• AANLOOPJE
Maak aantekeningen, hield ik mezelf voor. Bewaar aantekeningen. Bekijk ze soms.
Dankzij die drie gedragsregels vond ik een notitie terug met een uitspraak van een mevrouw (gedateerd op 27 mei 1984) dat je stof snel moet opvegen, “anders loopt ’t door het hele huis heen”. Gaat stof aan de wandel, loopt het? Neen. Ook kerken preken niet, al zegt de dominee honderd keer van een bepaald gebouw dat dit moeilijk of juist plezierig preekt. En dikke pennen mogen sneller breien, er moet echt iemand zijn die ze hanteert, ze doen het niet zelf. Sommige pennen schrijven ook lekkerder dan andere.
Dit heet subjectsverwisseling lees ik in Van Dale en deze bron licht dat aldus toe: “in ‘die weg rijdt lekker’ is sprake van subjectsverwisseling, omdat het normale onderwerp (de auto) vervangen is door ‘die weg’, oorspronkelijk een bepaling van plaats”.
De voorbeelden doen denken aan het onpersoonlijke het (zoals in het regent) want de genoemde gevallen zijn simpel vervangbaar door het rijdt lekker op die weg, het breit snel met dikke pennen enz. Ik zou liever een simpeler navoelbaar begrip hebben dan subjectsverwisseling, maar dat ken ik niet. (Het komt in de hele e-ANS trouwens ook niet voor, zoek daar onder mediumconstructies.) We constateren dat er een nieuw subject komt, een ander element uit de zin wordt als het ware gepromoveerd tot onderwerp (zeg PNO ‘promotie naar onderwerp’). In de voorbeelden gaat het om het huis in, op de weg e.d. dus telkens een of andere bijwoordelijke bepaling. Deze promotie naar onderwerp betreft dus een BWO ‘bepaling wordt onderwerp’.
• AANLEIDING
Het politieke seizoen begint voorzichtigjes, althans voor de schermen maar wel met een ander voorbeeld van subjectsverwisseling. Het kabinet is bijeen geweest, wekelijkse columns als die van Petra de Koning in de NRC komen na een vakantiereces weerom. Zij schrijft plezierig, vooral vanuit een persoonsgerichte invalshoek. In haar bijdrage van 20 augustus 2024 heeft De Koning het over fysieke gebreken van politici en hoe die daar vooral geheimzinnig over doen. Haar eerste tekst van na de zomer eindigt aldus:

Als hij iets gaat mankeren. Van Dale is heel direct en simpel in het aanstrepen van wat door sommigen als een fout in de uitsmijtende passage zal worden beschouwd. Hoe zit dat, mankeert HIJ iets of mankeert HEM iets? Is hij in gangbaar Nederlands het onderwerp van mankeren of is het normaler dat hem hier als meewerkend voorwerp figureert? Van Dale zegt: “wat mankeert hem?, met subjectsverwisseling wat mankeert hij? aan welke kwaal lijdt hij, wat scheelt hem?”
Subjectverwisseling is ook hier als term niet helemaal prettig. We vertalen: hem mankeerde iets en dat werd mettertijd hij mankeerde iets, we hebben ook in deze constructie een nieuw onderwerp gekregen. Was iets aanvankelijk het onderwerp (dus subject in hem mankeert iets), wat is dat dan geworden in de zin waarin hij de onderwerpsfunctie heeft gekregen? Ik breek me het hoofd er niet over, maar ik denk dat iets in hij mankeert iets lijdend voorwerp genoemd kan worden.
De redekundige bevordering van hem mankeert naar hij heet sinds het begin van dit stukje dus PNO. Nu betreft het een voorwerp (hem) dat het onderwerp van de zin is geworden (hij), in een afkortingsaanpak te betitelen als Voorwerp Wordt Onderwerp: VWO. Alleen lezers van deze column begrijpen het als iemand schrijft “BWO is het broertje van VWO” of “BWO en VWO zijn beide voorbeelden van PNO”.
• OORZAAK
Die taalverandering van hem mankeert iets naar hij mankeert iets heeft wel een zekere logica als we kijken naar bepaalde voorbeelden uit de Handelingen van de Tweede Kamer. Neem een constructie met “Als je niks mankeert” of “wat er allemaal aan je mankeert”. Bij het gebruik van hij en hem is eenvoudig een verschillende naamval te onderscheiden, maar bij je is dat niet het geval. Wel bij jij tegenover jou, maar accentloos je is bruikbaar als vervanger van zowel de onderwerpsvorm (jij) als van het voorwerp (jou). Bij u is hetzelfde aan de hand: u ziet mij en ik geef u een boek. Die verandering in het gebruik van een werkwoord als mankeren, ja, dat komt er van als we in het Nederlands zo weinig om naamvallen zijn gaan geven. Dat geldt net zo voor de mensen (mankeert > mankeren iets) want den mensen is geen Nederlands meer.
PNO is trouwens een vaker voorkomend fenomeen in het Nederlands. Daarop hoeven/hoeft de lezers vast niet nader door schrijver dezes geattendeerd te worden.
Naar mijn gevoel is een zin als “Wij mankeerden niets” geen PNO.
Ook niet gebaseerd op bv “ons mankeerde niets”? S.