Mathijs Deen De Hollander: kanttekeningetjes (v)

Op verschillende plaatsen – zeg maar gerust: het hele boek door – tekent Mathijs Deen de sfeer van het wadlopen als het ware van binnenuit. Het zou me verbazen als hij niet aan deze sport heeft gedaan. Dat geldt ook voor wat we lezen vanaf de patrouilleboten, het is alsof hij stage heeft gelopen bij de Nederlandse of Duitse waterpolitie. Het scheepsgevoel zien we aan iets als “Op noordnoordwest de haven van Borkum.” (40) Het weglaten van het lidwoord (aan dek (20, 90), langs dek (48), naar dek (57) en in dok (144)) wekt bij mij diezelfde impressie. Misschien is het wieken van meeuwen ook iets typisch voor dit milieu: ze gaan op de wieken (18) en ze wieken traag over (90).

De herhaalde beschrijving van het hotelontbijt is zeer herkenbaar, Rechercheur Cupido leeft in een lastige verhouding tot het eten in die sfeer. Een binnenvetter mag hij zijn, de Hollander, menselijk blijkt hij in een verrassende passage waarin hij ontroerd raakt bij het vinden van een broodtrommeltje met mandarijn als hij op zoek is naar een verdwenen studente of veel later een opgevouwen handdoek in de weggeworpen rugzak van de overleden wadloper: “Gedwarsboomde voornemens, doorkruiste routines, vergeefsheid.” Bondig genieten, bovenaan bladzijde 154. Eerder kwam de lezer al dit fraaie beeld van de Argo tegen: “een morsig kruisertje, scheve gordijntjes, een baard van algen op de waterlijn.” (blz. 130)

Ook op diverse plekken, inderdaad, door heel het boek heen, merken we aan Deen hoezeer hij vooral in de citaten spreektaal schrijft. Zou zijn radio-ervaring hem daarbij geholpen hebben? Ik zie dat onder meer op het eind van een uiting, waar een minder belangrijk woord door die slotpositie wat aan gewicht wint, heel naturel:

• Je wist dat het erin zat, toch? (12)
• Maar ik zou een lijkenzak meenemen ook (18)
• Zoiets hoor ik de mensen zeggen, tenminste. (117)
• Is dat dezelfde die je kwam wegplukken hier? (176)
• Het is tien uur, te laat om nog wat te eten ergens. (203)

In een radiotekst zal Deen overigens nooit geschreven hebben wat we op bladzijde 105 lezen over Henk van de Wal die op de dijk bij Termunten “(….) kijkt en de krachtige geur die van het estuarium afslaat diep opsnuift.” Dat bekt niet lekker, geen wonder dat Van de Wal even later een klap krijgt van de aanblik van een Duits schip dat daar niet hoort.

Er is nóg iets aan het eind van wat mensen in een dialoog zeggen waarmee Deen althans mij verheugde: volgende aflevering.

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.