Een Hekkinkje doen: ik als eerste, anderen daarna

Voor iemand die via een Proclamatie van en tot Mijn volk spreekt, zoals de toenmalige koningin Wilhelmina deed na de Duitse inval in 1940, is het geen wonder als deze het verderop in dezelfde tekst ook heeft over Ik en Mijn Regeering. Misschien wordt dat in koninklijke kring anders gevoeld, voor mij klinkt “mijn regering en ik” sympathieker. “De regering en ik” zou ik nog positiever waarderen, ja “De regering” is al voldoende want dat is de optelsom van Kabinet en Koning.

In de Handelingen van de Tweede Kamer van de eerste elf maanden van 2022 heb ik ruwweg gekeken naar de frequentie van het voorkomen van ik en X. Dat gebeurde weliswaar grofweg maar ook weer niet blind. Zo liet ik gevallen buiten beschouwing als deze:
• herhaling van de persoonsvorm (dan vind ik en dan vindt mijn partij)
• herhaling van een voegwoord als in “Laat het duidelijk zijn dat ik en dat wij als indieners…”
Ook als ik in het midden van een opsomming voorkwam (A, ik (B) en C bv. dat u, ik en allen hier aanwezig) dan streepte ik “en ik” niet aan, wel daarentegen gevallen als de volgende uit het lopende jaar 2022:
ik en het kabinet (Rutte; ook Weerwind)
ik en mijn collega Agema (Wilders PVV)
ik en vele andere collega’s (Paulusma D66, let op het overtollige andere dat al in collega’s zit)
ik en mijn partij (Van der Plas BBB; ook Van Esch PvdD)
ik en veel anderen (Hoekstra)
ik en anderen (Belhaj D66)
ik en mijn fractie (Hermans VVD; Thijssen PvdA)

Afgezien van sprekers die je nooit op de volgorde ik en X zult betrappen, zijn er onder de hier opgesomden enkelen die aan zichzelf toch vrij vaak voorrang verlenen, zoals minister Hoekstra, fractievoorzitter Sophie Hermans (VVD). Premier Rutte hoort daar mogelijk ook bij, maar hij háált het niet bij de persoon die hij eerst in de rol van staatssecretaris en later als minister in een kabinet met zijn naam een plaats gaf, mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (die sprak van mijn politiemensen). Zij zei volgens de Handelingen in 2022:

ik en andere bewindspersonen
ik en de ACM
ik en mijn collega’s
ik en mijn collega-ministers
ik en mijn collega van Binnenlandse Zaken

Mogen we aarzelen omtrent wat er hier aan de hand is? Is het een karaktertrek die erop wijst dat er met iemand bepaald rekening gehouden moet worden of is het Mediterrane cultuur? Aan dat laatste is te denken als diverse anderen aan de Bezuidenhoutseweg (Azarkan, Gündogan) voor de eerste persoon als eerste persoon kiezen, dus eerst ik noemen. Kortom: een kwestie van andere opvoeding? Dergelijke culturele verschillen zijn er, in het Engels staat I en me ook veel makkelijker bij een opsomming voorop. Dat zou de positie van Wopke Hoekstra verklaren, maar Sigrid Kaag met haar internationale achtergrond ontbreekt dan weer opvallend.

Heel algemeen gesproken horen we de volgorde “ik en X” eerder uit het kabinet dan uit de Kamer en in geval van het laatste relatief het meest van fractievoorzitters. Doet het me daarom bijna altijd weer aan wethouder Hekking denken die burgemeester Van der Vaart verdringt?
Misschien speelt ook politieke cultuur een rol: niemand van GroenLinks of van de SGP (en de ChristenUnie eigenlijk evenmin) vond ik bij een test over de afgelopen twee kalenderjaren, maar bij VVD en D66 juist extra? Neemt het over de jaren heen enigszins toe? Is het inderdaad zo dat ik in het Engels makkelijker een opsomming kan openen dan bij ons en heeft dat invloed op het Nederlands?
Vragen.

Van Kooten en De Bie(via Youtube)
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een klepper, een beenveeg en een onwaarschijnlijk vreemde toets

Nadat de pronostiek in de studio is afgewerkt (driekwart van de Belgen denkt dat Nederland van de VS zal winnen) en na een wat medelijdende opmerking over die jonkies van Amerika die tegen al die kleppers moeten voetballen (spelers uit de grote competities) schakelt Sporza zaterdag 3 december over naar Stef Wijnants voor het begeleidende commentaar. De wedstrijd is nauwelijks onderweg of keeper Noppert moet op een schot van Pulisic in actie komen met een beenveeg. Na die redding en met de vroege 1-0 voor Oranje is de wedstrijd nog niet gedaan horen we: “ze moeten nog wel wat klippen overwinnen!”

