Archaïsche achtervoegsels zoals in ambtshalve en spoedheidshalve (i)

Van Dale heeft (hetzij voor ons gemak of om redenen van efficiency) gekozen voor één achtervoegsel -halve. Dat is iets om even een wenkbrauw bij in beweging te brengen zodra we zien hoe -halve in twee groepen uiteenvalt. Die zijn op basis van hun verschijningsvorm aan te duiden als -thalve en -shalve en dat zou Van Dale dus ook als twee verwante maar wel verschillende suffixen opgevat kunnen hebben.

  • Allereerst -thalve zoals in harenthalve, hunnenthalve, mijnenthalve, onzenthalve, uwenthalve, zijnenthalve. De omschrijving bij deze voorbeelden luidt: “archaïsch achtervoegsel waarmee van de bezittelijke voornaamwoorden bijwoorden zijn afgeleid om aan te geven dat een uitspraak de persoon of personen betreft of geldt ten opzichte van de persoon of personen aan wie het voornaamwoord refereert (met -ent- als overgangsklank)”. Aha, het is zelfs niet –thalve maar –enthalve!

Inderdaad archaïsch, ik zou niet simpel kunnen aangeven wanneer een spreker bijvoorbeeld mijnenthalve in de Tweede Kamer heeft gebruikt.

  • Vervolgens –shalve, “achtervoegsel waarmee van abstracte zelfstandige naamwoorden bijwoorden worden gevormd die betekenen: uit hoofde van het genoemde, krachtens het in het eerste lid genoemde (met -s- als overgangsklank)”. De maximale vorm van het achtervoegsel is dus wel –shalve als we afgaan op voorbeelden die het woordenboek verstrekt zoals ambtshalve, beroepshalve.
    X-shalve betekent in ambtshalve dus ‘krachtens het ambt’.
    Dat is vrijwel hetzelfde als wat er door Van Dale vermeld is bij een apart onderscheiden groep en die onder meer bestaat uit correctheidshalve, duidelijkheidshalve. Hier is de omschrijving ‘krachtens’ misschien net niet correct maar ‘ter wille van, met het oog op’ komt wel in de buurt. Sterker, ik zou bereid zijn om ‘met het oog op’ als betekenis te accepteren voor bijvoorbeeld bestuurshalve, discreetheidshalve, eershalve en in feite de hele reeks.

Als we -shalve niet per se juridisch willen gebruiken, betekent het altijd iets als ‘wegens, in verband met, omwille van X’.
Komt dit -shalve nog veel in de Tweede Kamer voor? Ja, kortheidshalve nog het meest, in de 12 maanden van februari 2020-2021 gebeurde dat 73 keer en dat is daarmee een vrij algemeen gangbaar woord, zij het dat het bij uitstek uit vak-K gehoord wordt. Een kabinetslid heeft een net wat zwaarder gewicht dan volksvertegenwoordiger en brengt dat in zijn taalgebruik tot uitdrukking, tikje formeler. Premier Rutte houdt van –shalve: in de genoemde periode sprak hij van zorgvuldigheidshalve, tweemaal van veiligheidshalve. Heerlijk die woorden! Maar het zijn vooral protestantse politici van wie we horen hoe we op hen kunnen vertrouwen, afgaande op het gebruik van de term eerlijkheidshalve. In 2020 gebruikte Roelof Bisschop (SGP) het eenmaal evenals minister Hoekstra, minister Bijleveld. Minister De Jonge sprak natuurlijk het meest in de Tweede Kamer en hij was de koploper met liefst 5 maal eerlijkheidshalve.
Zeker met het volgende voorbeeld zou je geneigd kunnen zijn, te denken dat het achtervoegsel niet –shalve is maar –heidshalve. Minister De Jonge bedient zich van spoedheidshalve, niet in Van Dale opgenomen (in die bron wel het gewoner ogende spoedshalve), maar in de Kamerverslagen van vroeger bepaald vindbaar. De Jonge (VWS) stofte het woord een beetje af, het was al een jaar of zes niet in de plenaire zaal hoorbaar geweest. Zekerheidshalve gebruikte de bewindsman het direct enige malen op korte afstand achtereen; een dubbele injectie zogezegd met het oog op een langduriger werking.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Geheugen als werkwoord: doe je stinkende best

Een voetbaltrainer hoorde ik ooit voor het eerst bewust zeggen dat hij zijn stinkende best zou doen in zijn nieuwe baan. Ik denk dat het Hans Westerhof was bij zijn promotie naar PSV en ik vermoed dat die manier van zeggen aanvankelijk vooral sporttaal is geweest. Wanneer? Eind jaren ‘80, begin jaren ‘90? Westerhof werd in 1992 in Eindhoven de opvolger van Bobby Robson.

