Natuurlijk laten veel dingen zich in het leven niet voorspellen. Achteraf, ja dat is andere koek.
Nooit gedacht dat ik afgelopen zaterdag ineens een groot deel van de dag naar Hilversum zou treinen (en terug) om daar de uitzending van De Taalstaat bij te wonen – en nog wel in het programma dat de proloog was van de uitzending vanuit het Tourcafé in Beeld en Geluid. Dis donc!


De aanleiding was de invitatie van Frits Spits om iets te zeggen over – en enkele fragmenten voor te lezen uit het boek waar het hier enkele malen over ging, Onder professoren. Door die aanleiding heb ik het boek nog eens gelezen en al was het alleen door toedoen van het fameuze taalprogramma is er reden genoeg om nog enkele malen te spreken over Hermans. Met hulp van Ewoud Sanders kon ik de tekst nu ook simpel digitaal doorvlooien: merci!
• Eind 2022 begon het hier met een vervolg op wat ik in de krant had gelezen en wat me toevallig ook nog eens bracht bij Peter de Bie, een oud-collega van de RONO die lang op zaterdagochtend (en voorafgaand aan De Taalstaat) een landelijk programma presenteerde. Het talige begin was een venijnig woord dat W.F. Hermans gekozen had als etiket voor een later veel bekendere politicus (Jan de Koning, gereformeerde glimpieper) dan toen deze Kamervragen stelde over de werkweek van die Groningse lector die ook schrijver was, Hermans. De vragen werden ingediend bij Jhr. Mauk De Brauw minister zonder portefeuille, belast met wetenschapsbeleid en wetenschappelijk onderwijs, in de korte periode van 6 juli 1971 tot 21 juli 1972 (zo is te ontlenen aan parlement.com). Daarop had het tweede stukje betrekking.
• Ook nog net vlak voor het afsluiten van 2022 begon ik wat te close-readen in Onder professoren. Vroeg in 2023 verscheen er een vervolg, Hermans in de rol van observeerder van eigentijdse taal – inmiddels dus een halve eeuw geleden. Toen ging het me vooral om het door hem gewraakte Nederlands van studenten, opstandige studenten. Die wilden in het kielzog van ontwikkelingen elders (Parijs ‘68 zogezegd) ook serieuzer genomen worden maar voor inspraak waren ze bij W.F. Hermans aan het verkeerde adres. Hij ergerde zich aan van alles van die nieuwe generatie, van modern, onverzorgd taalgebruik – net zo onverzorgd als hun haardracht en kleding. Dat viel nogal mee, te oordelen aan foto’s die op Hermans’ instituut toen genomen zijn.
• Vriend van de Rijksuniversiteit Groningen is de schrijver moeilijk te noemen na de verschijning van Onder professoren. Het is zo, ik ben soms onaangaam getroffen door ‘s schrijvers neerbuigendheid over de dorpsuniversiteit waar hij lector was en een stedelijk salaris ontving, over de mensen uit de regio, hun namen, hun taal e.d. Hierover verschenen twee bijdragen in dit blog, dat in mei 2023 een laatste tekst over Unter Professoren leek te bevatten met attentie voor een mooie en verhelderende Duitse vertaling.
Via De Taalstaat gaat het toch weer enkele malen over de man van wie Frits Spits in een voorgesprek verrast opmerkte, dat er nog steeds géén straat naar hem genoemd was in Groningen.
Is dat vreemd voor een schrijver met zó’n naam die zo lang in Groningen woonde? En de lelijke elementen uit Onder professoren kónden toch geen betrekking hebben op Groningen zo had de schrijver zelf via de pen van collega Zomerplaag in een Nawoord toch laten blijken? Toen de roman verscheen woonde Hermans al met een uitkering in Parijs – die stad waar het studentenprotest begonnen was nota bene. Het copyright bevestigde dat: W.F. Hermans, Paris, France. Moest het Engels van die geografische namen de afstand extra inwrijven?
Hermans was een liefhebber van René Magritte en van het surrealisme. Kregen we aan het eind, als ondertekening zogezegd de verzekerende bewering dat deze roman géén sleutelroman is? Ceçi n’est pas un roman à clef dat is van dezelfde orde als dat Magritte onder schilderijen verklaarde dat hier geen pijp of appel afgebeeld stond: iedere kijker wist beter en hetzelfde moet gegolden voor de lezer van Onder professoren dat 50 jaar geleden verscheen en zoveel drukken lang met een vrijwel geheel zwarte voorzijde en RUG. À suivre: wordt vervolgd.

‘Moest het Engels van die geografische namen de afstand extra inwrijven?’
Mij lijken de namen Paris en France in dit geval Frans.