Aan Wikipedia ontleen ik over het leven van Dröge het volgende (begin januari 2025 overgenomen): “Dröge groeide op in Haren en ging naar de middelbare school in Groningen. Hij studeerde Europese Studies in de taalkundige variant aan de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast studeerde hij geschiedenis aan de Paris Lodron Universität in Salzburg, Oostenrijk.” Kan de laatste studieplaats verklaren waarom Dröge meer dan een Nederlandse taalkundige het woord linguïstisch gebruikt naast en in plaats van taalkundig? In De Tawl wisselt hij de twee begrippen bijna plichtmatig met elkaar af en ik hoor dat ene woord dan vrijwel werktuigelijk uitgesproken worden op de Duitse manier, “ling-goewistiesj”.
Heeft prof. Wim Klooster destijds bijgedragen aan de Europese Studies in de taalkundige variant aan de Universiteit van Amsterdam? Hij was er lange jaren hoogleraar Nederlandse taalkunde en kort nadat hij met emeritaat gegaan was publiceerde hij een prachtig samenvattend boek over dat vak, Grammatica van het hedendaags Nederlands. Een volledig overzicht, Den Haag, 2001.

Waarom is de Grammatica van het hedendaags Nederlands een mooi boek? Ik noem wat dingen die me te binnen schieten. Het is helder, het is tegelijk sober en verzorgd uitgegeven, de opzet met veel rijtjes aan voorbeeldzinnen is overtuigend en bovenal is de toon van de auteur uitermate plezierig. Hij schrijft helder en is technisch tegelijkertijd.
We worden concreter als we naar het Register kijken en daar letten op het Nederlands van de tekst. Dat begint op blz. 389 met de waarschuwing dat een passage over een trefwoord soms nog door kan gaan op pagina’s “volgend op die waarnaar in het register verwezen wordt.” In de volgende zin is sprake van termen die “elders in het register kunnen worden opgezocht” en aansluitend staat er: “Termen die door een komma van elkaar gescheiden zijn, gelden als (in dit boek) equivalent.”
Wie met een beetje oog voor taalvariatie naar deze tekst kijkt, ziet voorbeeldjes van wat op p. 245 de groene volgorde in Kloosters boek heet (“naar een kleurcode op een dialectkaart”). Er is ook een rode volgorde. Groen is als er in een bijzin “verwezen wordt” of “gescheiden zijn”. Het draait om de plaats van het hulpwerkwoord. Komt dat achteraan dan spreken we van groen, was er sprake van “wordt verwezen” en “zijn gescheiden” dan heet dat taalkundig rood. Klooster constateert dat de rode volgorde kenmerkend is voor het Nederlands van de Randstad, groen komt vaker voor in de oostelijke gewesten. Klooster: “Ze zijn binnen het ABN gelijkwaardig.”
De oorspronkelijke kleurnamen kwamen voor op kaarten waarbij Anita Pauwels, de Vlaamse auteur, in 1953 liet zien hoe met name de Noordelijke variëteiten Fries en Gronings extreem groen van snit waren. Voor de geïnteresseerde lezer wijs ik terug naar een bijdrage in dit blog over Simon Carmiggelt. In die aflevering schreef ik (hier een ietsiepietsie aangepast): “Om te beginnen: er is géén betekenisverschil tussen zinnen die zo’n persoonsvorm groen achteraan in de bijzin hebben of wat meer naar voren en dan als rood betiteld worden. De volgorde even veranderen maakt dat duidelijk.
Het is een stijl- of een gevoelsverschil en dat kan ook regionaal bepaald zijn. Mensen in het Noorden (Friesland voorop, Groningen daar op geringe afstand achteraan, dan wat verder volgend Drenthe) waren bij uitstek gehecht aan de groene volgorde op een manier die elders niet voor te stellen was. Daar lag de volgorde veel minder duidelijk vast.”
Dit is voor Philip Dröge – de auteur van het boek waar deze reeks even over gaat – gesneden koek: die taalkundige variant. Het kan zijn Noordelijke herkomst zijn die groen voor hem vertrouwd moet doen voorkomen, bovendien kan zijn Duitse oriëntatie dat besef versterkt hebben want Duits is een zéér groene taal, ook in Salzburg waar Dröge gestudeerd heeft. Heeft gestudeerd. Hoe schrijft Dröge, rood of groen? Wordt vervolgd.