De betekenisontwikkeling van een woord: n.a.v. de Rutte-doctrine

Kijken in Van Dale naar de betekenis van het woord doctrine levert deze simpele informatie op: doctrine is ‘leer, leerstelling’. Dat is niet alleen simpel, het is ook onvolledig en de Handelingen van het Nederlandse Parlement kunnen ons aan een completer beeld helpen. Door het aftreden van Rutte-III en door het aangekondigde voornemen van het kabinet om de informatievoorziening te verbeteren, is het wel zeer actueel om aandacht te schenken aan doctrine. Immers, het was de Rutte-doctrine waarin het ontoereikende van de informatievoorziening waarover de Commissie-Van Dam sprak tot uitdrukking kwam.
Het was maar één sms-je van een ambtenaar, aldus Rutte, maar Rutte-doctrine is een etiket waar het zeker in campagnetijd vaker over zal gaan.

Google-afbeeldingen: Rutte bij de Commissie-Van Dam

Er is een duidelijke ontwikkeling in de inhoud van doctrine, van zwaar naar licht.
Het zware zit ‘m in de oorspronkelijke toepassing als er sprake is van een bestaande doctrine in vooral de rechtswetenschap maar ook in de kerkelijker sfeer van de dogmatiek. Voor juristen bijvoorbeeld is doctrine ‘de rechtsleer’, de theorie die als het ware de basis is of zou behoren te zijn van de rechtstoepassing, de jurisprudentie. In de Kamer is er wel eens onderscheid gemaakt tussen doctrinejuristen en praktijkjuristen.

Bij een vrij willekeurige plons in de parlementaire notulen vanaf het jaar 1950, zien we dat doctrine ook iets anders betekent, namelijk ‘politieke strategie’. Vooral de communistische doctrine, de Stalinistische doctrine zijn termen die in de Koude Oorlog geregeld vallen en die dan zeker een negatieve lading hebben. Hier voor het eerst zijn doctrine en indoctrineren echt naaste familie van elkaar.
Stalinistisch is een bijvoeglijk naamwoord (teruggaand op Stalin), een woordvorming die bijvoorbeeld het Engels ontbeert. Uit (ik neem aan) die internationaal-politieke taal komen daarom veel voorbeelden van de naam van een politicus gevolgd door –doctrine, waarmee een bepaalde aanpak in bijvoorbeeld de buitenlandpolitiek van een land of groep landen wordt uitgedrukt. De Truman– en de Eisenhower-doctrine zijn daarvan een voorbeeld, aan andere zijde de Breznjew-doctrine. Een reeks van regeringsleiders of ministers van Buitenlandse Zaken e.d. zijn langs deze weg vereeuwigd: Monroe-, Hallstein-, Dulles-, Baker-, Nixon-, Bush- en Bangemann-doctrine kunnen we hier onder rekenen. De Brundage-doctrine was een algemene regel uit de sfeer van de Olympische Spelen.
Heel soms – wellicht mede onder Franse invloed – is de volgorde omgekeerd zoals in de doctrine-Ailteret, de doctrine-Beaufre.

Zoals Van Dale in een reeksje voorbeelden demonstreert, er zijn ook samenstellingen als bedrijfsdoctrine, kerkdoctrine, overheidsdoctrine, partijdoctrine, staatsdoctrine. Daar is ‘leerstelling’ soms wat meer, soms wat minder van toepassing. Toen D’66 opkwam, was er sprake van een ontploffingsdoctrine: als we ons werk hebben gedaan gaan we onszelf opheffen. Daar lijkt –doctrine eerder een ‘voornemen’.

Na enkele kleine aankondigingen in de Nederlandse politiek werd 1997 het jaar waarin de toevoeging van –doctrine aan de naam van een Nederlands politicus doorbrak; let wel: voor binnenlands gebruik. Ik denk dat premier Lubbers er in 1993 mee begon toen hij met stille spot sprak van de Bolkestein-doctrine. Milieu-aspecten en de OV-jaarkaart voor studenten raakten elkaar in het toenmalige debat en Lubbers zei toen: “(…) krachtens de Bolkestein-doctrine moet hij een gelukkig mens zijn, want de overheid bemoeit zich er in ieder geval niet meer mee?” Bolkestein schoof dat punt liever even terzijde, maar hij was wel de eerste of een van de eersten naar wie een –doctrine geëtiketteerd werd. Bovendien overkwam het Bolkestein als een van de weinigen bij dit etiket dat dit diverse malen en in verschillende toepassing gecreëerd werd.

Een lange reeks van Nederlandse politici zijn dragers van het onderscheidingsteken dat het tweede lid –doctrine is zoals Wolffensperger, Stellingwerf, Jorritsma, Vendrik, Zalm, Balkenende, Van Aartsen, Van Mierlo, Van der Vlies, De Hoop Scheffer, Donner, Nawijn, Rosenthal en in de laatste Kamerperiode Snel, Bisschop, Dijsselbloem, Zijlstra, Van Ojik, Femke Halsema, Nijboer, Hans Alders, Koolmees, Schippers en Henk Kamp. Soms dus met voornaam en al, soms in de omgekeerde volgorde zoals in het verleden bij ons sprake was van de doctrine-De Vries, de doctrine-Drees/Oud.

De bijzonderste in dit rijtje is Roelof Bisschop. Het was premier Rutte die deze onderscheiding een keer in de Tweede Kamer op zijn (stille) gedoger van de SGP plakte: “Dit valt allemaal onder de Bisschopdoctrine: wijzigingen slechts na intensief overleg met de Kamer.”
Wie kent de Bisschopdoctrine? Veel succesvoller is de Rutte-doctrine, die vooral betrekking lijkt te hebben op iets uit de sfeer van selectief geheugen en het niet-volledig informeren van de Tweede Kamer. Waar één sms-je van een ambtenaar al niet toe kan leiden.

Vandaag werd Lord Carrington niet genoemd, ook al is hij de naamgever van de Carrington-doctrine: een bewindsman moet aftreden als de diensten die onder zijn verantwoordelijkheid opereren ernstig tekortgeschoten zijn, ook als deze bewindspersoon daar persoonlijk niet van op de hoogte was en er ook niets aan had kunnen doen. Zo formuleert Wikipedia het en voegt toe dat het een Nederlands begrip is, laat in de jaren ‘80 gemunt door… Frits Bolkestein.

Volgens een strikte uitleg van die doctrine is het de vraag, of Lodewijk Asscher gisteren had moeten aftreden (hij was geen bewindsman) en of het héle kabinet z’n ontslag vandaag wel had moeten indienen: ze hadden de betreffende diensten niet allemaal onder hun verantwoordelijkheid. Misschien had de premier ook alleen kunnen aftreden? Hoe zegt hij het zo graag: “Ik zeg: alles wat goed ging, heeft het team gedaan en alles wat niet goed ging, moet u mij aanrekenen.” Dat is kennelijk niet de concrete invulling van die Rutte-doctrine.

Kort samengevat: doctrine was iets groots als een leerstuk; het werd een (vooral internationale) strategie; in de Nederlandse politiek is het tegenwoordig eerder een trucje, een pesterijtje of zelfs een scheldwoord.

P.S. Het aftreden van Rutte-III is internationaal nieuws, CNN, The Guardian, Süddeutsche Zeitung:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Plus The Washington Post (de kop is een citaat uit de persconferentie van vanmiddag) en de Oostenrijkse omroep ORF:

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.