Op het spoor terug: Bas van der Vlies en Pieter Zandt (SGP)

Het bericht van het overlijden van Bas van der Vlies deed me denken aan de kamer van zijn opvolger Kees van der Staaij én aan Sharon Gesthuizen. Achteraf vraag ik me af of het boek van de laatste in dat gesprek aan de orde is geweest. Nee, waarschijnlijk niet, gemiste kans.
Mark Kranenburg noemt Van der Vlies vanochtend op de website van de NRC ouderling. Die gingen (mede) over de tucht in protestantse kerken. Van der Vlies (Bas, zeg gerust Bas) had kunnen zeggen wat hij ervan vond wat Sharon schreef: zie deze eerdere bijdrage waarin zij over haar vrees heen stapt om met hem in vak-K een wetsontwerp te gaan zitten verdedigen, bang voor onwelgevallige taal in protestantse kring.
Dat steekt daar misschien wel nauwer dan in de meeste segmenten van de maatschappij. Een spoortje zien we in een bijdrage van staatssecretaris Bleker (Henk, zeg rustig Henk) in de Kamer: “Toen ik vandaag die brief kreeg van het Ctgb, dacht ik: verdraaid – ik vloek nooit maar zou het bijna hebben gedaan – wat gebeurt hier?” Ik vloek nooit aldus Bleker, net nadat hij “verdraaid” heeft gezegd. Henk zegt vaak verdraaid. Blijkbaar blijft dat woord binnen de grenzen van het betamelijke, nog net. Kijk of luister naar de taal van CU’ers als Blokhuis en Slob.

Menno de Bruyne, de alom tegenwoordige en gerespecteerde regelaar-op-de-achtergrond van de SGP, had eind januari 2019 de afspraak met Van der Vlies gearrangeerd naar aanleiding van het verschijnen van Dat gezegd hebbend. Het was kort na de aanbieding ervan aan Dries van Agt in Nijmegen, na een enthousiast stuk erover in de Volkskrant door Ariejan Korteweg en kort voor een ontmoeting met Dolf Jansen live in Spijkers met Koppen. Toegegeven, er zijn minder enerverende weken in iemands bestaan.

Dat woordenboek van Binnenhofs taalgebruik uit de jaren na 1950 bevat van een aantal politici véél voorbeelden. Van Agt dus, Wiegel, maar Van der Vlies stak hen naar de kroon! Als ik het goed zie, kan de lezer onder deze trefwoorden ook zijn naam vinden: Aan snee, Afconcluderen, Consciëntie, Deernis, Doorkruizen, -erij, Grachtengordel, Kindvriendelijk, Majeur, Modewoorden, Moment, Niemand kan over zijn eigen schaduw heen springen, Onzent (ten –), Ootmoed, Politiek met een kleine p, Punaise, Schuttersputje, Te kort door de bocht, Verdraaid, Voorsorteren, Want ja.

Ja, hij vond het een mooi boek, maar eerst verkenden we het terrein wat inleidend. Van der Vlies begon over een voorganger van hem, ds. P. Zandt – Groninger nietwaar. Als ik diens geboortehuis helder voor de geest heb, denk ik op het spoortraject Stedum-Loppersum (of andersom) even aan die wat moeilijk sprekende, van het papier zijn preek voorlezende SGP-woordvoerder van vroeger; strenger in de leer dan Van der Vlies die uiteraard al een eindje verder in de richting van de tegenwoordige tijd gearriveerd was. En hij vertelde van W.G. van de Hulst, de beroemde kinderschrijver in protestantse kring, een nabije collega van Van der Vlies’ vader die ook schoolmeester in Utrecht was.

Kom eens langs in Maartensdijk, zei Van der Vlies en dat herhaalde Menno later. Toen ik er deze zomer fietsend in de buurt was, heb ik het nagelaten en stapte op de trein bij Hollandsche Rading naar Utrecht. Voortaan zal ik op dat stukje spoor aan Bas van der Vlies denken.

Google-afbeeldingen
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Zendeling in eigen land: Piet Jongeling (GPV) (v)

Snuf de hond van Piet Prins = Piet Jongeling is al zoveel jaren zó succesvol, dat het nauwelijks nodig is, het boek uitgebreid samen te vatten. Het is een protestants-christelijk jongensboek dat in het slot van WOII speelt met de hond Snuf als belangrijkste assistent en redder van de hoofdpersoon Tom. Ze beleven allerlei avonturen, die uiteraard vooral met de oorlog te maken hebben. De pen van Jongeling blijkt onder meer uit gebeden tot, dankzeggingen aan en aanroepingen van God. In de eerste helft van Snuf de hond telde ik een stuk of 25 voorbeelden daarvan. Verder wordt er een joods meisje in bekeerd en impliciet lezen we in dit jongensboek in een gebed zelfs een opmerking over de kwestie van de Vrijmaking in de Gereformeerde Kerken (1944): of de Here Zijn kerk, die in zo’n zware strijd was gewikkeld, getrouw wilde maken. (ed. 19 p. 101, ed. 1 p. 122) Die kwestie volgde hij ook in KZ Sachsenhausen. Aan het geloof zitten twee aspecten: “De Here heeft  ons wonderlijk gespaard” (blz. 139 ed. 19 maar op andere plaatsen) en tegelijkertijd zijn de mensen in Nederland er de oorzaak van dat de oorlog over ons kwam: “Ons volk heeft ook wel verdiend, dat God ons zo zwaar bezoekt” (ed. 19 p. 32) en “De Here straft ons volk wel heel erg voor zijn zonden” (blz. 110 ed. 19).
Snuf wordt nog altijd herdrukt, althans via bol.com zie ik dat er in 2016 diverse omnibusdelen van zijn verschenen.

