Aflevering 1000: apenkooiend van Binnenhof naar Buitenhof over zo’n 250 km

Het antwoord van Parlement.com kwam snel (dank Bert van den Braak!): er is tot dusverre welgeteld één Kamerlid geweest dat Uithuizen als geboorteplaats had, de liberaal R.P. Dojes (1860-1947). Die was senator van 1903-1922. Naar deze herenboer is een straat in het Noord-Groninger dorp genoemd, de R.P. Dojesweg. Aan beide zijden arbeiderswoningen van rode baksteen, allemaal als huis bescheiden van omvang misschien maar mooi wél voorzien van een ruime hoeveelheid grond. De naamgeving zal een verwijzing bevatten naar Dojes’ politieke activiteiten, want de Treubweg en de Talmaweg genoemd naar andere politici vinden we in dezelfde buurt.

R.P. Dojes voorzag in 1910 zijn jongste zoon van juist de twee voornamen als hijzelf had, Rembertus Pieter. Diens duidelijk oudere broer Renger Lulof (1895-1976) werd in zijn leven lokaal een bekende figuur: hij was landbouwer op de mooie boerderij aan de dorpszijde tegenover de Menkemaborg en zijn familie ging (durf ik uit herinnering te beweren) door voor de rijkste van het dorp. Daarom staat meneer Dojes hier vooraan – Uithuizen is mijn geboortedorp. (Zie Wijzigingen, onderaan.)

Boeren hadden het er vooral voor het zeggen, geloof het of niet lezers in het Westen des lands, in het Zuiden of stedelingen: zij waren het die de top van de maatschappij vormden en bezaten in principe de bestuursfuncties. Ze spraken ook en zonder enige gêne een afwijkende taal, met Groningse elementen in hun Nederlands en nog meer Nederlandse in hun Gronings. (Een beetje verwante variant blijkt in de aflevering Van een gotspe maar uuteindelijk neitjes Nederlands: het verhoor van Jan Emmo Hut. Wie een tikkeltje van het Gronings weet, die denkt aan het zogeheten Slapsma-Tiessens waarover ik geregeld heb gepubliceerd, zoals in de Biografie van het Gronings in 2016 en daarvoor uitgebreid in de serie Goud volk.)**) Er was sprake van een soort van kaste, althans een bovenlaag waarvan de jonge leden bijvoorbeeld heel wat eerder naar het gymnasium gingen als die mogelijkheid zich voordeed, gauwer dan de gewonere burgers lid waren van de tennisclub (ja deze oprichtten) en ze ontwikkelden zich zeker ook meer op een rederijkersvereniging. Kunst in het algemeen was iets voor diezelfde bovenlaag. Deze laatste kenmerken golden niet de strengere Protestanten en dat was voor het dansen waarachtig niet anders. Genoemde Dojes sr. was – voordat hij provinciaal en landelijk de politiek in ging – lid van de gemeenteraad in Uithuizen. Hij was liberaal en rond de tijd van zijn vertrek viel de entree van het raadslid Okke Bouwman (A.R.). Die landbouwer bleef in de gemeente Uithuizen daarna een kleine 40 jaar zitting houden in de raad en was er geruime tijd wethouder. (Hij was mijn overgrootvader, en wat ik treffend vind, hij bleek een kleine honderd jaar geleden informant in het kader van een vroege mondelinge dialect-enquête in Noord-Groningen.)

Een toevallige ontmoeting in het voorjaar

Vanwaar deze aandacht voor m’n geboortedorp? Om te beginnen is dit de 1000ste aflevering in dit blog, reden voor een ongewone bijdrage. Concrete aanleiding is die zonnige zondag in maart toen ik over een van de stad-Groninger singels liep en ergens een bonte krokusbloei zag die ik op de foto zette. Eigenlijk toevallig werd een beeldje op datzelfde plein daarmee in de loop vastgelegd. Wie via Google Maps checkt om welk plein het ook alweer precies ging (het is tegenwoordig geen plein maar een klein, rond plantsoen), belandt bijna automatisch in een verwijzing naar Wikipedia. Daar stond dat het Zittende jongeling betrof, een creatie van de beeldhouwer Frederik Jeltsema uit Uithuizen (1916).
Uithuizen? Vroeger nimmer van gehoord terwijl ik er de eerste 19 jaren van mijn leven heb doorgebracht.