Zorgen dat je niet woekert met je krachten is Wijnants’ advies en dat wordt opgevolgd, want even later kan de commentator voorspellen dat de Amerikanen na 50 minuten nog wat in de tank gaan hebben: ze spelen behoudend, het is slaapverwekkend. Soms – zoals in minuut 43 – is er een schot van Weah, vol in beweging, gecontroleerd de bots (het schot). Maar de conclusie na de 2-0 is in de pauze: de Amerikanen gaan vol aan de bak moeten. In de studio leren we de term forty-five (een voorzet die schuin in de richting van de penaltystip gaat) en het Engels is in het Vlaamse voetbalverslag vaker hoorbaar dan in het Noordelijke Nederlands, via de punch (om zich door te zetten), bijna een own-goal van Zimmerman, cheaten door een Nederlander, het is een do-or-diewedstrijd.

Die onwaarschijnlijk vreemde toets van Wright

En dan die 76ste minuut: Wat een toets tegen de bal van Wright, die onwaarschijnlijk vreemde toets. Maar als Dumfries de stand op 3-1 gebracht heeft “laat Nederland het allemaal lopen gaan”. Goed, Gakpo recupereert wel eens, Noppert gaat de bal nog eens een lel geven, maar Nederland plaatst zich voor de volgende ronde. Tegen wie? Als het Argentinië wordt, dan is dat toch een dikke klepper! Terug naar de studio.

Bij de avondwedstrijd verzorgt Filip Joos het commentaar (hij wordt door de presentator daarvoor in de rust zeer geprezen). Ook bij Joos horen we van het recupereren (heroveren) van het leer. Engels is er bijvoorbeeld via de outswinger die het gevolg is van een hoekschop. Na ruim een half uur is er een opstootje en dan de 1-0 voor de Argentijnen: zo heeft Messi de lont aan het vuur gekregen. Het wordt wat harder, Acuña denkt: poets wederom poets (ik pak je terug) – soms maakt een Australiër kennis met Argentijns staal, maar ook een Australiër kan van het rudimentaire type zijn, ‘hard’. Bij een fysiek duel vlak voor het doel, horen we over de Australische aanvaller tussen de Argentijnse keeper en twee verdedigers: “Die legt hij alle drie tussen zijn boterham.”

Invallers worden door Joos in de wei gegooid. Een titularis ‘beoogd invaller’ heeft de coach gevraagd of hij het nog even mag proberen. Australië scoort tegen en dan verandert dat de wedstrijd: “De kangoeroes hebben een trampoline gevonden en ze springen.”

Wie weet hebben kijkers via Nederland 1 genoten van het voetbal en het commentaar van Jeroen Elshof en Philip Kooke, de Vlaamse toets heeft ook wat.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

JEZUS CHRISTUS wat een PARADE VAN COURTOIS! Peter Vandenbempt voor de VRT

Hoe een Nederlander via de Vlaamse televisie luisterde naar het verslag van Peter Vandenbempt (bij de laatste poulewedstrijd Kroatië-België, 01.12.2022) – goed, het is vijgen na Pasen want onze Zuiderburen werden door de 0-0 voor de volgende ronde uitgeschakeld maar allez:

[direct na 10” een enorme kans voor Kroatië] JEZUS CHRISTUS!!

(na 1’30”) een blitzstart van de Kroaten, al twee keer in de box!

De Bruyne is meegestoken

Sosa mag inschuiven

Dendoncker is meegeschoven

De Bruyne diende zich goed aan in de ruimte

Modric blaast warm en koud [bij een toch niet doorgaande strafschop]

zo geraakt België niet vooruit

vrij simpele tikken die verloren gaan

Hij zwemt aan zijn rechterkant

Gvardiol schuift in

bepaald hallucinant hoeveel ruimte hij kreeg

[Na inbrengen van Lukaku, begin 2e helft] nu heeft België présence voor de goal

hij is de kapstok waaraan België zich kan ophangen en vastklampen

Modric gooit ‘m (= geeft een voorzet)

Kovacic duwt ‘m te ver

[al in de 52ste minuut over de Kroaten] ze voetballen rustig uit

EEN PARADE VAN COURTOIS! (2x)

‘t brandt daar voorin [bij het Belgische doel]

