Namen noemen we…. (iii): Lubbers

Het afscheid van Ruud Lubbers – de afgelopen week door het bekend worden van zijn overlijden, de komende door zijn uitvaart – is in 1994 in figuurlijke zin al vrij snel na zijn vertrek uit de Nederlandse politiek bevestigd met het boek Afscheid van Ruud Lubbers, onder redactie van Robbert Ammerlaan. Bij deze en bij de vorige aflevering is de voorzijde van dat boek van uitgeverij Anthos afgebeeld. Een keur aan collega’s en betrokkenen uit politiek en maatschappij droeg aan dat boek bij, zodat het een dikte kreeg van een bladzijde of 350.

In feite is daarin verrassend, hoe weinig aandacht er dan geschonken wordt aan Lubbers’ taal. Snel corrigeren: het gaat er diverse malen over, in Ammerlaans voorwoord, ietsje in het verhaal van Relus ter Beek (jongeren-dossier, vertrekpunten), Gerrit Braks (o.a. “Uit zijn taalgebruik zou je kunnen concluderen dat hij zich wat afschermt, wat afstandelijk is. Dat is niet waar.”), Gerrit Brokx (“Hij ziet het graag ‘een slag anders’.”). Maar dan zijn we al over bladzijde 100 heen en arriveren bij Seth Gaaikema, de neerlandicus uit Groningen. Ook die zegt op het terrein van zijn eigen vakgebied een beetje maar verrassend weinig. Toevallig staan de meeste talige dingen over Ruud Lubbers meer achterin, uit de pen van Jacques Wallage en uit die van Max van Weezel vooral.

We hebben het nu kennelijk meer over de taal van de overleden premier dan destijds na zijn vertrek, ook al heeft Lubbers met de aanduiding lubberiaans Van Dale gehaald. Ook dat staat daar kort geformuleerd en een aantal dagen na het overlijden is het nog niet geactualiseerd met Lubbers’ overlijdensjaar.

 

Laten we Femke Halsema aan het woord laten, naar de Handelingen van de Tweede Kamer van 21 januari 2010. Aan de orde is het debat over de uitspraken van de minister-president over belastingverhoging. dat is dan Jan Peter Balkenende, die in de nabetrachting bij Nieuwsuur naar voren kwam als degene die het dichtst bij Rotterdamse Ruud had gestaan, ook in de laatste periode.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter. Elke premier die langer zit en daarbij enige positie opbouwt, kan vroeg of laat rekenen op vervorming van zijn naam. Een van de beroemdste was natuurlijk het “belubberen”, door Marcel van Dam ooit geïntroduceerd voor premier Lubbers. Even beroemd is volgens mij “lubberiaans” geworden. Ik heb dat laatste nog eens even nagezocht en ik wil het opfrissen tot “balkeriaans”. De definitie van “lubberiaans” en wat mij betreft “balkeriaans” is namelijk: een oorverdovende onduidelijkheid van ongeëvenaarde zwalkende kwaliteit. Het lijkt mij dat wij in dit geval met recht kunnen spreken van “balkeriaans”.

Er is geen enkele duidelijkheid over het standpunt van het kabinet. Het reageert in toenemende mate geïrriteerd als het naar de Kamer wordt gehaald, omdat het gedwongen wordt te spreken over de eigen conflicten, het onderlinge tegenspreken en het elkaar een hak zetten. Laat ik eerlijk zeggen: ik heb er ook schoon genoeg van. Ik zou het ongelooflijk plezierig vinden als het kabinet eens naar de Kamer kon worden gehaald om beoordeeld te worden op een inhoudelijk voorstel. Dat betekent wel dat het kabinet moet beginnen met regeren en stoppen met ruzie maken. Alstublieft!

 

Mevrouw Halsema is geraakt en laat dat horen. In haar ergernis voorziet ze Balkenende van het nieuwe suffix –eriaans dat pas ontstaan is door Ruud Lubbers, kijk naar het slot van zijn familienaam. Die irritatie onderstreept ze door alleen het begin van de naam Balkenende te benutten – en maakt zo een woordspeling met het geluid dat ezels maken.

Lubberiaans is in de Handelingen soms ook vindbaar in andere lezingen dan we uit Van Dale kennen. Hier volgt de totale oogst en met uitzondering van Femke Halsema’s citaat uit 2010.

• Gijs van Aardenne (1974): “De heer Van Aardenne meende dat de Nederlandse bevolking toch enigszins „Lubberiaans” reageerde en een zekere soberheid toepaste.”

• Willem Drees jr (1974): “Men ziet het in de openbare gebouwen met stoken en verlichting; daar wordt geen enkele actie ondernomen, zoals dat een jaar geleden wel korte tijd is ge-weest om meer ‘Lubberiaans’, zoals men het noemde, te ageren.” [Van Aardenne en Drees hebben het beiden over Lubbers’ oproep voor de televisie om de verwarming een graadje lager te zetten en de gordijnen dicht te doen: hij verscheen in trui in beeld, SR.]

• Job Kohnstamm (1988): “(…) de definitieve produktie van het paspoort en over de welhaast onontwarbare knoop met betrekking tot de klemmende vraag wie nu de opdracht zou krijgen: KEP of de Staatsuitgeverij. De ontknoping is even simpel als Lubberiaans: ze dienden beide die opdracht te krijgen.”

• Ina Brouwer (1990): “(…) ik heb toch niet helemaal begrepen of er nu wel of geen evaluatie komt. Het was een beetje open. Ik zou bijna willen zeggen: een beetje “Lubberiaans”.”

• In 1992 gebruikt Ruud Lubbers het bijvoeglijk naamwoord zélf (over een speech zegt hij: u zult er weinig Lubberiaans in vinden).

• Rudolf de Korte (1994): “We zullen wellicht twee volgende kabinetsperiodes driftig moeten “aansparen” – typisch Lubberiaans neologisme; wanneer komt het in Van Dale? -om het land van deze erfenis te ontdoen.” [aansparen heeft Van Dale nog niet gehaald, SR]

• Johan Remkes (1994): “(…) het niet beheffen van duurzame energiebronnen in het kader van de invoering van een energieheffing in 1996. Die zin komt op ons wat Lubberiaans over. Wat wordt daarmee precies bedoeld?”

• Paul Rosenmöller (1995): “De minister-president kwam met een bijna Lubberiaanse oplossing: wij gaan de A73 koppelen aan de Betuwelijn. Iedereen die er een beetje verstand van heeft, raakt dan echt de kluts helemaal kwijt. Dan worden er appels met peren vergeleken, misschien om ons knollen voor citroenen te verkopen.”

• Eimert van Middelkoop (1995): “In die zin begroeten wij de wetsvoorstellen vanuit een positieve grondhouding, om het goed Lubberiaans-Rotterdams te zeggen.” [Van Agt was overigens de eerste die deze uitdrukking gebruikte, SR]

• Jozias van Aartsen (1996):  “Hij (Eisso Woltjer, PvdA) voegde mij namelijk de van de heer Lubbers komende opmerking “eens, maar nooit weer” toe.” [Lubbers voegde zijn vice-premier De Korte die kwalificatie in de Tweede Kamer toe, SR]

• Job Kohnstamm (1996): “Ik zou dus ook bij de heer De Hoop Scheffer willen bepleiten dat wij die dossiers, om het Lubberiaans uit te drukken, “even uit elkaar trekken”.”

• Mat Herben reageert in 2005 met de mededeling “Dat is waarschijnlijk Lubberiaans” als iemand hem niet zegt te begrijpen.

• Camiel Eurlings (2010) weet het even niet: “Ik moet hiervoor kijken naar de ambtenarenloge. Ik laat mij even informeren wanneer dit volgens de laatste inzichten precies zal zijn. Daarom ga ik nu een beetje lubberiaans spreken, terwijl ik in volle verwachting naar de ambtenarenloge kijk.”

En in de jaren daarna waren er nog twee incidenten waarbij Lubbers’ naam werd aangeroepen om begrip te vragen voor duisternis.

Deze week zal de oud-premier in de Tweede Kamer herdacht worden en dan zal vast iets preciezer verteld worden over wat we onder het Lubberiaans moeten verstaan.

Wat hemzelf betreft was duidelijk dat hij het begrip Lubberiaans geheel akkoord vond, het werkwoord belubberen daarentegen allerminst. Doen degenen die hem dezer dagen gedenken hem een plezier, dan laten ze dat werkwoord achterwege.

P.S. Ik blijf het frappant vinden, hoe onmogelijk het was voor Ruud Lubbers om de naam van het staatshoofd uit te spreken. Hij zei echt iets wat sterk in de buurt kwam van wat eerder Chinees lijkt: “ko-nie-jin“.

About Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
This entry was posted in In het nieuws, PARLEVINKEN. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.