Emmaplein Groningen (foto Siemon Reker)

Jeltsema is (was misschien liever) desondanks een bekende naam in ons dorp, ook al een boerenfamilie net als Dojes, Bouwman en een reeks grondbezitters meer. Ik herinnerde me Simon Jeltsema als rentenier – nu ik gegevens van hem opzoek, blijkt hij net als de politicus Dojes ook als voornaam Rembertus gehad te hebben. Alweer een talige les: niet alleen aan familienamen die niet zelden een dubbele familienaam was, kon je horen dat iemand uit de agrarische kring afkomstig was en dat er bunders in het spel waren. Maar toen ik de genealogische gegevens van de Jeltsema’s wat probeerde te ordenen was ik minstens zo verrast door het gegeven dat Simon Jeltsema een jonge broer was van die onbekende beeldhouwer die op het Emmaplein een surprise voor me was geweest. Zo begint een tochtje waarin ik de lezer apenkooiend meeneem, als het ware van het in dit blog gebruikelijke Binnenhofs naar het Buitenhof maar met een ruime uitstap naar Uithuizen. Apenkooien, dus de route is vrij. Riemen vast!

Titia, Engelina, Sibentje Frouwkelina: etiketten in de bovenlaag

Dat zoeken in de familie was om verschillende redenen niet simpel. Om te beginnen hadden vooral de dochters van het echtpaar Rembertus Jeltsema en Anje Westerhuis veel en in het gewone dorp weinig gangbare voornamen: een grotere boerderij was in die jaren dus wel in heel veel opzichten een aparte wereld. Daar kwam bij dat er juist van de meisjes-Jeltsema velen jong overleden – en zoiets in zo’n welgesteld milieu.
Zonder me om allerlei details te bekommeren die eenvoudig via internet vindbaar zijn, gaat het achtereenvolgens om deze kinderen, voorzien van geboortejaar en in vrijwel alle gevallen met een toevoeging omtrent het moment van overlijden:

  • Jansje Frederika (1878, in 1879 overleden)
  • Frederika Engelina (1879)
  • Jansje Frederika (1881, in 1935 overleden)
  • Titia Engelina Anne (1884, in hetzelfde jaar overleden)
  • Titia Engelina Anne (1885, in 1931 overleden
  • Sibentje Anna Margaretha (1887, in 1893 overleden)
  • Engeltje Frouwkelina (sic, met w: geboren in 1889; als mevrouw Willemsen-Jeltsema in 1968 overleden maar in rouwadvertenties als Froukelina vermeld)
  • Simon Rembertus (1891, op Folckuma, overleden in 1967 )
  • Anna Margaretha Titia (1892, overleden 1978)

Na Simon Jeltsema’s verscheiden vond ik geen familiebericht maar alleen een overlijdensadvertentie ondertekend door zijn vrouw. Was deze achterblijver-broer op de stamboerderij een buitenbeentje-landbouwer-paardenfokker? Zijn grafsteen benadrukt zijn landbouw-komaf (alweer een talig leermomentje) zoals te zien is aan de vermelding van zijn geboorte-omgeving op Folckuma. Dat is tegenwoordig deze boerderij langs het spoor:

Folckuma, Bovenhuizen langs het spoor (Siemon Reker)