Via DBNL Ngram is de toeneming van dat stinkende best doen te zien, afgezet tegen de tijd. Pas in de jaren ‘90 van de vorige eeuw wordt het succesvol. Anderzijds is de eerste vindplaats divers Rotterdams dialectwerk van Willem van Iependaal uit 1937. Bijvoorbeeld dit: ’t Is voor je eige bestwil, Loe. Zeer bescheide en uiterst beleefd weze. Doe maar een beetje achterlijk, dat wil er in en wekt deernis. Doe je stinkende best. Hoe meer je verkoopt, hoe gauwer je rijk ben… Kan ‘k van je opan, Ludovicus!?’ (Kluivenduikers doedeldans, 1937 via dbnl.nl)

Via Van Dale is te zien hoe zijn stinkende best ontstaan is uit de sfeer van het kind op de po. Wat er niet staat is dat bezittelijk voornaamwoord + stinkende best ontstaan is uit stinkend + bezittelijk voornaamwoord + best en dat is met behulp van diezelfde Willem van Iependaal aannemelijk te maken.
Neem enkele citaatjes van deze auteur (Kriebeltjes hoogtepunt 1937, ook via dbnl.nl):
• Het zonnetje brandde zo fel, dat de veme en andere pakhuize op de oevers er van trilde in d’r benauwdheid
• Ze verlikke d’r halve daggeld en kome dan, petje in d’r nek: ‘Trietra-troelala!’ het hoffie opzwaaie om mekaar met de uitgerukte boompies welteruste te zoene.

In het Rotterdams is/was d’r onder meer de aanduiding voor Ned. ‘hun’ als bezittelijk voornaamwoord: d’r halve daggeld, de pakhuize trilde in d’r benauwdheid.

In een woordgroep met d’r staat de r zwak ofwel: de uitspraak van “d’r” en “de” ligt vlak bijelkaar. Daarom kan “stinkend d’r best” om meer dan één reden goed opgevat worden als “stinkende best”. Het enige is dat er nu een bezittelijk voornaamwoord ontbreekt en dat wordt vooraf toegevoegd (zij doet haar best, wij doen ons best e.d.).

In kranten is z’n stinkende best doen na een enkel geval uit de jaren ‘50 vooral vanaf de jaren ‘60 te vinden, allereerst in sportverslagen en om te beginnen in de regio Rotterdam.
Ook in de Handelingen is het al veel langer gangbaar dan die jaren ‘90 van mijn herinnering. Vroeg in 1970 zei de bebaarde Cees Laban (PvdA) dat hij er een beetje genoeg van had dat minister Schut van Volkshuisvesting “de voor de zoveelste keer herhaalde belofte” had gedaan, dat de minister zich tot het uiterste zou inspannen. Laban: “Dat laatste is een overbodige mededeling, omdat elke Minister altijd zijn stinkende best moet doen om zijn taken naar behoren uit te voeren.”
De minister negeerde de woorden van het oppositielid. Laban was de eerste die de uitdrukking gebruikte in de plenaire zaal, hij was een Rotterdammer.

Inmiddels is z’n stinkende best doen zó gewoon in het parlement – vorig jaar alleen al meer dan twintig maal – dat het bijna niet anders kan dan dat er betekenisinflatie is opgetreden.

Vannacht gebruikte minister-president Rutte de uitdrukking in zijn slotwoorden. Die luidden volgens de ongecorrigeerde Handelingen als volgt: “Ik ga door als minister-president, maar ik ga natuurlijk wel ervoor zorgen dat ik het vertrouwen ga terugverdienen — daar ga ik vreselijk hard voor werken — van u, van de Kamer, van de samenleving. En ik ga ook mijn stinkende best doen, om vanuit onze positie als VVD, hopelijk met anderen — wie er precies het voortouw neemt, hoe het ook exact gaat dadelijk met de informateur — te komen tot een nieuw kabinet. Maar ik heb de boodschap zeer goed verstaan en die neem ik ter harte.”

In plaats van te denken aan een premier en die uitdrukking uit de kinderwereld, mijmer ik de Paasdagen in met die telkens en telkens herhaalde woorden van Rutte over zijn vergeetachtigheid. Hij wist niet meer dat het in het gesprek met de twee verkenners gegaan was over Pieter Omtzigt (CDA): “Ik heb mij dat achteraf verkeerd herinnerd.”
Bij de premier knetterde het staatsrechtelijk in zijn hoofd, hoe moet je een debat doen met twee afgetreden verkenners?
Ik zit met het andere probleem, hoe iemand stinkend zijn best gaat doen om vertrouwen terug te verdienen, terwijl ik meende dat het ging om een kwestie van niet-herinneren. Vertrouwen was een werk-woord, zei de premier later. Geheugen (recidive!) niet minder.

Aanvulling 07.04.2021: Het geheugen (van Mark Rutte) en de waarheid kwam ook in het Formatiedebat van gisteren aan de orde door vragen van Farid Azarkan. De fractievoorzitter van de VVD antwoordde zijn DENK-collega op 6 april over de wijze waarop hij in de ochtend van 1 april via-via geïnformeerd was over de gespreksnotities bij de verkenners.

