Kamertaal in 2018 in 8 blokjes (1)

Bij het Nijmeegse KDC (Katholiek Documentatie Centrum) stond Dat gezegd hebbend ... centraal op een bijeenkomst op 23 januari 2019. Oud-premier Van Agt was de hoofdgast, Johan van Merriënboer sprak er eveneens. Hans Krabbendam was de moderator.

Wat ik er te berde bracht was een inlegvelletje bij het boek dat eindigt op 31 december 2017 en had dus betrekking op de taal van de Tweede Kamer in 2018. Omdat Van Agt over acht dagen 88 jaar hoopt te worden, knip ik die bijdrage van mij in acht blokjes. Misschien heb ik improviserenderwijs gevarieerd ten opzichte van de tekst. Plaatjes volgen later.

Blokje 1 – Nieuwe woorden en voor/achtervoegsels.
In 2018 (het kalenderjaar 2018) bestaan de Handelingen uit een stuk of 9 miljoen woorden in totaal, zo’n 85.000 verschillende. Daarvan komen er zo’n 37.000 niet meer dan éénmaal voor – die zijn dus een hapax. (Het lidwoord de is de koploper in frequentie met bijna 600.000 voorkomens.)

Tussen dat alles bevinden zich elk jaar vanzelfsprekend nieuwe woorden die nog niet eerder in de Handelingen stonden, maar die laten zich níet zo gemakkelijk tellen of vaststellen. Soms hoor je het direct, als een afgevaardigde of een bewindsman iets bewust laat vallen, misschien met uitleg. Denk aan voorbeelden als de gehaktballennorm (Maarten Hijink), de meppenhoek (Fleur Agema), wc-eendonderzoek (Jasper van Dijk), spaghettidag (Bart Snels) of motiebacchanaal (Martin Bosma).
Dat betreft allemaal oppositiewoordvoerders – in Eppo Bruins van de ChristenUnie hebben we een sprekend voorbeeld van iemand uit de huidige coalitie die woorden creëert – of zijn medewerker. Eppo Bruins kent u van de meloen die doorgeslikt moest worden in verband met de kwestie van wat was het ook alweer. Hij bedacht vorig jaar een nieuwe aandoening of ziekte (“Waar ik een beetje bang voor ben is de excellenteritis van de VVD: alles en iedereen moet excellent worden.”), stelde naar vroegere voorbeelden een tantemonaregeling voor (in de richting van staatssecretaris Keijzer) en bedacht ook de hier wel toepasselijke Jozefeconomie (in gouden tijden, in vette jaren, moet je sparen voor magere) maar dat betreft wel de oudtestamentische Jozef.

Ik geef maar enkele voorbeelden – probeersels op dit vlak vanuit vak-K komen bij blokje 7.
Blokje 1 ronden we af met het noemen van één achter- en één voorvoegsel met toekomst.
Neem van het gymnasium het slot van het woord en plak dat aan de achterzijde van een naam voor een nieuwe opleiding. In 2018 kwam op die manier het teachnasium en het codasium voor het eerst in de Handelingen terecht. Googelen is nodig voor het achterhalen van de inhoud van doel en curriculum, maar klassieke talen horen er niet bij en daarom is -nasium of -asium hier een bedriegelijk suffix. Als deze ontwikkeling doorzet, is het gymnasium zélf straks terug bij af, een onderwijsvorm voor lichamelijke opvoeding; nu leer je er nog wat een hapax is. Ten slotte één succesvoller wordend vóorvoegsel met een desavouerende inhoud: plof-. We hebben nu naast de plofkip en plofkraken ook plofdaken, plofklassen en ploftickets.

About Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.