In het lijstje staan alle vindbare nakomelingen van Rembertus Jeltsema en Anje Westerhuis, maar van het gezin is nog niet alles verteld. Laten we teruggaan naar een stukje topografie van Uithuizen, om te beginnen naar de belangrijkste, lange straat die door de gemeente ooit in twee stukken verdeeld zal zijn. Het langst is de rechte lijn die de Hoofdstraat West daar is, beginnend bij het gemeentehuis. Daaraan staat halverwege het pand waar in 1939 domineeszoon en latere cabaretier Seth Gaaikema geboren werd. Dat vermoed ik want daar als nummer 32 bevond zich lange jaren de Doopsgezinde pastorie. (Onderaan in een noot een niet-talig leermomentje.)*) Dat treft: helemaal aan het begin van deze Hoofdstraat West staat wat destijds de N.H. kerk was en ongeveer aan het eind maar nog vlak voor de rand van het dorp bevindt zich het gebouw van de Roomse parochie. Hoofdstraat West 85. (De Vrijgemaakte kerk was direct vindbaar naast het renteniershuis van Simon Jeltsema.) Religieus gezien is de Hoofdstraat West inderdaad de hoofdstraat van Uithuizen.

Voordat er allerlei veranderingen in het wegenpatroon werden aangebracht, kon je min of meer in één rechte lijn vanuit het uiterste puntje van die westelijke kant van de Hoofdstraat over de onbewaakte spoorwegovergang rijden of lopen en daar begon Bovenhuizen. De eerste boerderij aan de rechterkant was Folckuma (zie boven). Maar eerst moeten we de Algemene Begraafplaats nog aandoen, ook aan de Hoofdstraat West maar nu halverwege aan de zuidelijke, oneven kant. Nummer 33.
Het dorp is de laatste jaren in verval schrijf ik maar in alle helderheid en dat geldt voor dat kerkhof (het oude) zeker ook. Dat constateer ik in maart 2024 als ik op zoek ben naar graven van de Jeltsema’s in het verlengde van die toevallige krokus-foto aan het Emmaplein.

Ik weet dan inmiddels meer, zoals het feit dat de tweede dochter die de namen Titia Engelina Anne kreeg (naar haar jong gestorven oudere zusje) als Titia Chaskel-Jeltsema in Berlijn overleden is op 4 juni in 1931. “Haar leven was liefde en offervaardigheid.” Dat valt met enige moeite en vooral met wat Fingerspitzengefühl af te lezen van haar bijzondere graf. Titia’s man Paul Chaskel stamde uit wat nu heet Poznán (1888) en is journalist; hij is in 1949 tot Nederlander genaturaliseerd. Wanneer hij in 1963 overlijdt zien we in de rouwadvertentie dat hij opnieuw gehuwd is en dan als “redacteur” betiteld wordt. Van Titia weten we als het ware niet zoveel – hoewel zij als “dramatische sopraan” in althans het Duitse taalgebied heeft opgetreden. Haar loopbaan doet erg denken aan de bloedverwante en bijna naamgenote Engeline Westerhuis uit het naburige dorp, de operazangeres over wie Anne Aalders een informatief boek schreef [Anne Aalders, Angela Cona operazangeres uit Usquert. Levensverhaal van Engeline Westerhuis 1891-1984. Bedum 2010. Zie daarin op bladzijde 24 een passage over de Jeltsema’s.]

…. dewelke heeft verklaard dat op den Vierden October….


Het is de hoogste tijd om wat aandacht te richten op Frederika Engelina en haar omgeving. Zij was het oudste zusje in de familie (geboren op 4 oktober 1879). De oudste ja, althans nadat Jansje Frederika niet lang na Frederika Engelina’s geboorte was overleden. Want zij was het, weliswaar inmiddels hij geworden, die de maakster bleek van dat beeld te midden van de vroege voorjaarsbloemen: “Beeld Zittende Jongeling van Frederik Engel Jeltsema (1916) tussen de krokussen. Het beeld staat sinds 1960 op het Emmaplein.” (Wikipedia) Dezelfde beeldhouwer bleek een kunstenaar van naam geweest! Zo had Koningin Wilhelmina in 1918 het door hem gemaakte standbeeld van Johan de Witt onthuld, dat bij de Gevangenpoort vindbaar is – op de grens van Kneuterdijk en Buitenhof en dus vlakbij het Binnenhof. Het Binnenhof, dat adres waar voor dit blog zoveel inspiratie is opgedaan, laten we zeggen op een 250 kilometer afstand van Uithuizen. Johan de Witt kijkt tegenwoordig in de richting van het gebouw waar de Raad voor de Rechtspraak zetelt. Recht-spraak! Van Johan de Witt en het gepeupel hoorden we op de lagere school, maar die Jeltsema kende ik niet. Nooit van gehoord ook, al blijkt er ook later in de media en zelfs in regionale echt wel eens over haar/hem bericht. Trouwens, zoek ook niet naar deze Jeltsema in de 368 pagina’s van de Geschiedenis van Uithuizen van Alje Bolt (Uithuizen, 1982). In de Nieuwe Groninger Encyclopedie (Groningen 1999:413) staat wel een beknopt maar informatief lemma “Jeltsema, Frederik Engel” opgenomen, allicht in het verlengde van de Groninger Encyclopedie van K. ter Laan: die onderwijzer-bestuurder-naslagwerkenschrijver zou weleens de Groninger kunnen zijn die door zijn langjarige Kamerlidmaatschap (1901-1937) het vaakst van alle Groningers langs Johan de Witt is gelopen.

Frederik Jeltsema’s Johan de Witt in Den Haag (foto’s Siemon Reker)

Het geboortehuis van de beeldhouwer – althans de boerderij waar hij van zeer jeugdige leeftijd heeft gewoond – staat in Bolts overzicht van Uithuizen royaal historisch beschreven en daar is uit af te leiden dat Simon, de jongere broer van Frederik Jeltsema er lange tijd de eigenaar en bewoner van is geweest. Dat was het adres Bovenhuizen 2, pal bij de spoorlijn tussen Groningen en de Eemshaven (voorheen Roodeschool), zeg maar aan het eind van de Hoofdstraat West.

Simon Jeltsema leek eeuwig vrijgezel, trouwde toch nog en bleef na zijn huwelijk in 1952 wel een aantal jaren landbouwer maar hij en zijn vrouw deden Folckuma in 1964 van de hand. Ze kochten een herenhuis helemaal aan het begin van de Hoofdstraat West, nummer 4, toen nog recht tegenover het gemeentehuis gelegen. Het huis naast dat van hen op nummer 2 was in het bezit van de plaatselijke N.H.-kerk en werd in mijn jongere jaren als huurders bewoond door mensen bij wie ik veel kwam en die ik in feite als familie beschouwde. Het was daarvóór het doktershuis van Wobbe Jilt Jansma, één pand met woning en praktijkruimte gecombineerd: het was een adres van belang voor het ondergrondse verzet ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Bij de latere bewoners kwam ik dan misschien veel, maar aan Jeltsema heb ik desondanks geen herinneringen. Als de beeldhouwer ooit op nummer 2 of 4 op bezoek geweest is – ik heb daar geen weet van gehad. Ook in die sfeer is me voorzover ik kan herinneren nooit iets verteld van een beroemde beeldend kunstenaar met een bijzondere levensloop bovendien.

Tijd om het geboortebewijs een slag te draaien

Nu dan echt naar de beeldhouwer, het wordt tijd om haar via allegroningers.nl verkregen geboortebewijs een slag te draaien.

Toen De Telegraaf op 17 mei 1906 in navolging van andere kranten ruim verslag uitbracht van “Een kunstenares, die een man is” was dat in die bron al het zoveelste bericht over mejuffrouw Jeltsema: ze was een van degenen die dongen naar de Prix de Rome (01-07-1902), enkele dagen later in de krant herhaald; op 28-11-1903 volgde een bericht over een tentoonstelling waaraan mej. Jeltsema bijdroeg en op 20-12-1905 stond er een kritische karakterisering van haar werk. Maar dan volgde dus dat bijzondere feit, dat iemand die eind 1879 als meisje was aangegeven, in 1906 bij nadere beschouwing een jongen bleek te zijn. De Prix de Rome won ze tevoren als vrouw!

Over de louter administratieve weg naar de geslachtsverandering (de Arrondissementsrechtbank in Groningen gaf opdracht aan de gemeente Uithuizen om de vroegere aangifte te corrigeren en Frederik Engel als namen toe te kennen), de rol van medici en vrienden en de psychische effecten op Fré Jeltsema is via internet veel te vinden, het uitvoerigst en meest gedetailleerd dankzij een Amsterdams stuk van Frouke Schrijver.
Frederika had al veel succes geboekt, als beeldhouwster en daarna als medailleuse. Als Frederik bleef dat aanvankelijk het geval. Hij schilderde ook maar dat is de minst belichte kant van zijn artistieke bestaan. Het bekendste was en bleef dat publieke beeld van Johan de Witt dat in 1918 onthuld werd.

Graf Simon Jeltsema (Algemene Begraafplaats Uithuizen, oud) (foto SR)

Terug naar de Algemene Begraafplaats in Uithuizen. Vier graven van de Jeltsema’s staan daar naast elkaar. Het jongste, zwarte graf is dat van Simon (en van zijn jongere, veel later overleden vrouw): het is afwijkend van materiaal, moderner. De andere drie vormen wel een zekere eenheid. Op de hoek staat dat van de ouders als een zitbank met twee medaillons (waarvan er eentje boven de naam van moeder Jeltsema verdwenen is, het andere is een afbeelding van vader Rembertus). Twee honden bewaken als het ware het eigen erf. Dan volgt dat lastig leesbare graf van mevrouw Chaskel-Jeltsema. Graf drie hoort er bij maar is sober van uitvoering, het is dat van de tweede Jansje Frederika (1881-1935) die ongehuwd bleef. Over haar worden ook een artistieke bezigheden vermeld.

Vier graven Jeltsema (Algemene Begraafplaats Uithuizen, oud) (SR)

De eerste drie graven zullen het werk zijn van Fré Jeltsema, die vrouw was en man werd, waarvan bijvoorbeeld het Nieuwsblad van het Noorden in 1906 van nabij verslag deed: “Het is toch waar, Frederika Jeltsema liep dezer dagen als Frederik Jeltsema in mannenkleeren te Uithuizen rond, tot groote verbazing van allen, die “haar” in “haar” jeugd hadden gekend. Iemand, die lang bij zijn (haar) welgestelde ouders te Uithuizen woonde, vertelde ons dat hij (zij) als meisje was ingeschreven in de registers van den Burgerlijken Stand, als meisje ook op school ging en opgroeide, maar door voorkomen bij de andere leerlingen wel eens wat moest hooren, dat op twijfel wees, iets wat trouwens aan meer leden uit zijn familie is overkomen.
Tot volle ontwaking omtrent zijne sekse schijnt hij echter pas in de laatste jaren te zijn gekomen, vandaar ook de gedaanteverwisseling die thans door de noodige officiëele stappen bezegeld is. Frederik Jeltsema, de beeldhouwer, die reeds als Frederika tal van onderscheidingen ontving — tot drie malen toe van onze Koningin — die als meisje te Amsterdam op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten heeft les gehad en reeds als kunstenares van naam bekend stond, zal nu als kunstenaar voortgaan op den weg, die reeds aanvankelijk tot roem heeft geleid.” (NvhN 18-05-1906 via Delpher)

Met de tong strompelend over het Hollands

In 1918, het jaar waarin het beeld van Johan de Witt koninklijk wordt onthuld, begint het Maandblad Groningen te verschijnen. Dat is een samenvoeging van drie bladen Groningen, Mooi Groningen en Grönneger Stemmen – die laatste als orgaan van de Groninger vereniging van Den Haag. Hoofdredacteur van dit tijdschrift is de beroemde en in Groninger kring gevierde Geert Teis Pzn. (in werkelijkheid G.W. Spitzen). Hij wordt ook hoofdredacteur van het fusieblad en drukt daar in die rol de eerste jaren zijn stempel op. Hij was bijvoorbeeld niet enkel literair geïnteresseerd (Gronings, Nederlands, Duits) maar ook in de beeldende kunst.

Maandblad Groningen (1e jrg., 1918)

Het is daarom geen wonder dat de Groninger schilders in Den Haag door Teis belicht worden. Al in de eerste jaargang schrijft hij enkele malen over Groninger Kunstenaars. Op blz. 262-268 staat een royale aflevering (nummer 3 en allicht laatst in deze serie), deze keer over het echtpaar Mesdag – Van Houten – ingeleid door een afbeelding van het medaillon van het echtpaar dat de niet verder genoemde F.E. Jeltsema ontwierp. Wellicht heeft er in een van de andere jaargangen iets over Frederik Jeltsema gestaan – ik heb dat niet nagegaan.
Teis/Spitzen benadrukt in 1918 het Groningse van de Mesdags en hij doet dat op het eerste oog in de tegenwoordige tijd schrijvend, al is Sientje in 1909 en Hendrik Willem in 1915 overleden: “Groningers zijn beide gebleven van top tot teen en vol belangstelling voor hun land; en genoeglijk is ‘t te horen uit de mond van de naaste familie, hoe vooral Mesdag, als hij warm liep, met z’n tong strompelde over ‘t Hollands en z’n opbruisend gevoel lucht gaf in de taal van z’n stad, ‘t echte, “ronde, raoke Grönnens”. Mensen van betekenis verlochenen (sic, SR) ‘t nooit!” Hun land, lees Groningerland.

Verderop in dezelfde maand maart van 2024 als waarin de krokussen in Groningen tot een foto verleidden, is een filmer in Den Haag vooraan aan de Laan van Meerdervoort bezig met het maken van opnamen bij De Mesdag Collectie, aan de straatzijde van het dubbele huis: Mesdag en zijn vrouw Sientje woonden naast haar broer Samuel – die van het kinderwetje – van Houten. Ik ga even naast de filmer staan (het wordt een documentaire voor NPO2 in april, begrijp ik) en schiet ook een plaatje:

Mesdag Collectie Laan van Meerdervoort – links een torentje van het Vredespaleis (foto Siemon Reker)

Daar vlak achter ligt het Vredespaleis uit welke sfeer Jeltsema de opdracht kreeg voor het maken van een borstbeeld van William T. Stead. De twee broers Mesdag, hun schilderende echtgenotes en Fré Jeltsema, alle vijf allicht ook Groninger stemmen in Den Haag en Scheveningen.

Zo komen we ongemerkt van de Laan van Meerdervoort bij de Scheveningseweg en daarmee bij dat prachtige virtuele webmuseum www.mesdagvancalcar.nl dat dr. R. Vetter en drs. N.I.W. Vetter-Boot hebben samengesteld. Digitaal en daarmee dag en nacht toegankelijk – nu betreft het Hendrik Willems jongere broer Taco en zijn vrouw Geesje van Calcar. Geesje kunnen we Taco’s Sientje noemen, maar in relatie tot Fré Jeltsema is zij belangrijker, bij leven als een soort van pleegmoeder en na haar overlijden als erflaatster voor hem. De geïnteresseerde kan er van alles aanklikken, bekijken en lezen over véél uit de wereld van de Van Mesdags c.s., inclusief en royaal over Frederik Engel Jeltsema. Een Fundgrube.

Had Fré iets met Groningen? In elk geval schonk hij in 1960 de Zittende jongeling en een tweede stuk aan de gemeente van die naam. Had zijn geboorteplaats Uithuizen iets met Frederik Jeltsema? Er is daar geen straat of plein naar hem genoemd, dus het antwoord op die vraag laat zich raden.

*) Wie in Uithuizen met de rug naar het gemeentehuis (van vroeger althans) staat en in westelijke richting kijkt, kan vooraf weten dat de huizen rechts even genummerd zijn. Die 32 klopt, zoals het huis ernaast met nummer 34 waar ons gezin een flink aantal jaren woonde. Maar let op, kijk voor de toepassing van het volgende ezelsbruggetje in de richting van het centrum! De algemene, ook elders geldige regel is dan wat ik maar de ROELrule noem. Met een respectvolle blik naar het gemeentehuis: Rechts Oneven, Even Links.

P.S. Dit is een bijzonder stuk, beste lezer. Het is lang maar desondanks voor aanvullingen en correcties vatbaar!

Even reces.

REACTIES

  1. Frouke Schrijver stuurde enkele afbeeldingen van briefjes van Free (dan nog Frederika) Jeltsema, in 1904 tijdelijk in Uithuizen. Als voorbeeld:
… tot weerziens voor je beiden….

Dat voor je beiden is inmiddels niet meer gangbaar, maar blijkt bv. via delpher tot in de jaren ’60 van de vorige eeuw gangbaar. Lexisnexis laat zien dat het momenteel niet meer in kranten voorkomt.

2. Gerard Muntinga reageerde inhoudelijk (wordt vervolgd) en deed dat vergezeld gaan van enkele afbeeldingen. Allereerst suggereerde hij bij de Groninger schilders van de Haagse School ook Jozef Israëls te vermelden:

Muntinga stuurde ook een afbeelding van vader Rembertus Jeltsema en dat kunnen we vergezeld doen gaan van de juist zoon geworden Frederik:

3. Dezelfde reageerder wees nog op een stuk in het Nieuwsblad van het Noorden (30.08.1960) waarin geschreven werd over een probleem dat een raadslid van het GPV (nu CU) had met het beeld van de Bacchante dat vandaag in haar geheel aan deze bijdrage is toegevoegd (zie verderop):

WIJZIGINGEN

D.d. 2 april 2024: Een eerdere impressie van (te koop staande) arbeiderswoningen via Google is vervangen door een afbeelding van het straatnaambordje. Wees trouwens verrast, lezer, over het namenpaar op de plaats waar de R.P. Dojesweg uitkomt op de Departementsstraat. Verrast? Op het bord met de Departementsstraat staat nu de aanduiding Schelppad voor het (smallere, even verderop voor fietsen bedoelde) pad. Je verwacht of Schelpenpad of Schèlpad, dat is de oudere lokale aanduiding voor Departementsstraat – maar ja, die straat is kaarsrecht en zeker niet schèl ‘scheef’. Een pad is die rechte straat tegenwoordig trouwens evenmin….

AANVULLINGEN

D.d. 04.04.2024 **) De uitzending van Op1 van 3 april 2024 ging over het sluiten van de Groninger gaslocaties. Voorzitter van het Groninger Gasberaad Jan Wigboldus zat aan tafel. Ik ken hem niet en weet niets van hem, maar om zijn Nederlands anno 2024 (en niet omdat hij de voorzittersrol heeft ofschoon dat passend is) veronderstel ik dat zijn beroep boer is. Kijk vooral verderop in het programma als Wigboldus – na anderen – loskomt: https://npo.nl/start/serie/op1/seizoen-5/op1_451/afspelen Neem als voorbeeld de passage vanaf zo’n minuut of 20 (die met “een blunder van het eerste uur”).

D.d. 04.04.2024 Met dank aan de gemeente Groningen die me vandaag binnenliet op het Stadhuis en begeleidde naar de Trouwzaal: hier staat ze, de Bacchante met druiventros van Frederik Jeltsema. Misschien moet ze eens aan haar rechter bovenbeen geopereerd worden:

Over Siemon

Siemon Reker (1950, Uithuizen) was hoogleraar Groninger taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen tot aan zijn emeritaat in 2016. Eerder was hij onder meer streektaalfunctionaris van de Provincie Groningen en actief in de journalistiek (Nieuwsblad van het Noorden, Radio Noord). Publicaties staan onder het kopje C.V.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.