Letten op het belendende perceel (3): taalverandering rond het woordje tandje

Triomf, triomf! hef aan, mijn luit,
Want moeder zegt: de tand is uit!
Laat dreunen nu de wanden!
Eerst gaf Gods gunst het lieve wicht
Den adem en het levenslicht,
Nu geeft zij ’t wichtje tanden.

Zo dichtte Tollens Op den eersten tand van mijn jongstgeboren zoontje. Jazeker, het jongetje heette nog wichtje, taal kan veranderen.
Tandje is aan het Binnenhof een veelgehoorde gast sinds de vroege jaren ‘90 van de vorige eeuw. Het gaat om het gebruik dat stamt uit de wielerwereld waarbij een versnelling gewijzigd wordt, bijvoorbeeld door een tandje bij te steken zoals men in Vlaanderen zegt. Dat betreft een hogere versnelling waarvoor wat meer vermogen geleverd wordt (vermogen, luister naar schaatsanalytici); in ruil voor de hogere inspanning is meer tempo het resultaat.

Van Dale haalt onder de 9e betekenis deze terminologie aan en verwijst treffend naar Wim Kok. In zijn tijd als minister van Financiën koos hij voor een voorzichtiger koers met betrekking tot het terugdringen van het financieringstekort en gebruikte daarvoor een sindsdien veel geciteerde manier van zeggen met tandje, in dit geval eentje minder. Wim Kok en dus niet jaren eerder wielerfanaat Dries van Agt!

Misschien is het onder invloed van het parallelle graadje dat we tandje vooral gecombineerd zien worden met een vergrotende trap. (Nota bene: kleiner en minder heten taalkundig ook vergrótende trappen.) Maar tandje is tegenwoordig veel succesvoller dan graadje – dat heeft het moeilijker, wie weet onder invloed van de klimaatdiscussie. Naast tandje meer en tandje minder is het mogelijk om het in 2019 te combineren met woorden als dieper (minister Slob), scherper (Rob Jetten D66), harder (Jesse Klaver GroenLinks) of een combinatie met Engels getuige wat Klavers fractiegenote Corinne Ellemeet zei: Al kan het wat GroenLinks betreft wel “een tandje tougher.”

Langzamerhand betekent tandje bijna hetzelfde als ‘iets’. Minister Bruins (niet zelden onopvallend opmerkelijk als taalgebruiker): “Ik denk daar dus net een tandje anders over” of staatssecretaris Harbers: “Op deze manier kunnen we dat nog een tandje versterken.” Al enkele jaren geleden zei Michel Rog (CDA) dat ergens nog wel een tandje ambitie bij kon en demonstreerde zo de combinatorische variant tandje + zelfstandig naamwoord.

Waarom is tandje zo’n succes in het politieke taalgebruik blijkens de Handelingen? Net zoals bijvoorbeeld aan de slag is het héerlijk vaag terwijl het tegelijkertijd een positieve uitstraling bezit.

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

1 Reactie naar Letten op het belendende perceel (3): taalverandering rond het woordje tandje

Laat een reactie achter op Henk Bakker Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.