• Volgens de ongecorrigeerde Handelingen van 1 april:

De heer Rutte (VVD):
“Nee, ik ben niet vanmorgen naar het verkennersbureau gegaan. Ik hoorde vanmorgen om 7.30 uur, via via, niet wat er verder in de stukken stond, maar wel specifiek dat het er zo in stond over Omtzigt.”

• Op 6 april was de lezing aldus;
“Nogmaals, om 7.30 uur hoorde ik via via dat er vermoedelijk in de aantekeningen wel iets stond over Pieter Omtzigt. Om 11.00 uur bleek dat dat inderdaad waar was. Zo is het. Dus ik heb ú de waarheid verteld. Ik realiseerde me dat om 11.00 uur, toen zag ik wat er stond, en vanaf 7.30 uur dacht ik: ik hoop dat het vermoeden niet klopt, maar ik zie het wel als de stukken naar buiten komen.”

Die ochtend van 1 april verkeerde de heer Rutte dus in onzekerheid tussen half 8 en 11 uur toen de stukken bekend gemaakt werden. In het debat van 1 april had hij op vragen van mevrouw Van der Plas (BBB) geantwoord toen zij opmerkte dat de heer Rutte wel een informatie-voorsprong had op de collega’s in de Kamer:

“Natuurlijk heb je een voorsprong. Ik vraag alleen ook politiek te wegen hoe materieel dat is, als je er verder niks mee kan op dat moment.”

Wat op 1/4 specifieke informatie was waar Rutte materieel niets mee kon, was op 6/4 een vermoeden waarvan hij enkele uren lang hoopte dat dit niet juist zou blijken te zijn.

Minister Rutte (bij eerder debat: via debatgemist.nl)

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Niet bang zijn als regionale gebiedende wijs van Maarten Hijink (SP)

Je weet het niet, je weet het niet, maar waarom waarschuwde fractievoorzitter Mark Rutte (VVD) gisteren dat er heftige emoties los kunnen komen als straks de verslagen openbaar worden van de mensen die langs geweest zijn bij de verkenners Jorritsma en Ollongren? Hij wist het niet, er konden zomaar dingen in staan over mensen waar heftig op gereageerd wordt! Doe het niet, jonges doe het niet, waarschuwde Rutte. De burger-op-afstand vraagt zich af: wat doet men in Den Haag bij de eerste stappen van een verkenning voor een informatie, in vertrouwelijke sfeer mensen zwart maken?

Vandaag zijn er uren verloren gegaan met het wachten op stukken. Kost zoeken naar actuele stukken zoveel tijd? Moet er zó veel witgelakt worden?

Vandaag was ik een poosje bezig met het zoeken naar iets kleins in de grote e-ANS, de Elektronische Algemene Nederlandse Spraakkunst. Iets kleins, de woordsoort opzoeken van dat “doe het niet”. Wat staat er allemaal in de ANS over die imperatief?
Weinig, zie e-ANS 2·3·2·5 met als belangrijkste stukje informatie het volgende, inclusief drie voorbeelden:

De vormen van de imperatief zijn:

· de stam, bijv.:
(1) Werk eens door!
(2) Kom maar binnen.
(3) Wees maar niet bang.

Het laatste voorbeeld is een onregelmatig geval, wees gebruiken we immers bij het werkwoord zijn.

Vinden we over de gebiedende wijzen veel in Van Dale? Waarschijnlijk heb ik bij het werkwoord zijn onvoldoende goed gekeken -, ik zag het er namelijk niet en dat kan eenvoudigweg niet waar zijn.

Wees is niet de enige gebiedende wijs van dit werkwoord. In het coronadebat van 12 maart 2020 zei Maarten Hijink (SP): “We moeten niet naïef zijn en dit virus niet onderschatten. Stel nuchter vast wat nodig is en ben niet bang om verregaande, zelfs verdergaande stappen te zetten.”*)

Maarten Hijink SP (www.tweedekamer.nl fragment)

Hijink, eind maart 2021 begonnen aan zijn tweede termijn in de Kamer, komt uit de boekenstad Bredevoort. Zijn zachte g maakt hem wat mij betreft nét tot een Brabander en dat is van belang bij de gebiedende wijs die hij in dat corona-debat gebruikte, ben niet bang. Dat is een Zuidelijke, Brabants-Limburgse imperatief, denk ik. Is dat zo? Laten we LexisNexis weer eens bekijken en nu voor die woorden van Hijink “en ben niet”, tenminste wanneer die een gebiedende wijs uitdrukken. Het gaat om de bronnen.

Het is niet veel vindbaar, maar vrijwel uitsluitend in het Zuiden:
• “College, haal nu eens echte vakkennis binnen en ben niet bang voor gezichtsverlies, daar komen jullie wel overheen.” (De Limburger 12.062017)
• “zet een malle pruik op, spreek wat idiote teksten uit en ben niet bang voor grove uitvergroting van een bestaand personage.” (De Limburger 28.12.2016)
• “”Neem het heft in eigen hand”, klonk het waarschuwend van ondernemerskant. “En ben niet bang te worden opgeslokt door de grote broer.”” (Eindhovens Dagblad 25 november 2016 )
• “richt je op een duidelijke doelgroep en ben niet bang voor nieuwe ontwikkelingen.” (Limburgs Dagblad 24 maart 2015)
• “”Niet te gehaast”, waarschuwt de fysiotherapeut zijn pupil. “Zorg voor controle. En ben niet bang. Dat maakt de kans op vallen kleiner.”” (De Gelderlander 29 maart 2007)
• “Met ruim 800.000 euro waren zij in 2004 de kleinste winnaar van de ZomerKanjer. “Geniet en ben niet bang dat anderen over je praten”, zo zegt de familie.” (Brabants Dagblad 30 december 2005)
• “”Wees jezelf en ben niet bang om te stotteren! Dat hoort eenmaal bij je en gaat waarschijnlijk nooit weg.” (BN/DeStem 11 januari 2003)

Het is (vrijwel allemaal) Brabant en Limburg wat de klok slaat. Kortom, als het ANP op 16 maart 2008 deze tip noteert uit de mond van Lee Towers uit Rotterdam in de richting van nieuw talent: “Wees een pionier en ben niet bang om risico’s te nemen”, dan weten we bijna zeker dat dit aan de pen van de verslaggever te danken is geweest.

En als het Dagblad van het Noorden een reeks van jaren een Horoscoop afdrukt met bij herhaling adviezen als ben niet bang de plank mis te slaan, ben niet bang voor kritiek, ben niet bang om op je bek te gaan – dan weten we: die horoscoop is getrokken onder de grote rivieren.

*) Zoek het citaat van Maarten Hijink niet na in de Handelingen: de stenograaf heeft het regionale Nederlands ben niet bang gewijzigd in het eveneens onregelmatige wees niet bang van benoorden de rivieren.

P.S. De fractievoorzitster van de SP (uit Oss) in het coronadebat van 28.10.2020 volgens de Handelingen: “Dus wees dan gewoon eerlijk.” In werkelijkheid zei ook zij toen ben dan gewoon eerlijk.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Die bravoure is eigenlijk niet des SV Spakenburgs

Neen, dat was niet des polities zei korpschef Henk van Essen op zondag 28 maart 2021 in Buitenhof. Waar het precies betrekking op had? In elk geval hadden kerkgangers in Krimpen aan den IJssel en in/op Urk eerder die dag journalisten belaagd, agenten stonden er bij en keken er naar. Daar zal het betrekking op gehad hebben, maar ik was even perplex: niet des polities!

Henk van Essen bij Buitenhof

Onder des vinden we de uitdrukking in Van Dale concreet toegelicht en vertaald: zulk gedrag (enz.) is niet des ministers, des koopmans ‘zulk gedrag past een minister, een koopman niet’. Niet passend? Als we kijken in kranten is de betekenis vooral nét iets anders, neem dit soort voorbeelden:
• zijn kleding was smaakvol en niet des voetbaltrainers
• is het niet des horeca’s om tien jaar vooruit te kijken
• Iets verkeerd doen is niet des Ajax’

Inderdaad, die uitdrukking niet des X+s is eentje die vooral erg gangbaar is geworden in de sportjournalistiek. De inhoud is vooral ‘zo kennen we dat niet van X’: voetbaltrainers gaan in het algemeen niet smaakvol gekleed (blijkbaar), Horeca Nederland heeft niet de gewoonte, een reeks van jaren vooruit te plannen e.d. En inderdaad, Ajax komt in deze uitdrukkingssfeer váak langs.
Van de politieke partijen zien we het meest dat iets niet des CDA’s is, zoals bijltjesdagen en revoluties.
Als er iets tot dusverre niet gangbaar was bij een groot bedrijf, zien we de journalist bijna verschrikt over de bank opschrijven “Dat was niet des ABN’s” of over de oliemaatschappij “niet des SHELLs”. Maar het kan evengoed gezegd worden van de KRO, de EO, de HEMA of Albert Heijn.

Toch is het bijna bij uitstek taal uit de sportjournalistieke hoek aan het worden. Niet des Koemans, niet des Korbachs, niet des Van Gaals – maar het is ook simpel uitbreidbaar naar een Duitse schaatsenrijdster: “Zichzelf opblazen op het schema van haar wereldrecord dat niet eens bijster scherp staat, het is niet des Niemanns”. Alle besef van een oude tweede naamval mannelijk is dus verdwenen, we weten heus wel dat Niemann Gunda van voren heet.

Persoonlijk vind ik het bijna cabaretesk aandoen als verslaggevers uit (vooral) de sector amateurvoetbal naar deze stijlfiguur grijpen. De v.v. Hoogezand wint steeds met grote cijfers en dan plotseling een keertje met 1-0, nee dat is niet des Hoogezands! Of neem dit soort gevallen, soms met een slordig weglaten van de tweede-naamvals-s aan het eind in de vorm van een letter of een apostrof:
• Ideale schoonzonen, dat is niet des Berkdijks. (amateurvoetbal, 4e klasse)
• Maar hoe wij de doelpunten hebben weggegeven, is niet des Eemdijks.
• Het is sowieso niet des Noordwijks om zich in te graven en het initiatief aan de tegenstander te laten.
• De scherpte ontbrak, dat was niet des Avesteyns.
• We kwamen tegen Nederwetten terug van een achterstand en dat is niet des WHV.
• Het zijn ‘aankopen’ niet des Excelsior Maassluis, maar die door omstandigheden nodig geacht zijn om de selectie van nieuwe impulsen te voorzien.
• Dit is ook absoluut niet des Voerendaals, een correcte vereniging.
• Die bravoure is eigenlijk niet des SV Spakenburgs. Saamhorigheid, loyaliteit, hard werken, normaal doen en ‘omkijken naar elkaar’ zijn er de kernwaarden.

Heerlijk. Dank u wel, meneer Van Essen!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een Haagse of een Haags politicus? Een corrupt politicus of een corrupte politicus?

Een grote schrijver is niet voor iedereen hetzelfde als een groot schrijver. We kunnen een onverdachte bron als Etsko Kruisinga in Het Nederlands van nu (1938:158-159) aanhalen als mogelijke verklaring voor dat verschil. Kruisinga geeft enkele voorbeelden (’n handig koetsier, ’n bekwaam man, of leider, ’n begaafd man, ’n goed of bekwaam of beroemd schrijfster) en vat samen wanneer de twee onderscheiden varianten gebruikt worden: “de vorm zonder -e vooral als het woord als bijwoord dient, en dat is toch enigszins het geval wanneer we zeggen: ’n goed schrijver, want goed bepaalt hier in werkelikheid het schrijven, niet de man, en soortgelijke waarneming kan men bij de andere voorbeelden doen.” Kruisinga koppelt groot op grond van de vorm zonder -e dus los van de man en verbindt het met diens werk als schrijver.

Wie nagaat hoe het met het Nederlands van nú gesteld is, moet tot de conclusie komen dat die kortere vorm niet uit de pen van iedere auteur komt. Het is ook wel zo gemakkelijk om het op dit punt simpeler te houden. Anderzijds. Via LexisNexis heb ik heel wat gevallen bekeken en afgezet tegen de tijd: ik zie geen ontwikkeling in de een of de andere richting – een goed schrijver neemt grosso modo niet toe ten koste van een goede schrijver en evenmin af.

Aan een woord als politicus wordt aan de voorzijde zéer geregeld een bijvoeglijk naamwoord toegevoegd en daar worden een paar nuances zichtbaar ten opzichte van wat Kruisinga en andere grammatici hierover te berde brengen. Wat volgt is de situatie van eind maart 2021. Dan is bijvoorbeeld de verhouding tusssen “een pragmatisch” en “een pragmatischepoliticus 99 om 33. In vergelijking met andere gevallen blijkt dat met die factor 3 een groot verschil te zijn. Maar bij prominent vs prominente (186 om 130) is er wel een minder omvangrijk maar toch ook een behoorlijk onderscheid, vergelijk invloedrijk met 111 om invloedrijke met 57. Op dezelfde manier is succesvol:succesvolle met 86:27 te begrijpen, ook weer een factor 3.

Aan te nemen is dat het hier het handelen van de politicus zélf is dat verantwoordelijk is voor een gedachte aan het bijwoord (de onverbogen vorm). Maar voorgevoegde geografische kenmerken geven een ander beeld te zien: een Haags politicus is 25 maal gevonden, een Haagse politicus 52x. Het werkterrein is een toevallige eigenschap die niets met politiek handelen te maken heeft, zoals nog veel duidelijker te zien is bij een lokaal vs een lokale politicus: 101 om 830 stuks. De grote hoeveelheid voorbeelden van het type een prominent politicus, een invloedrijk politicus e.d. (dus zónder toegevoegde -e) maakt het begrijpelijk dat een auteur in het algemeen de neiging zou kunnen voelen om maar een onverbogen bijvoeglijk naamwoord aan politicus vooraf te laten gaan.

Er is een interessant onderscheid tussen de vorm een vooraanstaand en een vooraanstaande politicus enerzijds (respectievelijk 369 om 72) en daartegenover een hooggeplaatst en een hooggeplaatste politicus (9 om 38). Als we uitgaan van een zinvol onderscheid, zouden we kunnen veronderstellen dat het vooraanstaand-zijn door de politicus zelf bewerkstelligd is maar het hooggeplaatst-zijn niet.
In het geval van allerlei positieve persoonlijke eigenschappen zien we hoe de vormen zonder verbuiging (fatsoenlijk, deskundig, briljant, bekwaam) het in aantal duidelijk winnen van de langere vormen (dus een fatsoenlijke politicus, een briljante politicus e.d.).

Een opmerkelijk geval is de verhouding tussen een corrupt politicus vs een corrupte politicus, met achtereenvolgens 11 tegenover 104 vindplaatsen in LexisNexis. Verder bordurend op wat hiervoor staat, kunnen we aannemen dat corruptie door sprekers van het Nederlands zó met de politicus als persoon verweven gezien wordt, dat de gedachte aan diens handelen en dus aan een onverbogen bijwoord niet voor de hand ligt.