Oorspronkelijk ontstond het boek als feuilleton in het Gereformeerd Gezinsblad. Jongeling moet er snel na zijn aantreden als hoofdredacteur mee zijn begonnen. Kleine stukjes vanaf de herfst van 1948, later langer van omvang en ook frequenter verschenen. De krant gebruikte kleinere uitgaven ervan als reclamemiddel en als boek verscheen het eerste deel van wat een heuse serie zou worden in 1953. De jaartallen variëren, was het wellicht 1954? In het boek van uitgeverij Groenendijk in Rotterdam staat het niet.

Advertentie Gereformeerd Gezinsblad


Maar tussen die eerste en latere edities bestaan wel diverse verschillen. In de tegenwoordige delen (ik keek in de bepaald niet vlekkeloze 19de druk van Vuurbaak, dan nog gevestigd in Groningen) opent het verhaal met de komst van Tom en zijn vader naar een dierenwinkel, op zoek naar een hond. Tom en Snuf, dat klikt wederzijds direct.
In de eerste uitgave daarentegen (zo te zien gebaseerd op de tekst van het feuilleton) begint Jongeling bijna op de hurken te vertellen tot de jonge lezertjes over de geboorte van Snuf, zijn eerste woonadres, de wrede diefstal en dan de verkoop van de viervoeter. Zó komt het dier van een boerderij, via een smeerlap die hem aan een handelaar verkoopt in de dierenwinkel terecht (“Een deurtje met gaas er voor klapte open, en het hondje zat gevangen.” p. 8). Hij wordt verlost door de komst van Tom en z’n welgestelde vader, maar dat is het begin-hoofdstuk in latere uitgaven.

Tom beleeft al snel een avontuur als Snuf een inbreker herkent en betrapt en beiden worden opgesloten, door boeven. Gelukkig kan de gewonde Snuf het thuisfront na ontsnapping waarschuwen en de afwezige ouders worden direct gewaarschuwd. “‘s Avonds waren de ouders van Tom met de auto thuisgekomen” (p. 26 1e ed.) en de politie wordt erbij gehaald. Vader wil tempo bij de opsporing in het duister na de eerste EHBO aan Snuf: “Elke minuut is kostbaar en de hond lijkt mij nu al weer veel beter.” (p. 29 1e ed.)

In een volgende druk haalt Jongeling de oorlog op deze plaatsen subtiel wat naar voren, want dat donkere kleed verduistert het verhaal pas echt wat verderop. Bij het haastige thuiskomen van de ouders wordt nu gezegd dat dit gebeurde voordat het donker werd (p. 19) en als vader snel op onderzoek uit wil, lezen we nu het nieuwe element dat er niet gewacht kan worden tot de spertijd voorbij is.

De oorlog komt in de eerste druk pas in hoofdstuk 8 aan de orde, maar dan gebeurt het ook abrupt. Het gezicht van Tom verstrakt als hij soldaten op mars ziet en hoort: “Heute gehört uns Deutschland Und morgen die ganze Welt!” Jazeker, de Duitsers hielden Nederland al meer dan vier jaar bezet.

Datzelfde lied is het dat Jongeling in Wedloop met de(n) dood citeerde. Snuf wordt weggeroofd en belandt achter gaas, dat was Jongeling eveneens overkomen maar dan met KZ Sachsenhausen tot gevolg.
Tom redt een neergestorte piloot, maar hij doet meer. Met een vriendje luistert hij in een kist boven in de molen de vijand af en ze tekenen een kaart met gegevens waarmee ze via de linies naar de naderende bevrijders gaan. Voorkomen dat er slachtoffers vallen pál voor de bevrijding is hetzelfde oogmerk waarmee Jongeling en een naaste collega op de dodenmars meerijden met een auto van het Rode Kruis naar Schwerin. Ook zij leggen een kaart met gegevens op tafel, net als Tom dat later zou doen in het jongensboek. En of het nu de Amerikaanse is in Schwerin of de Canadese commandant in Snuf, bij beiden betrekt hun gezicht.


Die helse tocht uit Sachsenhausen bevat op diverse momenten in Snuf de hond elementen die daar aan doen denken, vooral op spannende ogenblikken in de openlucht. Piet Prins was het pseudoniem waarmee Jongeling zijn eerste Wedloop-tekst publiceerde, toen nog in de Nieuwe Provinciale Groninger Courant. Onder diezelfde naam schrijft hij later zijn kinderboeken, allereerst Snuf de hond. Nog één aflevering.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Zendeling in eigen land: Piet Jongeling (GPV) (iv)