…. waarmee je deze keeper kan verschalken

LUKAKU GESTUIT DOOR DE PAAL!

een situatie met potentie

JEZUS CHRISTUS wat een kans!

een vijfsterrentussenkomst van deze Gvardiol

[92ste minuut] maar het hart bonkt nog

WEL WEL WEL WEL WEL WEL

Naast België werd Duitsland op dezelfde eerste december uitgeschakeld. En Nederland? Als groepseerste door naar de volgende ronde…. na drie begrafenissen (aldus Jan Mulder voor de NOS op 30 november 2022).

fragment website VRT (na weer een van de mislukte pogingen Lukaku)
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

‘Mijn’ – bezittelijk voornaamwoord dat uit de hoogte kan klinken

Bijzonder, dat begin van de proclamatie van Koningin Wilhelmina na de Duitse inval in Nederland. Met dank aan het Utrechts Archief, het gaat om deze tekst:

Het is destijds voor de radio voorgelezen, mei 1940, ik herinner me een opname door een stem die gedragen begint met de titel, Mijn Volk. In deze context blijkt weer eens dat mijn wel een bezittelijk voornaamwoord is, terwijl van bezit hier geen sprake is maar een relatie uitdrukt. In dat opzicht verschilt het ene mijn soms van het andere, want mijn gsm of mijn pen is m’n persoonlijke eigendom waar ik over kan beschikken, terwijl mijn werk of mijn familie een ander verband weergeeft. Mijn Volk – het klinkt als iets uit een andere tijd, maar eigenlijk ook iets uit de hoogte.
Justitieminister Van der Steur moet iets dergelijks gevonden hebben toen hij op 15 juni 2016 in de Tweede Kamer zei: “Ik sta volledig achter mijn mensen. Dat heb ik gedaan in de onderhandelingen over de nieuwe cao en dat doe ik elke dag als er kritiek op wordt geuit op de politiemensen. Ik zou bijna zeggen “mijn politiemensen“, maar het zijn natuurlijk onze politiemensen.”
Zijn latere opvolger Grapperhaus sprak in 2020 eenmaal (en dus als het ware ook nog heel voorzichtig) van “Ik ken mijn politiemensen” maar al iets minder voorzichtig in 2021: “Ondertussen (….) staat er ongelofelijk veel druk op mijn mensen, zeg ik, mijn politiemensen, maar ook mijn brandweermensen en nog meer diensten.”

Grapperhaus is de echte wegbereider van minister Yeşilgöz-Zegerius. In november 2022 is de oogst van haar volgens de Handelingen in dit opzicht:
• Ik sta nu op voor mijn politiemensen (….)
• Ik zal het blijven herhalen, omdat ik opkom voor mijn politiemensen.
• Ik laat mijn politiemensen niet zo wegzetten.
• Ik sta voor mijn politiemensen.

De laatste twee citaten stammen uit het Vragenuur van een week geleden, toen Sylvana Simons de minister bevroeg over het handelen maar meer nog het nalaten daarvan in Staphorst (intocht Sinterklaas met Zwarte Pieten, actie van demonstranten daartegen, waartegen anderen in actie kwamen terwijl de mensen van Yeşilgöz toekeken). De minister bij hetzelfde Vragenuur van 22 november 2022: “Ik laat mijn politieagenten niet op deze manier wegzetten. Ik laat mijn politieagenten niet wegzetten alsof ze welbewust, doelbewust op burgers afstappen om hen in elkaar te meppen.”

Mijn, mijn, mijn, mijn. Het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord maakte mevrouw Simons misschien nog een tikkeltje bozer dan ze nu was – zou kunnen zijn, want het is ongebruikelijk dat een excellentie (m/v) zich mensen als het ware toe-eigent. De collega van VWS zal het niet hebben over “mijn medisch specialisten, mijn verpleegkundigen”, de minister van Onderwijs niet over “mijn hoogleraren, mijn UHD’s”, de Defensieminister niet over “mijn matrozen, mijn soldaten”. We kunnen aannemen dat mevrouw Yeşilgöz momenteel nog terug zou schrikken voor “mijn rechters, mijn officieren van justitie”, maar dat kan een kwestie van tijd zijn.

Mijn Volk, het klinkt wat uit de hoogte. In diezelfde Proclamatie van Wilhelmina is er nog iets in deze sfeer: maandag het vervolg.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

DWDD en dat intrigerende woordje ‘schromelijk’ dat eigenlijk ‘schromeloos’ is

Het was – of je er nu van houdt of niet – het was vuurwerk, dat grote stuk in de Volkskrant (19.11.2022) over DWDD en het aanhoudende wangedrag van de leiding van dat programma. De strekking: zeer goed scorende televisie leveren maar wel ten koste van degenen die het maakten. Een bijzonder element in het artikel betreft Janine Abbring. Als die niet doet wat eindredactrice Dieuwke Wynia van haar had verwacht (‘Dieuwke was ziedend’, zegt een collega. ‘Ze zei dat ze ervoor zou zorgen dat Janine nooit meer aan de bak zou komen in Hilversum.’), stuurt deze een mail naar vrijwel de hele redactie waarin ze genadeloos uithaalt naar Abbring, aldus de Volkskrant. De krant vervolgt: “De volgende dag belandt er om 12.02 uur een reply van Abbring in ieders mailbox. Het onderwerp: ‘Jakhals wordt weer een visje’. Beste Dieuwke, staat er. ‘Het is nogal wat, om iemand in een mail volkomen neer te sabelen (…) Om dit te bestempelen als de grootste (gemiste) primeur sinds Watergate vind ik schromelijk overdreven.’ (….) Op de redactie kijken mensen verbijsterd naar hun scherm. Voor het eerst komt een van hen openlijk in opstand.”

Van maken en breken

Ik was verrast door de inhoud van het stuk, door de strekking van de mail, maar in het kader van dit blog door de taal. Hier gebruikt iemand het woord schromelijk. Schromelijk overdreven, schrijft Janine. Wie gebruikt dat negatief versterkende bijwoordje nog? Staat inmiddels vast in de lijst van vergeetwoorden van de Taalstaat van Frits Spits.
Het is bijvoorbeeld in de Handelingen van de Tweede Kamer van dit jaar nog maar eenmaal te vinden, één maal uit de mond van Ralf Dekker (vervangend lid van de FVD-fractie) die niet toevallig bij de oudere Kamerleden hoort. Hij is geboren in 1957 en spreekt in het Pensioendebat van “een schromelijke overschatting”.
Schromelijke overdrijving bij Abbring, bij Dekker schromelijke overschatting – het woord combineert kennelijk met onderling sterk vergelijkbare woorden. In het kalenderjaar 2021 komt schromelijk 3x voor in de plenaire Kamerverslagen, naast overschatting en overdrijven 1x in combinatie met wangedrag. Net zo negatief geladen, nu uit de mond van minister Knapen (1951).

Schromelijk is een woordje dat al een heel eind op weg is naar de uitgang, duidelijk in onbruik aan het raken. Het komt minder en minder voor en wordt toenemend van een vaste maar altijd negatieve metgezel voorzien.

Het is een bijzonder woord. Terwijl schromelijk zonder enig voorbehoud de negatieve inhoud van de buurman versterkt, drukt schroom en schromen nu juist voorzichtigheid uit. Schromelijk is eigenlijk schromeloos!

Misschien ligt daar de oorsprong van deze bijzondere betekenis: ‘ik druk het met voorzichtigheid uit want ik zeg nogal wat’. Zoiets? Aanvankelijk dus wellicht het als het ware uitschreeuwen door de voorzichtigheid te benadrukken,- iets waar we nu totaal niet meer aan denken.

Kijken we in de Handelingen van 2000-2009 dan blijkt schromelijk ook vooral met tekortschieten, falen en dergelijke gecombineerd te worden en dan net als nu met overdrijven. Verder zien we in die periode ook wel schromelijk onderschatten, maar dan bijvoorbeeld ook schromelijk achter de feiten aan lopen, een schromelijk gebrek vertonen, schromelijk verwaarlozen, schromelijk mislukken, zich schromelijk vergissen, zelfs zien we een minister spreken van schromelijke misleiding. Dat zou een twintig jaar later bijna niet meer kunnen.
Maar kijk bijvoorbeeld naar diezelfde Kamernotulen nog verder terug – uit de tweede helft van de vorige eeuw (1950-1999) – en zie dan hoeveel meer er talig dan nog mogelijk blijkt in combinatie met schromelijk: onbillijk, achtergesteld, meten met twee maten, verwaarlozen, in gebreke, schending, ontheiliging, traagheid en vele meer. Allemaal zeer negatief maar het illustreert achteraf bezien de steeds kleinere rol die schromelijk in het hedendaagse Nederlands door ons taalgebruikers toebedeeld aan het krijgen is.

De taal verandert doorrrr.
Tot zover, tot later!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Wie spreekt er eigenlijk: “opleeswoordjes” in een bijdrage aan een debat

Iemand die bijvoorbeeld voor de microfoon van de radio een tekst moet voorlezen en door ervarener krachten geholpen wordt, kan bijvoorbeeld dit als praktische tip krijgen: zorg voor een eenzijdig geprinte tekst. Niets is onhandiger dan je papier tijdens de voordracht te moeten omdraaien, dan nét even te vergeten hoe de zin ook alweer precies liep en terug te moeten draaien.
Niet minder belangrijk maar wat bewerkelijker is de raad om de tekst bekkend te maken, dus zodanig geschreven dat je ‘m makkelijk uit je mond krijgt. Een collega van me wilde bijvoorbeeld nooit “onder de titel” zeggen omdat hij daar licht over struikelde, althans daar bang voor was – ik nadien ook.

Wie teksten voor-schrijft die een ander dus zegt, moet beseffen dat het voorleesteksten zijn en zal minstens moeten proberen er spreektaal en geen schrijftaal van te maken, want dat zijn echt twee variëteiten. Het lijkt me een belangrijke les voor ambtenaren die zo hoog in de hiërarchie geklommen zijn dat zij antwoorden voor een bewindsman mogen formuleren.
Hoe ervaren minister Schouten (minister voor Armoedebestrijding, Participatie en Pensioenen) inmiddels ook is, in het lange, lange pensioendebat zei ze volgens de Handelingen het volgende bij de beantwoording van vragen (technische vragen, vanzelfsprekend): “De heer Azarkan heeft vragen over de solidariteitsreserve. Hij vraagt: kunnen binnen pensioenfondsen schokken ontstaan omdat de pot leeg is en hoe wordt ervoor gezorgd dat er dan geen gedupeerde deelnemers zijn? Zoals eerder gezegd moet het beleggingsrisico voor deelnemers en gepensioneerden passen bij hun risicohouding en bij de beleggingsrisico’s die zij kunnen en willen lopen. In die zin mogen zij niet geconfronteerd worden met te hoge risico’s. Verder kunnen financiële schokken in de uitkeringsfase worden gespreid. Dat voorkomt ook te grote negatieve uitslagen. De solidariteitsreserve kan daarbij een rol vervullen, maar is secundair aan de twee bovengenoemde instrumenten. De solidariteitsreserve kan natuurlijk tijdelijk leeg raken, maar dan blijven de andere twee instrumenten — een passend beleggingsrisico en de mogelijkheid van spreiden — nog steeds van kracht.”

Ik neem aan dat de minister het ook vrij precies zó heeft gezegd, dus voorgelezen.
Dat kunnen we allereerst zien aan het ontbreken van Schoutens gebruikelijke stop(lap)woordjes als ook en juist ook. Maar hoorbaar is het nog het duidelijkst als de formulering van het antwoord een woord als bovengenoemde bevat (De solidariteitsreserve kan daarbij een rol vervullen, maar is secundair aan de twee bovengenoemde instrumenten.). Dat is gewoon in een uitgeschreven tekst, maar niet in een voor te lezen bijdrage, kies dan liever voor “eerdergenoemde”. Eerder in een mondelinge bijdrage kun je iets zeggen, niet het schrijftalige boven.

Maar gebruik ook niet de variant die de tekstschrijver van Caroline van der Plas (BBB) in haar bijdrage voor datzelfde pensioendebat meegaf: “Er is dus helemaal geen acute noodzaak om deze wet op basis van voornoemde reden koste wat het kost snel door te willen voeren.” Voornoemd is vrijwel net zo uitgeschreventeksterig als bovengenoemd. Sylvana Simons (Bij1) doet het (“Voorzitter. Al het voornoemde is mijn probleem met de bestuurscultuur in Den Haag.”), de voorzitter soms ook: “Daarmee sluit ik de beraadslaging over voornoemd wetsvoorstel.” Maar bewindslieden gebruiken véel vaker dan Kamerleden opleeswoordjes als “bovengenoemd”, want zij hebben nu eenmaal véel meer derden-handen die stukken tekst aandragen.

Voornoemd, bovengenoemd en dat soort schrijftaal past wel in moties, maar niet in een normale mondelinge bijdrage aan een debat. Nu ja, ze laten wel zien (eh horen) dat de spreker m/v hier de voorlezer m/v van wijsheid van een ander m/v is. We zouden in de waan moeten blijven dat degenen die met elkaar in debat gaan in de Kamer zélf aan het woord en geen ventriloquisten zijn. Ventriloquist klinkt (staat) minder negatief dan buikspreker.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Nog eenmaal in het voetspoor van Pieter van Os

Van de lagere school herinner ik me dezelfde emotie als later bij een van de eerste nationale dictees: belachelijk Nederlands dat er werd voorgelezen. Pesterige taal enkel en alleen omdat het zo moeilijk was. Waar later het antimakassartje of het przewalskipaard voor diende (struikelblokken) werd in klas 6 Het kauwtje zat in zijn kouwtje te kouten voor gebruikt. Woedend mocht ik inwendig zijn, je kon het niet laten blijken, meester wist wat goed voor ons was. Aan kouten deden we niet, een kouwtje gebruikten we niet en voor de kleine kraai hadden we in het dialect een ander woord, veel mooier bovendien.
Ik dacht eraan toen ik in het boek van Pieter van Os las dat Kamerleden het ambtelijke jargon van de macht nabouwden (blz. 261). Zó geschreven – ik herinnerde me het dicteewoord dat ik waarschijnlijk nimmer zal gebruiken.

Daarmee is het lijstje van Van Os’ door de oren gestuurde Nederlands klaar en kunnen we over naar de belangrijker zaak van de taalverruwing waar hij op dezelfde pagina (261) over begint. Met de komst van SP, later LPF en PVV kreeg het Nederlands in de Tweede Kamer trekken van straattaal, zegt Van Os. Hij geeft het voorbeeld van Dion Graus’ “Als een of andere klootzak wordt opgepakt die een hond in elkaar heeft getrapt …” Voorzitter Jan ten Hoopen (VVD) steekt een vinger omhoog, heeft op de wedervraag van Graus geen alternatief woord in de aanbieding maar zegt wel: “Dit soort krachttermen hebben wij hier niet nodig”.

Eerder datzelfde jaar 2008 noemde Graus zijn CDA-collega Henk Jan Ormel “mogelijk een beginnend lijder van Alzheimer”. Toen ontwikkelde zich onder het voorzitterschap van Ernst Cramer (ChristenUnie) het volgende volgens de Handelingen:

De voorzitter: Mijnheer Graus…
De heer Graus (PVV): …verzoekt de regering, onmiddellijk tot actie over te gaan…
De voorzitter: Mijnheer Graus…
De heer Graus (PVV): …tegen deze malafide praktijken door Japan kenbaar te maken…
(De voorzitter schakelt de microfoon van de spreker uit.)
De voorzitter: Neen, mijnheer Graus. U mag uw termijn afmaken, maar ik sta u niet toe dat u een collega op deze manier aanspreekt.
(De spreker verlaat het spreekgestoelte en de vergaderzaal.)
De voorzitter: Ik schors de vergadering voor een enkel moment. (De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.)
De voorzitter: Mijnheer Graus. Wilt u alstublieft even terugkomen in de Kamer?
(stilte)
De voorzitter: De heer Graus heeft de vergadering verlaten. Het woord is aan mevrouw Ouwehand.

In het Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2022 spreekt voorzitter Vera Bergkamp haar zorgen uit over de omgangsvormen in de Tweede Kamer (blz. 134). Als een serieuze journalist en een Kamervoorzitter het weloverwogen zeggen, dan moet er iets van kloppen. De vorige week troffen Gideon van Meijeren (FVD) en Martin Bosma (PVV) in de rol van voorzitter elkaar, en niet voor het eerst. Bij een snelheidsovertreding zijn er vrij precieze marges waarbinnen wel of niet en zo ja waarbij er zwaarder of minder zwaar gestraft wordt. (Er bestaat zelfs een Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen met aparte aandacht voor recidive.) Voor dicteewoorden hebben we het Groene Boekje. Kennelijk geeft het Reglement van Orde van de Tweede Kamer op dit punt onvoldoende handvatten aan degene die de vergadering voorzit. Deze bepaling is onvoldoende duidelijk:

Artikel 8.14 Gedrag in de vergadering
Ieder lid gedraagt zich in de vergadering op een wijze die getuigt van onderling respect, en die geen afbreuk doet aan de waardigheid van de Kamer.

Nederland lijkt een land met een Volksvertegenwoordiging die regels voor de spelling met streepjes en dubbele punten vaststelt, maximum-snelheden op de wegen tot achter de komma voorschrijft, maar niet in staat is te bepalen wat precies onderling respect en waardigheid van de Kamer inhoudt.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen