Ik wil dat soort woorden gewoon niet horen. Rutte-IV en het debat over de regeringsverklaring, een kleine impressie

Waarop had het betrekking, die uitroep van de voorzitter (Vera Bergkamp) dat ze bepaalde woorden niet meer wilde horen? Staan ze niet genotuleerd, was het buiten de microfoon gezegd? Het was aan het begin van de tweede dag, toen premier Rutte nog niet zo lang bezig was met zijn reactie en door Geert Wilders (PVV) geïnterrumpeerd werd.
Sloeg dat op het gore lef dat Wilders Rutte verweet te hebben door iets te zeggen? Was het omdat Wilders iemand die niet aan het debat deelnam, een VVD-lid, betitelde als terrorist? Had het betrekking op de minister-president die een kamerlid de mond probeerde te snoeren? De premier volgens de Handelingen tegen de oppositieleider: “ U luistert nu even en ik praat even.”

Toen Wilders even later tegen de naamgever van Rutte-IV zei “U bent niet goed snik”, liet de voorzitster die woorden passeren en verwees niet naar Artikel 8.14 van het Reglement van orde (Gedrag in de vergadering): Ieder lid gedraagt zich in de vergadering op een wijze die getuigt van onderling respect, en die geen afbreuk doet aan de waardigheid van de Kamer.
Ze greep naar de volgende bepaling 8.15 (Bij het onderwerp blijven) maar niet naar Artikel 8.16 dat erop volgt: “1. Tijdens de vergadering onthoudt een ieder zich van: a. het gebruik van beledigende uitdrukkingen.”
Ik heb makkelijk schrijven, een dag later. Maar het was me het debatje wél. Ik probeerde niet op de inhoud te letten. Rutte liet immers zeer snel blijken dat hij misschien een debatcultuur in de openbaarheid van de Kamer belijdt maar liever in de achterkamers zaken doet – daarom was er ook sprake van een coalitie- en geen regeer-akkoord. Dus inhoudelijk was het een positiebepaling van kabinet en vier partijen en aan dat akkoord werd vooralsnog niet gevijld.

“Ik wil dat soort woorden gewoon niet horen” is eerder opvoedingstaal binnen een gezin of in schoolverband, het is niet wat je van een Kamervoorzitter verwacht. Toen de grootste oppositiewoordvoerder in diverse richtingen sprak van tuig (volgens Van Dale een verzamelnaam: slechte, ordinaire, asociale mensen), vond mevrouw Bergkamp dat kennelijk niet vallen onder beledigende uitdrukkingen, noch toen het eenmaal ging om een specifiek genoemde Amsterdamse GroenLinkswethouder, noch die meerdere keren dat het asielzoekers in het algemeen betrof, eenmaal nog negatiever aangeduid als moslimtuig van de richel.

Terug naar het debat en naar taal meer in het algemeen. Het begon op de eerste dag met een rondje rond het presidium, alle fractievoorzitters met mondkapje, behalve Wilders (hij had de kortste afstand af te leggen) en Baudet (zat achter een digitaal apparaat en meldde zich later ziek). Toen de minister-president daarna de troonrede van zijn vierde kabinet voorlas, was hij het tegendeel van zichzelf van de volgende dag: sprak hij veel korte zinnen, ontzettend veel accenten, Nederlands van vroegere tijd (met als belangrijk kenmerk het betrekkelijk voornaamwoord dat wat je tegenwoordig zelden in de plenaire zaal nog hoort als het niet wordt voorgelezen) en serieus Nederlands, zonder een massa Engels of een serie grappen.
Dat was de Rutte van de tweede dag, humoristisch en vrolijk, behalve een beetje bij de Toeslagen-kwestie en nog minder als het over Groningen en de Groningers ging.

Nu al scoorde de premier een verwijzing naar zijn ragfijne politieke gevoel, eenmaal met aansluitend een “zonder gekheid”, waarmee hij dat ragfijne politieke gevoel andermaal van een vleugje ironie voorzag dat het natuurlijk helemaal niet heeft. Engels kregen we geregeld geserveerd, soms speciaal vermeld als “slecht Nederlands” zoals bij het woord crowdmanagement. I bet to differ zei de premier van alle Nederlanders en hij repte van “een kleine incursie in Oekraïne” en had het over een “sweeping” gedachte. De premier sprak over en urenlang mét veel oomph.
Waarschijnlijk is in “ligt het extreem voor de hand” en “massief investeren” ook wel wat Engelse invloed te bespeuren.

Daartegenover staat ouder ABN (dat zij opgemerkt, herhaaldelijk) en een poging tot wat plechtiger Nederlands de opmerkingen (ook al meer dan eens) dat iets niet in de weg staat aan iets anders. De stenografen poetsen het welwillend een beetje weg, zoals zij dat ook doen met lidwoordelijke ontsporingen. “Wij hebben niet hét panacee!” riep Rutte met nadruk uit, maar “als de residu van dit debat zou zijn”… Wie dit later naleest in het plenaire verslag zal zien dat de twee lidwoorden gecorrigeerd zijn.

Dat is nog niet gebeurd met “niet als de crisis zich al ontvouwen heeft” (Jan Paternotte, D66). Trouwens, ook die verrassende premiersverspreking van niet met wol in de mond willen praten heeft het verslag gehaald.

Interessanter dan al die ontsporingen in het debat over de Regeringsverklaring is het opduiken van een nieuw woord in de discussies: belastingzeis. Het kwam uit de mond van de premier, die in verband met de inkomensongelijkheid had gezegd: “ik zou ervoor pleiten dat je zo’n discussie, als je ‘m goed wilt voeren, voert met zo min mogelijk ideologie en zo praktisch mogelijk”.

De minister van Financiën zat ernaast en zal geglimlacht hebben: zij is dan toch de Magere Hein? Op veel momenten zou ik naast het publieke themakanaal op televisie graag de beschikking hebben over een digitale mogelijkheid, waarbij ikzelf de beschikking krijg over een aantal cameraposities. Luisteren is één ding, kijken ook.

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.