Piet Jongeling werd gevraagd voor het lijsttrekkerschap van het Gereformeerd Politiek Verbond, maar hij aarzelde – dagen en nachten heeft hij erover gedacht, lezen we aangehaald in Veenhofs Zonder twijfel. Uitlatingen van Klazina, zijn vrouw gaven de doorslag. Toen zei hij: “Ik ben ermee klaar. Ik doe het.” Jongeling was eruit, in de oude betekenis van ermee klaar zijn (vergelijk het stuk over de huidige betekenis van een 40 jaar later). Vanaf de verkiezingen van 1963 zat Jongeling vervolgens in de Tweede Kamer, tot 1971 als eenmansfractie en daarna tot 1977 samen met dr. Bart Verbrugh. Een aantal jaren bladeren door de Handelingen en zoekend op de naam van Jongeling maakt al van alles duidelijk.
• In de eerste plaats: eenmansfracties kregen in die jaren bepaald aandacht, althans dat gold voor Jongeling. Veel meer dan tegenwoordig zie je in de beantwoording van bewindslieden namen van Kamerleden die vragen hebben gesteld en meestal staat Jongelings naam dan in de verslagen, geregeld in een opsomming samen met anderen, allereerst ir. Van Dis en later ds. Abma van de SGP. Collega’s negeren hem ook allerminst.
• Tweede opvallende karakteristiek: na een korte periode waarin hij leden van het kabinet aansprak met Zijne Excellentie de minister van dit en dat en ook verder wel eens wat gedateerd sprak, is hij ronduit helder in zijn bijdragen. En dat terwijl hij het woord voerde vanaf wat aantekeningen, maar overigens uit het hoofd. Toen het in 1966 in de Tweede Kamer ging over een aanpassing van het Reglement van Orde en over Artikel 55 (Geen lid leest een rede voor, tenzij de Voorzitter hem hiertoe verlof geeft.) was Jongeling in zijn element. Hij vond dat dit te ver ging, wilde opvoedkundig bevorderen dat leden hier naar streefden maar wenste er geen verplichting van te maken. Het artikel werd verworpen.
• Derde kenmerk: Jongeling (“Ik ben een Groninger en als een Groninger van iets zegt, dat het zo gek niet is, dan houdt dat een zeer positieve waardering in!” 7 juli 1965; hij citeerde ook eenmaal ‘t Peerd van Ome Loeks) was gericht op taal, het Nederlands en daarnaast de moderne schooltalen. Een Latijns spreekwoord citeerde hij in vertaling, maar eentje in het Duits of Frans haalde hij in de oorspronkelijke vorm aan.
Zijn taalgerichtheid? Bij de Algemene Beschouwingen van 1964 zei hij bijvoorbeeld, afgaande op de Handelingen: “Vóór de oorlog was er sprake van aanpassing en bezuiniging, maar omstreeks 1955 kwam in de regeringsstukken ineens het woord adaptie opduiken. Dat is ook aanpassing, maar het is een mooi Frans woord en het klinkt heel anders. Men heeft nog veel meer mooie woorden om deze zaak te etiketteren, b.v. bestedingsbeperking. Alles wordt steeds duurder, maar de woorden worden steeds goedkoper en ook steeds mooier.”

 

Bijdragen begon Jongeling niet zelden met een algemene opening en lardeerde hij met huiselijke verhalen of anekdotes zoals over een lekkende kraan of kiespijn. Aan het eind greep hij graag naar de Bijbel c.a. Neem bijvoorbeeld de Algemene Beschouwingen van 1965 aan het eind van de tweede termijn: “Als wij naar de Bijbel handelen, dan komt het met de mens goed, want er is geen barmhartiger werkgever dan de Here, onze God.” Humor was bij dat alles een vast bestanddeel. Dat kon bij herhaling een verwijzing zijn naar zijn eigen status als eenpitter, bijvoorbeeld met woorden als: “Mijn fractie wil zich graag eenstemmig aansluiten” bij dit of dat. Of hij uitte zogenaamd medelijden met collega-fractieleiders, “want niet alle fracties zijn zo homogeen als die van het Gereformeerd Politiek Verbond”.
In diezelfde sfeer van impliciet taalspel is waarschijnlijk een opmerking over zichzelf als jong broekje in de richting van de familienaam van de minister, Smallenbroek. (23.09.1965)

Uit de Handelingen van 1975. Hiernaast stond eerder een raadselachtige tekst uit diezelfde Handelingen, maar die bleek niet op Jongeling betrekking te hebben. Excuus! (SR) 

Persoonlijk in verband met zijn eigen verleden, serieus maar ook weer taalgericht was Jongeling op 15.12.1971: “Mijnheer de Voorzitter! Vijftig jaar na Minister De Visser hebben wij weer een C.H.-man op Onderwijs. Namens onze fractie wil ik hem graag van harte welkom heten in deze nieuwe functie, een welkom dat zich uiteraard ook uitstrekt tot Minister De Brauw en Staatssecretaris Schelfhout. Wat deze laatste betreft, onze wegen hebben elkaar vroeger wel eens gekruist in bijzonder barre en boze omstandigheden. Ik ben blij dat dit nu in heel wat betere omstandigheden ook mag gebeuren. Ik hoop dat hij erin zal slagen, het onderwijsgedeelte dat hem is toevertrouwd op de juiste wijze te organiseren, zonder dat hij aan dit werkwoord de betekenis toekent, die wij er in Sachsenhausen aan toekenden.”*)

 

Bij dat alles bleef hij uiteraard principieel, orthodox, getuige zijn frequente citeren van Abraham Kuyper (zulks vast niet altijd tot genoegen van de ARP’ers) en verwijzen naar Groen van Prinsterer of het openlijk belijden van een visie op de overheid als “dienaresse Gods”. En dat een Oranje-aanhanger zich Piet Prins noemde! Nog een aflevering.

 

*) Dus ‘ritselen, regelen’ wellicht ‘stelen’ zoals in de tekst van de Wedloop met de dood: “Erich, onze sympathieke trekführer, heeft vanmorgen een fiets georganiseerd.”

