Wie nem’n de freule en een localototief. Zoals Bob het vertelde

De freule vertelt haar memoires. Inderdaad, ze spreekt tot de lezer in het boek dat Bosch & Keuning uitgaf (Baarn, 1973). Freule C.W.I Wttewaall van Stoetwegen was in haar tijd een populaire politica. Toch was het behoorlijk verrassend dat ze in de Tweede Kamer kwam, want haar politiek leider Tilanus (CHU/CDA) vond het maar niks als vrouwen in de politiek kwamen. Als ze in het huwelijk traden, moesten ze hun beroep ook met ingang van de volgende dag opgeven, vond hij een halve eeuw geleden.
Toch komt de freule door toedoen van diezelfde Hendrik Tilanus in het parlement, wanneer de CHU-leider als het ware bij toeval op zoek is naar een vertegenwoordiger uit zijn maatschappelijke sector in het eerste naoorlogse Noodparlement. Hij kwam uit bij een straatgenote in ‘s-Gravenhage. De altijd ongehuwd gebleven Van Stoetwegen was toen 44 jaar en misschien was dat een leeftijd waarop ze in een partij als de CHU acceptabel was, kinderen zou ze allicht niet meer ter wereld brengen en daarmee in dat opzicht gelijk te stellen aan een man….
CHU stond vrijwel gelijk aan Nederlands-Hervormd en dat impliceerde even bijna vanzelfsprekend lid van de NCRV. Geen wonder dat juist haar bekendste citaat dat een nachtelijk debat gelijk stond aan gékkenwerk door het NCRV-cabaret Farce Majeure met graagte in een liedje gebruikt werd.

Voorzijde aangehaalde boek

Dát waren nog eens tijden. De freule roemt Kamervoorzitter Van Schaik, die woordvoerders op hun nummer zette, om het even of het een kamerlid of een bewindsman was. Toen minister-preseident Schermerhorn sprak van “dominee Zandt” (fractievoorzitter van de SGP) liet Van Schaik de hamer vallen en corrigeerde de premier aldus mejuffrouw Van Stoetwegen: we kennen hier alleen “de heer” Zandt, andere functies van parlementariërs plegen niet vermeld te worden. Vergelijk dat met de hedendaagse vrijheid in de vergaderzaal! Zélden zijn er buiten die van de voorzitter functies te horen, vaak klinken er daarentegen voornamen (“als jij even daarop wilt reageren, Hugo”). Het toppunt is misschien het gebruik van het meervoudig-amicale jullie. (Zie bijvoorbeeld ook dit stukje.)

Dat zou de freule zeker opgevallen zijn, want taal was zeg maar wel haar ding. Ze laat geregeld het regionale karakter van iemands Nederlands in een citaat doorklinken; haar herinneringen aan de tijd dat ze in Zeeland woonde (ik wens je de goeden avond) of Drenthe (wie nem’n de freule) worden ook talig gekarakteriseerd. Vlamingen laat ze valieske en cadeauke zeggen. Geen wonder dat we bij haar iets over de jeugdige Beatrix kunnen lezen – Bob Wttewaal van Stoetwegen was met Juliana bevriend en de dochters noemden haar tante Bol. Vanuit Canada wordt haar in een wat gecodeerde brief in WO II bericht (p. 60) dat de kroonprinses zegt: “het is een localototief maar ik kan dat woord niet goed zeggen omdat ik nog niet helemaal groot ben”. Enkele jaren daarna werft Beatrix als achtjarige in de omgeving van paleis Soestdijk actief voor een stem op “tante”, wanneer deze verkozen moet worden in de Tweede Kamer. Ze haalde voldoende stemmen en dat was niet voor het laatst.

De freule was of wérd politica zoals bijvoorbeeld doorklinkt in haar wijzen van benadrukken. Bijwoorden van graad of andere onderstrepers die we nog kennen maar inmiddels toch wat anders combineren blijken bijvoorbeeld in:
• (docenten op het gymnasium) die mij prachtig hebben opgevangen (p. 20)
• vergezeld van een prachtige nuchterheid (p. 40)
• voldeed enorm goed (p. 233)
hard ziek (p. 255)
• ‘t begon me al hard te vervelen (p. 265)

Ook die aparte groep van stellige woorden bezigde de freule graag die in dit niet-uitputtende lijstje staan, van adel of niet:

• we zagen hemelhoog tegen haar op (p. 32)
• ik was kip-vereerd (p. 41); kip-nieuwsgierig (p. 160)
• een innig gelovig mens (p. 39)
• (bepaalde telefoonnummers) waren moordgeheim (p.67)
oerchristelijke komaf (p. 93)
pioenrood (p. 160)
poeslief (p. 222)
spinnijdig (p. 263)

Aangedikte taal enerzijds is het, maar met afgeslankte woorden daartegenover, niet meer zo gangbare verkleinende bijwoorden zoals koeltjes, zedigjes, zuurtjes. Taal verandert. Bij De freule vertelt lezen we van verhoorlingen (mensen die aan een verhoor worden onderworpen), de telefoon belde, we zien iemand gepensioneerd worden en we lezen een op zich begrijpelijk meervoudig “de Staten-Generaal hadden daar niets mee te maken”.

De Frul (ook wel aangesproken met Zus of Freuletje) was voldoende op taal gericht om afrondend te wijzen op twee kleine bijzonderheden in haar Nederlands: alle gedachte (en niet gedachten) en aanstalte maken (en geen aanstalten). Dat zijn vast ook voorbeelden van regionaal Nederlands waarmee Bob Wttewaal van Stoetwegen zich zo vermaakte.

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

1 Reactie naar Wie nem’n de freule en een localototief. Zoals Bob het vertelde

  1. Rob Alberts schreef:

    Mooi, lezenswaardig blog

    Vriendelijke groet,

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.