Waor is zien pet?
Langzamerhand wordt het tijd de dagboeken te sluiten waar ik me deze zomer een poos mee vermaakt heb. Dat zijn dus die van Jhr.mr. A.J.M. van Nispen tot Pannerden 1946-1972, In dienst van negen premiers zoals de bezorgers Alexander van Kessel en Carla van Baalen de uitgave betitelden. (Amsterdam 2024, succesvol want er is inmiddels een tweede uitgave.) Premier Cals werd op de rand van winter en voorjaar 1967 opgevolgd door minister-president Zijlstra, beiden werden door de secretaris-generaal van Algemene Zaken toegesproken. Deze hield in zijn dagboeken vast wat hij ongeveer had gezegd. Bij het vertrek van Zijlstra (zie blz. 390) volgt Van Nispen in een speech de psycholoog Alfons Chorus die het Nederlandse volk als weinig emotioneel karakteriseert. Van Nispen haalt naar aan te nemen is een voorbeeld van Chorus aan dat enerzijds in het Zeeuwse Koudekerke speelt, maar vergelijkt dat met wat de jeugdige Pietje de Jong in Apeldoorn zou zijn overkomen. Het jongetje speelde op het ijs buigbaantje, moest vervolgens worden gered. Toen zijn vader aan de heldhaftige redder vroeg of híj́ dat had gedaan, was zijn vervolgvraag op het bevestigende antwoord in dialect: “Waor is zien pet?” Aldus Van Nispen. Dat deed me direct denken aan een van de eerste bronnen die ik ooit in het Gronings las, een buitengewoon succesvol moppenboekje van Jan Boer (eigenlijk een vervolgboekje, Nog ‘n gapsel waarvan de eerste druk uit 1961 stamde, de tweede uit 1967).
Toen ik de biograaf Johan van Merriënboer vroeg of hij dat verhaal van De Jong kende, kwam hij met een suggestie waar ik eerder zelf op had moeten komen: kijk ‘es in Delpher. Buigbaantje leverde onder meer de Telegraaf van 4 april 1967 op als bron: daar staat althans een verhaal dat Van Nispen gelezen kán hebben – zijn dagboek-aantekeningen over de schaatsbaan dateren namelijk van een dag later, 5 april 1967. “Ukkie” de Jong zou als kind in het Apeldoornse Wilhelminapark door het ijs gezakt zijn.
Johan wees op het hoofdredactionele commentaar van het AD van 25 maart 1967 wat primair de bron van Van Nispen zal zijn geweest, ik denk in combinatie met dat stuk van de Telegraaf: in de Telegraaf staat De Jongs negatieve ervaring met het buigbaantje beschreven, in het AD wordt prof. Chorus aangehaald die Nederland onder meer pietluttigheid verweet. Dat verbond de secretaris-generaal met de boer in Koudekerke die meer in zijn zoons pet belang stelde dan in het feit van diens redding. Van Nispen kan beide berichten verbonden hebben én van een dialectisch sausje voorzien en dat vervolgens aan Zijlstra bij diens vertrek speechend aangeboden.

Het belangrijkste deel van het AD-commentaar Volte hierboven is dit [als ik het goed lees, SR]: “Het is een der aanzichten van onze burgerlijkheid, die de Leidse psycholoog prof. dr A. Chorus de kerneigenschap noemt waaruit allerlei voortvloeit en waarmee veel samenhangt. Als wij met hem de balans van ons volkskarakter opmaken, schrijven we aan de positieve kant: ijver, werklust, spaarzaamheid, zuinigheid, regelmaat, soliditeit, plichtsbesef, eenvoud, zorgzaamheid, zakelijkheid. Maar aan de negatieve kant: pietluttigheid, gebrek aan soepelheid en verbeelding, overheersing van het economisch standpunt ook waar het niet te pas komt, kleinzieligheid, formalisme, tekort aan royaliteit. We zijn een beetje allemaal als de boer uit Koudekerke wiens zoontje door het ijs was gezakt maar nog net werd gered. Toen redder en geredde druipnat voor de vader stonden waren diens woorden, met een door wantrouwen begeleide zin: “Waar is zijn pet?””
Anderhalve week later stond dit in De Telegraaf:

Van Merriënboer mailde me ook over de belangstelling van Piet de Jong voor de humoristische schrijvers P.G. Wodehouse en Simon Carmiggelt. P.G. Wodehouse staat niet in het persoonsregister van Van Nispens dagboeknotities, Simon Carmiggelt niet als auteur. Dat is eigenlijk onverwacht.