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Zendeling in eigen land: Piet Jongeling (GPV) (iii)

Pieter Jongeling op de voorzijde van Jongeling ten voeten uit

Waar en wanneer verscheen de uitgebreide tekst over de dodenmars uit Sachsenhausen onder de ook wel door anderen gebruikte titel Wedloop met de dood? Rik Valkenburg documenteert het niet. Jongeling moet het – nog maar net weerom in Groningen – in een razend tempo opgeschreven hebben en in zijn eigen Nieuwe Provinciale Groninger Courant gepubliceerd. Het eerste stuk verschijnt al in de week na zijn terugkeer uit het concentratiekamp op maandag 28 mei 1945 onder de kop De wedloop met den dood. Het is een volle rechterkolom op de voorpagina van een krant die dan nog zeer dun is, logisch. Via Delpher zijn verder alleen aflevering 4 op 06.06.1945 en nr. 13 op 19.06.1945 te vinden. Als iemand de rest bezit of weet te vinden, ik hou me aanbevolen. Vijf jaar later verschijnt Wedloop met de dood nogmaals maar dan in de krant waar Jongeling inmiddels zijn tweede hoofdredacteurspositie bekleedt, luttele straten naar het centrum van de stad Groningen zetelend bij het Gereformeerd Gezinsblad. Het gaat nu om 25 stukjes in het eerste deel van 1950 op de voorpagina, links onderaan. Het begint met een korte inleiding.

In Jongeling ten voeten uit wordt het relaas – onderbroken door Valkenburg – 21 jaar later nogmaals geplaatst en ditzelfde stuk nogmaals een jaar of 20 later in het Nederlands Dagblad. Nieuwe Provinciale > Gereformeerd Gezinsblad > Nederlands Dagblad?

Delpher verrast degene die “wedloop met den dood” opzoekt. De reeks blijkt ook al vanaf Kerst 1945 tot vroeg in het jaar erop verschenen in het orgaan Onze Toekomst, een Holland American Weekly uit Chicago, Illinois. Onze Toekomst, lees liever Onze Herkomst – het betreft de rubriek Nieuws uit Nederland. Aan de heer P. Slager sr. in de buurt van Chicago blijkt in 1945 een lange brief gestuurd te zijn en deze tekst is “ons vriendelijk ter plaatsing afgestaan”. (Jurn de Vries, Jongelings opvolger als hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad en schoonzoon, mailt op vragen dat hij van deze publicatie niets weet en dat hij aanneemt dat Jongeling hiervan ook geen weet gehad heeft. Hij meldde dat Jongeling bij het schrijven van de Wedloop gebruik kon maken van de brieven die zijn vrouw hem naar Sachsenhausen stuurde.) [P.S. Na plaatsing: Dr. De Vries corrigeert me via de mail: “De correspondentie tussen Jongeling en zijn vrouw eindigt echter in het najaar van 1944, omdat er toen geen postverbinding meer was. De inhoud van die brieven heeft dus niets met de tocht van Sachsenhausen naar Schwerin te maken. Ik vermeldde het alleen omdat dit het enige is wat het NIOD van Jongeling bezit.”]
De Wedloop wordt in Chicago in enkele stukken geknipt en vanaf Kerst (26.12.1945) geplaatst in de nummers van 09.01.1946, 23.01.1946, 06.02.1946 en 13.02.1946. Bovenaan staat “Stedum, 18 October ’45”, de afgedrukte tekst eindigt met “(P.J.) Stedum 18 Oct. ’45”

Wat is er hier aan de hand geweest? Ik veronderstel dat een bovenmatig geïnteresseerde lezer in Groningen die teksten uit de Nieuwe Provinciale Groninger Courant naar Pieter Slager gestuurd heeft. Iemand van die naam is kort voor 1900 uit Stedum naar de omgeving van Chicago geëmigreerd, samen met zijn echtgenote Jantje Tamminga uit Middelstum. Als de zaak auteursrechtelijk wél netjes geregeld is, zou de lijn via Dirk Rustema naar Jongeling gelopen kunnen hebben. Rustema was een van de lotgenoten van Jongeling: ze maken in het kamp heel begrijpelijk kennis met elkaar omdat Jongeling daar de administratie deed van de inhoud van de koffers van nieuwe kampgenoten. Ze spreken dan kort en Gronings met elkaar. (Volgens Herman Veenhof zegt Jongeling: “Du bist ‘n Grunneger net aas ik.”) Ook tijdens de dodenmars zijn ze in elkaars nabijheid.

In de tekst van Onze Toekomst wordt het vluchtende leger beschreven: “Naast ons dondert en davert het Duitsche vluchtende leger voorbij. Het is een eindelooze stroom van auto’s, pantserwagens, en zware tanks. Soldaten met moede, onverschillige gezichten, hooghartige SS officieren met vrouwen bij zich op de wagens, jonge, knappe Duitsche vrouwen van het soort dat gewoon is met een zweep naar gevangenen te slaan. Nu maken ze zich met hun spullen uit de voeten.”

De Amerikaanse lezers moeten het vóor zich gezien hebben, net als vijf jaar later die van het Gereformeerd Gezinsblad. Daar is de tekst trouwens net iets anders: “Naast ons dendert en davert het vluchtende Duitse leger voorbij. Het is een eindeloze stroom van auto’s, pantserwagens, zware tanks. Soldaten met moede, onverschillige gezichten, hooghartige SS-officieren, met vrouwen bij zich op de wagens, jonge, knappe Duitse vrouwen van het soort dat gewoon is met een rijzweep naar de gevangenen te slaan. Nu maken ze zich met haar boelen uit de voeten.”

Onze Toekomst (links) versus Gereformeerd Gezinsblad (rechts)

Afgezien van de zweep tegenover de rijzweep en dondert versus dendert is het opvallendste dat er oorspronkelijk althans in Chicago van spullen gesproken wordt, in de nieuwe tekst in 1950 van boelen. Jongeling was verzot op de term boeltje. Ik weet niet wat hier de versie van de Nieuwe Provinciale was, maar misschien is er in Chicago gedacht dat bullen bedoeld was zoals eenmaal gebruikt: “We vliegen omhoog en grijpen onze bullen.” Bullen betekent inderdaad ‘spullen’, maar Jongeling moet op die andere plaats echt boelen bedoeld hebben, oudtestamentisch als hij onderlegd is (denk aan Ezechiël, zie diverse citaten in de Statenvertaling). Betekenis ‘overspelige personen’. Werd dat in de VS niet meer begrepen of was het onkies? Het zou mooi zijn als er iemand in de sfeer van het archief van de VU op dit punt even kon helpen – daar in Amsterdam-Zuid bezitten ze het archief-Jongeling.*)

De impact van Jongelings relaas wordt duidelijk uit Loe de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 1939 – 1945 deel 10b (tweede helft), p. 1239:
“Van de ca. negenhonderd Nederlandse mannen die op 20 en 21 april Sachsenhausen hadden verlaten, konden tweehonderdzes-en-dertig gerepatrieerd worden – alle overigen waren tijdens de evacuatiemars bezweken of doodgeschoten dan wel kort nadien in Duitsland overleden.” De Jong haalt Jongeling niet aan, maar op basis van andere bronnen geeft hij allerlei details die identiek zijn in vergelijking met Wedloop met den dood.

Twee kleine opmerkingen tot besluit van dit deel van deze kleine serie.
• Gronings klinkt Jongeling niet in Wedloop met de(n) dood – het belangrijkste kenmerk lijkt me zijn zuinige gebruik van het woordje er en ik aarzel wat rond woorden als gevangen(en)kleeding. Bijna on-Gronings vind ik die plaatsen waar Piet Jongeling in de vrouwelijke vorm over eten spreekt: over gortpap “natuurlijk is ze dun en waterig, maar ze smaakt ons overheerlijk”; een snee brood: “maar ik eet ze maar half”; macaroni: “Zullen ze haar ooit weer eten?” Lezer, kijk even naar de reactie van Herman Jongeling onder de vorige aflevering.

• Intrigerend is de persoon van dr. Edouard Calic, een Kroaat met wie Jongeling op zeer goede voet staat. Veenhof zegt over hem niet veel anders dan dat Jongeling Calic na de oorlog “wat schaapachtig loyaal” bleef. Calic bemoeide zich later met het proces van Van der Lubbe (de Rijksdagbrand) en Loe de Jong was in dat opzicht zeer kritisch over hem. Voor wie wil: kijk in de Duitse Wikipedia voor een omvangrijk lemma over deze Kroaat.

*) Attente en vlotte reactie van de kant van dit VU-archief inclusief verwijzing: we hebben het niet, wellicht het NIOD. Op dit moment eindigt hier het spoor. 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Zendeling in eigen land: Piet Jongeling (GPV) (ii)

Een belangrijk deel van Jongeling ten voeten uit om niet te zeggen het pièce de résistance, bestaat uit een samenvatting van een lang verslag dat hij schreef, kort na zijn vrijlating uit het kamp Sachsenhausen in 1945.
Jongeling was vanaf eind jaren ‘30 werkzaam als buitenlandredacteur bij de Nieuwe Provinciale Groninger Courant in Groningen en daarmee even vanzelfsprekend Gereformeerd als politiek gezien Anti-Revolutionair.*) “Hij was actief lid van de ‘echte’ ARP (“dit ben ik nu nog, daarom ben ik ook lid van het GPV!”)” schrijft Valkenburg in dat boekje in 1971. Het uitroepteken en het vasthouden aan de term ARP, zoals ook aan de aanduiding Gereformeerd terwijl vanaf 1944 een specifieke afscheiding bedoeld was die bekend staat als de Vrijmaking, dat alles illustreert veel.

Wipstraat Groningen (SR)

In het kader van verzetswerk in de sfeer van de AR werd Piet Jongeling in 1942 opgepakt en na ondervraging in het Scholtenhuis aan de Grote Markt in Groningen als politiek gevangene naar KZ Sachsenhausen bij Oranienburg in de nabijheid van Berlijn vervoerd.

Actueel gedenkbord in de buurt van het vroegere Scholten(s)huis, Grote Markt Groningen (SR) Met dank aan prof. Doeko Bosscher kan aangevuld worden dat de tekst van de verzetsman Bob Houwen is.

Hij weet zich in het concentratiekamp te handhaven (zelf zou hij direct opmerken dat “slechts Gods almachtige hand ons heeft gered”) en moet in het voorjaar van 1945 samen met de tienduizenden nog levende andere gevangenen bij het naderen van de Russen op mars naar de vrijheid, die hij uiteindelijk bij Schwerin bereikt. Daarna komt hij fietsend in Bremen aan en na een tocht naar de grens bij Enschede arriveert hij met Pinksteren in Groningen – diezelfde middag van de 20ste mei 1945 zit hij met zijn vrouw in de kerk. Het betreft inmiddels een dienst in de Vrijgemaakte kerk.
Tijdens de oorlog stuurde Jongelings vrouw brieven (soms met nieuwtjes verborgen in code) en pakjes waaromheen ze papier van kranten drapeerde, Klazina Jongeling-Heerema was coupeuse. Daardoor kon Jongeling in het concentratiekamp de religieuze strijd in zijn kerk min of meer op de voet volgen.