Het is toeval dat dit stukje ontstond in het weekend na het opstappen van twee Limburgse gedeputeerden als gevolg van de onthullingen in NRC Handelsblad.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Op de ketting springen – graven in de sfeer van Sliedrecht?

Mr. A.B. Roosjen was, zeg een halve eeuw geleden, een bekende naam in het Nederlandse omroepland. Dat had hij niet zozeer te danken aan zijn leidinggevende functie bij een voorloper van de NOS als aan zijn voorzitterschap van de NCRV daarvoor. Hij schreef geregeld in het programmablad van de NCRV en het was nog niet 1 januari of we hoorden mr. A.B. Roosjen weer zijn nieuwjaarstoespraak houden.
De Mammoetwet dankt het etiket met die naam aan hem, onderwijsman. Een ander talig feitje is het gegeven dat hij de eerste is van wie de uitdrukking op de ketting springen vindbaar is in de Handelingen. Het gebeurde op 5 juni 1947. Roosjen zat lange jaren voor de ARP (later deel van het CDA) in de Tweede Kamer.

Dat is een kenmerk van op de ketting springen: het zijn vooral protestantse sprekers die deze uitdrukking gebruiken. In dat opzicht is het passend dat André Rouvoet (ChristenUnie) de laatste is die dit stukje Nederlands bezigde aan het Binnenhof (6 april 2011): “Ik blijf een beetje haken achter het woord incidentenpolitiek. Wij gebruiken dat vaak in de trant van: er gebeurt iets, wij springen met zijn allen op de ketting en wij doen iets, zonder er goed over na te denken.”

Nederlands is het Nederlands van iedere spreker, ook in de plenaire zaal. De uitdrukking “aangelegen punt” mag bijvoorbeeld een typisch protestantse wijze van zeggen zijn, niets verhindert de SP’er Jasper van Dijk het ook eens een keertje te gebruiken (op 25 november 2020). Normaliter is dit voorbehouden aan Roelof Bisschop (SGP) en – vooruit dan – een enkele andere spreker uit vooral de protestantse kring. Het springen op de ketting werd buiten de kringen van die groeperingen weleens gezegd door Koos Rietkerk (VVD) of Joop den Uyl (PvdA), maar die onderstreepten er hun kerkelijke afkomst mee. Zo bijzonder het in feite is dat Hans Wiegel het een keer gebruikte, zo te verwachten viel het uit de mond van protestanten als Algra, Bruins Slot, Aantjes.

Den Uyl (PvdA) in Handelingen TK 26.02.1981

Frappant: van Gerda Brautigam (PvdA) is het diverse malen in de Handelingen vindbaar; van Aar de Goede (D66) eenmaal. Mevrouw Brautigam had Rotterdamse roots, De Goede kwam ook uit Zuid-Holland, net als Roosjen.
Het vermoeden (meer is het niet) baseer ik daarop, dat we de oorsprong van op de ketting springen moeten zoeken in de baggerwereld – Sliedrecht als een optelsom van protestants en Zuid-Holland.

Zoeken we via LexisNexis in de krantenbank van tegenwoordig dan scoort het Gereformeerde Nederlands Dagblad het hoogst en in die bron is Piet H. de Jong hofleverancier: tot niet zo lang geleden was deze uit Groningen afkomstige journalist verslaggever aan het Binnenhof.*) In grote lijnen volgen de vindplaatsen van LexisNexis die eerder genoemde twee sporen, vooral Holland (Zuid-Holland allereerst want het AD is goede tweede na het ND, de omgeving van Rotterdam vooraan) én protestants.

Vreemd: Van Dale NN heeft de uitdrukking wél opgenomen (in actie komen voor iemand), maar de grote Van Dale niet. Ook in enkele Koenen-edities trof ik op de ketting springen niet aan. Het megagrote WNT dan? Fehlanzeige.
Afgaande op het gebruik in krant en parlement moet het inderdaad ‘(echt) in actie komen’ betekenen, maar het hoeft allerminst ten behoeve van iemand te zijn. En actie kan twee kanten op vallen, iets pogen te bevorderen maar ook iets proberen tegen te houden.

Hoe de oorsprong precies te vatten? Als internet een grote collectebak om niet te zeggen één baggermachine is, dan zou het uit reacties hieronder moeten blijken. Ter stimulering twee afbeeldingen met dank aan Wikipedia: een illustratie uit het lemma Baggeren en een still uit een item van het Polygoonjournaal aldaar; de docent (die spreekt alsof hij Henk Bleker (voorheen CDA nu FvD) was) wijst een emmerketting aan.

*) Uit zijn antwoord naar zijn gebruik van op de ketting springen (dank!): “Ik was en ben me er niet van bewust dat ik een bijzondere uitdrukking heb gebruikt. Als ik er over nadenk kan ik niet traceren waar ik het vandaan heb gehaald of hoe het in mijn hoofd is beland.” (d.d. 23.03.2021)

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

In dit huis aan het Binnenhof, ook gezellig in 2020

Heeft de Tweede Kamer na de aanvaarding van het nieuwe Reglement van Orde de nieuwe tekst al online gezet? Of geldt nog steeds wat er onder artikel 152 staat in de richting van bezoekers:
“2. Alle tekenen van goed- of afkeuring zijn aan de toehoorders verboden. De
Voorzitter zorgt voor de handhaving van dit verbod en voor de bewaring van behoorlijke stilte. Hij kan bij overtreding degene, die de orde stoort of gestoord heeft, doen vertrekken en desnoods alle toehoorders of allen die zich op een bepaalde tribune bevinden doen verwijderen.

3. De toehoorders zijn verplicht de aanwijzingen van het personeel van de Kamer en
van het toezichthoudend personeel van de politie op te volgen. Bij overtreding hiervan heeft de Voorzitter de bevoegdheden bedoeld in het tweede lid.”

Strenger dan streng is dit Reglement voor ons, bezoekers. Ik veronderstel zelfs dat “alle tekenen van goed- of afkeuring” zó strikt worden uitgelegd dat je op de tribune niet eens met een t-shirt of op klompen mag verschijnen met een mening of de groet Moi!
Hoe anders is dat in de Kamer op de begane grond tijdens de vergaderingen van dit Hoge Huis die afnemend formeel van karakter zijn. Parlementariërs kunnen elkaar tutoyeren, door elkaar heen spreken, zij hoeven zich zelfs niet af te vragen of het wel parlementair is wat zij zeggen,- de statuten en reglementen bieden alle ruimte. Niet alleen voor elke mening, zelfs voor iedere manier waarop deze geuit wordt – ook als dat als grof ervaren wordt. Als volksvertegenwoordiger bedank je de voorzitter dan gewoon voor haar of zijn mening, mocht je van die zijde op iets minder passends gewezen zijn of een bezwaar te horen hebben gekregen. Je zegt gewoon: ik ga over mijn eigen woorden.

In dit Huis (Remieg Aerts e.a. red.)

Maar de sfeer is geregeld ook heel anders! Hieronder staan enkele fragmentjes uit (ongecorrigeerde) Handelingen van de afgelopen maanden die dat laten zien, hoezeer de Tweede Kamer een arena mag heten en misschien zíjn.
Hier gaan we.

• 14 juli 2020
De voorzitter (Arib):
Meneer Smeulders, u begon uw bijdrage met de mededeling dat het precies tien jaar geleden is dat u bent afgestudeerd. Ik dacht: u gaat vertellen dat u morgen jarig bent en dat u …

De heer Smeulders (GroenLinks):
Ik ben morgen jarig. En ik zou vrijdag eigenlijk trouwen.

De voorzitter:
Ja, dat wilde ik ook nog zeggen.

De heer Smeulders (GroenLinks):
Dat klopt. Maar ik had zo weinig spreektijd dat ik dat geskipt hebt, voorzitter.

De voorzitter:
Dan bij dezen.

De heer Smeulders (GroenLinks):
Die bruiloft doen we komend jaar.

De voorzitter:
Van harte gefeliciteerd alvast. Geniet ervan. Daarom dacht ik: ik ga u interrumperen, want dan kunt u het vertellen.

• 16 september 2020
De heer Jetten (D66):
In het pensioenstelsel moeten we niet alleen kijken naar welk recht mensen vandaag hebben, maar ook naar al die andere mensen die deelnemen aan het pensioensysteem.
Van harte gefeliciteerd aan mevrouw Van Brenk, want zij wordt vandaag 60.

De heer Van der Staaij (SGP):
Ik sluit me graag aan bij de felicitaties aan mevrouw Van Brenk. Als we dan toch bezig zijn, zouden we mevrouw Agema ook nog wel even kunnen noemen. Zij is volgens mij vandaag ook jarig.

De heer Jetten (D66):
Ik hoor net dat ik de leeftijd niet had mogen noemen.

De heer Van der Staaij (SGP):
De heer Wilders zegt dat ze 25 is geworden. Dat is niet de eerste keer dat er wel een kern van waarheid zit in wat hij zegt, maar het niet precies klopt.

(Hilariteit)

De voorzitter (Arib):
Waar is mevrouw Agema? Goed, gaat u verder.

De heer Van der Staaij (SGP):
Die heeft nu natuurlijk de benen genomen.

• 26 november 20220
De voorzitter (Arib):
Goed. Dank u wel. Ik schors de vergadering voor twee minuten, zodat er een wisseling kan plaatsvinden. Daarna gaan we verder met de antwoorden …

Minister Grapperhaus:
Zal ik even mijn haar doen?

De voorzitter:
Ja, doe eerst uw haar. Daarna gaan we verder met de minister voor Rechtsbescherming. Minister, er moet eerst schoongemaakt worden. Ik weet dat u zin heeft om gelijk aan de slag te gaan, maar het duurt even dus ik wil twee minuten schorsen.

Minister Grapperhaus:
De collega is niet vies van mij.

De voorzitter:
Nee, dat zie ik. Dank u wel.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

• 13 januari 2021
De voorzitter (Arib):
We gaan verder. Aan de orde is het debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus. Ik heet de minister-president, de minister van VWS en de minister voor Medische Zorg van harte welkom. Ik geef de heer Dijkhoff als eerste spreker namens de VVD het woord. En de heer Dijkhoff is vandaag jarig!

• 19 januari 2021
De voorzitter (Arib):
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Baudet namens Forum voor Democratie. Iedereen is jaloers op uw kapsel zie ik, want iedereen heeft een soort lockdownkapsel.

De heer Baudet (FvD):
Dank u wel. Wie ook wil: ik heb het telefoonnummer van mijn kapper wel beschikbaar voor jullie.

Voorzitter. Vertrouwen in de overheid, in onze rechters of, groter nog, in onze democratische rechtsstaat. Daar gaat het om vandaag.

• 11 februari 2021
De voorzitter (Arib):
We zijn toegekomen aan het VAO Arbeidsmigratie. Ik heet de woordvoerders van harte welkom, net als natuurlijk de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en in het bijzonder de heer Jasper van Dijk, die sinds kort vader is van Sep. Van harte gefeliciteerd! Gaat het goed met hem? Het gaat niet van uw spreektijd af, dus u mag even vertellen hoe het met Sep gaat, en met de moeder natuurlijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dank u wel, voorzitter. Het gaat uitstekend met Sep. Hij is vrijdag geboren. Ik zag al dat er bij de regeling het een en ander over werd gezegd. Hartstikke mooi! De juiste balans vinden tussen werk en privé is altijd een zoektocht.

De voorzitter:
Zo is dat.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Ik ben dinsdag en woensdag netjes thuisgebleven, maar vandaag gaat het over een enorm belangrijk onderwerp, zoals u allemaal weet. Dat ging een beetje kriebelen. Ik dacht: het is de laatste dag voor het reces …

De voorzitter:
Nou, we komen ook …

De heer Jasper van Dijk (SP):
… dus ik wilde u nog even zien, voorzitter.

De voorzitter:
Ja, heerlijk. Wederzijds! Nu gaat de tijd gewoon lopen.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Ja, nu gaat de tijd keihard lopen. En na dit debat ben ik ook gelijk weer weg. Ik hoop dat u dat begrijpt.

Vergis ik mij of is de Tweede Kamer daar onder ons gewoon een huiskamer geworden, vol met familieleden die elkaar beter of minder goed liggen? Met haar een-tweetjes met Paul Smeulders (ik ga u interrumperen, want dan kunt u een paar privé-dingetjes vertellen zonder dat het van uw tijd af gaat), met haar felicitatie aan jarige aanwezigen (én onderhandse toefluisteren om de leeftijden niet te noemen of begint dat verbod pas bij de 50+10 van mevrouw Van Brenk van het chocoladewinkeltje Kris Kringle in de Gaard in Utrecht en had van Fleur Agema wél verteld mogen worden dat ze nog maar 44 was geworden?), met haar vragen naar het welbevinden van de pasgeborene in het gezin van Jasper van Dijk door de voorzitster is het allemaal de sfeer van de familie die bij grootmoeder op visite is.*) Ze houdt de spreektijden tot op de seconde in de gaten, maar zelfs van dat stouterikje, die kleinzoon van Forum voor Democratie ziet ze door de vingers dat deze tijdens de lockdown naar de kapper is geweest. Bij iedereen kwamen er millimeters en millimeters haar bij, bij Geert Wilders waren het céntimeters, bijna met geen schaar te knippen zó lang. Neen, de kappers mochten door corona niet open van Mark, Hugo en Ferd: contactberoep! Mark leed daar samen met zijn imago onder, Hugo liet zijn vrouw een privé-kapperscursus volgen en Ferd profiteerde van zijn kale bol waar hij toch al graag grappen over maakte. Desondanks zei mevrouw Arib tegen Thierry Baudet: “Iedereen is jaloers op uw kapsel zie ik.” Zonder enige schrobbering zei deze aansluitend en in strijd met alle strenge regels, dat hij het telefoonnummer van zijn kapper wel beschikbaar had “voor jullie”. Hij vergat er onderweg naar het spreekgestoelte bij te zeggen dat op dat adres net als bij hem tegelijkertijd een spoelinkje geleverd kan worden, al naar de gewenste kleur.

Mevrouw Arib zag vanaf haar verhoogde zetel dat het goed was. Dikke mik.

In dit huis – Tekstbord (bol.com)

*) Het incidenteel feliciteren van leden en bewindslieden gebeurt nog niet lang in de Tweede Kamer. Als ik het goed zie, is het enigszins begonnen in de jaren negentig van de vorige eeuw.

P.S. In het nieuwe Reglement van Orde (dat in werking treedt met de komst van de nieuwe Kamer) zal de voorzitter (m/v) een nieuw middel ten dienste staan bij de handhaving van de orde:

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie