• Veel en persoonlijke herinneringen aan Hans Wiegel kwamen er gisteren naar boven op de dag van het bekend worden van zijn overlijden, vooral via de sociale en schrijvende media en de televisie. Ikzelf heb drie ervaringen met hem maar bij wijze van excuus vooraf: verderop volgt iets uit bijdragen van hem in de Tweede Kamer.
De laatste herinnering aan de toenmalige ex-politicus van de VVD was zijn reactie op m’n verzoek, het boek Dat gezegd hebbend in ontvangst te nemen. Toen hij het hele manuscript had toegestuurd gekregen en door zijn secretaresse had laten uitprinten moet hij het hebben doorgelezen. Was ik te weinig positief over hem? Hij weigerde. Wat de vice-premier uit Van Agt-Wiegel niet wilde, deed de minister-president later. (Zie bijvoorbeeld hier.)

Jaren daarvoor interviewde ik hem telefonisch (net als twee andere Noordelijke CdK’s) voor Radio Noord als opening van een nieuw taalprogramma. Het belangrijkste wat ik er van onthouden heb, was zijn afwijzende houding op m’n vraag of hij niet in het Fries met me wilde spreken. Wiegel: Neen meneer Reker, daarvoor is die taal me te héilig – met accent op dat bijzondere woord. Naar aanleiding van een afsluiting van een Elfstedentocht (zag ik gisteren) werd hij geroemd om zijn bjusterbaarlik goede Fries, op basis van één zinnetje dat hij bij die gelegenheid voorlas.
Eerder had zijn toenmalige voorlichter me een keer gevraagd, de CdK een talig antwoord te geven op de kwestie van de naam van een wijn, een onderwerp waar ik zeker geen specialist in ben of was. Ik schreef een humoristisch briefje en kreeg als dank een stropdas toegestuurd. Een Friese stropdas.
Die droeg ik op een officiële Groninger avond en de aanwezige Groninger Gedeputeerde Gerard Beukema spotte mij als Friese-dasdrager! Enkele dagen later kreeg ik van de Provincie Groningen ook een Groninger das.
• Begin deze week schreef ik twee stukjes ter gelegenheid van het overlijden van Jan Terlouw. (Dit als aanloop rond de ook kortgeleden overleden politiek journalist Kees Tamboer, en dit als eigenlijke kern.) Het tweede ging over een venijnige prik die Terlouw in de Algemene Beschouwingen van 1973 aan Hans Wiegel uitdeelde. Hem verweet de nieuwe leider van D’66 wel een erg grote attentie voor het geld: de rechter achterzak als plaats van het geweten. Deze uitdrukking moet Terlouw ontleend hebben aan de Friese journalist Laurens ten Cate. Terlouw was toen juist fractievoorzitter van D’66 geworden.
In de zomer van 1971 ontstond het eerste kabinet-Biesheuvel. Omdat Molly Geertsema daarheen verhuisde, werd de zeer jeugdige Hans Wiegel diens opvolger als fractieleider. Wiegel in zijn nieuwe rol op 4 augustus 1971: “Het spreekt vanzelf, dat de leider van de oppositie niet beslist de man zal zijn die juichend over straat loopt, maar het is wel de vraag, of hij zo moet overdrijven als hij heeft gedaan. Want wat iedereen die hem hoort of ziet onmiddellijk bedenkt is dit: Wat had jij er zelf van terechtgebracht, vriend?
Mijnheer de Voorzitter! Dergelijke woorden aan het adres van een zo doorgewinterde politicus als de heer Den Uyl is, passen een jong en onervaren fractievoorzitter niet. Het zijn dan ook niet mijn woorden, het is een letterlijke weergave van wat Laurens ten Cate, partijgenoot van de heer Den Uyl, schreef in de ..Leeuwarder Courant” van 21 juni jl.” (Alweer Laurens ten Cate.)
Bij de Algemene Beschouwingen van 1971 beleefde Wiegel zijn vuurdoop als fractieleider en toen zag de leider van de oppositie, Joop den Uyl (PvdA) hem niet over het hoofd: hij deelde een tikje uit en ging snel over naar de economie: “Mijnheer Wiegel — laat ik hem vooral niet vergeten: hij vergeet zichzelf ook niet — heeft reeds doen weten dat de drukverhoging van nu door structurele bezuinigingen moet worden gecorrigeerd.”
Wiegel was gevat. Hij richtte zich zó tot Den Uyl en diens samenvatting van het nieuwe kabinetsbeleid: “De heer Den Uyl heeft dat genoemd een „beleid van ieder voor zich”. In de eerste plaats is dat niet waar en in de tweede plaats is dat altijd nog beter dan een beleid van „Den Uyl voor ons allen”.”
Er moet in de Kamer hartelijk om gelachen zijn, zoals ongetwijfeld ook over een paar wat meliger grappen van Wiegel toen deze enkele malen samen met premier Biesheuvel doofheid speelde.
Biesheuvel kijkt wat vermoeid had Wiegel gezegd, de premier verbeterde hem: Ik kijk geboeid.
Verderop ontwikkelde zich deze dialoog tussen dezelfde heren, allereerst Wiegel: “De rechtzetting die de Minister-President gistermiddag aanbracht in zijn woorden over de verdere democratisering van Europa juich ik toe, al verbaast het mij, dat een kabinet – met zoveel Europeanen onder zijn leden – aanvankelijk in de regeringsverklaring een passage had opgenomen die de wenselijkheid van een rechtstreeks gekozen Europees parlement relativeerde.
Minister-President Biesheuvel: Dat was een tikfout.
De heer Wiegel (V.V.D.): Dik hout?
Minister-President Biesheuvel: Een tikfout.
De heer Wiegel (V.V.D.): Het één is soms hetzelfde als het ander. Als het een tikfout was en niets meer, is het een typiste geweest met een bepaald anti-Europese gezindheid.”
In 1981 kwam met vallen en opstaan (en met merkbare tegenzin van premier Van Agt) het kabinet tot stand waarin Van Agt, Den Uyl en Jan Terlouw tot elkaar veroordeeld waren. Al bij het opstellen van de regeringsverklaring ging het mis en toen moesten de economen De Galan en Halberstadt hulp bieden. Bij het afleggen van de Regeringsverklaring op 17.11.1981 lag het speelterrein open voor een kritische en humoristische rol van Hans Wiegel. “De heer De Kam, lid van de Partij van de Arbeid, zei dat het werk van de heren De Galan en Halberstadt politiek is geslaagd, maar economisch is mislukt. Deskundigen hebben mij verzekerd dat, wanneer de heer Halberstadt zijn werkstuk als proefschrift zou hebben ingediend, hij geen promotor had kunnen vinden om op dit werkstuk zijn doctorstitel te halen. Nog een vriendelijke opmerking daaraan vastgeknoopt – alleen voor de ‘incrowd’ waartoe sommigen behoren – : ook dit verhaal had de heer Halberstadt beter op de achterbank van zijn auto kunnen laten liggen!”
Dit was scherp van Wiegel: Halberstadt (een econoom voor wie in de VVD veel en vooral kritische belangstelling bestond en die keurig betiteld kon worden als prof. drs.) was wel hoogleraar maar niet gepromoveerd. In die niet-digitale tijd was het dramatisch als het manuscript van de dissertatie verloren ging. Dat was Halberstadt overkomen en hij koos voor zijn loopbaan en niet voor het opnieuw aan een promotie werken. Wiegel had zijn studie niet afgemaakt en daar zal deze ook wel mee geplaagd zijn.