Piet Jongeling heeft KZ Sachsenhausen overleefd. Van 1945 naar 2019 is een grote stap. Als ik op zoek ben via Google en zo via Streetview naar de Jan van der Heijdenstraat 13 in Amersfoort (nummer 13 is vindbaar na uitvergroting van de voordeur maar Streetview noemt als nummer 14, zie de vorige aflevering), blijkt het huis zelf in het nieuws gekomen: op de stoep is een Stolperstein aangebracht. Hier woonde Florentius Jacobus Abraham Calkoen die in mei 1942 vermoord is. De volgende informatie stamt van de website WO2slachtoffers:
[Jhr. Florentius Jacobus Abraham Calkoen] “Woonde in Amersfoort, Jan van der Heijdenstraat 13. (….) Huwde op 9 juni 1920 in Groningen met Catharina Johanna Iskjen Doornbos (7 maart 1895 Groningen – 9 december 1970 Amersfoort). Beroepsmilitair: tweede luitenant (1904), eerste luitenant (1909), kapitein (1918). In Amersfoort kwam hij bij het 16e Regiment Infanterie. Hij werd commandant van de tirailleurcompagnie en later hoofd van het Mobilisatiebureau van het 21e Regiment Infanterie. Jonkheer Calkoen bekleedde ook functies op niet-militair terrein. Hij zat in het plaatselijk comité van uitvoering van de Nationale Reclasseringsdag en was voorzitter van het Amersfoortse werkcomité van de ‘Nationale Vereeniging tot bevordering van Harmonische Lichaamsontwikkeling’. Eerder fungeerde hij als penningmeester van de Vereniging van Scoutswerk in Wageningen. Lid verzet behorend tot de Ordedienst (groep Westerveld). Eind september 1941 is hij gearresteerd. De Sicherheitsdienst rolde door verraad een groot deel van de Amersfoortse OD op. De OD in Amersfoort, half augustus 1940 van start gegaan, vergaderde in de commandopost van de Luchtbescherming onder de Onze Lieve Vrouwe toren. (….) Calkoen heeft tot maart 1942 in het ‘Oranjehotel’ gezeten. In Amersfoort werd hij (….) veroordeeld, en via Utrecht kwam hij in Sachsenhausen terecht. Daar is hij met zeventig lotgenoten van de OD en de groep Mekel geëxecuteerd.” De groep-Mekel is de Delftse verzetsgroep rond de uit Bedum afkomstige hoogleraar Jan Mekel die op dezelfde datum als Calkoen in Sachsenhausen is omgebracht. Calkoen woonde dus in het huis waar Piet Jongeling later in trok. De laatste werd overlevende van juist datzelfde KZ Sachsenhausen. Wat een coïncidentie.


Terug in Groningen meldt Jongeling zich in 1945 bij zijn werkgever Jan Haan en krijgt de promotie naar een hoofdredacteurschap aangeboden en een maand vrijaf om bij te komen. Hij gebruikt die tijd onder meer om journalistiek en verrassend gedetailleerd terug te kijken op Sachsenhausen en vooral op de Wedloop met de dood, de dodenmars uit het kamp. Typerend voor Valkenburg is hierover deze informatie na de vermelding dat Jongeling dat verslag schreef: “Een jaar of vijf later publiceerde hij dit verslag nogmaals in een krant.” De Nieuwe Provinciale blijft ongenoemd – Jongeling was er al na een twee jaar hoofdredacteurschap met een conflict om het geloof vertrokken.
Jongeling is de journalist-zendeling die zegt dat hij het schreef om twee kanten van de Heer te laten zien, namelijk hoe zwaar het lijden was “en hoe Hij toch in Zijn toorn des ontfermens aan ons gedacht heeft”. (p. 32) Des ontfermens. Als hier geen weerklank van de dominee, de Statenvertaling of van de Heidelberger Catechismus in te horen is, waarvan dan wel?
Minder retorisch: Waar en wanneer verscheen de uitgebreide tekst met de vaak gebruikte titel Wedloop met de dood? (Wordt vervolgd.)

*) Ik attendeer de lezer graag op een serietje van drie artikelen in dit blog die draaien om dialectwerk in Noord-Groningen door dezelfde Jakob/Jaap Klatter in de jaren voorafgaand aan zijn werkzaamheden voor de Nieuwe Provinciale. In die laatste rol was Klatter (1905-1989) de voorganger van Jongeling. In Klatter geïnteresseerden, o.a. wegens zijn bezigheden in de sfeer van het Gronings, wijs ik op het Historisch Documentatiecentrum van de VU met waarschijnlijk onbekend materiaal.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Zendeling in eigen land: Piet Jongeling (GPV) (i)

Het begint met de aanschaf van een wat merkwaardig boekje in een kringloopwinkel. Jongeling ten voeten uit heet het, in 1971 verschenen bij Bosch en Keuning in Wageningen. De schrijver-samensteller wordt via foto en tekst speciaal belicht op de achterzijde. Dat is “Rik Valkenburg, de steeds meer in de belangstelling komende interviewer en auteur”. Voorin stelt hij zich op een wat indirecte manier al rijdend tussen Woudenberg en Amersfoort zelf een beetje voor, al was het door ons over een gesprekje te informeren dat hij voert in samenwerking met zijn neef, mr. Aris Valkenburg. Ze zijn onderweg om samen voor de zoveelste maal Pieter Jongeling te ondervragen en de Jan van der Heijdenstraat 13 is spoedig gevonden, zo kunnen we lezen.

Jan van der Heijdenstraat 13 (Google Streetview)

Dergelijke gegevens komen in 1971 sneller in zo’n boekje dan enkele tientallen jaren later het geval zou zijn, als we er via Google simpel een kijkje kunnen nemen. Jongeling zelf heeft zeer royaal meegewerkt tot aan de reclame toe: in 2009 verscheen een gedegener boek van Herman Veenhof, Zonder twijfel. Pieter Jongeling (1909-1985). Journalist, politicus en Prins. Daarin staat op p. 367 de aanbieding van het boek door de auteur (links), aan de juist geknipte Jongeling (midden) en misschien staat rechts wel de neef die op het titelblad ontbreekt. De laatste twee dragen het boek, behulpzaam en wervend naar ons, kijkers toegewend. De achtergrond zijn het Binnenhof en de Ridderzaal. De echte achtergrond: er komen vast verkiezingen aan.

Die neef is wel van belang, want de uiteindelijke inhoudelijke vormgeving is mede aan hem te danken: in de Verantwoording wordt het aangegeven als een mix van een journalistiek informatie-interview, discussie-interview, documentatie, “terwijl andere hoofdstukken enigermate de romanvorm meekregen”. Valkenburg hoopt dat “deze mixtuur van schrijvormen de leesbaarheid en de duidelijkheid ten goede zal komen”.
Harde feiten moet de lezer met een zekere moeite opvissen. Het boekje begint met het door het ijs zakken in Jongelings jeugdjaren. Dat gebeurt in Berkel-Rodenrijs, hij is dan nog vier jaar. De lezer moet uit de tekst afleiden dat hij daarvóor minstens ook in Sappemeer heeft gewoond, terwijl uit andere bron duidelijk moet worden dat z’n Friese geboorteplaats Broek bij Akkerwoude was. Als vijf-jarige verhuist Piet Jongeling met moeder en beide zusters naar Winschoten na het overlijden van zijn vader. In die plaats groeit hij op en de Nieuwe Groninger Encyclopedie beschouwt hem daarom als Groninger door de opneming van een vrij kort maar informatief lemma.

Veel Gronings klinkt (er) in Jongeling ten voeten uit niet door. Dat het zo weinig regionaal gekleurd is, kan alleen al komen omdat hij van origine onderwijzer was. Die beroepsgroep zag het als een van de taken – ziet het wellicht nog zo – om dialectkenmerken in de thuistaal van de leerlingen te bestrijden. Ook het gegeven dat Jongelings vrouw afkomstig was uit Baflo in Noord-Groningen veranderde dat niet. (De vraag laat zich helaas niet beantwoorden of zij beiden onder elkaar wel eens Gronings spraken.)
De taal van de hoofdpersoon bevat een mix die allereerst uit formeel, wat gedateerd Nederlands bestaat. Woorden als desniettegenstaande (p. 15), benevens (p. 78), dies ‘dus’ (p. 79 “christelijk en dies antirevolutionair”), eensgeestes (p. 80) lijken heel neutraal uit zijn mond te rollen, ook al zijn dat rond 1970 zeker geen voorbeelden meer van alledaags Nederlands. Eigentijdsig klinkt Jongeling desondanks ook: hij heeft het over mini-mogelijkheden in het kampleven (p. 26), keiharde business noemt hij de profsport (p. 87). Het voorvoegsel mini– komt pas in de loop van de jaren ‘60 in de Tweede Kamer, dat geldt in feite vergelijkbaar voor “een keiharde business”.

Wat Jongeling in Valkenburgs boekje doet is wat de levenshobby van de hoofdfiguur was, vertellen. Eerst als onderwijzer en ook in de hoedanigheid als de kinderboekenschrijver Piet Prins, als journalist en ten slotte als Kamerlid en bekende Nederlander op radio en televisie. Vertellen, maar niet zomaar. Lees Jongelings taakopvatting als journalist in zijn woorden: “Het gaat erom de mensen op de juiste wijze mee te delen, hoe God de wereld regeert. (….) Aantonen hoe groot Gods werken zijn in de geschiedenis, maar ook in de schepping en in het dagelijkse leven.” (p. 74-75) Kortom: zendeling in eigen land. (Wordt vervolgd.)

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Ergens: in China, in dit kwartaal en ergens anders

Als ik een groepje buitenlanders Nederlands zou moeten leren, zou ik aan dat aparte woordje ergens in een paar stappen aandacht besteden. In de eerste ronde was dit het leermoment: denk bij ergens aan iets vaags, net als bij het woordje iets. Bij het geografische ergens kun je heel goed een arm/handbeweging maken om je woorden te onderstrepen, als een volleyballer die de bal lichtjes over het net tilt.

Gesteld dat mijn klasje een eind gevorderd was, dan volgde de tweede, wat moeilijker etappe. Misschien zou ik dan uitleggen dat ik bij complexere zaken in het algemeen graag een ezelsbruggetje bedacht. Wie heeft het nu nog over een fauteuil, vroeger kwam het zeker in dictees veel voor. Dat ingewikkelde woord leerde ik me zelf correct te spellen door te denken aan “foute uil”: die uil moest inderdaad eerst foutief gemaakt worden, dán klopte het:

foute uil > faute uil > fauteuil

Denk bij ergens aan drie verschillende betekenissen, drie manieren van gebruik in het Nederlands die bij enig zoeken in dat woord zélf als hulpmiddel staan aangegeven, eRGeNs.
1) De eerste betekenis van eRgens is RAAR en taalkundig ook enigszins complex.
Ik zoek voor de voorbeelden wat lukraak in de Handelingen van de Tweede Kamer in het kalenderjaar 2020. Ergens komt dit jaar in totaal misschien wel uit op een 1000 gebruiksgevallen in de plenaire zaal, dus we kunnen te kust en te keur gaan. Drie voorbeelden van dat ongewone ergens:
• Mijn vraag gaat ergens anders over.
• En kunnen zorgverleners dan ergens op rekenen?
• (…) als je ergens niet toe in staat bent

Hier zien we duidelijk hoe handig het was om bij ergens aan ‘iets’ te denken: ergens over = over iets; ergens op = op iets; ergens niet toe in staat = tot iets niet in staat.
Dat laatste geval laat tweemaal het rare van dit ergens zien. Ertoe, daartoe, ermee lijken in het Nederlands woordjes die het product zijn van een omdraaiïng én een vormverandering waarbij tot > toe, dat > daar, met > mee.
Er in combinatie met -toe, -daar en -mee komt neer op het, dat of iets als we de volgorde omdraaien (dus daartoe = tot dat enz.)
Het vreemdste eraan (aan het) is dat tot en met voorzetsels genoemd worden als woordsoort, maar dat ze in die aparte vorm dus achteraan komen: met dat bevat inderdaad letterlijk een voor-zetsel, –mee in daarmee is een achter-zetsel.

Ergens in de drie voorbeelden heeft telkens een voorzetsel op de bagagedrager bij zich: ergens over, ergens op, ergens toe. De betekenis is inderdaad ‘iets’ in combinatie met een voorzetsel ervóor:
ergens anders over ‘over iets anders’
ergens op rekenen ‘rekenen op iets, op iets rekenen’
ergens toe in staat ‘tot iets in staat’

Tot zover eRgens. Over naar erGens, met een bruggetje naar een woord met G aan het begin.

2) Betekenis 2 is niet ingewikkeld of vreemd maar juist GEWOON of GROFWEG.
Hier is de wereld simpeler. Denk bij dit ergens aan ‘iets-onbestemds-binnen-een-zekere-ruimte-of-tijd’:

Ergens in China (op een zekere plaats in dat grote land)
Ergens in dit kwartaal (op een niet nader genoemd moment)
Simpel: dit erGens is gewoonweg of grofweg ‘iets wat niet nader gespecificeerd is’ in de ruimte, plaats of tijd. Ook bij het temporele ergens kun je makkelijk een beetje gesticuleren ter onderstreping.

3) De derde manier waarop we met ergens omgaan is die van de NUANCE, uitgedrukt in ergeNs. Hier bevindt Van Dale zich op een wat vreemd spoor door het net als bij de eerste twee betekenissen een bijwoord van plaats te noemen. Dit ergens is een modaal bijwoord, het nuanceert een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord en drukt daarmee een oordeel uit van de spreker. Het wekt een wat aarzelende, onzekere of toegevende indruk


Het gebruik van dit ergens (onder nr. 3 in Van Dale) bestaat nog niet lang in het Nederlands, ik veronderstel dat het in de jaren ‘70 van de vorige eeuw is opgekomen. (Zie ook het postscriptum onderaan.) Zoek nuances in de ene groep blauwe stoeltjes van de Kamer minder dan in andere! PVV’ers zullen dit ergens weinig gebruiken; meer naar het middendeel van de Tweede Kamer verwacht je het gebruik vaker. D66’ers doken vooral op in de steekproef die ik nam, plus Jesse Klaver (GroenLinks):

• Het is ergens deprimerend om elke week weer hetzelfde antwoord te horen (…) (Rob Jetten, D66)
• ik vind het ergens ook ongemakkelijk (Jesse Klaver, GroenLinks)
• ik kan me ergens wel voorstellen dat de premier aan hem dacht (Rob Jetten, D66)
• dan moeten we ergens wel weten wat de leidende waarden zijn (Gert Jan Segers, CU)
• Ik heb ergens wel sympathie voor wat de heer Stoffer hier inbrengt. (Matthijs Sienot, D66)

Afrondend. De eerdere betekenissen van ergens waren te omschrijven als ‘wat/waar dan ook’, bijvoorbeeld hoorbaar in de combinatie ergens anders. Dit derde gebruik is te parafraseren als ‘op de een of andere manier’. Het nuancerende ergens vinden we vooral direct gevolgd door wel.

Wie ervaren spreker van het Nederlands is, zal het ene ergens met een ander gebaar onderstrepen dan het andere: “ergens in China” krijgt een andere, royalere begeleiding met arm en hand dan het bescheidenheid tonende “ergens wel”. Dat zou ik de buitenlanders in een derde etappe proberen duidelijk te maken.

P.S. 1: P. Jongeling zal het onderwerp zijn van enkele afleveringen in dit blog. Het begint met het boekje Jongeling ten voeten uit van Rik Valkenburg (Wageningen, 1971). Niet steeds is daar duidelijk wanneer Jongeling aan het woord is, wanneer de samensteller. Maar als er op p. 21 van de bezettende Duitsende soldaten tijdens WO II staat: “ergens waren het soms ook nog sentimentele gasten”, dan weten we aan het gebruik van juist dit ergens dat het een jongere spreker moet zijn en Jongeling zeker niet. Dat wordt versterkt door het gebruik van gasten in deze betekenis – nou typisch niet iets voor een GPV’er als Jongeling lijkt me.

P.S. 2: Ergens wordt kennelijk graag gebruikt in een titel van een boek, ja zelfs als enige woord:

Afbeeldingen van website bol.com


Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie