Op z’n Amsterdams en Rotterdams volgens parlementariërs

Leentjebuur spelen in het Nederlands is zó gewoon, dat bijvoorbeeld iemand als premier Rutte niet vaak een excuserende opmerking maakt als hij iets in het Engels of Duits zegt, wat hij geregeld doet. In de tijd dat het uitspreken van Latijnse citaten of het gebruik van een Frans woord iets van alledag was, hoefde dat evenmin speciaal geëtiketteerd te worden. Pas als iets wat uitzonderlijker is, is de kans groter dat daar uitdrukkelijk op gewezen wordt. Daarvan zijn de taal van Amsterdam en Rotterdam illustratieve voorbeelden – en niet toevallig.

De hoofdstedelijke taal duikt laat op in de Handelingen via de aanduiding “op zijn Amsterdams”, als ik het goed zie pas in 1968. De communist Wim van het Schip noemde in dat jaar “Houen zo!” Amsterdams en enkele jaren later “slikken of stikken” (1973) eveneens. Dat is net zo opvallend als wanneer Minister Pais (Onderwijs) spreekt van “(…) – ik zeg het nu maar op zijn Amsterdams – de MO-opleidingen alsnog de nek om te draaien” (1980).

Is Houen zo!, slikken of stikken en de nek omdraaien Amsterdams idioom of bedoelden de sprekers eerder dat ze iets zeiden wat ze minder parlementair vonden? Amsterdamser lijkt dat wat Maarten van Traa (PvdA) zei: “Is het niet een beetje gemakkelijk om te zeggen dat het verder niets op de hak heeft, om het maar op zijn Amsterdams uit te drukken” (1986) net als Tara Singh Varma (GroenLinks): “Al met al zou ik op zijn Amsterdams en onparlementair willen zeggen: het is allemaal naatje”, 1997). Naatje gaat volgens Van Dale “waarschijnlijk terug op de vrouwenfiguur in het in 1856 opgerichte Dammonument, die de Eenheid der Hollandsche Natie voorstelde en waarin natie als natje, naatje werd gelezen en begrepen misschien met gedachte aan naadje [vrouwelijk geslachtsdeel]”. Eerder in 1990 noemde Frank de Grave VVD iets een gotspe – dat is eerder Jiddisch dan specifiek Amsterdams.*)

Vanuit het Binnenhofs bekeken is het verschil tussen de Hoofdstad en de Havenstad groot. Om te beginnen werd er pas een kwart-eeuw later verwezen naar de lokale taal via “op z’n Rotterdams”. In de tweede plaats zijn er sprekers, Eimert van Middelkoop (CU) en premier Mark Rutte, die zeggen iets juist níet op zijn Rotterdams te gaan zeggen. Dat klinkt nogal dreigend en dat is begrijpelijk als we uit de mond van Barry Madlener klotenstreek (2008) of Louis Bontes klotezooi (2015) horen, achtereenvolgens voorzien van een dekmantel “op zijn Rotterdams gezegd” en “Laat ik het op zijn Rotterdams samenvatten”.

Vooral uit de hoek van het CDA zijn er sprekers vindbaar die onder verwijzing naar de taal van Rotterdam iets te berde brengen wat ze daarzonder vast anders hadden uitgedrukt:

– Premier Lubbers: “Op zijn Rotterdams gezegd, geloof ik dat het pezen wordt om nog op tijd klaar te zijn. Ik zie de heer Weisglas denken: hij spreekt misschien wel Nederlands, maar zijn Rotterdams is niet meer wat het was!” (1993) Frans Weisglas (VVD) was de Kamervoorzitter die – en hij niet alleen – gesteld was op parlementair taalgebruik. Pezen is denkelijk gebaseerd op Eng. pacen.

– Cees van der Knaap: “Toen hoorden wij wel eens van onze leden: ‘Met alleen mooie woorden koop ik geen vreten!’” (1998)

– Staatssecretaris Van Bijsterveldt van Onderwijs: “(…) als wij op de Rotterdamse manier aan de slag gaan. Met excuus, voorzitter: niet lullen, maar poetsen!” (2007)

De aankondiging op zijn Rotterdams is in de bijdragen in de Tweede Kamer dus nogal wat eerder een teken van onparlementair taalgebruik dan wanneer er iets op zijn Amsterdams te berde gebracht wordt. Het is in feite hetzelfde als gelul durven zeggen maar dan in de vorm van een citaat van Jan Schaefer.

Of alles wat er  aan die twee plaatsen wordt toegeschreven ook inderdaad Amsterdams of Rotterdams is, dat is wellicht een interessante kwestie – misschien ook niet. In Taal in stad en land – Rotterdams van Marc van Oostendorp (Den Haag 2002) staat een Rotterdams woordenlijstje. Daarin komen de bovengenoemde Rotterdams genoemde woorden niet voor. Het Amsterdamse deeltje van Jan Berns en Jolanda van den Braak zal vast een vergelijkbare uitkomst te zien geven. Op deze manier wordt er tot dusver nauwelijks naar het Haags en nimmer naar het Utrechts verwezen.

*) Gerdi Verbeet haalde bij Jinek (o8.06.2018) haar grootmoeder aan, die het schoonmaken van kristallen luchters “op z’n Amsterdams” een teringwerk had genoemd. Vrijwel letterlijk hetzelfde zegt ze in Boven de partijen. De voorzitter van de Tweede Kamer van Gerry van der List (Amsterdam 2018, blz. 128-129).

Over dat boek a.s. vrijdag meer.

About Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
This entry was posted in PARLEVINKEN. Bookmark the permalink.

4 Responses to Op z’n Amsterdams en Rotterdams volgens parlementariërs

  1. Rob Alberts says:

    Mooi blog

    Amsterdamse groet,

  2. Manna Wester says:

    Moi! Nuver stukje.

  3. Peter Nieuwenhuijsen says:

    “een Rotterdams woordenlijstje. Daarin komen de bovengenoemde Rotterdams genoemde woorden niet voor.” Tja, dat is wel een probleempje. Ten minste even groot is het probleem dat de dingen die ‘Amsterdams’ en ‘Rotterdams’ worden genoemd, meestal ook ver buiten die plaatsen worden gebruikt. Zo is er een boekje over het Rotterdams verschenen onder de titel “Wat zeggie? Asje valt dan leggie!” Maar deze uitdrukking kende ik al uit mijn vroege jeugd, in…. Den Haag.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.