ook in de Tweede Kamer. Neem het voorbereidende debat over de Europese top in oktober vorig jaar. We citeren Gidi Markuszower (PVV): “Deze maar ook andere ontwikkelingen tonen aan dat de Europese leiders bereid zijn om echt stappen te zetten. Deze Brusselse top van de EU-regeringsleiders komt wat onze fractie betreft dan ook geen dag te vroeg. De bal ligt op de spreekwoordelijke strengemigratiemaatregelenstip. Onze minister-president kan naar onze taxatie dus donderdag en vrijdag deze bal in het doel schieten. Graag vraag ik via de voorzitter aan premier Schoof: kunt u aangeven wat juist op dit thema uw exacte inzet wordt bij de aankomende Europese top?”

Even bijkomen van die bal op de spreekwoordelijke strengemigratiemaatregelenstip! Dit was Nomeis-aflevering 1100.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Het leuk-lastige van fraseologie, idioom en noem maar op (iii)

Na het begrip spreekwoord gaat het in deze aflevering over het afgeleide bijvoeglijke naamwoord spreekwoordelijk. Dat kwam tijdens de periode van het kabinet-Schoof eenmaal zelfs uitdrukkelijk aan de orde. PVV-Kamerlid René Claassen legt het volgende aan zijn eigen minister van Zorg, Agema, voor: “Dan vraag ik de minister om daar echt hele grote druk op te zetten. Ik vraag haar om spreekwoordelijk te zeggen: ik zet ze het mes op de keel; dat ga ik regelen.

Minister Agema:
Ik ga mensen niet het mes op de keel zetten, als u het goed vindt.

De heer Claassen (PVV):
Spreekwoordelijk!”
Aan het uitroepteken kan de lezer zien dat Claassen aan de volumeknop gedraaid zal hebben.

Bij de andere uitingen (van het afgelopen kalenderjaar) klonk het naar alle waarschijnlijk minder luid maar wel met een verrassend groot aandeel vanuit vak-K:

  • als de Kamer de kans heeft gehad zich daarover uit te spreken, om de spreekwoordelijke stok achter de deur te houden die de overheid blijkbaar nodig heeft (Wieke Paulusma, D66)
  • spreekwoordelijk gezegd: als je doet wat je deed, dan krijg je wat je altijd kreeg (Staatssecretaris Nobel, Participatie en Integratie)
  • Uiteindelijk is de rijksoverheid verantwoordelijk voor alles wat niet aan een individueel project — dit is echt beleidsterminologie — toerekenbaar is. Spreekwoordelijk gezegd noemen wij dat hier “de deken“. (Minister Wiersma, LVVN)
  • Wanneer alles goed loopt, staan de mensen die belast zijn met deze taken vaak spreekwoordelijk uit hun neus te eten. (Jan Valize, PVV)
  • Niet alleen de donatie van de schenker, de spreekwoordelijke €10 — dat is wel een goede opbrengst als je die krijgt aan de deur — maar ook de bijdrage in natura van de collectant moet in geld uitgedrukt en geregistreerd worden. (Mirjam Bikker, ChristenUnie)
  • dat zij vreest dat zo’n laatste vuurwerknacht een soort sodom en gomorra, om een Bijbelse term te gebruiken, gaat worden in Nederland; spreekwoordelijk natuurlijk. (Caroline van der Plas, BBB)
  • Meestal is zo’n verzamelwet niet spannend. Het gaat om de spreekwoordelijke puntjes op de i. (Jan Valize, PVV)
  • We zijn ongeveer de grootste nettobetaler aan de EU. Dus ook de EU hebben wij spreekwoordelijk gezien bij de ballen. De EU gaat ons niks doen. (Thierry Baudet, FVD)
  • De heer Flach vroeg waarom de opbrengst van de constructiebestrijding in de verbruiksbelasting van dranken — het spreekwoordelijke vleugje zuivel — niet wordt ingezet om de verbruiksbelasting om te zetten naar een suikerbelasting. (Staatssecretaris Van Oostenbruggen, Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane)
Valize uit hun neus, Claassen op de keel, Baudet bij de ballen (publieke afbb.)

Op de een of andere manier bekruipt me het gevoel dat Van Dale niet actueel is bij de weergave van de betekenis van spreekwoordelijk: “algemeen bekend, telkens weer als voorbeeld genoemd”. Goed, in wat Wieke Paulusma zei, kunnen we nog iets van een vaker gehoord beeld horen (stok achter de deur) en Jan Valize scoorde misschien eenmaal een voldoende met de puntjes op de i zetten (die rare uitdrukking die juist níet zo nauwkeurig is maar vrijwel altijd in strijd met zichzelf). Toch vallen bij het gebruik van spreekwoordelijk in de plenaire vergaderingen twee dingen op: 1) vrij vaak bedienen bewindslieden zich van dat woord; 2) bijna altijd is de betekenis ‘figuurlijk’.
Maar dat staat niet in Van Dale, sterker, de betekenis ‘figuurlijk’ is in strijd met wat het woordenboek ‘algemeen bekend, telkens herhaald voorbeeld’ noemt.
Die deken van LVNN ís helemaal niet algemeen bekend; bij het bij de ballen hebben van de EU ligt dat niet anders en het is dito bij een spreekwoordelijk vleugje zuivel of een vuurwerknacht spreekwoordelijk aanduiden als sodom en gomorra. En wat voor ingewikkelds-spreekwoordelijks zei staatssecretaris Nobel ook alweer?

Het Nederlands is op drift – spreekwoordelijk.

Wordt vervolgd.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het leuk-lastige milieu van fraseologie, idioom en noem maar op (ii)

Tegenwoordig wordt er gemiddeld een handvol malen per kalenderjaar in de Handelingen van de Tweede Kamer gebruik gemaakt van een verwijzing naar Van Dale, laten we zeggen een stuk of vijf keer in een periode van 12 maanden. In meerderheid is dit Groot woordenboek van de Nederlandse taal een bron van inspiratie aan de rechterzijde van het politieke spectrum.

Nu we dankzij Van Dale weten dat een spreekwoord het volgende is: “uitspraak met een algemene levenswijsheid of morele implicatie, waarvan de vorm vrijwel onveranderlijk is”, kunnen we nagaan hoe het met de praktijk staat rond dat woord blijkens de theorie van de plenaire verslagen. De oogst in het kalenderjaar 2025 is relatief al groot:

  • Ik denk dat collega Ergin het spreekwoord “van een mug een olifant maken” wel kent. (Henri Bontenbal, CDA)
  • Volgens mij luidt het Chinese spreekwoord als volgt: het was beter om gisteren te beginnen, maar de een-na-beste optie is vandaag. (Harmen Krul, CDA)
  • …. voorstellen indienen om bij bepaalde dingen eerder, om het probleem bij de kiem … Om de koe bij de horens te vatten, om het zo maar te zeggen. Ik was even naar het spreekwoord aan het zoeken. (Patrick Crijns, PVV)
  • Het spreekwoord is “het is vijf voor twaalf”. (André Flach, SGP)
  • Dus ja, je hebt zo’n spreekwoord: we kunnen een koe in de kont kijken. (Caroline van der Plas, BBB)
  • In Brabant hebben we een spreekwoord “als m’n tante wat had gehad, was het m’n oom geweest”. (Thierry Aartsen VVD)
  • We kennen namelijk allemaal het spreekwoord: een week geen mondeling vragenuurtje met de minister van Justitie en Veiligheid is een week niet geleefd. (Voorzitter Bosma)

De huidige voorzitter staat bekend om zijn geintjes zoals Dick Dolman destijds bekend stond om zijn precisie met betrekking tot het Nederlands. Bosma maakt hier een guitig zinnetje dat zeker niet een algemene levenswijsheid bevat (hooguit een agenda-opmerking voor de Kamerleden en hun nabije omgeving), de vorm is zo los als het maar zijn kan en naar de morele implicatie van Bosma’s spreekwoord is het nog even zoeken.

Van een mug een olifant maken is zeker geen spreekwoord, zelfs als de fractieleider van het CDA het zegt; het is figuurlijk Nederlands maar verder toch niet? Zie overigens een eerdere bijdrage in dit blog onder de titel Van een mug, een olifant en een verdwenen kanon.
Misschien komt Bontenbals fractiegenoot Harmen Krul nog het meest in de buurt van de omschrijving in Van Dale – maar ja, wat hij zei is kennelijk een vertaling uit het Chinees en wie kent de vrijwel onveranderlijke vorm in een van de variëteiten daar?

Bontenbal (mug), Crijns (koe), Van der Plas (koe) (afbeeldingen van partij-sites)

De koe bij de horens vatten en de koe achteraf in de kont kijken zijn eveneens wijzen van zeggen in het ABN die mogelijk agrarisch groen gekleurd ogen maar spreekwoorden zijn het niet. Bijzonder aan de bijdrage van mevrouw Van der Plas (de koe in de kont kijken) is de handigheid om via etikettering met spreekwoord aan een platte uiting een zekere neutraliteit te verschaffen. Datzelfde geldt voor Thierry Aartsen die wat bewust weglaat én de aanduiding spreekwoord gebruikt – nu oogt het fatsoenlijk en zo valt Aartsen zich tweemaal geen buil. Op naar een staatssecretariaat!
Dat in SGP-kring vijf voor twaalf een spreekwoord genoemd kan worden, verraste me eveneens: het is gewoon een uitdrukking maar meer niet.

Spring, lezer, samen met mij een kwart eeuw in de Handelingen terug en zie daar korte spreekwoorden zoals wie zwijgt stemt toe of door mij maar gedeeltelijk aangehaalde als als er één schaap…., wie met pek omgaat…., vele varkens…., de pot verwijt de ketel… Dat is een belangrijk kenmerk: de vaste vorm maakt dat de goede verstaander al aan een half spreekwoord genoeg heeft.

Daarom valt die geregeld in de Kamer aangehaalde tekst over het lijden dat men vreest maar dat nooit op komt dagen buiten boord. Wie kent de hele tekst van buiten? Hoe troostend of grappig het versje ook zijn mag, een spreekwoord is het niet.

Misschien zijn de hedendaagse Nederlandse parlementariërs iets minder betrouwbaar dan hun collega’s van 25 jaar geleden. Althans in het gebruik van de term spreekwoord.

Wordt verder praktisch vervolgd.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het leuk-lastige milieu van fraseologie, idioom en noem maar op (i)

De derde omschrijving van het begrip fraseologie in Van Dale is niet veel in praktisch gebruik: “verzameling van gezegden, uitdrukkingen en idiomatische wendingen”. Sterker, het hele begrip mag een paar verschillende betekenissen hebben, het is weinig gangbaar. En áls het in bijvoorbeeld een krantentekst voorkomt, maakt een bijgevoegd adjectief vaak duidelijk dat de andere inhoud bedoeld moet zijn ‘het gebruik van holle frasen’. Dat is bij uitstek het geval in een politieke context.
In de titels van succesvolle boeken van auteurs als F.A. Stoett (Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden) en K. ter Laan (Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen) wordt een worsteling zichtbaar: allerlei figuurlijk Nederlands laat zich niet simpel onder één etiketje vangen dat voor een breed publiek aan kopers herkenbaar is. Ook idioom is niet wervend genoeg, onbekend, onbemind.

Stoett schreef z’n eerste voorwoord in 1901, de tekst van de vierde druk van 1923-1925 is via DBNL gewoon heerlijk vindbaar. Moet ik op de DBNL-site beter zoeken naar Ter Laans boek dat met Stoett vergelijkbaar is? Het is meer een als woordenboek opgezette uitgave van Van Goor (1950) en sindsdien vele malen heruitgegeven. Ook Ter Laans beroemdste boek, het Nieuw Groninger woordenboek staat niet bij de DBNL-opsomming van zijn werk zo te zien. Dat geldt voor meer titels van hem – Ter Laan publiceerde veel.

Ondanks de titel en de aanprijzing door Van Goor staat niet in deze Ter Laan wat een zegswijze is. Het trefwoord spreuk ontbreekt eveneens. Een spreekwoord noemt hij een waar woord omdat deze veelal volkswijsheid bevatten. “Vandaar ook, in dezelfde zin: (…) Dat is spreekwoordelijk geworden.”

Van Dale is precies en heeft dus een wat ruimere omschrijving nodig voor de definiëring van de term spreekwoord “uitspraak met een algemene levenswijsheid of morele implicatie, waarvan de vorm vrijwel onveranderlijk is”.

In één adem gaat ook Van Dale bijkans over op het zonder twijfel van spreekwoord afgeleide bijvoeglijke naamwoord spreekwoordelijk, “algemeen bekend, telkens weer als voorbeeld genoemd”.

Wordt vervolgd in de praktijk.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Toch nog een vervolg op het reeksje over W.F. Hermans: slotstukje (plus een P.S.)

De donkere kamer van Damokles van die “gekke, kwaaie, niet zo slimme maar wel levende, roekeloos op de schrijfmachine voorthamerende Willem Frederik Hermans” is kritisch bekeken door Tonnus Oosterhoff. Ondanks alles leest hij Hermans blij wordend dóór door bijvoorbeeld maffe observaties en zinnetjes die hij niet tegenkomt bij John le Carré “de oneindig veel betere thrillerschrijver”. Dito: “Je treft ze niet aan bij Franz Kafka, al weet die een concept van de werkelijkheid als radeloos makend onkenbaar veel beter voelbaar te maken.”
Zo eindigt Tonnus – ooit waren we klasgenoten en aan een andere oud-klasgenoot dank ik deze verwijzing – een fraai stuk waarin hij onder andere wijst op een streven naar nauwkeurigheid bij Willem Frederik Hermans. Dat blijkt bijvoorbeeld “uit het feit dat hij in volgende drukken dikwijls detailfouten verbeterde. Toen hem erop werd gewezen dat het weggetje na de brievenbusafslag, die hij uit zijn research als geasfalteerd kende en ook zo had beschreven, in de oorlogsjaren nog ongeplaveid was, maakte hij er bij herdruk een zandpad van…” (p. 14) (Tonnus Oosterhoff, “Een ijlroman.” De Revisor. Jaargang 32 (2005) blz. 5-19)

Geldt dat voor de auteur ook voor later ontdekte taalfouten? Zou dat bij Onder professoren dan ook zo zijn?
Ik heb niet als een leraar met rood potlood in de aanslag in Onder professoren zitten lezen, heb onvoldoende aanleg voor taalergernis. Toch vielen me twee contaminaties op, op twee tegenover elkaar liggende pagina’s:
‘Het ligt hem aan de structuren,’ probeerde Ballingh hem te troosten, (p. 82)
En: “geschiedenis van de Nieuwste Tijd en dat moest vast en zeker haar lievelingsvak zijn.” (p. 83)

In het eerste geval kan er een vervlechting uit Hermans’ tikmachine gerold zijn van het ligt aan + het zit hem in; in geval twee is er iets met moeten en vast en zeker gemengd.
Is dat zo? En is daar in besprekingen op gewezen? Is er later gecorrigeerd?

“Sommige riepen” staat er op p 287: is die verwijzing naar studenten (levende wezens) in een latere druk ooit verbeterd in sommigen?

“Piet, Tonia, Tabe, Gonnie en zelfs Kaatje voelden zich niet op hun gemak.” (p. 229) Is dat correct Nederlands met die persoonsvorm? Wie het beter weet mag het zeggen.

Wat geeft het, zei prof. Popma van de Reformatorische Wijsbegeerte bij zijn lessen aan de Kleine Zusterstraat (= in werkelijkheid Broerstraat) op zijn colleges wel eens, wat geeft het?En verwees naar vier bekende regels van J.C. Bloem:
Ik heb van ‘t leven vrijwel niets verwacht,
‘t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? — In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Afsluitend Plopatou, Plop in Groningen, maar in Onder professoren Onze grote tovenaar Poux Partout geheten. Ik zag hem in 2016 voor het laatst in Den Haag, geheel onverwacht om niet te zeggen pardoes. Hij overleed in 2017. (Via de toegevoegde link bij het fragment hieronder kan de lezer een fraaie afbeelding van de latere Plopatou vinden.)

P.S. Ergernis over het Nederlands en toeval. Dit blogstukje stond in de wachtstand voor publicatie op vrijdagochtend 08.08.2025. Donderdagavond (gisteren) bekeek ik een bak met oude correspondentie en was totaal verrast, toen daar een brief van Plopatou uit 2000 tussen bleek te zitten, gericht aan mij én met taalergernissen. Als Plop iets wilde met al zijn brieven (die ik in het eerdere stuk met zijn naam terloops noemde), dan was het aandacht.

Daarom neem ik de vrijheid, zijn brief aan mij integraal te plaatsen. Ter introductie dit: hij reageerde op een publieksvraag van mij over een bepaalde Groninger uitdrukking met het woord vlint of flint ‘steen’ daarin (denk aan the Flintstones). Die simpele vraag leverde zodanig veel reacties op dat Plop te midden daarvan in mijn herinnering kon verzinken.

P.S. bij een P.S. (09.08.2025): Poux Partout komt welgeteld 27 maal voor in Onder professoren. Daarvan moet Plopatou in de periode 1975-2000 iets hebben meegekregen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen